Peugeot 508 (2013) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Peugeot 508 (2013) (352 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 133 mensen en kreeg gemiddeld 4.3 sterren uit 3 reviews. Heb je een vraag over Peugeot 508 (2013) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag
Product specificaties
| Merk: | Peugeot |
| Categorie: | Auto |
| Model: | 508 (2013) |
Handleiding Peugeot 508 (2013) – volledige tekst
8In één oogopslag Het branden van een verklikkerlampje geeft aan of de bijbehorende functie is in- of uitgeschakeld. Schakelaars Openen van het kofferdeksel/de achterklep. Openen van de brandstofvulklep. 57, 58 Massagefunctie. 7153 Inbraakalarm. Verklikkerlampje programmeerbare verwarming. 6499 Elektrische parkeerrem. 103 Motor starten/afzetten met de elektronische sleutel. 101 Uitschakelen van het Stop & Start-systeem. 122 Head-up display (aan/uit, instellingen). 125 Uitschakelen parkeerhulp. 133 Intelligente parkeerhulp. 134 Elektrische kinderbeveiliging. 164 Uitschakelen van het ASR-systeem. 171 Automatisch dimmende koplampen. 142
12In één oogopslag Comfort Verstellen van de hoofdsteun 701. Ontgrendelen van het stuurwiel met de hendel. 2. Verstellen in hoogte en diepte. 3. Vergrendelen van het stuurwiel met de hendel. Stuurwiel verstellen 76 Deze handelingen moeten uit veiligheidsoverwegingen uitsluitend worden uitgevoerd als de auto stilstaat. Bediening stoelverwarming 0 : uit. 1 : laag. 2 : gemiddeld. 3 : hoog. Druk op de knop A om de hoofdsteun lager te zetten. A om de hoofdsteun lager te zetten. A Beweeg om de hoofdsteun hoger te zetten deze omhoog tot de gewenste positie is bereikt. 70
14In één oogopslag Zicht Verlichting Ring A Ring B Ruitenwissers 136 Schakelaar A: ruitenwissers vóór 2 . Hoge snelheid. 1. Normale snelheid. Int. Interval. 0. Uit. AUTO Automatische ruitenwissers. Een keer wissen: trek de hendel één keer naar u toe. Ruitensproeiers: trek de hendel naar u toe en houd de hendel enige tijd in deze stand. 147 Inschakelen van de stand "AUTO" Beweeg de hendel één keer omlaag. Uitschakelen van de stand "AUTO" Beweeg de hendel nogmaals één keer omlaag of zet de hendel in een andere stand: Int., 1 of 2. Ring B: ruitenwisser achter 149148 Uit. Automatische verlichting . Parkeerlicht. Dimlicht/grootlicht. Mistlampen vóór en mistachterlicht. Uit. Interval. Ruitensproeier.
16In één oogopslag Controle tijdens het rijden Wanneer u het contact aanzet, slaan alle meters uit en keren vervolgens terug naar de '0"-stand. A. Als het contact wordt aangezet, moet de meter het resterende brandstofniveau weergeven. B. Bij draaiende motor moet het verklikkerlampje laag brandstofniveau uitgaan. Instrumentenpaneel 1. Als het contact wordt aangezet, gaan de oranje en rode waarschuwingslampjes branden. 2. Bij draaiende motor moeten deze lampjes weer uitgaan. Raadpleeg de desbetreffende bladzijde als er lampjes blijven branden. Verklikkerlampjes 23C. Als het contact wordt aangezet, wordt op het display van het instrumentenpaneel het motorolieniveau weergegeven. Ga indien nodig tanken of vul olie bij. 37
.17In één oogopslag Veiligheid voor alle inzittenden 1. Open het dashboardkastje. 2. Steek de sleutel in de schakelaar. 3. Selecteer de stand: "ON" (inschakelen) wanneer een passagier op de voorstoel zit of een kinderzitje voor vervoer met het gezicht in de rijrichting is bevestigd, "OFF" (uitschakelen) wanneer een kinderzitje voor vervoer met de rug in de rijrichting is bevestigd. 4. Verwijder de sleutel zonder de stand van de schakelaar te veranderen. Airbag voorpassagier 176A. Verklikkerlampje niet-vastgemaakte/losgemaakte veiligheidsgordels voor Veiligheidsgordels voor en frontairbag aan passagierszijde 176B. Verklikkerlampje storing van één van de airbags. C. Verklikkerlampje ingeschakelde frontairbag aan passagierszijde. 173
98Comfort508_nl_Chap03_confort_ed01-2014 Schakel, zodra de omstandigheden het toelaten, de achterruit- en buitenspiegelverwarming uit omdat minder stroomverbruik leidt tot een lager brandstofverbruik. Ontwasemen - Ontdooien vóór Achterruitverwarming De achterruitverwarming kan worden ingeschakeld met de toets op het bedieningspaneel van de airconditioning. Met handbediende airconditioning Selecteer dit programma om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen of te ontdooien. Met automatische airconditioning met gescheiden regeling of quadrizone Automatisch programma "Zicht" AAN Druk op deze toets om de achterruit en, afhankelijk van de uitvoering, de buitenspiegels te ontwasemen. Het verklikkerlampje van de toets gaat branden. Bij auto's met een Stop & Start-systeem geldt dat zolang de voorruitontwaseming in werking is, de STOP-functie niet beschikbaar is.
UIT De achterruitverwarming wordt automatisch uitgeschakeld om onnodig brandstofverbruik te voorkomen. U kunt de achterruitverwarming ook eerder uitschakelen door nogmaals op de toets te drukken. Het verklikkerlampje van de toets gaat uit. Het systeem werkt volledig automatisch en regelt de luchttemperatuur, de aanjagersnelheid, de luchttoevoer en stelt de luchtverdeling zodanig in dat de voorruit en de zijruiten zo snel mogelijk schoon worden. Stel de temperatuurregeling in om de ruiten sneller te ontwasemen/ontdooien. Druk om het programma uit te schakelen nogmaals op de toets "Zicht". Het lampje van de toets gaat uit en het systeem wordt weer ingeschakeld met de instellingen van vóór de inschakeling van het programma. Selecteer dit programma om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen of te ontdooien.
Als bij de airconditioning quadrizone op deze toets wordt gedrukt, wordt de airconditioning achter uitgeschakeld en wordt de bediening ervan geblokkeerd. Druk nogmaals op de toets "Zicht" of op "AUTO" om deze functie uit te schakelen; het lampje in de toets gaat uit en dat van de toets "AUTO" gaat branden. Het systeem keert terug naar dezelfde instellingen als die van vóór het uitschakelen. De achterruitverwarming werkt uitsluitend bij draaiende motor.
399Comfort508_nl_Chap03_confort_ed01-2014 Stand "Programmeerbare verwarming" Dit is een aanvullend en afzonderlijk systeem dat het koelvloeistofcircuit van de motor opwarmt, zodat de ruiten sneller ontdooid kunnen worden en het interieur voorverwarmd kan worden. Dit verklikkerlampje gaat uitsluitendbranden als het systeem in de stand "programmeerbare verwarming" wordt geprogrammeerd. Druk met aangezet contact op de linker rolknop van het stuurwiel om toegang te krijgen tot het hoofdmenu.
Programmeren Selecteer in het "Hoofdmenu" de optie "Voorverwarming/ventilatie", Vink "Activeren" aan en selecteer voor het programmeren indien nodig "Parameters", Selecteer "Verwarming" om de motor en het interieur voor te verwarmen of "Ventilatie" om het interieur te ventileren, Programmeerbaar verwarmings-/ventilatiesysteem Stand "Programmeerbare ventilatie" In deze stand wordt het interieur geventileerd met buitenlucht, zodat onder zomerse omstandigheden bij het instappen een aangenamere temperatuur in het interieur heerst.
100Comfort508_nl_Chap03_confort_ed01-2014 Selecteer: - "onmiddellijk" om de verwarming of ventilatie te starten (als de keuze via "OK" is bevestigd), - het eerste klokje om uw vertrektijd te programmeren/op te slaan, - het tweede klokje om een tweede vertrektijd te programmeren/op te slaan. Afhankelijk van de ingestelde vertrektijd berekent het systeem automatisch het optimale inschakeltijdstip. De werking van de stand "Ventilatie" bij het onmiddellijk of geprogrammeerd inschakelen van deze stand is afhankelijk van de temperatuur in het interieur van de auto en de buitentemperatuur. Zorg ervoor dat de programmeerbare verwarming altijd is uitgeschakeld tijdens het bijvullen van brandstof, om brand- en explosiegevaar te voorkomen.
Gebruik om koolmonoxidevergiftiging te voorkomen de programmeerbare verwarming nooit, zelfs niet voor korte tijd, in een afgesloten ruimte zoals een garage of werkplaats zonder afzuiginstallatie. Parkeer om brandgevaar te voorkomen de auto niet op een brandbare ondergrond (dor gras, dode bladeren, papier...). Met de twee klokjes kunt u, bijvoorbeeld afhankelijk van het seizoen, een keuze maken uit twee starttijden. Via een melding op het display van het instrumentenpaneel wordt uw keuze bevestigd. Tussen twee keer starten van de auto kan er slechts één stand voor het geprogrammeerd of onmiddellijk voorverwarmen/ventileren worden ingeschakeld. Het onmiddellijk of geprogrammeerd inschakelen van de verwarming en de ventilatie werkt niet als: - het brandstofniveau te laag is, - de accuspanning te laag is.
Voordat de verwarming of de ventilatie wordt geprogrammeerd, moeten eerst de interieur- en wegsleepbeveiliging van het inbraakalarm worden uitgeschakeld (zie de rubriek "Alarm").
4101Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Starten - afzetten van de motor Handgeschakelde versnellingsbak : zet de versnellingshendel in de neutraalstand. Gestuurde handgeschakelde versnellingsbak : zet de selectiehendel in de stand N. Automatische transmissie : zet de selectiehendel in de stand P of N. Steek de sleutel in het contactslot. Draai de sleutel rechtsom in de stand 3 (Starten). Laat zodra de motor draait de sleutel los. Starten met de sleutel Afzetten met de sleutel Zet de auto stil. Draai de sleutel linksom in de stand 1 (Stop). Verwijder de sleutel uit het contactslot. Bij zeer lage temperaturen wordt bij auto's met een dieselmotor de motor pas na het doven van het verklikkerlampje "Voorgloeien" gestart. Sleutel vergeten Als de sleutel niet uit het contactslot wordt gehaald, klinkt een geluidssignaal bij het openen van het bestuurdersportier.
Als aan een van de voorwaarden voor het starten niet wordt voldaan, wordt ter herinnering een melding op het display van het instrumentenpaneel weergegeven. In sommige gevallen moet het stuurwiel heen en weer worden bewogen terwijl de knop "START/STOP" wordt ingedrukt om het stuurslot te ontgrendelen; u wordt hiervan via een melding op de hoogte gebracht. Als de auto niet stilstaat, wordt de motor niet afgezet. De elektronische sleutel bevindt zich in het interieur van de auto. Trap het rempedaal in (auto's met automatische transmissie of gestuurde handgeschakelde versnellingsbak) of trap het koppelingspedaal volledig in (auto's met handgeschakelde versnellingsbak) en houd het pedaal ingetrapt tot de motor is gestart. Starten met de elektronische sleutel Druk op de knop " START/STOP ". Afzetten met de elektronische sleutel Zet de auto stil.
Druk op de knop " START/STOP " terwijl de elektronische sleutel zich in het interieur van de auto bevindt. De motor wordt afgezet en het stuurslot wordt vergrendeld.
102Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Diefstalbeveiliging Elektronische startbeveiliging In de sleutels is een chip aangebracht die over een geheime code beschikt. Om te kunnen starten, moet bij het aanzetten van het contact de code van de sleutel worden herkend door de startbeveiliging. Deze elektronische startbeveiliging blokkeert het motormanagementsysteem zodra het contact wordt afgezet en voorkomt zo het starten van de motor bij een inbraak. Bij een storing in het systeem wordt u gewaarschuwd door een melding op het display van het instrumentenpaneel. De auto kan dan niet gestart worden. Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk. Noodprocedure voor het starten met de elektronische sleutel Als de elektronische sleutel zich in het detectiegebied bevindt en uw auto niet start als u op de knop "START/STOP" drukt: Open het klepje onder de knop "START/STOP".
Steek de elektronische sleutel in de houder A . Druk op de knop "START/STOP". Als de motor draait, kunt u de elektronische sleutel verwijderen en het klepje sluiten. Noodprocedure voor het afzetten van de motor met de elektronische sleutel In noodgevallen kan de motor geforceerd worden afgezet door de knop "START/STOP" ongeveer drie seconden ingedrukt te houden. In dat geval wordt het stuurslot ingeschakeld zodra de auto stilstaat. Als de elektronische sleutel zich niet meer in het detectiegebied bevindt op het moment dat de motor moet worden afgezet, wordt een melding weergegeven op het display van het instrumentenpaneel. Houd de knop "START/STOP" ongeveer drie seconden ingedrukt als u de motor geforceerd wilt afzetten (let op: zonder de sleutel kan de motor niet meer gestart worden). Tijdens het gebruik van de auto moet de elektronische sleutel zich in het interieur bevinden.
4103Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Wij raden u aan de parkeerrem niet te gebruiken bij zeer lage temperaturen (vorst) en bij het trekken van een aanhanger (slepen, caravan, enz. ). Schakel in dergelijke gevallen de automatische parkeerrem uit of zet deze met de hand vrij. Controleer voordat u de auto verlaat of de verklikkerlampjes van de parkeerrem op het instrumentenpaneel en op de hendel A constant branden. De elektrische parkeerrem kan op twee manieren worden bediend: - Automatisch aantrekken/vrijzetten De parkeerrem wordt automatisch aangetrokken bij het afzetten van de motor en automatisch vrijgezet bij het wegrijden (standaard geactiveerde functies), - Handmatig aantrekken/vrijzetten De parkeerrem kan handmatig worden aangetrokken door aan de hendel A te trekken.
U kunt de parkeerrem handmatig weer vrijzetten door het rempedaal ingetrapt te houden en gelijktijdig de hendel in te drukken en vervolgens los te laten. Als de parkeerrem nog niet is aangetrokken en het bestuurdersportier wordt geopend, klinkt er een geluidssignaal en verschijnt er een melding op het display. Programmeren van de werking Afhankelijk van het land van bestemming kan de functie voor het automatisch aantrekken van de parkeerrem bij het afzetten van de motor en het automatisch vrijzetten van de parkeerrem bij het wegrijden worden uitgeschakeld. Wanneer de auto stilstaat en u bij draaiende of afgezette motor de parkeerrem wilt aantrekken, trekt u aan de hendel A. Handmatig aantrekken Deze functie kan worden ingeschakeld/uitgeschakeld via het menu op het display van het instrumentenpaneel. Als de functie is uitgeschakeld, dient u de parkeerrem dus handmatig te bedienen.
De aangetrokken toestand van de parkeerrem wordt aangegeven door: - het branden van het verklikkerlampje parkeerrem en het verklikkerlampje P op de hendel A , - de melding "Parkeerrem aangetrokken".
Wanneer u het bestuurdersportier opent bij draaiende motor terwijl de parkeerrem niet is aangetrokken, klinkt er een geluidssignaal en verschijnt er een melding op het display (behalve bij auto's met automatische transmissie, als de selectiehendel in de stand P(Park) staat). Elektrische parkeerrem Als dit verklikkerlampje brandt op het instrumentenpaneel, is de automatische functie uitgeschakeld.
104Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Om bij aangezet contact of draaiende motor de parkeerrem vrij te zetten, trapt u het rempedaal in, drukt u de hendel A in en laat u deze vervolgens weer los. De vrijgezette toestand van de parkeerrem wordt aangegeven door: Handmatig vrijzetten - het uitgaan van het verklikkerlampje parkeerrem en het verklikkerlampje P op de hendel A , - de melding "Parkeerrem vrijgezet". Als u aan de hendel A trekt zonder het rempedaal in te trappen, wordt de parkeerrem niet vrijgezet en verschijnt een melding op het instrumentenpaneel. U kunt, indien nodig, de parkeerrem extra stevig aantrekken. Dit gebeurt door de hendel A langer te bedienen , tot de melding "Parkeerrem maximaal aangetrokken" op het display verschijnt en er een geluidsignaal klinkt.
Het extra stevig aantrekken van de parkeerrem is noodzakelijk in de volgende omstandigheden: - wanneer een caravan of aanhanger aan de auto is gekoppeld en de automatische bediening is geactiveerd, terwijl u de parkeerrem handmatig bedient, - wanneer de hellingcondities vermoedelijk zullen variëren terwijl de auto stilstaat (bijvoorbeeld wanneer de auto vervoerd wordt op een boot of trailer, of bij slepen). Extra stevig aantrekken Controleer voordat u de auto verlaat of de verklikkerlampjes van de parkeerrem op het instrumentenpaneel en op de hendel A constant branden. Laat kinderen nooit alleen in de auto wanneer het contact is aangezet: ze zouden de parkeerrem kunnen vrijzetten. Automatisch aantrekken, motor afgezet - het branden van het verklikkerlampje remsysteem en het verklikkerlampje P op de hendel A , - de melding "Parkeerrem aangetrokken".
De aangetrokken toestand van de parkeerrem wordt aangegeven door: In het geval van een aangekoppelde aanhanger, wanneer de auto beladen is of op een steile helling staat, dient u de parkeerrem extra stevig aan te trekken, bij het parkeren de voorwielen naar de stoeprand te sturen en een versnelling in te schakelen. Na het extra stevig aantrekken van de parkeerrem duurt het langer voordat de parkeerrem weer is vrijgezet.
4105Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Automatisch vrijzetten De elektrische parkeerrem wordt automatisch geleidelijk vrijgezet bij het wegrijden : Handgeschakelde versnellingsbak:houd het koppelingspedaal geheel ingetrapt en schakel de 1 e versnelling of de achteruitversnelling in. Trap vervolgens het gaspedaal in terwijl u het koppelingspedaal laat opkomen. Gestuurde handgeschakelde versnellingsbak: zet de selectiehendel in de stand A , M of R en geef gas. Automatische transmissie: zet de selectiehendel in de stand D , M of R en geef gas. De vrijgezette toestand van de parkeerrem wordt aangegeven door: - het doven van het verklikkerlampje handrem en het verklikkerlampje Pop de hendel A , - de melding "Parkeerrem vrijgezet". Geef, wanneer de auto stilstaat met draaiende motor, niet onnodig gas, omdat u dan het risico loopt dat de parkeerrem wordt vrijgezet.
Controleer voordat u de auto verlaat of de verklikkerlampjes van de parkeerrem op het instrumentenpaneel en op de hendel A constant branden. Parkeerrem aantrekken, bij draaiende motor Wanneer de auto stilstaat met draaiende motor, dient u de auto tegen wegrollen te beveiligen door de parkeerrem handmatig aan te trekken. Trek daarvoor aan de hendel A. De aangetrokken toestand van de parkeerrem wordt aangegeven door: - het branden van het verklikkerlampje parkeerrem en het verklikkerlampje P op de hendel A , - de melding "parkeerrem aangetrokken". Wanneer u het bestuurdersportier opent om uit te stappen terwijl de parkeerrem niet is aangetrokken, klinkt er een geluidssignaal en verschijnt er een melding op het display (behalve bij auto's met automatische versnellingsbak, als de selectiehendel in de stand P (Park) staat). Bijzondere omstandigheden In bepaalde situaties (starten van de motor.
Wilt u de auto enkele centimeters verplaatsen zonder de motor te starten, trap dan met aangezet contact het rempedaal in en zet de parkeerrem vrij door de hendel A eerst A eerst Ain te drukken en vervolgens los te laten. De vrijgezette toestand van de parkeerrem wordt aangegeven door het doven van het verklikkerlampje op de hendel A en van het verklikkerlampje op A en van het verklikkerlampje op Ahet instrumentenpaneel in combinatie met de melding "Parkeerrem vrijgezet". Wanneer de parkeerrem is aangetrokkenen u deze vanwege een defect of accupech niet kunt vrijzetten, kunt u gebruik maken van de functie voor de noodontgrendeling van de parkeerrem. Om de goede werking van de parkeerrem en dus uw veiligheid te garanderen, mag de parkeerrem niet vaker dan acht keer achter elkaar worden aangetrokken en vrijgezet.
106Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Noodremfunctie Wanneer het rempedaal niet werkt, kan de auto worden gestopt door aan de hendel A te trekken en deze vast te houden. De dynamische stabiliteitsregeling zorgt ervoor dat de auto stabiel blijft wanneer de noodremfunctie actief is. In geval van een storing aan het systeem van de noodremfunctie verschijnt de melding "Parkeerrem defect". Bij een defect aan het CDS, aangegeven door het branden van dit verklikkerlampje, kan de stabiliteit bij het remmen niet worden gegarandeerd. In dat geval moet de bestuurder er zelf voor zorgen dat de auto stabiel blijft door afwisselend aan de hendel A te trekken en deze weer los te laten. Noodontgrendeling Gebruik indien uw auto hiermee is uitgerust het wielblok B dat zich onder de vloerplaat van de bagageruimte bevindt.
Beveilig de auto als deze op een helling staat tegen wegrollen door het wielblok voor of achter (aan de kant van de voet van de helling) een van de voorwielen te plaatsen. Plaats op een vlakke ondergrond het wielblok voor of achter een van de voorwielen. Als de bediening van de elektrische parkeerrem niet werkt of als de accu ontladen is, kan de parkeerrem door middel van een handbediende noodontgrendeling worden ontgrendeld. Beveilig de auto tegen wegrollen (of blokkeer de auto terwijl het rempedaal nog ingetrapt is) door bij draaiende motor de eerste versnelling (handgeschakelde versnellingsbak), stand P (automatische transmissie) of stand M of R (gestuurde handgeschakelde versnellingsbak) in te schakelen. Zet de motor af, maar laat het contact aanstaan.
Als de auto niet tegen wegrollen kan worden beveiligd, mag de noodontgrendeling niet worden uitgevoerd en moet zo snel mogelijk contact worden opgenomen met het PEUGEOT-netwerk of met een gekwalificeerde werkplaats. De noodremfunctie mag uitsluitend in uitzonderlijke gevallen worden gebruikt.
4107Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Steek uw vingers onder de rand van de hoes door (onder het paneel van de versnellingshendel/selectiehendel). Maak het paneel los door de lippen (aan de onderzijde) opzij te bewegen en verwijder het paneel samen met de hoes. Zodra bij de noodprocedure de mechanische ontgrendeling van de parkeerrem is begonnen, kan niet meer worden gegarandeerd dat de auto met de parkeerrem tegen wegrollen kan worden beveiligd en is het niet mogelijk om de parkeerrem mechanisch weer aan te trekken. De hendel A mag niet worden bediend en de motor mag niet worden uitgezet of gestart zolang de ontgrendelingsbediening niet is teruggezet. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. U kunt de bediening C niet gebruiken voor het aantrekken van de parkeerrem.
Nadat de storing is verholpen of de accu weer is opgeladen, kunt u de parkeerrem weer activeren door de bedieningshendel A uitgetrokken te houden tot het verklikkerlampje van de parkeerrem (!) begint te knipperen. Houd de hendel vervolgens nogmaals uitgetrokken tot dit verklikkerlampje permanent blijft branden. Draai het paneel met de hoes zo, dat u bij de hendel kunt. Trek met kracht aan de bediening C om de rem vrij te zetten. Een harde tik geeft aan dat de rem is losgekomen. Zorg ervoor dat de bediening weer goed wordt teruggezet. Breng het paneel met de hoes weer op de juiste plaats aan.
108Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Storingen Als het storingslampje van de elektrische parkeerrem gaat branden in combinatie met één of meer verklikkerlampjes uit de onderstaande tabel, zet de auto dan op een veilige plaats stil (vlakke ondergrond, met ingeschakelde versnelling) en raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. SituatiesGevolgen Weergave van de melding " Storing parkeerrem " en branden van de volgende verklikkerlampjes: - De automatische bediening is uitgeschakeld. - De hill holder is niet beschikbaar. - De elektrische parkeerrem kan alleen handmatig worden bediend. Weergave van de melding " Storing parkeerrem " en branden van de volgende verklikkerlampjes: - De elektrische parkeerrem kan alleen handmatig worden vrijgezet door het rempedaal in te trappen en de hendel los te laten. - De hill holder is niet beschikbaar.
4109Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014SituatiesGevolgen Om de elektrische parkeerrem aan te trekken: parkeer de auto en zet het contact uit, trek de hendel ten minste 5 seconden uit tot de parkeerrem is aangetrokken, zet het contact aan en controleer of de verklikkerlampjes van de elektrische parkeerrem gaan branden. Het aantrekken van de parkeerrem duurt langer dan normaal. Om de elektrische parkeerrem vrij te zetten: zet het contact aan, houd de hendel ongeveer 3 seconden ingedrukt en laat de hendel weer los. Als het controlelampje van de elektrische parkeerrem knippert of als de verklikkerlampjes niet gaan branden als het contact wordt aangezet, werken deze procedures niet. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. en/of knipperend.
Weergave van de melding " Storing parkeerrem " en branden van de volgende verklikkerlampjes: - Alleen de functies automatisch aantrekken bij het afzetten van de motor en automatisch vrijzetten bij het wegrijden zijn beschikbaar. - Het handmatig aantrekken/vrijzetten van de elektrische parkeerrem is niet mogelijk en de dynamische noodremfunctie is niet beschikbaar. en/of knipperend. Weergave van de melding "Storing accu" . - Zet de auto zo snel mogelijk stil (rekening houdend met het overige verkeer) en beveilig de auto tegen wegrollen (plaats indien nodig een wielblok achter een wiel). - Trek de elektrische parkeerrem aan alvorens de motor af te zetten.
110Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Handbediende parkeerrem Aantrekken Trek de hefboom van de parkeerrem aan om uw auto stil te zetten. Vrijzetten Trek de hefboom van de parkeerrem licht omhoog, druk de ontgrendelknop in en duw de hefboom geheel omlaag. Draai bij het parkeren van de auto op een helling de wielen vast tegen het trottoir, trek de parkeerrem aan, schakel een versnelling in bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak of zet de selectiehendel in de stand P bij auto's met een automatische transmissie, en zet het contact uit. Als tijdens het rijden dit verklikkerlampje en het verklikkerlampje STOP branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display van het instrumentenpaneel, geeft dit aan dat de parkeerrem nog (iets) is aangetrokken.
4111Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Schakel de achteruitversnelling alleen in als de auto stilstaat en de motor stationair draait. Voor uw veiligheid en om het starten van de motor te vergemakkelijken: - zet de versnellingshendel altijd in de neutraalstand, - trap het koppelingspedaal in. Handgeschakelde 6-versnellingsbak Inschakelen van de 5 e of de 6 e versnelling Beweeg de versnellingshendel zo ver mogelijk naar rechts om de 5 e of de 6 e versnelling in te schakelen. Schakel de achteruitversnelling alleen in als de auto stilstaat en de motor stationair draait. Voor uw veiligheid en om het starten van de motor te vergemakkelijken: - zet de versnellingshendel altijd in de neutraalstand, - trap het koppelingspedaal in. Handgeschakelde 5-versnellingsbak Beweeg de versnellingshendel naar rechts en vervolgens naar achteren.
112Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Opschakelindicator * Dit systeem adviseert de bestuurder op te schakelen om het brandstofverbruik te verminderen (auto's met handgeschakelde versnellingsbak). Werking Het systeem geeft uitsluitend adviezen als u rustig rijdt. Afhankelijk van de rijomstandigheden en de uitrusting van uw auto kan het systeem u adviseren één of meer versnellingen op te schakelen. U kunt deze aanwijzingen opvolgen zonder de tussenliggende versnellingen in te hoeven schakelen. Het is niet verplicht om de aanbevolen versnellingen ook daadwerkelijk in te schakelen. De keuze van de optimale versnelling hangt namelijk altijd af van de situatie op de weg, de verkeersdrukte en de veiligheid. De bestuurder blijft derhalve altijd zelf verantwoordelijk voor het al dan niet opvolgen van een schakeladvies van het systeem. De functie kan niet worden uitgeschakeld.
* Afhankelijk van de motoruitvoering. - U rijdt in de derde versnelling. Voorbeeld: - U trapt het gaspedaal geleidelijk in. - Het systeem kan u in dit geval adviseren een hogere versnelling in te schakelen. De informatie wordt in de vorm van een pijl op het instrumentenpaneel weergegeven, in combinatie met het nummer van de aanbevolen versnelling. In rijsituaties waarin veel van de motor wordt gevraagd (diep intrappen van het gaspedaal, bijvoorbeeld tijdens een inhaalmanoeuvre...) zal het systeem geen schakeladvies geven. Het systeem zal u nooit adviseren om: - de eerste versnelling in te schakelen, - de achteruitversnelling in te schakelen, - terug te schakelen.
4113Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Bij deze automatische transmissie met 6 versnellingen kunt u kiezen voor automatisch schakelen, aangevuld met de programma's Sport en Sneeuw, of voor handmatig schakelen. Deze transmissie heeft dus vier gebruiksmogelijkheden: - automatisch schakelen : het schakelen wordt elektronisch aangestuurd, - programma Sport : dit schakelprogramma maakt een meer dynamische rijstijl mogelijk, - programma Sneeuw : dit schakelprogramma vereenvoudigt het rijden op een ondergrond met weinig grip, - handmatig schakelen : deze stand maakt het zelf schakelen met de selectiehendel mogelijk. Automatische transmissie "TipTronic - System Porsche" 1. Toets programma "S" (Sport) . 2. Toets programma " " (Sneeuw) . Selectiehendel Schakelpatroon P. Parkeerstand. - Stilzetten van de auto, met of zonder aangetrokken parkeerrem. - Starten van de motor. R.
Achteruitversnelling. - Achteruitrijden, stilstaande auto, stationair toerental. N. Neutraalstand. - Stilzetten van de auto, met aangetrokken parkeerrem. - Starten van de motor. D. Automatische werking. Flippers aan de stuurkolom +. Flipper om op te schakelen, rechts achter het stuurwiel. Beweeg de flipper "+" naar u toe om op te schakelen. -. Flipper om terug te schakelen, links achter het stuurwiel. Beweeg de flipper "-" naar u toe om terug te schakelen. Met de flippers is het niet mogelijk de neutraalstand en de achteruitversnelling in te schakelen of uit de achteruitversnelling te schakelen. M.+ / - Zelf schakelen tussen de zes versnellingen. Beweeg de selectiehendel kort naar achteren om op te schakelen. of Beweeg de selectiehendel kort naar voren om terug te schakelen.
114Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Weergave op het instrumentenpaneel Wanneer u de selectiehendel door het schakelpatroon beweegt, verschijnt het desbetreffende pictogram op het instrumentenpaneel. P. Parking (parkeerstand) R . Reverse (achteruitversnelling) N. Neutral (neutraalstand) D. Drive (automatisch schakelen) S. Programma Sport . Programma Sneeuw1 t/m 6. Ingeschakelde versnelling bij handmatig schakelen -. Ongeldige waarde bij handmatig schakelen Trap het rempedaal in en selecteer de stand P of N . Start de motor. Als niet aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, klinkt een geluidssignaal en verschijnt een melding op het display van het instrumentenpaneel. Trap bij draaiende motor het rempedaal in. Zet de parkeerrem vrij als deze niet in de automatische stand staat. Selecteer de stand R , D of M , Laat het rempedaal geleidelijk los.
De auto begint te rijden. Wegrijden Als de motor stationair draait, het rempedaal is losgelaten en de stand R , D of M is geselecteerd, zet de auto zich zelfs al in beweging als het gaspedaal niet is ingetrapt. Laat bij draaiende motor daarom geen kinderen alleen in de auto achter. Trek de parkeerrem aan en selecteer de stand P indien er onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd bij draaiende motor. Als tijdens het rijden per ongeluk de stand N wordt geselecteerd, laat het motortoerental dan zakken tot stationair toerental, zet de selectiehendel in de stand D en trap het gaspedaal weer in.
4115Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Zet de selectiehendel nooit in de stand N als de auto rijdt. Zet de selectiehendel nooit in de stand P of R als de auto niet volledig stilstaat. Automatisch schakelprogramma Selecteer de stand D om automatischte laten schakelen tussen de zes versnellingen. De versnellingsbak werkt dan in de auto-adaptieve stand, zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling, afhankelijk van de rijstijl, het profiel van de weg en de belading van de auto. Voor een maximale acceleratie zonder de stand van de selectiehendel te wijzigen, moet het gaspedaal volledig worden ingetrapt (kickdown). De versnellingsbak schakelt automatisch terug of handhaaft de ingeschakelde versnelling totdat de motor het maximumtoerental bereikt.
Bij het remmen schakelt de versnellingsbak automatisch terug om sterker op de motor af te remmen. Om de veiligheid te verbeteren schakelt de versnellingbak niet naar een hogere versnelling als u het gaspedaal plotseling loslaat. Programma's Sport en Sneeuw Sport "S" Druk op de toets "S" als de motor is gestart. Het schakelprogramma maakt dan automatisch een dynamische rijstijl mogelijk. Op het instrumentenpaneel verschijnt de aanduiding S. Sneeuw " " Druk op de toets " " als de motor is gestart. De transmissie past zich aan voor het rijden op gladde wegen. Het schakelprogramma zorgt ervoor dat u gemakkelijker kunt rijden op een ondergrond met weinig grip. Op het instrumentenpaneel verschijnt de aanduiding .
Terugkeren naar het automatische programma Om terug te keren naar het automatische programma kunt u het programma Sport of Sneeuw op elk gewenst moment uitschakelen door opnieuw op de desbetreffende toets ( S of " ") te drukken. Deze twee specifieke programma's vullen de automatische werking aan onder bijzondere rijomstandigheden.
Kruipfunctie (rijden zonder gasgeven) Dankzij deze functie verloopt het rijden op lage snelheid soepeler (inparkeren, filerijden,. ). Als de motor draait, de parkeerrem is vrijgezet en de stand D , M of R is geselecteerd, zet de auto zich langzaam in beweging zodra u het rempedaal loslaat (zelfs zonder dat u het gaspedaal bedient). Uit veiligheidsoverwegingen wordt deze functie alleen geactiveerd als u het rempedaal intrapt tijdens het inschakelen van de stand D , de stand M of de stand R. Deze functie wordt uitgeschakeld zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Sluit om de functie weer in te schakelen het portier en trap het rempedaal of gaspedaal in. Laat bij draaiende motor nooit kinderen alleen in de auto achter.
116Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Handmatig schakelen Selecteer de stand M om sequentieel te schakelen in de zes versnellingen. Trek de selectiehendel naar het symbool +om één versnelling op te schakelen. Duw de selectiehendel naar het symbool - om één versnelling terug te schakelen. Het schakelen naar een andere versnelling kan alleen als de snelheid van de auto en het toerental van de motor dit toestaan, anders wordt er tijdelijk overgegaan op de automatische bediening. Op het instrumentenpaneel verdwijnt de aanduiding D en verschijnen achtereenvolgens de ingeschakelde versnellingen. Onjuiste waarde bij handmatige bediening Dit symbool verschijnt als een versnelling niet goed is ingeschakeld (de selectiehendel bevindt zich tussen twee standen in).
Parkeren van de auto Voordat u de motor afzet, kunt u de selectiehendel in de stand P of N bewegen om de neutraalstand te selecteren. Trek in beide gevallen de parkeerrem aan om de auto te blokkeren (als de parkeerrem niet in de automatische stand staat). Storing Bij aangezet contact wordt een melding op het display van het instrumentenpaneel weergegeven die duidt op een storing in de transmissie. In dit geval werkt de transmissie met een noodprogramma en blijft de 3e versnelling ingeschakeld. U kunt dan een hevige schok waarnemen bij het selecteren van R vanuit de stand R vanuit de stand RP , of P , of PR vanuit de stand R vanuit de stand RN. Dit is niet gevaarlijk voor de transmissie. Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van de geldende snelheidslimiet). Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Als het motortoerental te laag of te hoog is, knippert de geselecteerde versnelling enkele seconden en vervolgens wordt de werkelijk ingeschakelde versnelling weergegeven. Er kan elk moment van de stand D (rijden in de automatische stand) naar de stand M (rijden in de handbediende stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest de automatische transmissie automatisch de stand M1. De programma's Sport en Sneeuw kunnen niet worden ingeschakeld in de handbediende stand. De automatische transmissie kan beschadigd raken: - als u het gaspedaal en het rempedaal gelijktijdig intrapt, - als u, indien de accu geen stroom levert, de selectiehendel vanuit de stand P geforceerd naar een andere stand schakelt. Als de selectiehendel niet in de stand P staat, klinkt bij het openen van het bestuurdersportier of na ongeveer 45 seconden een geluidssignaal en verschijnt een melding op het display. Zet de selectiehendel in de stand P ; het geluidssignaal stopt en de melding verdwijnt. Zet, om het brandstofverbruik tijdens langdurig stilstaan met draaiende motor (file. ) te beperken, de selectiehendel in de stand N en trek de parkeerrem aan, behalve als deze in de automatische stand staat.
4117Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 2Tronic versnellingsbak met 6 versnellingen Bij de 2Tronic versnellingsbak met 6 versnellingen kunt u kiezen tussen automatisch schakelen en handmatig schakelen. Deze versnellingsbak heeft twee gebruiksmogelijkheden: - automatische bediening, waarbij het op- en terugschakelen volledig automatisch wordt geregeld, - handmatige bediening, waarbij de bestuurder zelf sequentieel kan schakelen. Bij de automatische bediening blijft het altijd mogelijk om zelf te schakelen met behulp van de flippers achter het stuurwiel, bijvoorbeeld om even snel in te halen. In combinatie met deze versnellingsbak beschikt uw auto over een aantal aanvullende functies: - de Hill Holder, - de kruipfunctie (de auto zet zich bij het loslaten van het rempedaal langzaam in beweging), als de automatische bediening is geselecteerd of tijdens het achteruitrijden. R. Achteruit.
Trap het rempedaal in, trek de selectiehendel omhoog en duw deze naar voren. N. Neutraalstand. Trap het rempedaal in en selecteer deze stand om de motor te kunnen starten. A. Automatische bediening. Duw de selectiehendel naar achteren om deze stand te selecteren. M. Handmatig, sequentieel schakelen. Duw de selectiehendel naar links om deze stand te selecteren en schakel vervolgens met behulp van de flippers achter het stuurwiel. Selectiehendel +. Opschakelen (rechts van het stuurwiel). Trek de flipper aan de rechterzijde achter het stuurwiel "+" een keer naar u toe om op te schakelen. -. Terugschakelen (links van het stuurwiel). Trek de flipper aan de linkerzijde achter het stuurwiel "-" een keer naar u toe om terug te schakelen.
Flippers achter het stuurwiel Met de flippers is het niet mogelijk de neutraalstand of de achteruitversnelling in te schakelen of uit de achteruitversnelling te schakelen.
118Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Bij het inschakelen van de achteruitversnelling klinkt een geluidssignaal. De aanduiding N op het display knippert als u de motor probeert te starten zonder dat de selectiehendel in de stand N staat. Als bij het starten het rempedaal niet wordt ingetrapt, knippert op het instrumentenpaneel de aanduiding voet op het rempedaal in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display van het instrumentenpaneel. Trap om krachtig te accelereren (bijvoorbeeld voor een inhaalmanoeuvre) het gaspedaal met kracht in, tot voorbij het zware punt. Weergave op het instrumentenpaneel Standen van de selectiehendel N. Neutral (neutraalstand). R. Reverse (achteruitversnelling). 1, 2, 3, 4, 5, 6. Versnellingen bij handmatig schakelen. A. Gaat branden als u kiest voor automatische bediening en gaat uit als u kiest voor handmatige bediening.
Trap het rempedaal in als een melding wordt weergegeven op het display van het instrumentenpaneel. Starten van de auto Selecteer de stand N . Houd het rempedaal ingetrapt. Start de motor. Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de aanduiding N . Selecteer de eerste versnelling (stand M of A ) of de achteruitversnelling (stand A ) of de achteruitversnelling (stand AR ). R ). R Zet de parkeerrem vrij als deze niet automatisch wordt bediend. Neem uw voet van het rempedaal en geef gas. Op het display van het instrumentenpaneel verschijnen de aanduidingen A en 1 of R . Automatische bediening Start de auto en selecteer de stand Aom de automatische bediening van de versnellingsbak te activeren. Op het display van het instrumentenpaneel verschijnen de aanduiding A en de ingeschakelde versnelling.
4119Rijden508_nl_Chap04_conduite_ed01-2014 Handmatig schakelen Zet na het starten de selectiehendel in de stand M om de handbediende stand in te schakelen. Beweeg de hendel in de richting van het symbool "+" om op te schakelen. Beweeg de hendel in de richting van het symbool "-" om terug te schakelen. Als bij stapvoets rijden de achteruitversnelling wordt geselecteerd, wordt deze pas ingeschakeld als de auto volledig tot stilstand is gekomen. Op het display van het instrumentenpaneel wordt een pictogram weergegeven. Bij krachtig accelereren wordt de hoogste versnelling niet ingeschakeld als de bestuurders de flippers achter het stuurwiel niet bedient. Selecteer de neutraalstand N nooit tijdens het rijden. Selecteer de achteruitversnelling (stand R ) uitsluitend als de auto volledig R ) uitsluitend als de auto volledig Rstilstaat en de voet op het rempedaal wordt gehouden.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Peugeot 508 (2013) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Peugeot
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto