Buderus Logatop BE 1.3 Handleiding

Buderus Klimaatbeheersing Logatop BE 1.3

Bekijk gratis de handleiding van Buderus Logatop BE 1.3 (48 pagina’s), behorend tot de categorie Klimaatbeheersing. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 27 mensen. Heb je een vraag over Buderus Logatop BE 1.3 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/48
Inbedrijfstellings- en
onderhoudsvoorschrift
Blauwevlambrander
Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO
6 720 618 062 - 12/2006BE/NL
Voor de vakman
Zorgvuldig lezen vóór de
inbedrijfstelling en het
onderhoud

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Buderus
Categorie: Klimaatbeheersing
Model: Logatop BE 1.3

Handleiding Buderus Logatop BE 1.3 – volledige tekst

Algemeen1 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.1 AlgemeenAANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERNeem voor de montage en de werking van de installatie goed nota van de landspecifieke normen en richtlijnen! Land Alle landen Brandstoffen Stookolie EL conform DIN51603-1(viscositeit max. 6,0 mm²/s bij 20 °C) Opmerkingen De brander mag enkel met de aangegeven brandstof branden. De reiniging en het onderhoud dienen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd! Daarbij moet de hele installatie gecontroleerd worden op correct functioneren. Verhelp onmiddellijk vastgestelde gebreken.Dit product voldoet qua constructie en werking aan de Europese richtlijnen evenals aan de bijkomende nationale vereisten.

De conformiteit wordt met de CE-markering aangetoond.U kunt de conformiteitverklaring van het product vinden op het internet bij www.buderus.de/konfo of deze opvragen bij uw filiaal van Buderus.

Veiligheid 2 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 5 2 Veiligheid 2. 1 Met betrekking tot deze handleidingDit inbedrijfstellings- en onderhoudsvoorschrift bevat belangrijke informatie betreffende een veilige en vakkundige montage, inbedrijfstelling en dito onderhoud en ontstoring van de blauwevlambrander Logatop BE1. 3 ECO resp. 2. 3 ECO. Het inbedrijfstellings- en onderhoudsvoorschrift richt zich tot de vakman, die – op basis van zijn opleiding en ervaring – beschikt over de nodige kennis wat betreft verwarmings- evenals stookolie-installaties. De blauwevlambranders Logatop BE 1. 3 ECO en 2. 3 ECO worden in dit voorschrift "brander" genoemd. Neem de onderstaande aanwijzingen voor uw eigen veiligheid in acht. 2.

2 Reglementair gebruikDe brander mag enkel gecombineerd worden met de onderstaande ketels van het type Logano en hun opvolgers: – Logano G125 ECO – Logano S125 ECODe volautomatisch werkende brander voldoet aan de eisen van de normen DIN EN 230 en DIN EN 267. De brander werd in de fabriek warm getest en vooringesteld op het betreffende nominale ketelvermogen (zie etiket aan de brander), opdat u bij de eerste inbedrijfstelling de branderinstellingen enkel nog hoeft te controleren en eventueel aan de plaatselijke voorwaarden aan te passen. 2. 3 Opbouw van de aanwijzingenEr bestaan twee soorten aanwijzingen die door verschillende signaalwoorden worden aangeduid:Verdere symbolen voor het markeren van gevaren en aanwijzingen voor de gebruiker:WAARSCHUWING.

LEVENSGEVAARWijst op een gevaar dat eventueel van het product uitgaat en dat kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel, zelfs met de dood tot gevolg, wanneer onvoldoende voorzorgsmaatregelen genomen worden. OPGELET. GEVAAR VOOR VERWONDINGEN/ SCHADE AAN DE INSTALLATIEWijst op een situatie die mogelijk gevaarlijk is en die zou kunnen leiden tot matig of licht lichamelijk letsel of materiële schade. WAARSCHUWING.

Veiligheid2 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 2.4 Neem deze aanwijzingen in achtWAARSCHUWING!LEVENSGEVAARdoor vergiftiging.Een ontoereikende luchttoevoer naar de CV-installatie kan leiden tot het ontsnappen van gevaarlijke rookgassen. z Wanneer u de CV-installatie in gebruik neemt, mogen de luchttoevoer- en afvoeropeningen niet afgesloten zijn. De diameters van de luchttoevoer- en afvoeropeningen moeten overeenstemmen met de berekende waarden. z Wanneer de luchttoevoer- en afvoeropeningen niet voldoen aan de eisen, mag de verwarmingsinstallatie niet in werking gesteld worden.WAARSCHUWING!BRANDGEVAARdoor ontbrandbare materialen of vloeistoffen.

z Zorg ervoor, dat er zich voor het begin van de werkzaamheden geen ontvlambare materialen of vloeistoffen in de plaatsingsruimte bevinden.OPGELET!SCHADE AAN DE BRANDERdoor verontreinigde verbrandingslucht. z Vermijd sterke stofvorming.OPGELET!SCHADE AAN DE INSTALLATIEdoor verstopte filters.Filters die direct na het vullen van de tank verstopt raken, kunnen erop wijzen dat het door het vullen opgewervelde slib aangezogen werd. z Deel uw klant mee de verwarmingsinstallatie tijdens het vullen van de tank uit te schakelen en ook na het vullen minimaal 6 uur te wachten voordat deze weer wordt ingeschakeld.WAARSCHUWING!LEVENSGEVAARdoor elektrische stroom. z Schakel de verwarmingsinstallatie stroomloos vooraleer u werkzaamheden uitvoert aan de installatie!OPGELET!SCHADE AAN HET TOESTELdoor onvakkundige reparaties.

Productbeschrijving 3 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 7 3 ProductbeschrijvingDe hoofdcomponenten van de brander zijn: – Oliepomp met magneetventiel met aansluitslangen voor stookolie (afb. 1, pos. 1) – Brandermotor (afb. 1, pos. 2) – Branderbuis (afb. 1, pos. 3) – Branderautomaat met resettoets (afb. )1, pos. 5 – Fotocel (afb. )1, pos. 6 – 7Ventilator (afb. 1, pos. )De brander (afb. 1) is reeds verbonden met het regeltoestel via een stekkerverbinding (7-polige branderstekker).De sturing en de controle van de brander worden overgenomen door de geaggregeerde branderautomaat. – Nadat de elektronische ketelregeling een warmtevraag doorgestuurd heeft, wordt de brander ingeschakeld en wordt de olie voor en in de verstuiver opgewarmd tot ongeveer 65 °C. Bij een koude start kan dit maximaal drie minuten duren.

– Na afloop van de voorontstekingstijd wordt voor olievrijgave de magneetklep aangestuurd en wordt het brandstof-luchtmengsel ontstoken. – Onmiddellijk na de ontsteking vormt zich een blauw brandende vlam. – De olie die door de sproeier wordt verstoven, wordt bij dit verbrandingssysteem door middel van teruggeleide stookgassen verdampt (gasvormig), homogeen met de verbrandingslucht gemengd en daarna binnenin de branderbuis verbrand. – Voor de veiligheidstijd verstreken is, moet de fotocel een vlamsignaal melden, want anders zal de brander op storing gaan. Pos. 1: Oliepomp met magneetventiel en olieaansluitslangen Pos. 2: Brandermotor Pos. 3: Branderbuis Pos. 4: Branderaansluiting voor 7-polige branderstekker Pos. 5: Branderautomaat met resettoets Pos. 6: Fotocel Pos. 7: Ventilator1236754

Servicewerkzaamheden aan de branderautomaat LMO uitvoeren5 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 5 Servicewerkzaamheden aan de branderautomaat LMO uitvoerenDe branderautomaat regelt de inbedrijfstelling en de controle van de brander. De vlambeveiliging gebeurt bij dit soort branders door middel van een blauwefotocel (fotocel). De branderautomaat wordt enkel via het regeltoestel van de ketel aangestuurd. Bij een storing kunt u de resettoets (afb. 6, pos. 1) op de branderautomaat indrukken (zie hoofdstuk 5.3 "Storingen aan de branderautomaat verhelpen", pagina .14) 5.1 Programmaverloop Pos. 1: Resettoets Pos. 2: Lipje12WAARSCHUWING!LEVENSGEVAARdoor elektrische stroom. z Open de branderautomaat niet en voer geen ingrepen of wijzigingen aan de branderautomaat uit.

z Wanneer het toestel gevallen is, mag het niet meer in bedrijf gesteld worden, aangezien de veiligheidsfuncties ook zonder uiterlijk zichtbare beschadiging verstoord kunnen zijn.geelgeelknipperend groen/groen knipperendLegende: R : temperatuur- resp. drukregelaar W : temperatuur- resp. drukbewaking SB : veiligheidsbegrenzer OH : olievoorverwarmer OW : vrijgavecontact van de olievoorverwarmer M : brandermotor BV1 : magneetventiel 1 Z : ontstekingstransformator FS : vlamsignaal LED : 3-kleurig signaallampje tw : wachttijd t1’ : doorluchtingstijd t1 : voorverluchtingstijd t3 : voorontstekingstijd t3n : na-ontstekingstijd TSA : veiligheidstijd start A´ : begin van de inbedrijfstelling bij branders met "OH" A : begin van de inbedrijfstelling bij branders zonder "OH" B : tijdstip van de vlamvorming C : werkpositie D : regeluitschakeling door "R"

Servicewerkzaamheden aan de branderautomaat LMO uitvoeren5 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 5.3 Storingen aan de branderautomaat verhelpenNa een uitschakeling door een storing licht de LED op de branderautomaat "rood" op. Aan de hand van een "knippercode" kunnen de storingen weergegeven worden. Ga daarbij als volgt tewerk: z Druk de resetknop ca. vijf seconden in, tot de LED kort "geel" knippert.zDe oorzaak van de storing wordt aan de hand van de "knippercode" achterhaald; verhelp de storing (tab. 8). z Druk de resettoets ca. een seconde in, om de diagnose stop te zetten en de brander weer te ontgrendelen.

Knippercode Mogelijke oorzaak Verhelpen 2 × knipperen Geen vlamvorming binnen de veiligheidstijdStoringen verhelpen (zie hoofdstuk 10 "Branderstoringen verhelpen", pagina .42) 4 × knipperen Secundair licht bij de branderstart 7 × knipperen Doven van de vlam tijdens werking 8 × knipperen Tijdcontrole olievoorverwarmer Elektrische verbindingen eerst controlen.Eventueel olievoorverwarmer vervangen. 10 × knipperen Interne fout Ontgrendel de branderautomaat Bekabelingsfout (ontstoringstoets indrukken gedurende een seconde).Branderautomaat evt. vervangen. LED "flikkert" Interfacemodus is actief Door het indrukken van de resettoets (> vijf seconden) kunt u de interfacediagnose activeren.Wanneer u de interfacediagnose per ongeluk geactiveerd heeft (LED "flikkert" zwak rood), kunt u die weer uitschakelen door opnieuw op de resettoets te drukken (> vijf seconden).

Het juiste omschakeltijdstip wordt door de LED met een gele lichtimpuls aangegeven.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERTijdens de diagnose van de storing zijn de besturingsuitgangen spanningsloos, de brander blijft uitgeschakeld.

Brander in bedrijf stellen 6 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 15 6 Brander in bedrijf stellenIn dit hoofdstuk wordt beschreven, hoe u de brander in gebruik kunt nemen.Aangezien de brander in de fabriek "warm getest" en vooringesteld werd, hoeft u enkel de instelwaarden te controleren en aan de installatie aan te passen. z Vul vervolgens het inbedrijfstellingsprotocol in (zie hoofdstuk 6.8 "Inbedrijfstellingsprotocol", pagina 23). 6.1 Elektrische stekkerverbindingen controleren z Controleer of alle elektrische stekkerverbindingen correct geplaatst zijn. 6.2 Installatie voor olietoevoer controleren en aansluiten Vooraleer u de olietoevoer aan de brander aansluit, moet u controleren of alle olievoerende leidingen en de oliefilter schoon en afgedicht zijn.

z Voer een visuele controle van de olieleiding uit en reinig of vervang ze eventueel. z Controleer de oliefilter, vervang hem eventueel. z Controleer de installatie voor olietoevoer (zie hoofdstuk 9 "Installatie voor olietoevoer ontwerpen", pagina 36). z Sluit de olieslang van de brander aan op een oliefilter. Legenda voor afb. 8 en afb. 9: Pos. 1: Olieaanzuigleiding (rode band) Pos. 2: Retourleiding (blauwe band)2 12 1AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERDe brander wordt om veiligheidsredenen geleverd in "storingstoestand".AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERLet erop, dat de olieaanzuig- en retourleiding (afb. 8 en afb. 9) niet verwisseld worden.

Brander in bedrijf stellen6 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 6. 3 Olieleiding ontluchtenOm de werking van de brander te garanderen, moet u de installatie voor olietoevoer controleren (zie hoofdstuk 9 "Installatie voor olietoevoer ontwerpen", pagina 36). Met name bij oudere installaties moeten de zuigweerstand en de dichtheid gecontroleerd worden. Er bestaan twee manieren om de olieleiding te ontluchten: – olieaanzuigpomp – zo vermijd u dat de oliepomp zonder olie draait en zo beschadigd zou worden. – brandertestapparaat (afb. 11, pos. 1; toebehoren) – wanneer de olieaanzuig gebeurt door de op de brander gebouwde oliepomp. Hieronder wordt de ontluchting van de olieleiding met het brandertestapparaat (afb. 11, pos. 1) beschreven. z Monteer de vacuümmeter (afb. 10, pos. 3) met transparante slang (afb. 10, pos.

4; toebehoren), zoals te zien is in afbeelding 10, tussen de oliefilter (afb. 10, pos. 5) en de olieaanzuigleiding (afb. 10, pos. 1). z Schakel de CV-installatie stroomloos. zNeem de branderautomaat (afb. 10, pos. 2) van de sokkel. z Plaats het brandertestapparaat (afb. 11, pos. 1) op de vrijliggende sokkel. z Schakel de CV-installatie in. z Schakel de bedrijfsschakelaar van het regeltoestel in. De LED (rood) licht op (afb. 11, pos. 2). zSchakel het brandertestapparaat via de bedrijfsschakelaar (afb. 11, pos. 5) in. De beide LED’s (rood en groen) lichten op (afb. 11, pos. 2 en 3). z Schakel de schakelaar voor overbrugging van de olievoorverwarmer (afb. 11, pos. 4) in. z Controleer aan de transparante slang of de aangezogen olie geen luchtbellen bevat (afb. 10, pos. 4). Pos. 1: Olieaanzuigleiding Pos. 2: Branderautomaat Pos. 3: Vacuümmeter Pos. 4: Transparante slang Pos.

z Olieverbindingen op dichtheid controleren. Pos. 1: Resettoets Pos. 2: Branderautomaat12OPGELET!SCHADE AAN DE INSTALLATIEdoor het te vaak indrukken van de resetknop.Wanneer de brander niet start en u de resetknop meer dan drie maal vlak achter elkaar indrukt (binnen een tijdspanne van drie minuten), kan de ontstekingstrafo van de brander beschadigd worden. z Ontlucht het systeem met behulp van de ingebouwde oliepomp en niet door de resettoets meermaals in te drukken (afb. 12, pos. 1).AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERDe brander bevindt zich bij de levering in de storingsstand (de LED van de resettoets licht permanent "rood" op). U moet de brander resetten.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERVoor elke start (inschakelen) doorloopt de branderautomaat een zelftest (ca. vijf seconden).

Brander in bedrijf stellen6 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.Wanneer de brander niet start: z druk de resettoets in (afb. 12, pos. 1).Als de brander ook na het veelvuldig indrukken van de resettoets niet in bedrijf gaat, moet u de oorzaak van het probleem bepalen aan de hand van het functiestroomdiagram (zie hoofdstuk 10.1 "Functiestroomdiagram", pagina 42). 6.5 Bevestigingsschroeven van de branderdeur vaster aandraaienOpdat er geen valse lucht in de vuurhaard zou binnendringen, moet u de bevestigingsschroeven van de branderdeur in warme toestand handvast aandraaien met behulp van gereedschap (ca. 10 Nm). z Bevestigingsschroeven van de branderdeur vaster aandraaien. 6.6 Meetwaarden opnemen of corrigeren De metingen geschieden hoofdzakelijk in de rookgasleiding (afb. 13). De meetopening (mof; afb. 13, pos.

2) moet op een afstand "A" (ca. 2 × diameter rookgasleiding "D") van de rookgasaansluitstomp aangebracht worden (afb. 13). Wanneer de rookgasinstallatie direct na de verwarmingsketel met een bocht is aangesloten, moet voor de bocht gemeten worden. z Let erop, dat de rookgasleiding tussen de rookgasaansluitstomp en het meetpunt afgedicht is, want valse lucht beïnvloedt de meetresultaten. Pos. 1: Afdichtmanchet voor de rookgasleiding Pos. 2: Meetopening (mof) Pos. 3: Meetsonde321AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWe raden u aan om een afdichtmanchet te gebruiken voor de rookgasleiding (afb. 13, pos. 1).

Brander in bedrijf stellen 6 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 19 6.6.1 Meetwaarden opnemenDe ketelwatertemperatuur heeft een aanzienlijke invloed op de rookgastemperatuur. Meet daarom indien mogelijk bij een ketelwatertemperatuur van ca. 60 °C en een branderlooptijd van meer dan vijf minuten. z Plaats de meetsonde (afb. 13, pos. 3, pagina 18) tot in de kernstroom (midden van de rookgasleiding) van de rookgassen (hoogste rookgastemperatuur). z Neem de meetwaarden op en noteer deze in het inbedrijfstellingsprotocol (zie hoofdstuk 6.8 "Inbedrijfstellingsprotocol", pagina 23). z Nadat de metingen werden uitgevoerd, moet u de verschillende meetopeningen sluiten.

6.6.2 Rookgasverlies (qA) berekenenHet rookgasverlies mag de voorgeschreven waarde van de Duitse norm BImSchV niet overschrijden.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWij raden u aan om de voorinstellingen die in de fabriek gedaan werden, te controleren en deze niet te wijzigen, wanneer deze overeenstemmen met de technische gegevens.qA = (tA – tL) xxxxx (0,5/CO2 + 0,007) in %tA = rookgastemperatuur bruto in °CtL = luchttemperatuur in °CCO 2 = koolstofdioxide in %

Brander in bedrijf stellen6 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 6.6.3 Bijstellen bij afwijkingen van de technische gegevensBij afwijkingen ten opzichte van de opgegeven technische gegevens (zie hoofdstuk 4 "Technische gegevens en leveringsomvang", pagina 8) moet u als volgt tewerk gaan: – Stel het CO2-gehalte bij – CO-gehalte (koolstofmonoxide) meten – De aanzuigluchtgeleiding instellen – Meet de trek van de schoorsteen – Roettest uitvoerenCO2- gehalte bijstellenWanneer u lichtjes draait aan de drukregelschroef (afb. 14, pos. 1 of afb. 15, pos. 1), wijzigt u de druk van de oliepomp en bijgevolg het CO2-gehalte.

z Schroef de oliedruk-manometer in de betreffende aansluiting van de oliepomp (merkteken "P").Wanneer het voorziene CO2-gehalte binnen de grenzen van de oliedruk niet bereikt wordt, moet u de dichtheid aan stookgaszijde eerst controleren (zie hoofdstuk 8.2 "Dichtheid aan stookgaszijde controleren", pagina 34).CO-gehalte (koolstofmonoxide) metenHet CO-gehalte (koolstofmonoxidegehalte) moet lager liggen dan 50 ppm (CO < 50 ppm). z Bij afwijkingen ten opzichte van de aangegeven waarde – storingen verhelpen (zie hoofdstuk 10 "Branderstoringen verhelpen", pagina 42).11Druk verhogen: Naar rechts draaien = CO2-gehalte verhogenDruk verlagen: Naar links draaien = CO2-gehalte verlagenAANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWanneer u bij de eerste inbedrijfstelling een te hoge CO-waarde meet, kan dat te wijten zijn aan het ontgassen van een organische bindstof (b.v. uit de deurisolatie).

Brander in bedrijf stellen 6 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 21Aanzuigluchtgeleiding instellenIndien het CO2-gehalte niet enkel door een aanpassing van de oliedruk (oliedruk buiten het instelbereik) ingesteld kan worden, moet bovendien het luchtvolume via de aanzuigluchtgeleiding gewijzigd worden. z Maak de aanzuigluchtgeleiding (ALF) los (afb. 16, pos. 1). z Pas de statische ventilatordruk aan door de aanzuigluchtgeleiding te verdraaien.Let erop, dat bij een hogere ventilatordruk een verschuiving van de regelaar resulteert in kleinere waarden op de schaal. Dat stemt overeen met de richting van de pijl in afb. 16. z Stel de oliedruk bij (zie hoofdstuk "CO2- gehalte bijstellen", pagina 20), zodat het CO2-gehalte binnen het waardenbereik ligt (zie hoofdstuk 4.3 "Instelwaarden en sproeieruitrusting", pagina 10).

Vervang eventueel de sproeiers.Trek van de schoorsteen meten Als de opvoerdruk te hoog ligt, moet u een bijkomende trekregelaar inbouwen.Indien voor de instelling van de schoorsteentrek de inbouw van een bijkomende trekregelaar noodzakelijk is, moet u die inbouwen in de schoorsteen en niet in de rookgasleiding. Zo vermijd u een geluidsoverdracht in de opstellingsruimte.Roettest uitvoerenHet roetgetal moet "0" bedragen (RZ = 0). z Bij afwijkingen ten opzichte van de aangegeven waarde – storing verhelpen (zie hoofdstuk 10 "Branderstoringen verhelpen", pagina 42). Pos. 1: Bout Pos. 2: Schaal Pos. 3: Pijl op de schaal van de aanzuigluchtgeleiding Pos. 4: Hendel voor het instellen van de aanzuigluchtgeleiding12134 Schaal Luchtvolume CO2-gehalte 0 maximaal minimaal 6 minimaal maximaalOPGELET!SCHADE AAN DE INSTALLATIEdoor schoorsteenvervuiling.

Brander in bedrijf stellen6 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 6.7 Veiligheidstest uitvoeren z Trek de fotocel, wanneer de brander draait, aan de voorziene plaats uit de houder (afb. 17, pos. 3). zHoud de fotocel tegen het licht (afb. 17, pos. 1). Bij de herstart moet er een uitschakeling door storing plaatsvinden. z Steek de fotocel na de uitschakeling door storing weer op haar plaats. z Ontgrendel na een wachttijd van ca. 30 seconden de branderautomaat door de resetknop (afb. 17, pos. 2) in te drukken. z Voer een werkingstest (zie hoofdstuk 6.4 "Brander starten", pagina 17) uit. Pos. 1: Fotocel Pos. 2: Resettoets Pos. 3: Greep op de fotocel312

Brander inspecteren en onderhouden7 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 7 Brander inspecteren en onderhoudenIn dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de brander moet inspecteren en onderhouden. z Inspectie- en onderhoudsprotocol invullen (zie hoofdstuk 7.11 "Inspectie- en onderhoudsprotocol", pagina .32)Bij het begin van de inspectie en het onderhoud moet u de meetwaarden opnemen wanneer de brander draait. Voor de daaropvolgende inspectie- of onderhoudswerkzaamheden moet u de verwarmingsinstallatie buiten werking stellen.

7.1 Meetwaarden opnemen, eventueel corrigeren z Neem de meetwaarden conform punt 1 van het onderhoudsprotocol op (zie hoofdstuk 6.6 "Meetwaarden opnemen of corrigeren", pagina .18) z Noteer de meetwaarden (zie hoofdstuk 7.11 "Inspectie- en onderhoudsprotocol", pagina .32) 7.2 Branderkap en brander controleren z Controleer of er geen uitwendige vervuiling of beschadiging is bij branderkap en brander. z Let met name op stof, corrosie, defecte olieleidingen of stroomkabels en een beschadigde behuizing of mantel. 7.3 Brandermotor op werking testen, eventueel vervangen z Test de werking van de brandermotor en controleer de bedrijfsgeluiden. Wanneer er werkingsgeluiden hoorbaar zijn, duidt dit op een beschadiging van de lagers. z Vervang de brandermotor.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWisselstukken kan u steeds bij het filiaal van Buderus verkrijgen.

Brander inspecteren en onderhouden 7 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 25 7.4 Brander buiten bedrijf stellen z Sluit de afsluitkraan van de olie voor de oliefilter. z Schakel de CV-installatie stroomloos. z Neem de branderkap weg. z Trek de branderstekker eraf. 7.5 Filter van de oliepomp reinigen, eventueel vervangen 7.5.1 Bij Danfoss-oliepompen z Draai de inbusschroef aan de bovenzijde (afb. 18, pos. 2) los. z Trek de oliepompfilter (afb. 18, pos. 1) naar boven toe eruit. z Controleer of de afdichting niet beschadigd is en vervang deze eventueel. z Reinig de filter van de oliepomp (afb. 18, pos. 1) met wasbenzine, vervang hem eventueel en bouw hem weer in de oliepomp in. 7.5.2 Bij Suntec-oliepompen z Draai de vier inbusschroeven (afb. 19, pos. 1) los. z Neem het deksel van de behuizing (afb. 19, pos. 2) weg.

Brander inspecteren en onderhouden7 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 7.6 Ventilatorwiel op vervuiling en beschadiging controlerenAls u het ventilatorrad wil controleren, moet u als volgt tewerk gaan:Geluiddemper aanzuig demonteren z Draai de bevestigingsschroeven (afb. 20 , pijlen) los en neem de geluiddemper van de aanzuig (afb. 20, pos. 1) af.Afdekking van de ventilator wegnemen z Draai de zes bevestigingsschroeven (afb. 21, pijl) los en neem de afdekking van de ventilator weg. 7.6.1 Bij geringe vervuiling z Reinig het ventilatorwiel met een borsteltje. 7.6.2 Bij sterke vervuiling z Schroef het ventilatorwiel (afb. 22, pos. 1) met een sleutel voor cylinderkopschroeven (afb. 22, pos. 2) los en trek het van de as. z Voer de reiniging uit met een gewoon reinigingsmiddel. z Monteer het ventilatorwiel (afb. 22, pos.

1) weer. z Bevestig de afdekking van de ventilator (afb. 21) en de geluiddemper van de aanzuig (afb. 20, pos. 1) weer.112AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERLet er bij de montage op, dat de schroef van het ventilatorrad zich op de afvlakking van het rad bevindt. Controleer of het rad vrij draaien kan! De afstand tussen de achterwand van het ventilatorrad en de motorflens moet 0,5 mm bedragen.OPGELET!GEVAAR VOOR VERWONDINGEN z Laat de brander enkel draaien wanneer de geluiddemper zich op de aanzuigzijde bevindt.

25, pos. 4) los. z Ontstekingselektrode (afb. 25, pos. 5) demonteren. 7.7.2 Mengsysteem controleren, eventueel vervangenHet is normaal dat er zich een dunne zwarte laag op het mengsysteem bevindt; deze heeft geen invloed op de werking. Bij sterke vervuiling moet u het mengsysteem reinigen of vervangen. Houd daarbij rekening met de markering van het mengsysteem (zie hoofdstuk 4 "Technische gegevens en leveringsomvang", pagina 8) z Maak de draadstift (afb. 25, pos. 3 , pagina 27) los en trek het mengsysteem (afb. 25, pos. 2, pagina 27) naar boven los.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERU kunt de demontage van de brander vereenvoudigen, wanneer u de schroeven van de bajonetbevestiging vijf tot zes slagen losdraait.131425OPGELET!SCHADE AAN DE INSTALLATIEdoor defecte ontstekingsleiding. z Let erop, dat u de ontstekingsleidingen niet met een tang lostrekt of bevestigt.

z U kunt het correcte type sproeier in de technische gegevens (zie hoofdstuk 4 "Technische gegevens en leveringsomvang", pagina 8) vinden.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWanneer u vaststelt, dat de afsluitklep defect is, moet u deze vervangen (zie hoofdstuk 7.7.4 "Afsluitklep in de olievoorverwarmer controleren, eventueel vervangen", pagina .29) Pos. 1: Houderleiding Pos. 2: Kijkbuis Pos. 3: Mengsysteem Pos. 4: Ontstekingsleidingen44123AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER z Draai het mengsysteem voor het vastschroeven zo, dat de kijkbuis en de houderleiding op één lijn liggen.

Brander inspecteren en onderhouden 7 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 29 7. 7. 4 Afsluitklep in de olievoorverwarmer controleren, eventueel vervangenDe afsluitklep (afb. 28, pos. 3) in de olievoorverwarmer functioneert als een terugslagklep. Wanneer de oliepomp in werking is, drukt deze de stookolie door de afsluitklep. Als de pomp uitschakelt, sluit de afsluitklep af met een veer (afb. 28, pos. 1). Wanneer er zich aan de afsluitplaat van de brander olie bevindt, kan dat wijzen op een defect aan het afsluitventiel. Vervang in dat geval de afsluitklep. z Demonteer de sproeier (afb. 26, pagina 28). z Schroef de schroef M5 × 50 (afb. 28, pos. 2) vast en trek het afsluitventiel (afb. 28, pos. 3) eruit. z Draai de schroef eruit en draai ze in het nieuwe afsluitventiel.

Brander inspecteren en onderhouden7 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 7.7.6 Brander monteren en afdichting controleren z Controleer, vooraleer u de brander inbouwt, de dichting (afb. 29) tussen het mengsysteem en de branderbuis. z Plaats de dichting (afb. 29, pagina 29) in de branderbuis. z Plaats de brander op de beide schroeven in de branderflens (afb. 29, pagina 29). z Schuif het mengsysteem in de branderbuis.zDraai naar links tot aan de aanslag en draai de bevestigingsschroeven (afb. 29, pagina 29) weer aan.Wanneer de brander is bevestigd, moet u controleren of het mengsysteem correct geplaatst is. z Trek de toevoerleiding voor olie (afb. 30, pos. 1) er ca. 5 mm uit. z Controleer, als de branderdeur is geopend (afb. 31, pos. 1) of de dichting (afb. 31, pos. 2) correct gepositioneerd is.

7.8 Bevestigingsschroeven van de branderdeur vastdraaien z Sluit de branderdeur (afb. 31, pos. 1) en draai de bevestigingsschroeven van de branderdeur vast (ca. 10 Nm).AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERVervang de beschadigde afdichtingen, om een correcte werking te garanderen en om de rookgaswaarden te respecteren.1AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERHet mengsysteem moet vanzelf in zijn uitgangspositie terugveren. Indien dat niet het geval is, kan het mengsysteem valse lucht krijgen, wat een nadelige invloed heeft op de verbranding.21AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERAls de brander weer in werking is, moet u de bevestigingschroeven in warme toestand nog eens vaster aandraaien.

Brander inspecteren en onderhouden 7 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 31 7.9 Controleren of elektrische verbindingen goed vast zitten z Elektrische aansluitingen weer tot stand brengen. z Controleer of alle elektrische aansluitingen vastzitten. 7.10 Veiligheidstest uitvoeren z Brander in werking stellen (zie hoofdstuk 6.4 "Brander starten", pagina .17) z Trek de fotocel, wanneer de brander draait, aan de voorziene plaats uit de houder (afb. 32, pos. 3). z Houd de fotocel tegen het licht (afb. ). 32, pos. 1Bij de herstart moet er een uitschakeling door storing plaatsvinden. z Reinig de fotocel met een zachte doek. z Steek de fotocel na de uitschakeling door storing weer op haar plaats. z Ongrendel, na een wachttijd van ongeveer 30 seconden de branderautomaat door de ontstoringstoets (afb. 32, pos.

Brander inspecteren en onderhouden7 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 7. 11 Inspectie- en onderhoudsprotocolDankzij het inspectie- en onderhoudsprotocol krijgt u een overzicht van de uit te voeren inspectie- en onderhoudswerkzaamheden. Vul het protocol bij de inspectie en het onderhoud in. z Duid de uitgevoerde inspectie- en onderhoudswerkzaamheden aan, onderteken het protocol en vul de datum in. Inspectie- en onderhoudswerkzaamheden voordien nadien voordiennadien 1. 24Meetwaarden opnemen, eventueel corrigeren pagina a) rookgastemperatuur bruto pagina 24 _____ °C _____ °C _____ °C_____ °C b) luchttemperatuur meten pagina 24 _____ °C _____ °C _____ °C_____ °C c) rookgastemperatuur netto (rookgastemp. bruto – luchttemp.

Aanvullende werkzaamheden uitvoeren8 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 8 Aanvullende werkzaamheden uitvoerenIn dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de stroom van de fotocel moet meten en de rookgaszijdige dichtheid kan controleren. 8.1 Voelerstroom metenDe voelerstroom kan gecontroleerd worden met een adapter voor UV-stroommeting (afb. 33, pos. 2) evenals een gelijkstroom-meetapparaat (afb. 33, pos. 1) met maximaal 5 kΩ interne weerstand. Een onstabiel vlamsignaal (voelerstroom < 45 µA) is ook te zien aan de LED van de LMO (groen knipperend) (zie tab. 7, pagina 13). De voelerstroom moeten tijdens werking ten minste 80 µA (zonder vlam < 5 µA) bedragen.Wanneer de voelerstroom kleiner is dan 80 µA, moet u de fotocel reinigen en de opening naar de verbrandingsruimte controleren.

z Trek de fotocel bij draaiende brander aan de daarvoor bestemde greep uit de houder. z Controleer bij de opening of de vlam zichtbaar is. z Reinig de fotocel met een zachte doek. z Steek de fotocel weer op haar plaats. 8.2 Dichtheid aan stookgaszijde controlerenLekkages van het ketelblok of van de rookgasinstallatie kunnen tot foutieve metingen van het CO2-gehalte leiden. In de rookgasleiding wordt een lager CO2-gehalte gemeten dan effectief aanwezig is, doordat er een bijkomende hoeveelheid lucht bijgemengd wordt. Bij bedrijfsstoringen of onbevredigende verbrandingsresultaten moet u de CO2-meting aan de hand van het volgende procédé controleren.12Branderautomaat

Aanvullende werkzaamheden uitvoeren 8 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 35 8.2.1 Knikpunt bepalenDe brander werkt doorgaans met luchtoverschot.Wanneer de hoeveelheid olie de maximum hoeveelheid die nog net compleet verbrand kan worden benadert, is er een duidelijke toename van de CO-uitstoot.Bij de brander kan deze toename vanaf een CO2-gehalte van 14,8 % worden geobserveerd. Dat wordt ook wel het knikpunt genoemd.Ga als volgt tewerk: z Verhoog de oliedruk, tot er CO-waarden van 100 ppm – 200 ppm gemeten worden. z Lees de CO2-concentratie (knikpunt met invloed van valse lucht) af.Wanneer het zo berekende knikpunt met invloed van valse lucht onder 14,3 % (afwijking > 0,5 %) ligt, dan bevindt er zich een lek tussen de brander en het meetpunt. z Dicht het lek af.

8.2.2 Voer de meting in de verbrandingsruimte uitDe meting gebeurt in principe in de rookgasleiding (zie hoofdstuk 6.6 "Meetwaarden opnemen of corrigeren", pagina 18). Een directe meting in de verbrandingsruimte kan echter ook via de inspectie-opening van de ketel uitgevoerd worden.Wijkt de meting in de verbrandingsruimte meer dan 0,5 % af van de meting in de rookgasleiding, dan bevindt er zich een lek in het rookgaskanaal. z Dicht het lek af.Nadat u de dichtheid aan stookgaszijde heeft gewaarborgd, moet de brander nog geoptimaliseerd worden met betrekking tot de rookgaswaarden (zie hoofdstuk 6 "Brander in bedrijf stellen", pagina .15)

Installatie voor olietoevoer ontwerpen9 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 9 Installatie voor olietoevoer ontwerpen Bereken de installatie voor de olietoevoer, bestaande uit de tank en het leidingsysteem, zodanig dat een minimum olietemperatuur van +5 °C bij de brander niet wordt onderschreden. 9.1 Oliefilter installeren z Installeer een oliefilter voor de brander.

Om verstoppingen van de sproeier te vermijden, raden wij u aan om filters van sinterkunststof (SiKu) te gebruiken.Parameters van de installatie voor de olietoevoerGegevensAanbevolen binnendiameter van de olieleidingendi 4...10 Maximum aanzuighoogte H = m3,50 Maximum aanvoerdruk 0,5 bar Maximum retourdruk 1 bar Maximum aanzuigweerstand (vacuüm) 0,4 barAANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERHet gebruik van stookolieadditieven met verbrandingskatalysatoren wordt niet aanbevolen, aangezien dat voor deze brander geen betere verbrandingsresultaten tot gevolg heeft. Sproeiergrootte gph Filterfijnheid in µm 0,40 0,60 – maximaal 40 > 0,6 maximaal 75OPGELET!SCHADE AAN DE INSTALLATIEdoor verstopte sproeier. z Let erop, dat bij sproeiergroottes van kleiner dan 0,6 gph in principe geen vilten filters gebruikt worden.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERGeschikte oliefilters zijn bij Buderus als toebehoren beschikbaar.

Installatie voor olietoevoer ontwerpen 9 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 37 9.2 Olietoevoerleidingen dimensioneren De brander kan zowel in een eenpijp- als in een tweepijpsysteem aangesloten worden. Bij toepassing van een eenpijpsysteem worden de aanzuigleiding en de retourleiding aangesloten op een stookoliefilter met een retourtoevoer. Er wordt dan één pijp van de stookoliefilter met retourtoevoer naar de olietank geleid.Tot de lengte van de olieleiding worden alle horizontale en verticale leidingen evenals de bochten en koppelstukken gerekend.De in de tab. 12 tot tab. 15, pagina 38 tot pagina 39 aangegeven maximum lengte van de aanzuigleiding in meter wordt bepaald in functie van de aanzuighoogte en de kleine leidingdiameter.

Voor de berekening wordt er rekening gehouden met alle afzonderlijke weerstanden van terugslagklep, afsluitkraan en vier bochten bij een olieviscositeit van ca. 6 cSt.Bij extra weerstanden, b.v. door koppelstukken en bochten, moet de leidinglengte dienovereenkomstig worden gereduceerd. Bij het leggen van de olieleiding moet u uiterst zorgvuldig tewerk gaan. De noodzakelijke leidingdiameter is afhankelijk van de statische hoogte en van de leidinglengte (zie tabellen op de volgende pagina’s).De leiding voor de olietoevoer moet zo dicht bij de brander gebracht worden, dat de flexibele aansluitslangen zonder mechanische spanning aangesloten kunnen worden.Maak gebruik van de geschikte materialen voor de olieleidingen.

Installatie voor olietoevoer ontwerpen9 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 9. 3 Vacuüm controlerenHet maximale vacuüm (onderdruk) van –0,4 bar (gemeten bij de aanzuigaansluitstomp van de oliepomp resp. in de aanzuigleiding vlak voor de pomp) mag niet overschreden worden, ongeacht het niveau van de olietank. Het maximaal toegestane vacuüm is afhankelijk van de opbouw van de installatie voor olietoevoer en het niveau van de olietank. Lees de toegestane waarden voor de actuele toestand van de verwarmingsinstallatie af in de tab. 16 tot 19. Bepaal daarvoor de enkelvoudige lengte van de olieleiding en het hoogteverschil "h" tussen de oliepomp en het niveau van de tank (zie afb. 37 38 34 tot , pagina en 39pagina ).

Als het vacuüm wordt overschreden, moet u de volgende mogelijke oorzaken controleren: – De olieaansluitslangen zijn geknikt of defect. – De oliefilter is te vuil. – De afsluitklep van de oliefilter is onvoldoende geopend of vuil. – Een of meerdere componenten van de installatie (b. v. afdichtingsplaatsen, snijringkoppelingen, olieleidingen, aansluitkoppelstuk voor de oliefilter, olietank) zijn door eventuele montagefouten (te hoog draaimoment) samengedrukt. – De snelsluitende klep van het tankkoppelstuk is vuil of defect. – De aanzuigslang in de tank is poreus, de kunststof leiding heeft zich samengetrokken door veroudering. – De zuigklep in de tank is vuil of "kleeft" aan elkaar door een te hoog aanzuigvacuüm. Di in mm 8 10 Max. lengte olieleidingin m 10 20 40 10 20 40 h in m Max.

Installatie voor olietoevoer ontwerpen 9 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 41 9.4 Dichtheid van de aanzuigleiding controlerenDe dichtheid van de aanzuigleiding kan met een vacuümmeter en een 1 m lange transparante slang da = 12 mm (toebehoren) worden gemeten. z Monteer de transparante slang (afb. 38, pos. 1) in de aanzuigleiding achter de oliefilter (afb. 38, pos. 2). z Bind een lus van de transparante slang omhoog, zoals op de tekening (afb. 38). z Brander starten en ten minste drie minuten laten draaien. z Schakel de brander uit. z Voer een visuele controle van het verzamelde luchtvolume (afb. 38 , loep A en B) uit.Wanneer zich slechts een gering luchtvolume op het hoogste punt van de lus (afb. 38, loep A) verzamelt, is de olieleiding voldoende afgedicht.Bij grotere luchtbellen (afb.

38, loep B) is er een lekkage in de aanzuigleiding en/of bij de aansluitingen. 9.5 AntihevelklepBij gebruik van een vacuümgestuurde antihevelklep (b.v. membraanklep of zuigerklep) wordt de onderdruk aan de aanzuigzijde bij de oliebranderpomp verhoogd. Daarom kan de grens van 0,4 bar vaak niet aangehouden worden.Om die reden raden wij u aan elektromagnetische antihevelkleppen (stroomloos gesloten) te gebruiken.Voor de elektrische aansluiting is een gepaste adapter verkrijgbaar als toebehoren. Pos. 1: Transparante slang Pos. 2: Oliefilter12AB

Branderstoringen verhelpen10 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. Brander start; oliedruk is aanwezig, ontstekingsvlam blijft uit, uitschakeling door storing. Ontstekingstrafo resp. ontstekingsleiding niet in orde. Ontstekingstrafo resp. ontstekingskabel vervangen. Voedingsspanning ontstekingstrafo controleren. Sterk versleten ontstekingselektroden of beschadigde isolatie-elementen. Ontstekingselektroden vervangen. Verkeerde instelling van de ontstekingselektroden. Instelling van de ontstekingselektroden conform instelwaarden corrigeren. Melding secundair licht. Fotocel controleren evt. vervangen. Magneetventiel en oliepomp controleren en eventueel vervangen. Branderautomaat defect. Branderautomaat vervangen. Brander is correct ontstoken, vlambewaking wordt niet geactiveerd. Fotocel vuil of defect.

Fotocel controleren, reinigen, evt. vervangen. Voelerstroom meten. Branderautomaat defect. Branderautomaat vervangen. Brander draait, ontstekingsvonk is aanwezig, vlam wordt niet ontstoken of brander schakelt vanuit werking uit. Oliemagneetklep opent niet. Oliemagneetklep spoel vervangen. Elektrische aansluitleiding controleren. Doorgang olieleiding, olievoorverwarmer en sproeier niet in orde. Olieleiding, olievoorverwarmer en sproeier op doorgang controleren, eventueel vervangen. Oliepomp transporteert geen olie, olietank leeg. Oliepomp en peil olietank controleren, eventueel vervangen. Olietank vullen. Filter in de sproeier vuil. Sproeier vervangen. Aanzuigleidingen lek. Aanzuigleidingen controleren, schroefverbindingen vaster aandraaien. Aanzuigleidingen niet ontlucht. Aanzuigleidingen bij de manometeraansluiting van de oliepomp ontluchten. Oliefilter vuil.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Buderus Logatop BE 1.3 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden