Fiat Seicento (2000) Handleiding


Pagina's 156 Nederlands Auto

Bekijk de handleiding van Fiat Seicento (2000) gratis online of download de PDF. 30 mensen vonden deze handleiding nuttig. Vraag over dit model? Stel een vraag

FIAT
SEICENTO
603.45.266 NL
INSTRUCTIEBOEK

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Fiat
Categorie: Auto
Model: Seicento (2000)

Handleiding Fiat Seicento (2000) – volledige tekst

Bovendien zult u belangrijke aanwijzingen vinden voor uw veiligheid en die van deandere inzittenden, het in conditie houden van de auto en milieubewust autorijden.In de SERVICE- EN GARANTIEHANDLEIDING vindt u naast het schema voor het geprogrammeerde onderhoud:• het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden• een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten.Veel leesplezier en goede reis!Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de Seicento beschreven worden, dient u de informatie aan te houden die betrekking heeft op de versie, de motoruitvoering en het uitrustingsniveau van de auto die u gekocht hebt.

2WEGWIJS IN UW AUTOVEILIG EN MILIEUBEWUST RIJDENVeiligheid en respect voor het milieu zijn de uitgangspunten geweest bij het ontwerpen van de Seicento.Dankzij deze opvatting kon de Seicento strenge veiligheidstests het hoofd bieden en goed doorstaan. De Seicentovoldoet daarmee aan de hoogste eisen in zijn klasse. Bovendien is deze auto, naar alle waarschijnlijkheid, al voor-bereid op de toekomstige normen.Daarnaast is de Seicento door het doorlopende onderzoek naar nieuwe en doeltreffende bijdragen aan het behoudvan het milieu, een auto die navolging verdient.Alle uitvoeringen zijn uitgerust met emissiereductiesystemen die bijdragen aan de bescherming van het milieuen waarmee de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen lager is dan de nu geldende normen.De Seicento is niet alleen een milieubewuste auto tijdens het gebruik, maar ook daarna.

Fiat heeft hard gewerkteen zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recycling. Aan het einde van zijn lange levensduur kan de Seicentoeenvoudig ontmanteld en al zijn onderdelen gerecycleerd worden. Voor de natuur betekent dat een groot voordeel: niets gaat verloren, niets wordt gestort en er zijn minder nieuwe grondstoffen nodig.

3WEGWIJS IN UW AUTODe signalen die u op deze pagina ziet, zijn zeer belangrijk. Zij staan bij onderdelen in dit boekje waar we extraaandacht voor vragen.Zoals u ziet, bestaat elk signaal uit een verschillend symbool. Zo wordt direct duidelijk om welk onderwerp hetgaat:SIGNALEN VOOR EEN CORRECT GEBRUIKVeiligheid van de inzittenden.Attentie. Het niet of gedeeltelijk op-volgen van deze instructies kan gevaaropleveren voor de inzittenden.Bescherming van het milieu.Aanwijzing voor het juiste gedrag, zodat het gebruik van de auto zo minmogelijk schade aan het milieu oplevert.Conditie van de auto.Attentie. Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies schaadtde conditie van de auto en zal in veel gevallen ook de garantie doen vervallen.

4WEGWIJS IN UW AUTOSYMBOLENOp of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw Seicento zijn spe-cifiek gekleurde plaatjes aangebrachtmet daarop symbolen die uw aandachtvragen en die voorzorgsmaatregelenaangeven die u in acht moet nemen alsu met het betreffende onderdeel temaken krijgt.FIAT CODEVoor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust meteen elektronische startblokkering (FiatCODE). Het systeem schakelt auto-matisch in als de start-/contactsleutelwordt uitgenomen. In de handgreep vande sleutels zit een elektronisch com-ponent gemonteerd dat bij het startenvan de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Dit signaal wordt omgezet in eensteeds wisselende code en vervolgensaan de regeleenheid van de Fiat CO-DE gezonden, die, als de code wordtherkend, het starten van de motormogelijk maakt.De sleutels fig.

5WEGWIJS IN UW AUTOA- De sleutel met blauwe handgreepdient voor:– het starten– de portieren– de achterklep– de dop van de brandstoftank– het in-/uitschakelen van de airbagaan passagierszijde.B - Afstandsbediening voor diefstal-alarm.Samen met de sleutels hebt u eenCODE-card ontvangen fig. 2 waaropstaat aangegeven:– op de voorzijde:A - de elektronische code voorhet uitvoeren van een nood-start;B - de mechanische code van desleutels;– op de achterzijde:C - vakjes voor het aanbrengenvan de codestickers van deeventuele afstandsbedieningen.De CODE-card moet op een veiligeplaats worden bewaard.Wij raden u aan de elektronische code op de CODE-card altijd bij u tehebben omdat deze onmisbaar is voorhet uitvoeren van een noodstart. DUPLICAATSLEUTELSAls u extra sleutels wenst, wendt udan met alle sleutels die reeds in uwbezit zijn, en de CODE-card tot deFiat-dealer Fiat-dealer .

De moetzowel de nieuwe sleutels als de reedsin uw bezit zijnde sleutels (tot een maximum van 7 sleutels) in hetgeheugen opslaan.De Fiat-dealer zal u vragen uw eigendomsrecht op de auto te bewijzen.Als tijdens het opslaan van eennieuwe sleutelcode de reeds opgesla-gen sleutelcodes niet opnieuw wordeningevoerd, worden ze uit het geheugen gewist, zodat eventueel verloren sleutels niet meer gebruiktkunnen worden voor het starten vande motor.DE WERKINGIedere keer als u de contactsleutel instand of STOP PARK uitneemt,fig. 2P4Q00028

6WEGWIJS IN UW AUTOschakelt het beveiligingssysteem destartblokkering in. Draai bij het starten van de motor destart-/contactsleutel in MAR:1) Als de code wordt herkend, gaathet controlelampje ¢op het instru-mentenpaneel kort knipperen; het beveiligingssysteem heeft de door desleutel gezonden code herkend en destartblokkering wordt opgeheven. Draai de sleutel in stand AVV om demotor te starten. 2) Als het controlelampje ¢blijftbranden, wordt de code niet herkend. In dat geval raden wij u aan de sleutelin stand STOP en vervolgens in MARte draaien; als de motor geblokkeerdblijft, probeer het dan opnieuw met deandere geleverde sleutels. Als de motor nog niet aanslaat, voerdan zelf een noodstart uit (zie hoofd-stukNOODGEVALLEN) of raadpleeg deFiat-dealer.

Tijdens het rijden met de contact-sleutel in MAR:1) Als het controlelampje ¢tijdenshet rijden gaat branden, betekent ditdat het systeem zichzelf controleert(bijv. bij een vermindering van de spanning). 2) Als met de contactsleutel in MARhet controlelampje ¢blijft knipperen,dan betekent dit dat de auto niet is beveiligd door de startblokkering. Neem contact op met de Fiat-dealerom alle sleutels in het geheugen te laten opslaan. BELANGRIJK Bij krachtige stotenkunnen de elektronische componen-ten in de sleutel beschadigd worden. BELANGRIJK Elke sleutel heefteen eigen code die verschillend is van alle andere codes, en die moetworden opgeslagen in de regeleenheidvan het systeem.

DIEFSTALALARMHet diefstalalarm regelt de volgendefuncties:– het op afstand ver-/ontgrendelenvan de portieren;– omtrekbeveiliging (openen van portieren, motorkap en achterklep);– volumetrische beveiliging (binnen-dringing in het interieur);– beveiliging tegen het loskoppelenof doorsnijden van de voedingskabels. DE AFSTANDSBEDIENINGfig.

3De afstandsbediening is uitgerust meteen knop A en een lampje voor in-B schakeling van het diefstalalarm of hetvergrendelen van de portieren; deknop schakelt de afstandsbediening inen het lampje knippert als de zendereen code stuurt naar de ontvanger. De afstandsbediening werkt met radiogolven en moet dicht bij de autoworden bediend. Bij verkoop van de automoet de nieuwe eigenaarde sleutels van de auto(inclusief alle duplicaatsleutelswaarmee de auto op dat moment is uitgerust) en de CODE-card ontvangen.

Ministeriële goedkeuringIn overeenstemming met de wet-geving in ieder land ten aanzien van radiozendapparatuur:– zijn achterin dit boekje de type-goedkeuringen voor de verschillendelanden gegeven.– staat, voor de landen waar eenzendmachtiging verplicht is, het toelatingsnummer op de afstands-bediening.7WEGWIJS IN UW AUTODE WERKINGHet diefstalalarm van de Seicentowordt bediend via de ontvanger in hetplafondlampje voor (fig. 4: B Aknop - lampje) en in-/uitgeschakeld via de op radiogolven werkende afstands-bediening.De sensoren C voor de interieur-beveiliging zijn in het plafondlampje geplaatst.Het systeem werkt alleen als de con-tactsleutel is uitgenomen in standSTOP of PARK.De regeleenheid van het diefstal-alarm heeft een sirene met eigen voeding. De sirene kan buiten werkingworden gesteld.Diefstalalarm inschakelen: drukkort op knop van de afstands-A-fig. 3 bediening.

U hoort een “biep”-geluid ende richtingaanwijzers gaan ongeveer 3 seconden branden (alleen bepaaldelanden).Gedurende de tijd dat het systeem is ingeschakeld, knippert het lampje A-fig. 5 links op de stuurkolom-bekleding.Diefstalalarm uitschakelen: drukopnieuw op de knop van de afstands-bediening. U hoort twee keer een“biep”-geluid en de richtingaanwijzersknipperen twee keer (alleen bepaaldelanden).fig. 4P4Q00173fig. 3P4Q00030fig. 5P4Q00029

8WEGWIJS IN UW AUTOInterieurbeveiliging uitschakelen:voordat u het diefstalalarm inschakelt,is het ook mogelijk de interieur-bewaking uit te schakelen. Ga als volgtte werk draai vanuit stand STOP desleutel in stand MAR en vervolgens on-middellijk weer in stand STOP. Trekde sleutel vervolgens uit het contactslot. Het lampje Agaat ongeveer 2 seconden branden om de uitscha-keling te bevestigen. U stelt de interieurbewaking weer inbedrijf (voordat u het diefstalalarm inschakelt) door de sleutel weer instand MAR te draaien en langer dan30 seconden te wachten of door hetdiefstalalarm nogmaals in te schakelen. Als u bij uitgeschakelde interieur-beveiliging een via het start-/contact-slot gevoede elektrische installatie wiltgebruiken (bijv.

elektrische ruitbe-diening), moet de sleutel in standMAR worden gedraaid, de installatieworden bediend en de sleutel binnen30 seconden weer in stand STOPworden gedraaid. Op deze manierwordt de interieurbewaking nietopnieuw ingeschakeld. Sirene uitschakelen: houd deknop van de afstandsbediening gedurende 4 seconden ingedrukt tijdens het inschakelen van het dief-stalalarm en laat de knop vervolgenslos. Vijf “bieps” geven aan dat de sirenebuiten werking is en het diefstalalarmis ingeschakeld. ZELFDIAGNOSE VAN HET SYSTEEMAls bij het inschakelen van het dief-stalalarm de “biep” wordt gevolgd (na1 seconde) door een tweede, zeerkorte “biep”, is het raadzaam te controleren of de portieren, de motorkap en de achterklep geslotenzijn. Probeer vervolgens nogmaals hetdiefstalalarm in te schakelen. Als de situatie zich herhaalt, dient u contactop te nemen met de Fiat-dealer.

PROGRAMMEREN VAN HET SYSTEEM Bij aflevering van de nieuwe auto ishet diefstalalarm al geprogrammeerddoor de Fiat-dealer. Het verdientaanbeveling het programmeren doorde Fiat-dealer te laten uitvoeren. Als u in loop der tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, dient ucontact op te nemen met de Fiat-dealer.

9WEGWIJS IN UW AUTOBATTERIJEN VERVANGENfig. 6Als u op het knopje van de afstands-bediening drukt en de portieren worden niet vergrendeld en derichtingaanwijzers gaan niet knipperen,dan moet u de batterijen vervangendoor batterijen van hetzelfde type:1) open het plastic dekseltje door depunt van een schroevendraaier in deinkeping van het oog te steken, zoals isaangegeven in de figuur;2) plaats de nieuwe batterij Bvolgens de aangegeven polariteit;3) sluit het plastic dekseltje.Lege batterijen zijnschadelijk voor het milieu. Ze moeten bij eendaarvoor bestemd depot wordeningeleverd.

Ze kunnen ook inge-leverd worden bij een Fiat-dealer.Die zorgt vervolgens voor de afvoer.WANNEER GAAT HETALARM AFAls het systeem is ingeschakeld, gaathet alarm in de volgende gevallen af:1) Als één van de portieren, de motorkap of de achterklep wordt geopend.2) Als de accu of de voedingskabelsvan het diefstalalarm worden los-gemaakt.3) Als er iets in het interieur komt(volumetrische beveiliging).4) Als de contactsleutel in standMAR wordt gedraaid.Als het alarm in werking treedt,wordt de akoestische sirene ongeveer26 seconden geactiveerd (maximaal 3maal en onderbroken door pauzes van5 seconden, als de oorzaak van hetalarm blijft bestaan) en knipperen derichtingaanwijzers ongeveer 5 minuten(alleen bepaalde landen).Na een alarmsignalering schakelt hetdiefstalalarm over naar zijn normalebewakingsfunctie.Druk op de knop van de afstandsbe-diening om het alarm te onderbreken;als dit niet lukt, kunt u het alarm uitschakelen door de sleutelschakelaarfig.

10WEGWIJS IN UW AUTOSYSTEEM BUITEN WERKINGSTELLENAls de batterijen van de afstands-bediening leeg zijn, of als er een storing is in het diefstalalarm, kunt uhet systeem buiten werking stellenmet de sleutel van de sleutelschakelaarA-fig. 9, waarvan twee exemplarenzijn geleverd.Het is raadzaam de sleutels Anietin de auto te laten.Open de motorkap: de regeleenheidmet sirene is voor de accu geplaatst;om het systeem buiten werking te stellen, moet u de rubber dop omhoogkantelen, de sleutel in de schakelaarsteken, hem indrukken en linksomdraaien (stand ): het systeem “OFF”is uitgeschakeld.Om het systeem weer in te schake-len, drukt u de sleutel in en draait u desleutel rechtsom (stand ).

Laat“ON”de sleutel niet in de schakelaar zitten.Sluit de schakelaar af met de rubberdop om te voorkomen dat er vocht ofstof inkomt.Omdat het diefstalalarmstroom verbruikt, radenwij u aan het diefstal-alarm met de afstandsbedieninguit te schakelen en het systeembuiten werking te stellen door desleutelschakelaar in stand “OFF”te draaien als u de auto langerdan een maand niet denkt te gebruiken. Zo voorkomt u dat deaccu ontlaadt. WANNEER IS HET ALARM AFGEGAANAls na uitschakeling van het diefstal-alarm, het lampje A-fig. 5 gaat branden of knipperen, dan betekentdit dat het alarm tijdens uw afwezig-heid is afgegaan:fig.

12WEGWIJS IN UW AUTOVia de rolautomaat wordt de lengtevan de gordel automatisch aangepastaan het postuur van de drager, waar-bij er voldoende bewegingsruimteoverblijft. Als de auto op een steile helling staat,kan de rolautomaat blokkeren; dit iseen normaal verschijnsel.Bovendien blokkeert de rolautomaatals u de gordel snel uittrekt. Hijblokkeert ook bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten.GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELSACHTERDe veiligheidsgordels achter moetenworden gebruikt zoals is aangegevenin fig. 10.Om verkeerde verbindingen tevoorkomen, passen de gespen A en Cvan de zijgordels niet in de sluiting Fvan de middengordel en gesp E niet inde sluitingen B en Dvan de zijgordels.Voor maximale veilig-heid moet u de rugleuningrechtop zetten, tegen deleuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten opborst en bekken.fig. 10P4Q01001

12in de portierstijl gemonteerd.Voordat u voor het eerst gaat rijden,moet de hoogte van de geleidebeugelaangepast worden aan het postuur vande inzittenden; laat indien nodig de geleidebeugel op het bovenste bevestigingspunt monteren.BELANGRIJK Laat deze handelinguitsluitend door de Fiat-dealer uitvoeren omdat het hier de rijveilig-heid betreft.fig. 11P4Q00037fig. 12P4Q00018

14WEGWIJS IN UW AUTOALGEMENE OPMERKINGENOVER HET GEBRUIK VANVEILIGHEIDSGORDELS ENKINDERZITJESDe gordelband magnooit gedraaid zijn. Hetdiagonale gordelgedeeltemoet via het midden van deschouder schuin over de borst liggen. Het horizontale gordel-gedeelte moet over het bekkenen niet over de buik liggen, zodatwordt voorkomen dat u tijdenseen botsing onder de gordel uit-schuift. Draag geen voorwerpen(sieraden, gespen, enz.) die eengoed aansluiten van de gordel ophet lichaam van de passagierverhinderen fig. 13.Draag altijd veiligheids-gordels, zowel voorin alsachterin!

Rijden zonderveiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dode-lijke afloop bij een ongeval.ZEER GEVAAR-LIJK: bij auto’s diezijn uitgerust meteen airbag aan passagierszijdemag geen kinderzitje op de voorstoel worden gemonteerd.Als het absoluut noodzakelijk iseen kind op de passagiersstoelvoor te vervoeren, kan de airbagvoor aan passagierszijde buitenwerking worden gesteld. Vooreen optimale bescherming vande volwassen passagier voor is het raadzaam de airbag onmiddellijk weer in werking te stellen als u geen kinderenmeer vervoert.Gebruik de gordel nietvoor een kind dat bij eenvolwassene op schoot zit,waarbij de gordel beiden zoudenmoeten beschermen fig. 14.fig. 13P4Q00038fig. 14P4Q00039

15WEGWIJS IN UW AUTOOok vrouwen die in verwachting zijn moeten een gordel dragen: ookvoor hen (zowel voor de aanstaandemoeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval groter als ze geen gordel dragen. Uiteraardmoeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel meer naarbeneden omleggen, zodat de gordelonder de buik langs loopt fig. 15. HOE U DEVEILIGHEIDSGORDELS IN OPTIMALE STAATHOUDT1) Zorg dat de gordel goed uit-getrokken en niet gedraaid is; contro-leer ook of de oprolautomaat zonderhaperingen werkt.2) Vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijkniet beschadigd.3) U kunt de gordels met de handwassen met warm water en een neutrale zeep. Knijp ze uit en laat ze inde schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen.

Vermijd het gebruik van alle chemische producten die hetweefsel kunnen aantasten.4) Voorkom dat er vocht in deoprolautomaat komt; de werking vande oprolautomaten is alleen gegaran-deerd, als ze niet nat zijn geweest.KINDEREN VEILIGVERVOERENVoor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittendenzittend reizen en beschermd wordendoor goedgekeurde veiligheids-systemen.Dit geldt met name voor kinderen.Het hoofd van kleine kinderen is inverhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan datvan volwassenen, terwijl spieren enbotstructuur nog niet volledig zijnontwikkeld. Daarom moeten kleinekinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veilig-heidsgordels. fig. 15P4Q00040

De systemenzijn onderverdeeld in vier groepen:Groep 0 gewicht: 0-10 kgGroep 1 gewicht: 9-18 kgGroep 2 gewicht: 15-25 kgGroep 3 gewicht: 22-36 kgZoals u ziet is er een gedeeltelijkeoverlapping tussen de groepen; daarom zijn er in de handel systemenverkrijgbaar die geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen.Alle systemen moeten zijn voorzienvan de typegoedkeuring en van eengoed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet magworden verwijderd.Kinderen met een gewicht boven 36kg of met een lengte van meer dan1,50 m worden, met betrekking tot deveiligheidssystemen, gelijkgesteld metvolwassenen en moeten dan ook nor-maal de veiligheidsgordels omleggen.In het Fiat Lineaccessori-programmazijn kinderzitjes opgenomen voor elkegewichtsgroep fig.

16, die speciaalontworpen en ontwikkeld zijn voor de Fiat-modellen.Wij raden u aan kinde-ren altijd op de zitplaat-sen achter te vervoerenomdat die plaatsen bij een ongeval de meeste beschermingbieden. Monteer absoluut geenkinderzitje op de stoel van de passagier voor als deze is uitge-rust met een airbag. Als bij eenongeval de airbag in werkingtreedt (opblaast), kan dit ernstigen zelfs fataal letsel tot gevolghebben, onafhankelijk van dezwaarte van het ongeluk. In datgeval moet u er absoluut zekervan zijn dat de airbag buitenwerking is gesteld (het gelelampje op het instrumenten-paneel moet branden).fig. 16P4Q0010

In de figuur worden slechts aanwijzingen gegeven voor de montage.Houdt u voor de montage vanhet kinderzitje aan de instructies.De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.17WEGWIJS IN UW AUTOGROEP 0Baby’s tot 10 kg moeten in wiegjesworden vervoerd die achterstevorenzijn geplaatst fig. 17, waardoor hetachterhoofd wordt gesteund en bijabrupte snelheidswisselingen de nekniet wordt belast.Het wiegje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheid-sgordel en het kind moet op zijn beurtworden beschermd door de gordelvan het wiegje zelf.GROEP 1Kinderen met een gewicht vanaf 9 kgmoeten worden vervoerd in kinder-zitjes met een kussen die naarfig.

18 voren zijn gekeerd, waarbij de veilig-heidsgordel van de auto zowel het kinderzitje als het kind op zijn plaatsmoet houden.Er bestaan kinderzitjesdie geschikt zijn voor degewichtsgroepen 0 en 1.Deze kinderzitjes kunnen wordenbevestigd aan de veiligheids-gordels achter en hebben zelf gordels om het kind te beschermen.Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerdworden gemonteerd, waarbij eenkussen tussen het kinderzitje ende veiligheidsgordels van de autowordt geplaatst. Houdt u voor de montage strikt aan de bij-geleverde instructies.GROEP 2Vanaf 15 kg kunnen kinderen directdoor de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd.fig. 17P4Q00188fig. 18P4Q00189fig. 19P4Q00190In de figuur worden slechts aanwijzingen gegeven voor de montage.Houdt u voor de montage vanhet kinderzitje aan de instructies.De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

18WEGWIJS IN UW AUTOKinderen moeten zo in de kinder-zitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin overde borst en niet langs de nek moet lig-gen. Het horizontale gordelgedeeltemoet over het bekken en niet over debuik van het kind liggen fig. 19. Hieronder zijn de richtlijnenvoor een veilig vervoer van kinderen aangegeven, waaraan u zich dient te houden:1) Plaats het kinderzitje bij voorkeurop één van de zitplaatsen achter omdat deze plaatsen bij een ongevalde meeste bescherming bieden. 2) Vervoer kinderen nooit op destoel van de passagier voor als dezeis uitgerust met een airbag. 3) Als de airbag aan passagierszijde(optional) buiten werking wordt gesteld, moet altijd gecontroleerdworden of het betreffende gele lampjeop het instrumentenpaneel brandt. 4) Houdt u bij de montage van hetkinderzitje strikt aan de instructies.

Defabrikant is verplicht deze instructiesbij te leveren. Bewaar de instructiessamen met het instructieboekje in deauto. Monteer geen gebruikte kinder-zitjes waarvan de gebruiksaanwijzingenontbreken. 5) Controleer of de gordels goed zijnvastgemaakt door aan de gordelbandte trekken. 6) In elk kinderzitje kan slechts éénkind vervoerd worden; vervoer nooittwee kinderen in één zitje. 7) Controleer altijd of de gordel nietlangs de nek van het kind loopt. 8) Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordels losmaakt. 9)Vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg omze bij een ongeval vast te houden. 10) Na een ongeval moet het zitjedoor een nieuw exemplaar wordenvervangen. fig. 20P4Q00191In de figuur worden slechts aanwijzingen ge-geven voor de montage.

19WEGWIJS IN UW AUTOGORDELSPANNERSVoor een nog effectievere bescher-ming zijn de veiligheidsgordels voorvan de Seicento voorzien van gordel-spanners. Dit systeem wordt bij eenheftige botsing door een sensor inwerking gesteld en trekt de gordel enige centimeters aan. Op deze wijzeworden de inzittenden veel beter ophun plaats gehouden en wordt devoorwaartse beweging beperkt. Het blokkeren van de veiligheids-gordel geeft aan dat de gordelspannerin werking is geweest; de gordel wordtniet meer opgerold, ook niet als hij wordt begeleid. De gordelspanner behoeft geenenkel onderhoud of smering. Elke verandering van de oorspronkelijkestaat zal de doelmatigheid vermin-deren. Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden(overstromingen, zeestormen) metwater en modder in contact is geweest,dan moet hij worden vervangen.

Voor een maximale beschermingdoor de gordelspanners moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegddat hij goed aansluit op borst enbekken. Als de gordelspanners in werking treden, ontsnapt er een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidtniet op brand. De gordelspanner kanslechts één keer wordengebruikt. Als de gordel-spanner heeft gewerkt, dient ucontact op te nemen met de Fiat-dealer om de gordelspanner telaten vervangen. Het systeemheeft een geldigheid van 10 jaar,vanaf de productiedatum die opeen sticker staat vermeld. Na deze periode moet de gordel-spanner worden vervangen. Het is streng verbodende gordelspanners te demonteren of open temaken. Onderhoud van de gordelspanners moet worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wendt u daarom altijd tot de Fiat-dealer.

20WEGWIJS IN UW AUTOSTART-/CONTACT-SLOTDe sleutel kan in 4 standen wordengedraaid fig. 21.– STOP: motor uit, sleutel uit-neembaar en stuurslot geblokkeerd.Enkele elektrische installaties werken(bijv. autoradio).– MAR: contact aan. Alle elektrischeinstallaties werken.– AVV: starten van de motor.– PARK: motor uit, parkeerverlich-ting aan, sleutel uitneembaar, stuurslotgeblokkeerd. Om de sleutel in standPARK te kunnen draaien, moet uknop A indrukken.STUURSLOTInschakelen: zet de sleutel in standSTOP PARK, of , trek de sleutel uithet start-/contactslot en draai hetstuur totdat het vergrendelt.Uitschakelen: draai het stuur ietsheen en weer, terwijl u de sleutel instand draait.MAR Als het start-/contactslotis geforceerd (bijv.

bij eenpoging tot diefstal), moetu, voordat u weer gaat rijden, dewerking van het slot laten controleren bij de Fiat-dealer.Verwijder de sleutel altijd uit het contact als u uit de auto stapt. Zo voorkomt u onvoorzichtig ge-bruik van de bedieningsknoppenen -hendels. Vergeet de auto nietop de handrem te zetten.Schakel de eerste versnelling inals de auto op een helling omhoog staat; schakel hem inzijn achteruit als hij op een helling omlaag staat.Verwijder de sleutelnooit uit het contactslotals de auto nog in bewe-ging is. Bij de eerste stuuruitslagblokkeert het stuur automatisch.Dit geldt ook als de auto wordtgesleept.fig. 21P4Q00004

24WEGWIJS IN UW AUTOINSTRUMENTENSNELHEIDSMETERMIJLENTELLER (fig. 26-27-28) A - Totaal kilometerteller of totaalmijlenteller.B - Snelheidsmeter.C - Keuzetoets omschakeling/op nulzetten kilometerteller/mijlenteller ofdagteller.Kort indrukken = omschakelen van totaalstand naar dagstand en omgekeerdLanger indrukken = dagteller op nulzetten.D - Display totaal aantal km.BRANDSTOFMETER Het waarschuwingslampje A-fig. 29van de reservebrandstof gaat branden,als er nog 5 tot 7 liter brandstof in de tank aanwezig is. Rijd niet met een bijna lege tank:door een onregelmatige brand-stoftoevoer kan de katalysator beschadigen.fig. 26P4Q01006fig. 27P4Q01007P4Q01009fig. 28 fig. 29P4Q01008

25WEGWIJS IN UW AUTOKLOKB-fig. 30 Weergave van de tijd.Druk voor het op tijd zetten vanuren op knopje A-fig. 30. Elke keer als u het knopje indrukt,verspringt het klokje een eenheid. Als u het knopje even ingedrukt houdt,lopen de cijfers automatisch door. Als u dichtbij de juiste tijd bent, laatu het knopje los en stelt u de exactetijd in door het knopje telkens in tedrukken en los te laten.TOERENTELLER fig. 31Als de wijzernaald in het rode gebiedstaat, betekent dit dat de motor metextreem hoge toerentallen draait. Deze toerentallen mogen slechts kortworden aangehouden.BELANGRIJK De regeleenheid vande elektronische inspuiting blokkeerttijdelijk de toevoer van brandstof alsde motor met te hoge toerentallendraait, waardoor het motorvermogenzal afnemen.fig. 31P4Q01010P4Q01056fig. 30

26WEGWIJS IN UW AUTOGROOTLICHT(blauw) Als het grootlicht is ingeschakeld.1Controle- enwaarschuwings-lampjesDe lampjes branden in de volgendegevallen:RICHTING-AANWIJZERS(groen) (knipperend) Als u de hendel van de richting-aanwijzers (pijlen) bedient.BUITENVERLICHTING(groen) Als de buitenverlichting is ingeschakeld.RICHTINGAAN-WIJZERS VAN EENEVENTUELE AANHANGER (groen)Als u de hendel van de richting-aanwijzers (pijlen) bedient.yl3De auto is uitgerust meteen elektronische rem-drukverdeling (EBD). Alsbij een draaiende motor tege-lijkertijd waarschuwingslampjes> en x gaan branden, dan is ereen storing in het EBD-systeem;in dat geval kunnen bij hard remmen de achterwielen vroeg-tijdig blokkeren waardoor de auto kan gaan slippen.

Rijd zeervoorzichtig naar de dichtstbij-zijnde Fiat-dealer om het systeem te laten controleren.Als bij een draaiendemotor alleen het waar-schuwingslampje > gaatbranden, dan is er een storing inhet ABS In dat geval werkt hetconventionele remsysteem op denormale manier, terwijl geen gebruik wordt gemaakt van hetanti-blokkeersysteem. Onder deze omstandigheden kan ook dewerking van het EBD-systeemverminderen. Ook in dit geval raden wij u aan onmiddellijk enzeer voorzichtig naar de dichtst-bijzijnde Fiat-dealer te rijden, omhet systeem te laten controleren.DEFECT IN HETANTI-BLOKKEER-SYSTEEM (ABS)-(geel) Als het ABS-systeem niet goedwerkt. Het conventionele remsysteemblijft werken. Neem zo spoedig mogelijk contact op met de Fiat-dealer.Als u de contactsleutel in stand MARdraait, gaat het lampje branden. Na twee seconden moet het lampjedoven.>

27WEGWIJS IN UW AUTOSTORING IN MOTOR-MANAGEMENT-SYSTEEM (EOBD) (geel)Als u de contactsleutel in stand MARdraait, gaat het lampje branden. Hetmoet doven nadat de motor is gestart.Het lampje gaat eerst branden om dejuiste werking ervan aan te geven.Als het lampje blijft branden of tijdenshet rijden gaat branden:1. Constant branden - duidt opeen defect in het inspuit-/ontstekings-syteem. Dit kan tot gevolg hebben datschadelijke uitlaatgasemissie toeneemt,de prestaties verminderen, de autoslechter gaat rijden en het brandstof-verbruik toeneemt.U kunt onder deze omstandighedendoorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheidte rijden. Als er lang met een brandendwaarschuwingslampje wordt door-gereden, kunnen beschadigingen ontstaan. Neem zo snel mogelijk contact op met de Fiat-dealer. Het lampje dooft als de storingverdwijnt.

De storing wordt door hetsysteem in het geheugen opgeslagen.U2. Knipperend lampje - duidt opde mogelijkheid dat de katalysator beschadigd wordt (zie EOBD-SYSTEEMindit hoofdstuk).Als het lampje knippert, moet hetgaspedaal worden losgelaten zodat demotor met lage toerentallen draait en het lampje niet meer knippert; ukunt met matige snelheid doorrijdenwaarbij rij-omstandigheden moetenworden vermeden die kunnen leidentot het opnieuw gaan knipperen van hetlampje. U dient zo snel mogelijk con-tact op te nemen met de Fiat-dealer.

Als u de contactsleutelin stand MAR draait enhet lampje Ugaat nietbranden of het gaat branden ofknipperen tijdens het rijden, dandient u zo snel mogelijk contactop te nemen met de Fiat-dealer.BRANDSTOF-RESERVE (geel)Als er nog 5÷7 literbrandstof in de tank aanwezig is.KAIRBAG PASSAGIERS-ZIJDE UITGE-SCHAKELD (geel)Het lampje brandt als de airbag aanpassagierszijde is uitgeschakeld.Als het lampje tijdens het starten vande motor gaat knipperen, duidt dit nietop een storing; het betekent alleen dathet airbagsysteem bedrijfsklaar wordtgemaakt.F

FIAT CODE (geel) In drie gevallen (met decontactsleutel in stand MAR):1. Eén maal knipperen - code van desleutel herkend. Het is mogelijk demotor te starten.2. Constant branden - code van desleutel niet herkend. Voer voor hetstarten van de motor een noodstartuit (zie hoofdstuk NOODGEVALLEN).3. Knipperend - de auto wordt niet beveiligd door het systeem. Hetis mogelijk de motor te starten.¢28WEGWIJS IN UW AUTOHANDREMAANGETROKKEN/-TE LAAG REM-VLOEISTOFNIVEAU (rood) In drie gevallen:1. Als de handrem is aangetrokken.2. Als de remvloeistof onder het minimum niveau is gedaald.3.

Gelijktijdig met het lampje >omeen storing aan te geven in de elektronische remdrukverdeling EBD.xAls het lampje xtijdenshet rijden gaat branden,controleer dan of dehandrem niet is aangetrokken.Als het lampje blijft branden ende handrem is niet aangetrokken,moet u onmiddellijk stoppen encontact opnemen met de Fiat-dealer.STORING AIRBAG(rood) Het lampje is aanwezig als er twee airbags zijn (bestuurders-en passagierszijde) of als de auto is uitgerust met een elektronische airbagaan bestuurderszijde. Het gaat branden als het systeem niet goedwerkt.ûAls u de contactsleutelin stand MAR draait, gaathet lampje branden. Hetmoet na ongeveer 4 secondendoven. Als het lampje blijft branden of als het gaat branden tijdens het rijden, stop dan onmiddellijk en neem contact opmet de Fiat-dealer.

29WEGWIJS IN UW AUTOSTORINGELEKTRISCHESTUURBEKRACH-TIGING (rood)In twee gevallen:1 - Als het beschermingssysteem tegen oververhitting van de elektro-motor van de stuurbekrachtiging inwerking treedt na veelvuldig draaienaan het stuur. Verdraai het stuur nieten wacht totdat het lampje gedoofd is,voordat de manoeuvre wordt voor-gezet.2 - Als er een storing is in de elektrische stuurbekrachtiging.Als u de contactsleutel in stand MARdraait, gaat het lampje branden. Na twee seconden moet het lampjedoven. Als het lampje blijft branden,werkt de elektrische stuurbekrach-tiging niet meer en moet er met meerkracht aan het stuur worden gedraaid.Het rijden met de auto wordt hierdoor niet beïnvloed.

Neem contact op met de Fiat-dealer.gTE HOGE KOEL-VLOEISTOF-TEMPERATUUR(rood)Als de motor oververhit is.Als het lampje gaat branden tijdenshet rijden, moet de auto worden stil-gezet met draaiende motor en moetiets gas worden gegeven om de koel-vloeistof sneller te laten circuleren.Als het lampje na 2÷3 minuten nietdooft, moet de motor worden uit-gezet en contact worden opgenomenmet de Fiat-dealer. uACCU WORDTNIET VOLDOENDEOPGELADEN (rood) Als er een defect is in het laadcircuitvan de dynamo.Als u de contactsleutel in stand MARdraait, gaat het lampje branden. Hetmoet doven nadat de motor is gestart.wTE LAGE MOTOR-OLIEDRUK (rood) Als de motoroliedruk onder de normale waarde zakt.Als u de contactsleutel in stand MARdraait, gaat het lampje branden.

Hetmoet doven nadat de motor is gestart.Als de motor stationair draait, kan hetvoorkomen dat het lampje iets laterdooft.Als de motor zwaar belast is, kan hetlampje gaan knipperen als de motorstationair draait. Het moet doven zodra u iets gas geeft.Als het lampje gaatbranden tijdens het rijden, moet de motorworden uitgezet en contact worden opgenomen met de Fiat-dealerv

30WEGWIJS IN UW AUTOZITPOSITIEINSTELLENZITPLAATSEN VOORLaat de hendel los encontroleer of de stoelgoed geblokkeerd is doorhem naar voren en naar achterente schuiven.Als de stoel niet goed ge-blokkeerd is, kan deze onver-wachts verschuiven, waardooreen gevaarlijke situatie kan ontstaan.Verstellen van de rugleuningDraai knop B-fig. 33.Verstel de stoelen alleenals de auto stil staat.Verstellen in lengterichtingTrek hendel omhoog enA-fig. 32 schuif de stoel naar voren of naar achteren. Als u rijdt, moeten de armen licht gebogen zijn en de handen op het stuurwiel steunen. fig. 32P4Q00005fig. 33P4Q00006HOOFDSTEUNENZitplaatsen voor fig.

34De hoofdsteunen voor kunnen inhoogte worden versteld.Afstellen:– druk op knop A en verplaats dehoofdsteun omhoog of omlaag in de gewenste stand;– na het verstellen moet u de knopweer loslaten en controleren of dehoofdsteun goed in de zitting geborgdis door hem omhoog en omlaag te schuiven.De Sporting-uitvoering heeft vastehoofdsteunen voor.fig. 34P4Q01011

31WEGWIJS IN UW AUTOACHTERUITKIJKSPIEGELDe spiegel is verstelbaar met hendel A-fig. 37.1) anti-verblindingsstand;2) normale stand.In beide standen kan de spiegel in alle richtingen worden afgesteld.De spiegel is uitgerust met een veiligheidsvoorziening: de spiegelspringt tijdens een botsing los.fig. 37P4Q00010fig. 36P4Q00007TOEGANG TOT DEZITPLAATSEN ACHTER Van beide kanten kunt u de achter-zitplaatsen gemakkelijk bereiken.Trek de hendel omhoog enC-fig. 36klap de rugleuning naar voren.Controleer na het terugklappen of de stoel goed geblokkeerd is door naar voren en naar achteren te schuiven.Zitplaatsen achter fig. 35Voor de zitplaatsen achter zijn tweevaste hoofdsteunen verkrijgbaar.Druk op de twee knoppen om ze teverwijderen.Let erop dat de hoofd-steunen zo zijn ingestelddat ze het hoofd steunenen niet de nek.

32WEGWIJS IN UW AUTOVERWARMING EN VENTILATIE1. Luchtrooster voor ontdooiing of ontwaseming van de voorruit -2. 3. Centraal, verstelbaar luchtrooster - Verstelbaar luchtrooster zijkant -4. Uitstroomopeningen zijkant voor luchttoevoer naar de beenruimte van dezitplaatsen voor.fig. 39P4Q01013BUITENSPIEGELSHandbediende verstelling:Van binnenuit met knop B- fig. 38.fig. 38P4Q00032Als de breedte van despiegel A in een nauwedoorgang problemenoplevert, dan kan de spiegel van stand 1 in stand 2 worden geklapt.Als optional is een tweede, van binnenuit verstelbare, buitenspiegel leverbaar voor de rechterzijde van de auto.

41: in het rode vlak.2) Draaiknop voor de aanjager B:schakel de gewenste snelheid in.3) Draaiknop voor de luchtverdelingC: in stand:≤ voor verwarming van de been-ruimte en ontwaseming van de voor-ruit;¥ voor lucht uit de roosters in hetmidden en aan de zijkant;µ voor toevoer naar de beenruim-te en koelere lucht uit de uitstroom-openingen op het dashboard voor gespreide verwarming;w voor verwarming bij lage buiten-temperaturen: voor een maximaleluchttoevoer in de beenruimte moetende luchtroosters in het midden en aande zijkant worden gesloten;- voor snelle ontwaseming van devoorruit.fig. 40P4Q00047fig. 41P4Q00019

34WEGWIJS IN UW AUTOBELANGRIJK Ga voor een snelleverwarming als volgt te werk:– sluit alle luchtroosters op het dash-board;– zet draaiknop in het rode vlak;A– zet draaiknop B van de aanjager opde maximale snelheid;– zet draaiknop C in stand -.ONTWASEMEN EN/OF ONTDOOIEN VAN DEACHTERRUITDruk op knop (. Nadat de achterruit ontwasemd is, ishet raadzaam het systeem uit teschakelen.Plak geen stickers op deweerstandsdraden van deachterruitverwarming: ditkan kortsluiting en oververhittingveroorzaken, waardoor de achterruit kan barsten.Snelle ontwaseming/ontdooiingvan de voorruit en de zijruitenvoor1) Draaiknop voor de luchttem-peratuur A-fig. 41: in het rode vlak.2) Draaiknop voor de aanjager B:schakel de maximum snelheid in.3) Draaiknop voor de luchtverdelingC: in stand -.4) Regelschuif D in stand U. Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kaneen stand gekozen worden waarbij hetcomfort optimaal blijft.

Om het even-tuele beslaan van de ruiten te voor-komen, moeten de volgende aan-wijzingen in acht worden genomen:BELANGRIJK Als het buiten ex-treem vochtig is en/of bij regen en/ofbij grote verschillen in interieur- en buitentemperatuur, raden wij u devolgende procedure aan om het beslaan van de ruiten te voorkomen:– regelschuif in stand U;– draaiknop voor de luchttempe-ratuur in het rode vlak;– draaiknop voor de aanjager tenminste in stand 2;– draaiknop voor de luchtverdelingin stand -met de mogelijkheid om stand ≤in te schakelen, mits deruiten niet opnieuw beslaan.Als de auto is uitgerust met aircon-ditioning, wordt het ontwasemen van de ruiten versneld door naast debovengenoemde instellingen ook knop√ in te drukken.

35WEGWIJS IN UW AUTOVENTILATIE1) Zij- en middenroosters: geheelopen.2) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur A-fig. 41: in het blauwe vlak.3) Regelschuif D in stand U.4) Draaiknop voor de aanjager B:schakel de gewenste snelheid in.5) Draaiknop voor de luchtverdelingC: in stand ¥.RECIRCULATIEMet regelschuif D in stand T cir-culeert alleen de lucht in het interieur.BELANGRIJK Dit systeem is vooral bruikbaar bij geconcentreerde luchtvervuiling (in de file, in tunnels,enz.). Het is niet raadzaam dit systeemlangdurig te laten werken, vooral nietals u met meer personen in de autozit. Gebruik de recirculatie-functie niettijdens regenachtige of koude dagenomdat hierdoor de ruiten aan de binnenzijde kunnen beslaan.HANDBEDIENDEAIRCONDITIONINGDe airconditioning wordt handmatigbediend.BEDIENINGSKNOPPEN fig.

42Als schakelaar wordt ingedrukt,E schakelt de aanjager automatisch opde 1esnelheid in.A - Draaiknop voor regeling van de luchttemperatuur (menging vanwarme/koude lucht).B - Draaiknop voor inschakeling van de aanjager.C - Draaiknop voor de luchtver-deling.D - Schuif voor inschakeling van hetrecirculatiesysteem. BELANGRIJK Als u het recircu-latiesysteem inschakelt, koelt de luchtbij zomerse temperaturen sneller af.Dit systeem is vooral bruikbaar bij geconcentreerde luchtvervuiling (in defile, in tunnels, enz.). Het is niet raad-zaam dit systeem langdurig te latenwerken, vooral niet als u met meerpersonen in de auto zit.E - Schakelaar voor in-/uitschakelingvan de airconditioning. Het systeem gebruiktkoelmiddel R134a. Bijlekkage is dit middel nietschadelijk voor het milieu. Gebruik in geen geval het middelR12, omdat dit middel de componenten van het systeemkan beschadigen.fig. 42P4Q00020

36WEGWIJS IN UW AUTOAIRCONDITIONING (koeling)1) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur A-fig. 42: in het blauwe vlak.2) Airconditioning: druk op schake-laar √ E.3) Schuif D: in stand T.4) Draaiknop voor de aanjager B:schakel de gewenste snelheid in.5) Draaiknop voor de luchtverdelingC: in stand ¥.Voor een gematigde koeling: zet deregelschuif in stand U, verhoog detemperatuur en verlaag de snelheidvan de aanjager.Schakel de airconditioning niet invoor het verwarmen en ventileren,maar gebruik daarvoor de basis-functies van het verwarmings- en ventilatiesysteem (zie voorgaandehoofdstuk).BELANGRIJK De airconditioningkan goed gebruikt worden om de ruiten sneller te ontwasemen, omdatde lucht droger wordt.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Fiat Seicento (2000) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden