Fiat Ducato (2000) Handleiding


Pagina's 206 Nederlands Auto

Bekijk de handleiding van Fiat Ducato (2000) gratis online of download de PDF. 128 mensen vonden deze handleiding nuttig. Vraag over dit model? Stel een vraag

603.45.278
INSTRUCTIEBOEKJE

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Fiat
Categorie: Auto
Model: Ducato (2000)

Handleiding Fiat Ducato (2000) – volledige tekst

ABSOLUUT LEZEN!BRANDSTOFTANKBenzinemotoren: Tank bij deze auto uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal 95 RON.Dieselmotoren: Tank bij deze auto uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan Europese specificaties EN590.MOTOR STARTENControleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledigin, maar trap het gaspedaal niet in; vervolgens:benzinemotoren: draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat hem los zodra de motor aanslaat.dieselmotoren: draai de start-/contactsleutel in stand MAR en wacht tot de waarschuwingslampjes men ¢doven; draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat hem los zodra de motor aanslaat.PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALENOok onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen.

ELEKTRISCHE APPARATUURAls u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ontladen), dient u contact op te nemen met Fiat-dealer. Deze kan u de meest geschikteinstallaties aanraden die de accu niet uitputten.CODE-cardBewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u te hebben omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een noodstart.GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDBedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatie-kosten laag.IN HET INSTRUCTIEBOEKJE……vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoudvan uw auto.

WELKOM AAN BOORD VAN DE DUCATOHartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Ducato. Met deze bedrijfsauto bent u verzekerd van een groot laadvermogen, veiligheid en rijplezier. Bovendien is de Ducato een automet respect voor het milieu. De doelmatigheid van elk detail, zijn veelzijdigheid, de prestaties van de motor, de veleaccessoires en optionals, de veiligheidssystemen en de recycleerbare onderdelen maken de Ducato tot een uniekebedrijfsauto.U zult het merken zodra u met de Ducato begint te rijden.En ook daarna, want u zult ontdekken dat deze auto door zijn hoge kwaliteitsniveau u alles zal bieden wat u ver-langt, zelfs onder de zwaarste bedrijfsomstandigheden.Voordat u vertrekt, raden we u aan dit boekje aandachtig te lezen. Het is een onmisbare gids waarmee u iederaspect van uw Ducato leert kennen.

Ook leest u hoe u uw Ducato het beste kunt gebruiken. Bovendien biedt ditboekje u belangrijke aanwijzingen voor uw veiligheid, het in conditie houden van de auto en milieubewust auto-rijden.In de SERVICE- EN GARANTIEHANDLEIDING vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud:• het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden• een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten.Veel leesplezier, goede reis... en veel plezier in uw werk!1

VEILIG EN MILIEUBEWUST RIJDENVeiligheid, respect voor het milieu en optimalisering van het laadvermogen zijn de uitgangspunten geweest bijhet ontwerpen van de Ducato.Zowel de nieuwe motoren, de veiligheidsvoorzieningen en het grote comfort voor de bestuurder en zijn mede-inzittenden, als het grote gebruiksgemak dragen ertoe bij om de persoonlijkheid van uw Ducato te waarderen.En ook daarna, want u zult ontdekken dat naast de karakteristieke stijl en het temperament, door nieuwe pro-ductietechnieken de onderhoudskosten laag zullen blijven.Wij willen u er bovendien aan herinneren dat de Ducato niet alleen een milieubewuste auto is tijdens het ge-bruik, maar ook daarna.

Fiat heeft hard gewerkt om een zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recycling.Aan heteinde van zijn lange levensduur kan de Ducato eenvoudig ontmanteld en al zijn onderdelen gerecycleerd worden.Voor de natuur betekent dat een groot voordeel: niets gaat verloren, niets wordt gestort en er zijn minder nieuwegrondstoffen nodig.2

De signalen die u op deze pagina ziet, zijn zeer belangrijk. Zij staan bij onderdelen in dit boekje waar we extraaandacht voor vragen.Zoals u ziet, bestaat elk signaal uit een verschillend symbool. Zo wordt direct duidelijk om welk onderwerp hetgaat:SIGNALEN VOOR EEN CORRECT GEBRUIK VAN UW AUTOVeiligheid van de inzittenden.Attentie. Het niet of gedeeltelijk op-volgen van deze instructies kan gevaaropleveren voor de inzittenden.Bescherming van het milieu.Aanwijzing voor het juiste gedrag,zodat het gebruik van de auto zo minmogelijk schade aan het milieu op-levert.Conditie van de auto.Attentie. Het niet of gedeeltelijk op-volgen van deze instructies schaadt deconditie van de auto en zal in veel ge-vallen ook de garantie doen vervallen.3

RemcircuitDe vloeistof in het reser-voir mag het maximum niveau niet overschrijden.Gebruik uitsluitend de vloeistof die isaangegeven in de “Vullingstabel”.StuurbekrachtigingDe vloeistof in het reser-voir mag het maximum niveau niet overschrijden.Gebruik uitsluitend de vloeistof die isaangegeven in de “Vullingstabel”.KatalysatorParkeer niet bovenbrandbare materialen.Raadpleeg het hoofdstuk:“Voorzorgsmaatregelen voor hetbehoud van de emissiereductiesyste-men”.AccuNiet dichtbij komen metopen vuur.AccuHoud kinderen op af-stand.Hitteschilden -riemen - poelies -ventilateurNiet aanraken.Slangen van de airconditioningNiet openen.Gas onder hoge druk.Riemen en poeliesBewegende delen; nietdichtbij komen met lichaamsdelen of kleding-stukken.VERBODSSYMBOLEN5WAARSCHUWINGS-SYMBOLEN

INSTRUMENTEN. 27CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES. 28VERWARMING EN VENTILATIE. 32AIRCONDITIONING. 35EXTRA VERWARMING. 37HENDELS AAN HET STUUR. 41BEDIENINGSKNOPPEN. 43BRANDSTOF-NOODSCHAKELAAR. 44TACHOGRAAF. 45INTERIEURUITRUSTING. 46PORTIEREN. 49MOTORKAP. 53KOPLAMPEN. 54ABS. 56AIRBAG. 58AUTORADIO. 60VOORBEREIDING VOOR IMPERIAAL/SKIDRAGER. 61TANKEN MET DE DUCATO. 61BESCHERMING VAN HET MILIEU. 638Wij raden u aan dit hoofdstuk te lezen terwijl ucomfortabel in uw nieuwe Ducato zit. Zo kunt u de indit boekje beschreven delen direct herkennen en allesproberen. Op deze manier raakt u in korte tijd vertrouwd metde bedieningsknoppen en de installaties waarmee uwDucato is uitgerust. Wanneer u de motor start en deweg op gaat, zult u nog veel meer aardige eigenschap-pen van uw nieuwe auto ontdekken. FIAT CODE. 9START-/CONTACTSLOT. 11ZITPOSITIE INSTELLEN. 12VEILIGHEIDSGORDELS.

FIAT CODEVoor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust meteen elektronische startblokkering (FiatCODE). Het systeem schakelt auto-matisch in als de start-/contactsleutelwordt uitgenomen. In de handgreepvan de sleutels zit een elektronischcomponent gemonteerd dat bij hetstarten van de motor een signaal ont-vangt via een speciale antenne die inhet start-/contactslot is ingebouwd.Dit signaal wordt omgezet in een ge-codeerd signaal en vervolgens aan deregeleenheid van de Fiat CODE ge-zonden, die, als de code wordt her-kend, het starten van de motor mo-gelijk maakt.DE SLEUTELSBij de auto worden geleverd:– een sleutel A-fig.

1 en twee sleu-tels B.De sleutel met bordeauxrodeAhandgreep, waarvan u één exemplaarhebt ontvangen, is de hoofdsleutel.Deze sleutel is onmisbaar voor deFiat-dealer omdat hij dient voor hetopslaan van de codes van de anderesleutels Bbij verlies of beschadiging.Deze sleutel is ook onmisbaar voorhet aanvragen van duplicaatsleutels.Wijraden u aan de sleutel op een veiligeplaats te bewaren (niet in de auto) enalleen in uitzonderlijke gevallen te ge-bruiken.Bij verlies van de hoofdsleutel ishet niet meer mogelijk werk-zaamheden aan de Fiat CODE ende regeleenheid van de motor (ofinspuitpomp bij uitvoeringen metdieselmotor) uit te voeren.Sleutel B, waarvan u twee exempla-ren hebt ontvangen, is voor het nor-male gebruik en dient voor:– het starten– de voorportieren– de zijschuifdeuren– de achterdeur– de dop van de brandstoftank.Samen met de sleutels hebt u eenCODE-card fig.

10B- de mechanische code van desleutels die bij aanvraag van duplicaat-sleutels aan de Fiat-dealer moetworden overhandigd.C - vakjes voor het aanbrengen vaneventuele codestickers.De CODE-card en de sleutel metbordeauxrode handgreep moeten opeen veilige plaats worden opgeborgen.Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u tehebben omdat deze onmisbaar is voorhet uitvoeren van een noodstart.DUPLICAATSLEUTELSBedenk dat bij aanvraag van extrasleutels, zowel de nieuwe sleutels alsde reeds in uw bezit zijnde sleutelsopnieuw in het geheugen (tot eenmaximum van 7 sleutels) moeten wor-den ingevoerd.Wendt u met de bor-deauxrode sleutel,alle overige sleutelsen de CODE-card tot de Fiat-dealer.Als tijdens het opslaan van eennieuwe sleutelcode de reeds op-geslagen sleutelcodes niet op-nieuw worden ingevoerd, wordenze uit het geheugen gewist,zodateventueel verloren sleutels nietmeer gebruikt kunnen wordenvoor het starten van de motor.WERKINGIedere keer als u de contactsleutel instand STOP of PARK uitneemt,schakelt het beveiligingssysteem destartblokkering in.Draai bij het starten van de motor decontactsleutel in stand MAR.1) Als de code wordt herkend, gaathet lampje op het instru-¢-fig.

3mentenpaneel kort knipperen;het be-veiligingssysteem heeft de door desleutel gezonden code herkend en destartblokkering wordt opgeheven.Draai de sleutel in stand AVV om demotor te starten.2) Als het controlelampje ¢blijftbranden, wordt de code niet herkend.In dat geval raden wij u aan de sleutelin stand STOP en vervolgens in MARte draaien; als de motor geblokkeerdblijft, probeer het dan opnieuw met deandere geleverde sleutels.Als de auto wordt ver-kocht, moet de sleutelmet de bordeauxrodehandgreep (naast de andere sleu-tels) en de CODE-card aan denieuwe eigenaar worden over-handigd.

11Als de motor nog niet aanslaat,dient u contact op te nemen metde Fiat-dealer.Tijdens het rijden met de contact-sleutel in stand MAR:1) Als het controlelampje ¢gaatbranden, betekent dit dat het systeemzichzelf controleert (bijv. bij een ver-mindering van de spanning).Als u hetsysteem wilt controleren moet u deauto stilzetten, de motor afzetten ende contactsleutel in stand STOP envervolgens opnieuw in stand MARdraaien: het controlelampje ¢gaatbranden en moet na ongeveer 1 se-conde doven. Als het controlelampjeblijft branden,dan moet de gehele pro-cedure herhaald worden, waarbij decontactsleutel ten minste 30 secondenin stand STOP moet blijven.

Als hetcontrolelampje blijft branden, dient ucontact op te nemen met de Fiat-dealer2) Als het lampje ¢knippert, be-tekent dit dat de auto niet wordt be-veiligd door de startblokkering.Neemonmiddellijk contact op met een Fiat-dealer om alle sleutels in het geheu-gen te laten opslaan.BELANGRIJK Bij krachtige stotenkunnen de elektronische componen-ten in de sleutel beschadigd worden.BELANGRIJK Elke sleutel heefteen eigen code die verschillend is vanalle andere codes. Deze code moetworden opgeslagen in de regeleenheidvan het systeem.START-/CONTACTSLOTDe sleutel kan in 4 standen wordengedraaid fig. 4STOP: motor uit, sleutel uitneem-baar, stuurslot geblokkeerd.MAR: contact aan. Alle elektrischeinstallaties werken.AVV: starten van de motor.PARK: motor uit,parkeerverlichtingaan, sleutel uitneembaar, stuurslot ge-blokkeerd.Druk om de sleutel in standPARK A.te kunnen draaien, op knop fig.

Verwijder de sleutel al-tijd uit het start-/contact-slot als u de auto verlaat,om onvoorzichtig gebruik van debedieningsknoppen te voorko-men.Vergeet de auto niet op dehandrem te zetten. Schakel deeerste versnelling in als de autoop een helling omhoog staat;schakel hem in zijn achteruit alshij op een helling omlaag staat.Laat kinderen nooit alleen achterin de auto.12Verstel de stoelen alleenals de auto stilstaat.Verwijder de sleutelnooit uit het contactslotals de auto nog in bewe-ging is. Bij de eerste stuuruitslagblokkeert het stuur automatisch.Dit geldt in alle gevallen, ook alsde auto gesleept wordt.Als het start-/contact-slot is geforceerd (bijv.

13Hoogteverstelling (indien aanwezig)Trek hendel B-fig. 6 omhoog om hetvoorste gedeelte van de zitting teverhogen.Trek hendel C omhoog omhet achterste gedeelte van de zitting teverhogen. Om de zitting te latenzakken, moet u de hendels naar bene-den drukken.BELANGRIJK De zitting kan alleenomhoog geplaatst worden als de stoelombelast is, en alleen omlaag geplaatstworden als u op de bestuurdersstoelzit.Verstellen van de rugleuning (indien aanwezig)Draai knop D-fig. 5.Verstellen van de rugleuningvan de passagiersstoelen(Panorama-uitvoering)Draai knop E-fig. 7.HOOFDSTEUNENDe stoelen zijn voorzien van vastehoofdsteunen fig. 8 om de juiste on-dersteuning te bieden aan volwasseninzittenden ongeacht het postuur.fig. 6P3P00403fig. 7P3P00224fig.

8P3P00208Laat de hendel los encontroleer of de stoelgoed geblokkeerd is doornaar voren en naar achteren teschuiven.Als de stoel niet goed geblok-keerd is, kan deze onverwachtsverschuiven waardoor een ge-vaarlijke situatie kan ontstaan.

14BINNENSPIEGEL (indien van toepassing)De binnenspiegel is verstelbaar methendel A-fig. 9.1 - normale stand2 - anti-verblindingsstand.De spiegel is uitgerust met een veilig-heidsvoorziening:de spiegel springt tij-dens een botsing los.BUITENSPIEGELSHandbediende verstelling:Bedien met de hand één van de tweespiegelglazen van spiegel A-fig. 10.Het spiegeloppervlakaan de onderkant van despiegel is parabolischwaardoor het blikveld wordt ver-groot. Dit heeft tot gevolg dat deomvang van de objecten die menin de spiegel ziet, kleiner lijken.Hierdoor kan de indruk ontstaandat deze objecten verder verwij-derd zijn dan in werkelijkheid.Als de breedte van despiegels in een nauwedoorgang problemenoplevert, dan kunnen de spiegelsvan stand 1 in stand 2 wordengeklapt.fig. 9P3P00436fig.

10P3P00439Çspiegel rechtsÅspiegel linksÑgroothoekspiegel rechtsÉgroothoekspiegel linksNadat u de knop in een stand hebtgezet, kunt u de gekozen spiegel ver-stellen door de knop in de richting vande pijlen te bewegen.Elektrisch verstelbaar (indien aanwezig)De elektrische verstelling is alleenmogelijk als de contactsleutel in standMAR staat.U kunt de spiegel verstellen door knopB-fig. 11 in één van de vier standen tezetten:fig. 11P3P00481

15VEILIGHEIDS-GORDELSGebruik van de veiligheids-gordels (een- of tweezitsbijrijdersbank in de cabine fig. 13 en zijzitplaatsen achterindien aanwezig)Trek de veiligheidsgordel geleidelijkuit. Als de oprolautomaat blokkeert,laat dan de gordel een stukje teruglo-pen en trek hem vervolgens weer ge-leidelijk uit.Veiligheidsgordel vastmaken:drukgesp C-fig. 12 in sluiting Etotdat hijhoorbaar blokkeert.Veiligheidsgordel losmaken:drukop knop D.Begeleid de gordel tijdens het terug-lopen om te voorkomen dat de gor-delband draait.Deze gordels hoeft u niet met dehand af te stellen.Via de rolautomaat wordt de lengtevan de gordel automatisch aangepastaan het postuur van de drager,waarbijer voldoende bewegingsruimte over-blijft.Als de auto op een steile hellingstaat, kan de rolautomaat blokkeren;dit is een normaal verschijnsel.Bovendien blokkeert de rolautomaatals u de gordel snel uittrekt.

Hijblokkeert ook bij hard remmen, bot-singen en bij hoge snelheden in boch-ten.Pas de hoogte van de geleidebeugelvan de veiligheidsgordels altijd aan hetpostuur van de inzittende aan. Zowordt de kans op letsel bij een onge-val verkleind.De gordel is goed afgesteld als hijover de schouder halverwege tussennek en uiteinde van de schouder ligt.fig. 12P3P00431fig. 13P3P00432Voor maximale veilig-heid moet u de rugleu-ning rechtop zetten, te-gen de leuning aan gaan zitten ende gordel goed laten aansluitenop borst en bekken.De veiligheidsgordelsmogen alleen wordenversteld als de auto stil-staat.Hoogteverstelling van de veilig-heidsgordels:

14 tegelijkertijd beugel Aomlaag in degewenste stand.Controleer na het instellen altijd ofbeugel Agoed vergrendeld is doorhem naar beneden te duwen zonderknop B in te drukken.Controleer na het in-stellen altijd of de beugelgoed vergrendeld is inéén van de vaste punten.GEBRUIK VAN DE HEUP-GORDEL VAN DE ZIT-PLAATSEN IN HET MIDDEN(Zitplaatsen middenachter inde Panorama- en Combi-uitvoering)Gordel vastmaken: druk gesp A-fig.15 in sluiting Btotdat hij hoorbaarblokkeert.Gordel losmaken: druk op knop C.Gordel afstellen:stel de gordel af metklem D.Trek aan deel Eom de gor-del te verkorten en aan deel om teF verlengen.BELANGRIJK De gordel is correctafgesteld als hij goed aansluit op hetbekken.fig. 14P3P00433fig. 15P3P00351

17Algemene opmerkingen overhet gebruik van de veiligheids-gordels Draag altijd veiligheids-gordels zowel voorin alsachterin. Rijden zonderveiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dode-lijke afloop bij een ongeval.De gordelband magnooit gedraaid zijn. Hetdiagonale gordelgedeeltemoet via het midden van deschouder schuin over de borst lig-gen. Het horizontale gordelge-deelte moet over het bekken enniet over de buik liggen, zodatwordt voorkomen dat u tijdenseen botsing onder de gordel uit-schuift fig. 16.

Draag geen voor-werpen (sieraden, gespen enz.)die een goed aansluiten van degordel op het lichaam van de pas-sagier verhinderen.De gebruikers van de auto dienen zich aan de wettelijke voorschriften tehouden van het land waarin zij met deauto rijden,wat betreft de verplichtin-gen met betrekking tot het gebruik vanveiligheidsgordels.Bedenk dat passagiersop de zitplaatsen achterdie geen gordel dragentijdens een ernstig ongeval, ookgevaar opleveren voor de voor-passagiers.fig. 16P3P00202Gebruik de gordel nietvoor een kind dat bij eenvolwassene op schoot zit,waarbij de gordel beiden zoumoeten beschermen fig. 17.fig. 17P3P00230

18Ook vrouwen die in verwachting zijnmoeten een gordel dragen: ook voorhen (zowel voor de aanstaande moe-der als het kind) is de kans op letsel bijeen ernstig ongeval groter als ze geengordel dragen.Uiteraard moeten zwangere vrou-wen het onderste deel van de gordelmeer naar beneden omleggen, zodatde gordel onder de buik langs looptfig. 18.KINDEREN VEILIG VERVOERENVoor optimale bescherming bij eenongeval moeten alle inzittenden zit-tend reizen en beschermd wordendoor goedgekeurde veiligheidssyste-men.Dit geldt met name voor kinderen.Het hoofd van kleine kinderen is inverhouding met de rest van het li-chaam groter en zwaarder dan dat vanvolwassenen, terwijl spieren en bot-structuur nog niet volledig zijnontwikkeld. Daarom moeten kleinekinderen door andere systemen be-schermd worden dan door de veilig-heidsgordels.fig. 18P3P00351fig.

19P3P00352De resultaten van het onderzoek overde optimale bescherming van kleine kin-deren zijn opgenomen in de EuropeseECE/R44-voorschriften die wettelijkverplicht zijn. De systemen zijn onder-verdeeld in vier groepen fig. 19:Groep 0 gewicht: 0-10 kgGroep 1 gewicht: 9-18 kgGroep 2 gewicht: 15-25 kgGroep 3 gewicht: 22-36 kgZoals u ziet is er een gedeeltelijkeoverlapping tussen de groepen;daaromzijn er in de handel systemen verkrijg-baar die geschikt zijn voor verschil-lende gewichtsgroepen.Alle systemen moeten zijn voorzienvan de typegoedkeuring en een goedvastgehecht plaatje met het controle-merk, dat absoluut niet mag wordenverwijderd.

De fabrikant is verplichtdeze instructies bij te leveren.19Kinderen met een gewicht boven 36 kg of met een lengte van meer dan1,50 m worden, met betrekking tot deveiligheidssystemen, gelijkgesteld metvolwassenen en moeten dan ook nor-maal de veiligheidsgordels omleggen.In het Fiat Lineaccessori-programmazijn kinderzitjes opgenomen voor elkegewichtsgroep,die speciaal ontworpenen ontwikkeld zijn voor de Fiat-modellen.GROEP 0Baby’s tot 10 kg moeten in wiegjesworden vervoerd die achterstevorenzijn geplaatst, waardoor het achter-hoofd wordt gesteund en bij abruptesnelheidswisselingen de nek niet wordtbelast.Het wiegje moet door de veiligheids-gordel van de auto op zijn plaats wor-den gehouden,zoals is afgebeeld in fig.20, terwijl de baby beschermd moetworden door de gordels van hetwiegje zelf.GROEP 1Kinderen met een gewicht vanaf 9 kgmoeten worden vervoerd in kinder-zitjes met een kussen die naarfig.

21voren zijn gekeerd, waarbij de veilig-heidsgordel van de auto zowel hetkinderzitje als het kind op zijn plaatsmoet houden.fig. 20P3P00353fig. 21P3P00354Wij raden u aan kinde-ren altijd op de zitplaat-sen achter te vervoerenomdat die plaatsen bij een on-geval de meeste beschermingbieden.In de figuur worden slechts aanwijzingen ge-geven voor de montage.Houdt u bij de montage van hetkinderzitje strikt aan de instruc-ties. De fabrikant is verplichtdeze instructies bij te leveren.

20fig. 23P3P00356Er bestaan kinderzitjesdie geschikt zijn voor degewichtsgroepen 0 en 1.Deze kinderzitjes kunnen wor-den bevestigd aan de veiligheids-gordels achter en hebben zelfgordels om het kind te bescher-men. Vanwege het gewicht kanhet gevaarlijk zijn als ze verkeerdworden gemonteerd, waarbij eenkussen tussen het kinderzitje ende veiligheidsgordels van de autowordt geplaatst. Houdt u voor demontage van het kinderzitje aande instructies. De fabrikant is ver-plicht deze instructies bij te leve-ren.GROEP 2Vanaf 15 kg kunnen kinderen directdoor de veiligheidsgordels van de autoworden beschermd.Kinderen moetenzo in de kinderzitjes worden geplaatst,dat het diagonale gordelgedeelteschuin over de borst en niet langs denek moet liggen. Het horizontale gor-delgedeelte moet over het bekken enniet over de buik van het kind liggenfig.

22.GROEP 3Vanaf 22 kg kunnen kinderen op eenkussen vervoerd worden fig. 23.De borstomvang is dan van dien aarddat de kinderen gewoon tegen de rug-leuning kunnen steunen en niet meerin een kinderzitje hoeven te wordenvervoerd.Kinderen die langer zijn dan 1,50 mkunnen net zoals volwassenen deveiligheidsgordels omleggen.fig. 22P3P00355In de figuur wordenslechts aanwijzingen ge-geven voor de montage.Houdt u bij de montage van hetkinderzitje strikt aan de instruc-ties. De fabrikant is verplichtdeze instructies bij te leveren.

21Hieronder zijn de richtlijnenvoor een veilig vervoer van kin-deren aangegeven, waaraan u zich dient te houden.1) Plaats het kinderzitje bij voorkeurop één van de zitplaatsen achter om-dat deze plaatsen bij een ongeval demeeste bescherming bieden.2) In het figuur worden slechtsaanwijzingen gegeven voor de mon-tage.Houdt u bij de montage van hetkinderzitje strikt aan de instructies.Defabrikant is verplicht deze instructiesbij te leveren. Bewaar de instructies samen met de autopapieren en het in-structieboekje in de auto.

Monteergeen gebruikte kinderzitjes waarvan degebruiksaanwijzingen ontbreken.3) Controleer of de gordels goed zijnvastgemaakt door aan de gordelbandte trekken.4) In elk kinderzitje kan slechts éénkind vervoerd worden; vervoer nooittwee kinderen in één zitje.5) Controleer altijd of de gordel nietlangs de nek van het kind loopt.6) Zorg er tijdens de rit voor dat hetkind geen afwijkende houding aan-neemt of de gordels losmaakt.7) Vervoer kinderen nooit in uw armen,ook geen pasgeboren kinderen.Niemand is sterk genoeg om ze bij eenongeval vast te houden.8) Na een ongeval moet het zitjedoor een nieuw exemplaar wordenvervangen.HOE U DE VEILIGHEIDS-GORDELS IN OPTIMALESTAAT HOUDT1) Zorg dat de gordel goed uit-getrokken en niet gedraaid is; contro-leer ook of de oprolautomaat zonderhaperingen werkt.2) Vervang de gordels na een on-geval, ook al zijn ze ogenschijnlijk nietbeschadigd.3) U kunt de gordels met de handwassen met warm water en een neu-trale zeep.

Knijp ze uit en laat ze in deschaduw drogen. Gebruik geen bijten-de, blekende of kleurende middelen.Vermijd het gebruik van alle chemischeproducten die het weefsel kunnen aan-tasten.4)Voorkom dat er vocht in de oprol-automaat komt; de werking van deoprolautomaten is alleen gegaran-deerd, als ze niet nat zijn geweest.

22GORDELSPANNERSVoor een nog effectievere bescher-ming zijn bij de Ducato-uitvoeringenmet airbag de veiligheidsgordels van debestuurdersstoel en de buitenste pas-sagierszitplaats voorzien van gordel-spanners. Dit systeem wordt bij eenheftige botsing door een sensor inwerking gesteld en trekt de gordel enige centimeters aan.Op deze wijze worden de inzitten-den veel beter op hun plaats gehoudenen wordt de voorwaartse bewegingbeperkt.Het blokkeren van de veiligheids-gordel geeft aan dat de gordelspannerin werking is geweest;de gordel wordtniet meer opgerold, ook niet als hijwordt begeleid.De gordelspanner behoeft geen enkelonderhoud of smering.

Elke verande-ring van de oorspronkelijke staat zalde doelmatigheid verminderen.Als de gordelspanner door extremenatuurlijke omstandigheden (over-stromingen, zeestormen) met wateren modder in contact is geweest, danmoet hij worden vervangen.Voor een maximale beschermingdoor de gordelspanners moet deveiligheidsgordel zo worden omgelegddat hij goed aansluit op borst enbekken.De gordelspanner kanslechts één keer wordengebruikt. Als de gordel-spanner heeft gewerkt, moet uzich tot een Fiat-dealer wendenom de gordelspanner te latenvervangen. Het systeem heefteen geldigheid van 10 jaar vanafde productiedatum die op eensticker staat vermeld.

Na dezeperiode moet de gordelspannerworden vervangen.Het is streng verboden degordelspanners open temaken en/of onderdelente demonteren.Als er iets aan degordelspanners moet gebeuren,dient u contact op te nemen metde Fiat-dealer.Werkzaamheden waar-bij stoten, sterke trillingenof verhitting (maximaal100°C gedurende ten hoogste 6 uur) optreden, kunnen degordelspanners beschadigen ofactiveren:bij die omstandighedenhoren niet trillingen die voortge-bracht worden door een slechtwegdek of door contacten metkleine obstakels zoals trottoirs.Als er iets aan de gordelspannersmoet gebeuren, dient u contactop te nemen met de Fiat-dealer.

BRANDSTOFMETER Het waarschuwingslampje A-fig. 32gaat branden als er nog 8 tot 10 literbrandstof in de tank aanwezig is.Rijd nooit met een bijna lege tank:door een onregelmatige brandstof-toevoer kan de katalysator beschadi-gen.fig. 31P3P00445fig. 32P3P00406INSTRUMENTENSNELHEIDSMETER KILOMETERTELLER fig. 30A - Snelheidsmeter.B - Totaal kilometerteller.C - Dagteller.D - Druktoets voor het op nul zet-ten van de dagteller. Indrukken voorhet op nul zetten.SNELHEIDSMETERMIJLENTELLER fig. 31A - Snelheidsmeter.B - Totaal mijlteller.C - Dagteller.D - Druktoets voor het op nul zet-ten van de dagteller. Indrukken voorhet op nul zetten.fig. 30P3P0040527

ACCU WORDT NIET VOLDOENDEopgeladen (rood) Als er een defect is in het laadcircuitvan de dynamo.Als u de contactsleutelin stand draait, gaat het lampjeMARbranden. Het moet doven nadat demotor is gestart.Als de motor stationair draait, kanhet voorkomen dat het lampje iets later dooft.Neem onmiddellijk contact op metde Fiat-dealer om te voorkomen datde accu ontlaadt.wKOELVLOEISTOFTEMPE-RATUURMETER fig. 33Onder normale omstandighedenstaat de wijzernaald van de koelvloei-stoftemperatuurmeter ongeveer in hetmidden van de schaal.Als de wijzernaald in het rode gebiedkomt,betekent dit dat de motor over-belast wordt en dat er gas moet wor-den teruggenomen.De wijzernaald kan ook in het rodegebied komen, terwijl u met hogebuitentemperaturen langzaam rijdt.Het is in dat geval raadzaam te stop-pen en de motor uit te zetten.

TE HOGE KOEL-VLOEISTOF-TEMPERATUUR (rood) Als de temperatuur van de koel-vloeistof de maximum waarde over-schrijdt.29TE LAGE MOTOR-OLIEDRUK (rood) Als de motoroliedruk on-der de normale waarde zakt.Als u decontactsleutel in stand MAR draait,gaat het lampje branden. Het moetdoven nadat de motor is gestart.Als de motor stationair draait, kanhet voorkomen dat het lampje iets la-ter dooft.Als de motor zwaar belastis, kan het lampje gaan knipperen alsde motor stationair draait.

Het moetdoven zodra u iets gas geeft.vSTORING IN INSPUITSYSTEEM(rood)Als er een storing is in het inspuit-systeem.Als u de contactsleutel in stand MARdraait,gaat het lampje branden.Na enke-le seconden moet het lampje doven.Als het lampje constant blijft brandenof als het lampje tijdens het rijden gaatbranden,dan werkt het inspuitsysteemniet correct, waardoor de prestatieskunnen verminderen, de auto slechtrijdt en veel brandstof verbruikt.U kunt onder deze omstandighedendoorrijden zonder te veel van demotor te eisen of met hoge snelheidte rijden.

Neem zo snel mogelijk con-tact op met de Fiat-dealer.Als u te lang doorrijdt met een bran-dend waarschuwingslampje kan datschade veroorzaken, vooral als demotor onregelmatig draait of over-slaat.Rijd slechts korte tijd en met eenlaag toerental.Als het lampje onregelmatig en kortbrandt, duidt dit niet op een storing.Als het lampje gaatbranden tijdens het rij-den, moet de motor wor-den uitgezet en dient u contactop te nemen met de Fiat-dealer.uFIAT CODE (geel) In drie gevallen (met de con-tactsleutel in stand MAR):1. Eén maal knipperen - code van desleutel herkend. Het is mogelijk demotor te starten.2.Constant branden - code van desleutel niet herkend. Voer voor hetstarten van de motor een noodstartuit (zie hoofdstuk “Noodgevallen”).3. Knipperend - de auto wordt nietbeveiligd door het systeem.Het is mo-gelijk de motor te starten.¢g

30MISTACHTER-LICHTEN (geel)Als de mistachterlichtenzijn ingeschakeld.NIVEAU VAN DEKOELVLOEISTOF (rood) (indien aanwezig)Als het niveau van de koelvloeistof inde radiateur onder de minimum waar-de is gedaald.STORING AIRBAG (rood)(indien van toepassing)Als het systeem niet goed werkt.Als u de contactsleutelin stand MAR draait, gaathet lampje branden. Hetmoet na ongeveer 4 secondendoven.

Als het waarschuwings-lampje niet gaat branden, con-stant blijft branden of als het gaatbranden tijdens het rijden, moetu onmiddellijk stoppen en con-tact opnemen met de Fiat-dealer.4WAARSCHUWINGREMSYSTEEM (rood) In vier gevallen:1 – als de handrem is aangetrokken2 – als het remvloeistofniveau onderhet minimum is gedaald3 – als de remblokken versleten zijn.4 – tegelijkertijd met het lampje >om een storing aan te geven in de elek-tronische remdrukverdeling EBD.xAls het lampje xtijdenshet rijden gaat branden,controleer dan of dehandrem niet is aangetrokken.Als het lampje blijft branden ende handrem is niet aangetrokken,moet u onmiddellijk stoppen encontact opnemen met de Fiat-dealer.ûnWATER INDIESELFILTER(geel)(dieseluitvoeringen) Als er water in het dieselfilter zit.Alsu de contactsleutel in stand MARdraait, gaat het lampje branden.

Naenkele seconden moet het lampjedoven.cDe aanwezigheid vanwater in de dieselbrand-stof kan ernstige schadeaan het brandstofsysteem van demotor veroorzaken.Wendt u zosnel mogelijk tot een Fiat-dealerals het lampje gaat branden.

31STORING IN ANTI-BLOKKEER-SYSTEEM (ABS) (geel)Als het ABS niet goed werkt. Hetconventionele remsysteem blijft wer-ken. Neem echter zo spoedig mogelijkcontact op met de Fiat-dealer.Als u de contactsleutel in standMAR draait,gaat het lampje branden.Na ongeveer twee seconden moet hetlampje doven.Als bij een draaiendemotor alleen het waar-schuwingslampje > gaatbranden, dan is er een storing inhet ABS-systeem. In dat gevalwerkt het conventionele remsys-teem op de normale manier,terwijl geen gebruik wordt ge-maakt van het anti-blokkeersys-teem.

Onder deze omstandig-heden kan ook de werking vanhet EBD-systeem verminderen.Ook in dit geval raden wij u aanonmiddellijk en zeer voorzichtignaar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer te rijden, om het systeemte laten controleren.RICHTING-AANWIJZERS(knipperend) (groen) Als u de hendel van de richting-aanwijzers bedient.>De auto is uitgerust meteen elektronische rem-drukverdeling (EBD).Alsbij een draaiende motor te-gelijkertijd de waarschuwings-lampjes > en x gaan branden,dan is er een storing in het EBD-systeem; in dat geval kunnen bijhard remmen de achterwielenvroegtijdig blokkeren waardoorde auto kan gaan slippen. Rijdzeer voorzichtig naar de dichtst-bijzijnde Fiat-dealer om het sys-teem te laten controleren.BUITEN-VERLICHTING(groen) Als de buitenverlichting en het dimlichtzijn ingeschakeld.VOORGLOEI-INSTALLATIE (geel)(diesel-uitvoeringen)Als u de contactsleutel in stand MARdraait.

33VERSTELBARE EN REGEL-BARE LUCHTROOSTERS fig. 36 en fig. 37A - Draaiknop voor het regelen vande luchtopbrengst:in stand ¥ = luchtrooster openin stand ç = luchtrooster dichtB - regelschuif voor het richten vande luchtstroom.C - vast luchtrooster voor zijruiten.De roosters kunnen naar boven ennaar beneden gekanteld worden.BEDIENINGSKNOPPEN fig. 38A - Draaiknop voor inschakeling vande aanjager.B - Draaiknop voor regeling van deluchttemperatuur (menging van war-me/koude lucht).C - Draaiknop voor de luchtverde-ling.D - Schuif om het recirculatiesys-teem in te schakelen, waarbij er geenlucht van buiten binnenkomt.Panorama-uitvoeringen: er kun-nen twee extra kachels zijn gemon-teerd;één standaard en één als optio-nal.Combi-uitvoeringen: de enkeleextra kachel is als optional leverbaar.Druk voor het inschakelen op toets G-fig. 39.Druk nogmaals op de toets voor hetuitschakelen.fig. 36P3P00435fig.

34VERWARMINGStanden voor een snelle verwarming.1) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur: in het rode vlak.2) Draaiknop voor de aanjager:schakel de gewenste snelheid in.3) Draaiknop voor de luchtverdelingin stand:- bij lage buitentemperatuur ofvoor een grote luchttoevoer voorontwasemingO voor normale verwarmingM voor verwarming van de been-ruimte,waarbij de luchtstroom op hetgelaat koel blijft (“bilevel”-stand)N voor verwarming van de been-ruimte van de inzittenden voorQ bij niet extreem lage buiten-temperatuur en ontwasemingONTWASEMING EN/OFONTDOOIING VAN DE VOORRUIT EN ZIJRUITENVOORStanden voor een snelle ontwase-ming.1) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur: in het rode vlak.2) Draaiknop voor de aanjager:schakel de maximale snelheid in.3) Draaiknop voor de luchtverdeling:in stand -.Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kaneen stand gekozen worden waarbij hetzicht optimaal blijft.BELANGRIJK Als de auto is uitge-rust met airconditioning, wordt hetontwasemen van de ruiten versnelddoor naast de bovengenoemde instel-lingen ook knop √ in te drukken.ONTWASEMING EN/OFONTDOOIING VAN DEACHTERRUITENDruk op knop (.Zodra de achterruiten ontwasemdzijn, is het raadzaam de verwarmingweer uit te schakelen.VENTILATIEStanden voor ventilatie.1) Zij- en middenroosters: geheelopen.2) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur: in het blauwe vlak.3) Schuif voor de luchtrecirculatie:instand Ú.4) Draaiknop voor de aanjager:schakel de gewenste snelheid in.5) Draaiknop voor de luchtverdeling:in stand O.

35RECIRCULATIEAls u de schuif voor de recirculatie instand Ò zet, circuleert alleen de lucht in het interieur.BELANGRIJK Dit systeem is voor-al bruikbaar bij geconcentreerde lucht-vervuiling (in de file, in tunnels, enz.).Het is niet raadzaam dit systeem lang-durig te laten werken,vooral niet als umet meer personen in de auto zit,om-dat dan de ruiten kunnen beslaan.BELANGRIJKUitsluitend bij de uitvoering met 2.8JTD-motor is de functie van de schuifomgekeerd:– aan de rechterkant stand Òluchtrecirculatie;– aan de linkerkant stand Ú lucht-toevoer van buiten.AIRCONDI-TIONING (indienaanwezig)BEDIENINGSKNOPPEN fig.

40A - Draaiknop voor inschakeling vande aanjager.B - Draaiknop voor regeling van deluchttemperatuur (menging van war-me/koude lucht).C - Draaiknop voor de luchtverde-ling.D - Schuif om het recirculatiesys-teem in te schakelen, waarbij er geenlucht van buiten binnenkomt.BELANGRIJK De lucht in het in-terieur koelt sneller af als bij zomer-se temperaturen de luchtrecirculatiewordt ingeschakeld.Ook is dit systeembruikbaar bij geconcentreerde lucht-vervuiling (in de file, in tunnels enz.).Het is niet raadzaam dit systeem lang-durig te laten werken,vooral niet als umet meer personen in de auto zit.E - Schakelaar voor in-/uitschakelingvan de airconditioning.De Panorama- en Combi-uitvoeringzijn voorzien van een airconditioningdie bestaat uit een hoofd-airconditio-ning en een extra airconditioning (alsoptional).fig. 40P3P00471

Deze werkt alleen als de hoofd-airconditioning is ingeschakeld.AIRCONDITIONING(KOELING)Standen voor een snelle koeling:1) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur: in het blauwe vlak.2) Airconditioning: druk op deschakelaar √3) - Schuif om het recirculatiesys-teem in te schakelen in stand Ò.4) Draaiknop voor de luchtverdeling:in stand O.5) Draaiknop voor de aanjager:schakel de gewenste snelheid in.Voor een gematigde koeling: zet deschuif in stand Ú, verhoog de tem-peratuur en verlaag de snelheid van deaanjager.Schakel de airconditioning niet in tij-dens het verwarmen en ventileren,maar gebruik daarvoor de basis-func-ties van het verwarmings- en ventila-tiesysteem (zie voorgaande hoofd-stuk).BELANGRIJK De airconditioningkan goed gebruikt worden om de ruiten sneller te ontwasemen, omdatde lucht droger wordt.

Zet hiervoorde bedieningsknoppen op ontwase-men en schakel de airconditioning indoor de schakelaar in te drukken.√Het systeem gebruikthet milieuvriendelijkekoelmiddel R134a. Bijlekkage is dit middel niet schade-lijk voor het milieu. Gebruik ingeen geval het middel R12,omdatdit middel de componenten vanhet systeem beschadigt.fig. 41P3P00574

37EXTRA VERWAR-MING (indienaanwezig)De extra verwarming werkt volledigonafhankelijk van de werking van demotor en zorgt ervoor dat:– het interieur van de auto wordt op-gewarmd als de motor uit staat;– de ruiten worden ontdooid;– de koelvloeistof van de motor endus de motor zelf voor het startenwordt opgewarmd.

Het systeem bestaat uit:– een kachel voor het verwarmenvan het water, met een geluidgedemp-te uitlaat;– een doseerpomp verbonden metde brandstofleidingen van de autovoor brandstoftoevoer naar de kachel;– een warmtewisselaar verbondenmet de slangen van het koelsysteemvan de motor;– een regeleenheid verbonden methet verwarmings-/ventilatiesysteemvan het interieur, die de automatischewerking ervan mogelijk maakt;– een elektronische regeleenheidvoor controle en regeling van de in deverwarming geïntegreerde brander;– een digitale timer voor het hand-matig inschakelen van de verwarmingof om het inschakeltijdstip te pro-grammeren. De extra verwarming werkt (tijdenshet koude seizoen) volledig automa-tisch, verwarmt het interieur, houdthet op temperatuur en laat geduren-de een vastgestelde tijd de koelvloei-stof van de motor circuleren.

Bij hetstarten van de motor bent u zo ver-zekerd van een optimale temperatuurvan de motor en van het interieur. De extra verwarming kan automa-tisch worden geprogrammeerd metbehulp van de digitale timer of hand-matig door op de toets “directeverwarming” van de timer te drukken. Nadat de verwarming hetzij hand-matig hetzij automatisch is geactiveerd,schakelt de elektronische regeleenheidde circulatiepomp in en wordt debrander ontstoken op een vastgestel-de en gecontroleerde manier. De opbrengst van de circulatiepompwordt ook gecontroleerd door deelektronische regeleenheid, zodat deopwarmperiode tot een minimum be-perkt blijft. Als de vloeistof een tem-peratuur bereikt van 30°C, schakelt deregeleenheid de aanjager in van hetverwarmingssysteem in het interieur.

Als de temperatuur 72°C bereikt,vermindert de elektronische regel-eenheid het vermogen van de kachel. Als de temperatuur 76,5 °C bereikt,wordt de werking onderbroken maarblijft het systeem ingeschakeld. Daar-naast geeft de timer aan dat het sys-teem in werking is en blijven de cir-culatiepomp en de aanjager van hetverwarmingssysteem in het interieuringeschakeld. Als de vloeistoftempera-tuur onder 71°C daalt, schakelt deregeleenheid automatisch de branderweer in.

38BELANGRIJK De extra verwar-ming is uitgerust met een thermischebeveiliging die de brander uitschakeltbij oververhitting door te weinig oflekkende koelvloeistof.Als dit het ge-val is moet na het repareren van hetdefect in het koelsysteem en/of het bij-vullen van de koelvloeistof en voordatde verwarming weer wordt inge-schakeld, de programma-keuzetoetsworden ingedrukt.De verwarming kan spontaan uitgaandoor gebrek aan brandstof of als tij-dens de werking de vlam dooft.Voer indat geval de procedure uit voor hetuitschakelen en probeer de stand-verwarming weer in te schakelen; alsde verwarming dan nog niet werkt,dient u contact op te nemen met deFiat-dealer.Inschakelen van de verwarmingVoordat de verwarming wordt inge-schakeld moet worden gecontroleerdof:– de draaiknop voor het regelen vande luchttemperatuur in het interieurin de stand “warme lucht” staat;– de draaiknop voor het regelen vande aanjagersnelheid in het interieur instand “2” staat.Digitale timer fig.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Fiat Ducato (2000) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden