Yamaha JOG R 50 (2015) Handleiding

Yamaha Scooter JOG R 50 (2015)

Bekijk gratis de handleiding van Yamaha JOG R 50 (2015) (159 pagina’s), behorend tot de categorie Scooter. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 62 mensen en kreeg gemiddeld 4.0 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Yamaha JOG R 50 (2015) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/159
2AD-F8199-D0
HANDLEIDING
Lees deze handleiding aandachtig
door voordat u deze machine
gaat gebruiken.
CS50 / CS50M / CS50Z

Beoordeel deze handleiding

4.0/5 (4 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Yamaha
Categorie: Scooter
Model: JOG R 50 (2015)

Handleiding Yamaha JOG R 50 (2015) – volledige tekst

DAU10112Welkom in de wereld van Yamaha. Als eigenaar van de CS50 / CS50M / CS50Z profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebiedvan het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verwor-ven. Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw CS50 / CS50M / CS50Z. De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de scooter, enbeschrijft hoe u uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade. De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vra-gen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer. Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe.

En vergeet niet, veiligheid voor alles. Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn vankleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meestrecente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamahadealer. DWA12411sWAARSCHUWINGLees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze scooter gaat gebruiken. INLEIDINGDAU10112Welkom in de wereld van Yamaha. Als eigenaar van de CS50 / CS50M / CS50Z profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebiedvan het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verwor-ven.

De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de scooter, enbeschrijft hoe u uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade. De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vra-gen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer. Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles. Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn vankleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meestrecente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamahadealer.

DWA12411sWAARSCHUWINGLees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze scooter gaat gebruiken. INLEIDINGDeze markering geeft de aanbevolen brandstof voor dit voertuig aan zoals gespecificeerd in de Europese voorschriften (EN228). Controleer bij het tanken of het vulpistool dezelfde markering draagt. OPMERKINGE10.

DAU10132Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING Dit is het Safety Alert-symbool. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico’s oppersoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel ofoverlijden te voorkomen.

Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kanresulteren in ernstig letsel of overlijden.De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om scha-de aan de machine of andere eigendommen te voorkomen.De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijkenof verhelderen.OPMERKINGLET OPWAARSCHUWINGDAU10132Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING Dit is het Safety Alert-symbool. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico’s oppersoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel ofoverlijden te voorkomen.

Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kanresulteren in ernstig letsel of overlijden.De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om scha-de aan de machine of andere eigendommen te voorkomen.De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijkenof verhelderen.OPMERKINGLET OPWAARSCHUWING

3-11Schokdemperunit afstellen. 3-12Bagagehaak. 3-13VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN. 4-1Controlelijst voor gebruik. 4-2GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ- INFORMATIE. 5-1Starten van een koude motor. 5-1 Wegrijden. 5-2 Sneller en langzamer rijden. 5-2Remmen. 5-3Tips voor een zuinig brandstofverbruik. 5-3 Inrijperiode. 5-4Parkeren. 5-4PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN. 6-1Periodiek smeer- enonderhoudsschema. 6-2Verwijderen en aanbrengen van destroomlijn- en framepanelen. 6-6 Bougie controleren. 6-7 Eindoverbrengingsolie. 6-8 Koelvloeistof. 6-9 Luchtfilterelement. 6-10Afstellen van de carburateur. 6-11Speling van de gaskabel afstellen. 6-11Banden. 6-12 Gietwielen. 6-13Vrije slag van voorremhendel controleren. 6-14Vrije slag van achterremhendel afstellen. 6-14Controleren van voorremblokken enachterremschoenen. 6-15Controleren van remvloeistofniveau. 6-16 Remvloeistof verversen.

DAUT1012Wees een verantwoordelijke eigenaar Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juistebediening ervan. Scooters zijn tweewielige voertuigen. Voor een veilig gebruik zijn de toepassingvan de juiste rijtechnieken en de ervaring van de bestuurder van belang. Elke bes-tuurder moet bekend zijn met de volgende vereisten alvorens met deze scooter tegaan rijden. Hij of zij moet: ●Door een competente informatiebrongrondig zijn ingelicht over alle aspec-ten van scooterrijden. ●Zich houden aan de waarschuwin- gen en onderhoudseisen zoals ver-meld in deze Gebruikershandleiding. ●Grondig getraind zijn in veilige encorrecte rijtechnieken. ●Gebruikmaken van professioneletechnische service, zoals aangege- ven in deze Gebruikershandleidingen/of wanneer de mechanische con-dities dit vereisen.

Veilig rijdenVoer vóór elke rit de controles voor het rij- den uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvol- doende inspectie of onderhoud van demachine vergroot het risico op ongeval ofschade. Zie pagina 4-1 voor een lijst metcontroles voor het rijden. ●Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus eenpassagier. OPMERKINGHoewel deze scooter is gebouwd voor hetvervoeren van de bestuurder en een pas- sagier, dient u altijd de lokale wet- enregelgeving na te leven. ●Het niet opmerken en herkennen vanscooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak vanauto-/scooterongevallen. Vaak wor- den ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, datblijkt het meest effectief om het risicoop een dergelijk type ongeval te ver-minderen. Dus: • Draag een jack in felle kleuren.

• Wees extra voorzichtig bij het naderen en passeren van kruisin- gen, daar doen ongelukken met scooters zich namelijk het meestvoor. • Ga daar rijden waar andere weg-gebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek vaneen andere weggebruiker.

●Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij een ongeval betrokken bestuur- ders zelfs niet in het bezit van eengeldig rijbewijs. • Zorg dat u bekwaam bent om terijden en leen uw scooter alleen uitaan ervaren scooterrijders. • Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukkenvoorkomen. • We raden aan om het scooterrij- den te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter enzijn bediening. ●Ongelukken worden vaak veroorza-akt door een fout van de scooterbes- tuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rijsnelheid aan of gaan onvol-doende schuinliggen voor de rijsnel- heid, waardoor ze wijd uit de bochtkomen. • Neem altijd de maximumsnelheidin acht en rijd nooit sneller dan dewegcondities en het verkeer toes-taan.

1VEILIGHEIDSINFORMATIE1-1DAUT1012Wees een verantwoordelijke eigenaar Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juistebediening ervan. Scooters zijn tweewielige voertuigen. Voor een veilig gebruik zijn de toepassingvan de juiste rijtechnieken en de ervaring van de bestuurder van belang. Elke bes-tuurder moet bekend zijn met de volgende vereisten alvorens met deze scooter tegaan rijden. Hij of zij moet: ●Door een competente informatiebrongrondig zijn ingelicht over alle aspec-ten van scooterrijden. ●Zich houden aan de waarschuwin- gen en onderhoudseisen zoals ver-meld in deze Gebruikershandleiding. ●Grondig getraind zijn in veilige encorrecte rijtechnieken. ●Gebruikmaken van professioneletechnische service, zoals aangege- ven in deze Gebruikershandleidingen/of wanneer de mechanische con-dities dit vereisen.

Zie pagina 4-1 voor een lijst metcontroles voor het rijden. ●Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus eenpassagier. OPMERKINGHoewel deze scooter is gebouwd voor hetvervoeren van de bestuurder en een pas- sagier, dient u altijd de lokale wet- enregelgeving na te leven. ●Het niet opmerken en herkennen vanscooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak vanauto-/scooterongevallen. Vaak wor- den ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, datblijkt het meest effectief om het risicoop een dergelijk type ongeval te ver-minderen. Dus: • Draag een jack in felle kleuren. • Wees extra voorzichtig bij het naderen en passeren van kruisin- gen, daar doen ongelukken met scooters zich namelijk het meestvoor. • Ga daar rijden waar andere weg-gebruikers u kunnen zien.

Ga niet rijden in de dode zichthoek vaneen andere weggebruiker. ●Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij een ongeval betrokken bestuur- ders zelfs niet in het bezit van eengeldig rijbewijs. • Zorg dat u bekwaam bent om terijden en leen uw scooter alleen uitaan ervaren scooterrijders. • Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukkenvoorkomen. • We raden aan om het scooterrij- den te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter enzijn bediening. ●Ongelukken worden vaak veroorza-akt door een fout van de scooterbes- tuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rijsnelheid aan of gaan onvol-doende schuinliggen voor de rijsnel- heid, waardoor ze wijd uit de bochtkomen.

• Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers ukunnen zien. ●De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor eengoede besturing. • De bestuurder moet tijdens het rij- den beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zode macht over het stuur te behou-den. • De passagier hoort steeds de bes-tuurder, de zadelband of de hand-greep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beidevoeten op de passagiersvoetsteu- nen te houden. Neem nooit een passagier mee die niet in staat isom beide voeten stevig op de pas-sagiersvoetsteunen te zetten. ● Rijd nooit onder invloed van alcoholof andere drugs. ●Deze scooter is uitsluitend ontwor-pen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-roadgebruik.

Beschermende kleding Scooterongelukken met dodelijke afloopbetreffen meestal hoofdletsel. Het dragenvan een helm is de belangrijkste factor bijhet voorkomen of reduceren van hoofdlet-sel. ● Draag altijd een goedgekeurde helm. ●Draag ook een vizier of een veilig- heidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind vers- lechteren, waardoor u gevarenmogelijk te laat opmerkt. ●Door een jack, stevige schoenen,een lange broek, handschoenen e. d. te dragen verkleint u de kans opschaafwonden of ontvellingen. ● Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhand- grepen of door de wielen wordengegrepen en zo een ongeval of letselveroorzaken. ●Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voetenbedekt. De motor en het uitlaatsyste- em kunnen tijdens en na het rijdenzeer heet zijn en brandwonden vero-orzaken.

Inademing van koolmonoxide kanhoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijk- heid, verwarring en uiteindelijk de doodveroorzaken. Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos,smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijnals u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het koolmonoxideniveau kan zeer snel oplo-pen, waardoor u het bewustzijn kunt ver- liezen en uzelf niet meer kunt redden. Inafgesloten of slecht geventileerde ruimtes kunnen dodelijke hoeveelheden koolmo- noxide dagenlang blijven hangen. Als usymptomen van koolmonoxidevergiftiging ervaart, verlaat de ruimte dan onmidde- llijk, ga naar de open lucht en ROEPMEDISCHE HULP IN. ●Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatoren of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide sneloplopen tot gevaarlijke niveaus. ●Laat de motor niet draaien in slecht geventileerde of deels afgeslotenruimtes zoals schuren of garages.

● Laat de motor niet buiten draaien op plaatsen waar de uitlaatgassen ineen gebouw kunnen worden getrok- ken via openingen zoals ramen endeuren. 1VEILIGHEIDSINFORMATIE1-2 • Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers ukunnen zien. ●De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor eengoede besturing. • De bestuurder moet tijdens het rij- den beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zode macht over het stuur te behou-den. • De passagier hoort steeds de bes-tuurder, de zadelband of de hand-greep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beidevoeten op de passagiersvoetsteu- nen te houden. Neem nooit een passagier mee die niet in staat isom beide voeten stevig op de pas-sagiersvoetsteunen te zetten. ● Rijd nooit onder invloed van alcoholof andere drugs.

Beschermende kleding Scooterongelukken met dodelijke afloopbetreffen meestal hoofdletsel. Het dragenvan een helm is de belangrijkste factor bijhet voorkomen of reduceren van hoofdlet-sel. ● Draag altijd een goedgekeurde helm. ●Draag ook een vizier of een veilig- heidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind vers- lechteren, waardoor u gevarenmogelijk te laat opmerkt. ●Door een jack, stevige schoenen,een lange broek, handschoenen e. d. te dragen verkleint u de kans opschaafwonden of ontvellingen. ● Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhand- grepen of door de wielen wordengegrepen en zo een ongeval of letselveroorzaken. ●Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voetenbedekt. De motor en het uitlaatsyste- em kunnen tijdens en na het rijdenzeer heet zijn en brandwonden vero-orzaken.

●De hierboven vermelde voorzorgs-maatregelen gelden ook voor passa-giers. Voorkom koolmonoxidevergiftiging De uitlaatgassen van verbrandingsmoto- ren bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kanhoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijk- heid, verwarring en uiteindelijk de doodveroorzaken. Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos,smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijnals u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het koolmonoxideniveau kan zeer snel oplo-pen, waardoor u het bewustzijn kunt ver- liezen en uzelf niet meer kunt redden. Inafgesloten of slecht geventileerde ruimtes kunnen dodelijke hoeveelheden koolmo- noxide dagenlang blijven hangen. Als usymptomen van koolmonoxidevergiftiging ervaart, verlaat de ruimte dan onmidde- llijk, ga naar de open lucht en ROEPMEDISCHE HULP IN. ●Laat de motor niet binnen draaien.

BeladenHet monteren van accessoires of het ver- voer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het wegge- drag als hierdoor de gewichtsverdeling van de scooter verandert. Wees uiterstvoorzichtig bij het monteren van accessoi-res of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdtdie beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast deinformatie over accessoires enkele richtlij-nen voor het beladen van uw scooter: Het totale gewicht van de bestuurder,passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrij- den. Rijden met een te zwaar belastemachine kan leiden tot een ongeval. Let op het volgende wanneer u tot dezegewichtslimiet belaadt: ●Het zwaartepunt van bagage enaccessoires moet zo laag en zo dicht mogelijk bij de scooter liggen.

Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zogelijkmatig mogelijk over beide zij-den om onbalans of instabiliteit teminimaliseren. ●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden ofaccessoires en bagage stevig aan descooter zijn bevestigd. Controleer debevestigingspunten voor accessoiresen bagage regelmatig. ●Pas de vering aan de te vervoeren bagage aan (alleen voor modellen met instelbare vering) en controleer de toestand en spanning van uwbanden. ● Bevestig nooit omvangrijke of zwaregoederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel wegge- drag of een te trage reactie op hetstuur veroorzaken. ●Deze machine is niet ontworpenvoor het trekken van een aanhan-ger of bevestiging van een zijspan.

Origi- nele Yamaha accessoires, die alleen ver- krijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijndoor Yamaha ontwikkeld, getest en goed-gekeurd voor gebruik op uw machine. Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssetsvoor Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamahaaccessoires die niet door Yamaha zijn ver- kocht of wijzigingen die niet door zijnYamaha zijn aangeraden niet goedkeurenof aanbevelen, zelfs niet als deze zijn ver- kocht en geïnstalleerd door een Yamahadealer.

In de handel verkrijgbare onderdelen,accessoires en aanpassingssetsHoewel er producten verkrijgbaar zijn die qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel ver- krijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke vei-ligheidsrisico’s voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbare producten of het verrichten van aanpas-singen die de ontwerp- of bedieningsken-merken van uw machine wijzigen kan het risico op ernstig letsel of overlijden vanuzelf of anderen vergroten.

U bent verant- woordelijk voor letsel dat voortvloeit uitMaximale belasting:CS50 169 kg (373 lb)CS50M 169 kg (373 lb)CS50Z 166 kg (366 lb)1VEILIGHEIDSINFORMATIE1-3BeladenHet monteren van accessoires of het ver- voer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het wegge- drag als hierdoor de gewichtsverdeling van de scooter verandert. Wees uiterstvoorzichtig bij het monteren van accessoi-res of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdtdie beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd.

Hieronder volgen naast deinformatie over accessoires enkele richtlij-nen voor het beladen van uw scooter: Het totale gewicht van de bestuurder,passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrij- den. Rijden met een te zwaar belastemachine kan leiden tot een ongeval. Let op het volgende wanneer u tot dezegewichtslimiet belaadt: ●Het zwaartepunt van bagage enaccessoires moet zo laag en zo dicht mogelijk bij de scooter liggen. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zogelijkmatig mogelijk over beide zij-den om onbalans of instabiliteit teminimaliseren. ●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden ofaccessoires en bagage stevig aan descooter zijn bevestigd. Controleer debevestigingspunten voor accessoiresen bagage regelmatig.

●Pas de vering aan de te vervoeren bagage aan (alleen voor modellen met instelbare vering) en controleer de toestand en spanning van uwbanden. ● Bevestig nooit omvangrijke of zwaregoederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel wegge- drag of een te trage reactie op hetstuur veroorzaken. ●Deze machine is niet ontworpenvoor het trekken van een aanhan-ger of bevestiging van een zijspan. Originele Yamaha accessoiresDe keuze van accessoires voor uw machi-ne vormt een belangrijke beslissing. Origi- nele Yamaha accessoires, die alleen ver- krijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijndoor Yamaha ontwikkeld, getest en goed-gekeurd voor gebruik op uw machine. Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssetsvoor Yamaha voertuigen.

Om die reden kan Yamahaaccessoires die niet door Yamaha zijn ver- kocht of wijzigingen die niet door zijnYamaha zijn aangeraden niet goedkeurenof aanbevelen, zelfs niet als deze zijn ver- kocht en geïnstalleerd door een Yamahadealer. In de handel verkrijgbare onderdelen,accessoires en aanpassingssetsHoewel er producten verkrijgbaar zijn die qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel ver- krijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke vei-ligheidsrisico’s voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbare producten of het verrichten van aanpas-singen die de ontwerp- of bedieningsken-merken van uw machine wijzigen kan het risico op ernstig letsel of overlijden vanuzelf of anderen vergroten.

1VEILIGHEIDSINFORMATIE1-4wijzigingen aan de machine. Volg bij de montage van accessoires deonderstaande richtlijnen en die vermeldonder het kopje “Beladen”. ● Monteer nooit accessoires en vervo-er nooit bagage als deze een nadeli- ge invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer hetaccessoire zorgvuldig alvorens het tegebruiken om te waarborgen dat hetde grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, deveerweg, de stuuruitslag of de bedie-ning niet beperkt en geen lampen ofreflectors afdekt. • Accessoires die aan of nabij hetstuur of de voorvork zijn gemonte- erd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutievegewichtsverdeling of door aerody- namische effecten. Accessoiresaan het stuur of nabij de voorvorkmoeten zo licht mogelijk zijn en toteen minimum worden beperkt.

• Omvangrijke accessoires kunnen door hun aerodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de scooter. De scooter kandoor rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabili- teit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door dezewordt ingehaald. • Sommige accessoires dwingen debestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo’n verkeerde zitpositie beperktde bewegingsvrijheid van de bes- tuurder en kan een comfortabelebediening hinderen, zodat we der-gelijke accessoires sterk afraden. ● Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Alselektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van descooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voor- doen waardoor de verlichting of demotor uitvalt.

Zie pagina 6-12 voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangenvan uw banden. DAU10372Andere aandachtspunten voorveilig rijden ● Geef duidelijk richting aan wanneer ueen bocht neemt. ●Op een nat wegdek kan remmen uiterst lastig zijn. Vermijd te hardremmen, de scooter zou kunnen slip- pen. Bedien de remmen rustig wan-neer u op een nat wegdek wilt stop-pen. ●Minder snelheid bij het naderen vaneen bocht of een afslag. Trek langza-am op nadat u de bocht hebt geno-men. ●Wees voorzichtig bij het passeren van geparkeerde auto’s. Een bes- tuurder merkt u mogelijk niet op en kan het portier openslaan in uw rij-richting. ●Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegen-bouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaanschuiven.

● De remvoeringen kunnen nat wordenbij het wassen van de scooter. Con- troleer de remmen na het wassenvan de scooter, voordat u gaat rijden. 1VEILIGHEIDSINFORMATIE1-4wijzigingen aan de machine. Volg bij de montage van accessoires deonderstaande richtlijnen en die vermeldonder het kopje “Beladen”. ● Monteer nooit accessoires en vervo-er nooit bagage als deze een nadeli- ge invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer hetaccessoire zorgvuldig alvorens het tegebruiken om te waarborgen dat hetde grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, deveerweg, de stuuruitslag of de bedie-ning niet beperkt en geen lampen ofreflectors afdekt. • Accessoires die aan of nabij hetstuur of de voorvork zijn gemonte- erd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutievegewichtsverdeling of door aerody- namische effecten.

De scooter kandoor rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabili- teit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door dezewordt ingehaald. • Sommige accessoires dwingen debestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo’n verkeerde zitpositie beperktde bewegingsvrijheid van de bes- tuurder en kan een comfortabelebediening hinderen, zodat we der-gelijke accessoires sterk afraden. ● Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Alselektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van descooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voor- doen waardoor de verlichting of demotor uitvalt.

In de handel verkrijgbare banden envelgen De banden en velgen die bij uw scooterwerden geleverd zijn ontworpen om demogelijkheden van de machine te onders- teunen en bieden de beste combinatie van rijprestaties, remvermogen en com- fort. Andere banden, velgen, maten of combinaties zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-12 voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangenvan uw banden. DAU10372Andere aandachtspunten voorveilig rijden ● Geef duidelijk richting aan wanneer ueen bocht neemt. ●Op een nat wegdek kan remmen uiterst lastig zijn. Vermijd te hardremmen, de scooter zou kunnen slip- pen. Bedien de remmen rustig wan-neer u op een nat wegdek wilt stop-pen. ●Minder snelheid bij het naderen vaneen bocht of een afslag. Trek langza-am op nadat u de bocht hebt geno-men. ●Wees voorzichtig bij het passeren van geparkeerde auto’s.

Een bes- tuurder merkt u mogelijk niet op en kan het portier openslaan in uw rij-richting. ●Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegen-bouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaanschuiven. ● De remvoeringen kunnen nat wordenbij het wassen van de scooter.

● Draag steeds een helm, handschoe-nen, een lange broek (taps toelopendbij de enkel/omslag, om flapperen tevoorkomen), en een felgekleurd jack. ●Vervoer op uw scooter niet te veelbagage. Een overbeladen scooter isonstabiel. Gebruik degelijke snelbin-ders om bagage aan de bagagedra- ger vast te binden (indien het voer- tuig is voorzien van eenbagagedrager). Losse bagage beïnv-loedt de stabiliteit van de scooter en kan uw aandacht afleiden van hetverkeer. (Zie pagina 1-1). 1VEILIGHEIDSINFORMATIE1-5 ● Draag steeds een helm, handschoe-nen, een lange broek (taps toelopendbij de enkel/omslag, om flapperen tevoorkomen), en een felgekleurd jack. ●Vervoer op uw scooter niet te veelbagage. Een overbeladen scooter isonstabiel. Gebruik degelijke snelbin-ders om bagage aan de bagagedra- ger vast te binden (indien het voer- tuig is voorzien van eenbagagedrager).

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN3-13DAU10460Contactslot/stuurslot Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlich-tingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen wordenhierna beschreven. DAU10640 “ ” ON Alle elektrische circuits worden voorzienvan stroom en de motor kan worden ges- tart. De sleutel kan niet worden uitgeno-men. OPMERKING De koplamp, de instrumentenverlichtingen het achterlicht gaan automatisch bran-den wanneer de motor wordt gestart. DAU10661 “ ” OFF Alle elektrische systemen zijn uitgescha-keld. De sleutel kan worden uitgenomen. DWA10061sWAARSCHUWING Draai nooit de sleutel naar “ ” of “ ” terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische syste- men uitgeschakeld, wat mogelijk kanleiden tot verlies van de controle of eenongeval. DAU10670 Het waarschuwingslampje 2-takt injec-tiesmering moet gaan branden.

(Zie pagi-na 3-2). DAU10681 “ ” LOCKHet stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutelkan worden uitgenomen. Om het stuur te vergrendelen1. Drukken. 2. Draaien. 1. Draai het stuur helemaal naar links. 2. Druk de sleutel in de “ ”-stand in en draai deze dan naar “ ”. Houd de sleutel hierbij inge-drukt. 3. Neem de sleutel uit. FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN3-13DAU10460Contactslot/stuurslot Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlich-tingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen wordenhierna beschreven. DAU10640 “ ” ON Alle elektrische circuits worden voorzienvan stroom en de motor kan worden ges- tart. De sleutel kan niet worden uitgeno-men. OPMERKING De koplamp, de instrumentenverlichtingen het achterlicht gaan automatisch bran-den wanneer de motor wordt gestart.

Hierdoor worden de elektrische syste- men uitgeschakeld, wat mogelijk kanleiden tot verlies van de controle of eenongeval. DAU10670 Het waarschuwingslampje 2-takt injec-tiesmering moet gaan branden. (Zie pagi-na 3-2). DAU10681 “ ” LOCKHet stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutelkan worden uitgenomen. Om het stuur te vergrendelen1. Drukken. 2. Draaien. 1. Draai het stuur helemaal naar links. 2. Druk de sleutel in de “ ”-stand in en draai deze dan naar “ ”. Houd de sleutel hierbij inge-drukt. 3. Neem de sleutel uit.

DAU11181Waarschuwingslampje olieniveau “ ”Dit waarschuwingslampje brandt als de sleutel in de “ ”-stand staat of als het olieniveau in het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering bij draaiende motor te laag staat. Als het waarschuwingslampje bij draaiende motor gaat branden, stop dan direct en vul het oliereservoir metYamalube 2 of gelijkwaardige 2-takt injec-tiesmering van ofwel JASO-klasse “FC” ofISO-klasse “EG-C” of “EG-D”. Het waars- chuwingslampje moet doven nadat hetoliereservoir voor 2-takt injectiesmering isbijgevuld. OPMERKING Vraag een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren als het waarschu- wingslampje niet gaat branden als de sleutel in de “ ”-stand staat of niet dooft nadat de olie in het oliereservoirvoor 2-takt injectiesmering is bijgevuld. DCA16291LET OP Gebruik het voertuig alleen als u weet dat het motorolieniveau voldoendehoog is. DAUS1530Snelheidsmeter1.

Snelheidsmeter1. Snelheidsmeter1. Snelheidsmeter1. Snelheidsmeter De snelheidsmeter toont de actuele rijs-nelheid. km/h mph01020304050010203040506070801CS50Z (Alleen UK)km/h mph0102030405001020304050607080CS50/CS50M (Alleen UK)1km/h010203040506070801CS50Zkm/h010203040506070801CS50/CS50MFUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN3-33DAU11181Waarschuwingslampje olieniveau “ ”Dit waarschuwingslampje brandt als de sleutel in de “ ”-stand staat of als het olieniveau in het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering bij draaiende motor te laag staat. Als het waarschuwingslampje bij draaiende motor gaat branden, stop dan direct en vul het oliereservoir metYamalube 2 of gelijkwaardige 2-takt injec-tiesmering van ofwel JASO-klasse “FC” ofISO-klasse “EG-C” of “EG-D”. Het waars- chuwingslampje moet doven nadat hetoliereservoir voor 2-takt injectiesmering isbijgevuld.

DAUS1424Multifunctioneel display1. Selectietoets2. Kilometerteller/ritteller3. Klok 4. BrandstofniveaumeterDWA12312sWAARSCHUWINGZet de machine stil voordat u wijzigin- gen aanbrengt in de instellingen van het multifunctionele display. Het aan-brengen van wijzigingen tijdens het rij-den kan u afleiden en vergroot het risi-co op een ongeval. Het multifunctionele display toont de vol-gende voorzieningen: ● een digitale klok ●een kilometerteller (die de totaleafgelegde afstand toont) ● een ritteller (die de afgelegde afstand toont sinds de teller het laatst werdteruggesteld op nul) ● een brandstofniveaumeter ● een voorziening voor zelfdiagnose ● een functietoets (voor het selecteren,instellen en terugstellen van diverse modivan het multifunctionele display)OPMERKING ●Vergeet niet de sleutel naar “ ” tedraaien voordat u de toets gebruikt.

Het multifunctionele display toont de vol-gende voorzieningen: ● een digitale klok ●een kilometerteller (die de totaleafgelegde afstand toont) ● een ritteller (die de afgelegde afstand toont sinds de teller het laatst werdteruggesteld op nul) ● een brandstofniveaumeter ● een voorziening voor zelfdiagnose ● een functietoets (voor het selecteren,instellen en terugstellen van diverse modivan het multifunctionele display)OPMERKING ●Vergeet niet de sleutel naar “ ” tedraaien voordat u de toets gebruikt. ● Alleen voor Groot-Brittannië: De kilo- meterteller en ritteller worden weer-gegeven in mijlen. De klok op tijd zetten: 1. Selecteer de kilometerteller en houd de toets ten minste twee secondeningedrukt. 2. Als de uuraanduiding begint te knip- peren, drukt u op de toets om deuren in te stellen. 3. Om de tien-minutenaanduiding tewijzigen, houdt u de toets ten minstetwee seconden ingedrukt. 4.

6. Als de een-minuutaanduiding begintte knipperen, drukt u op de toets omde minuten in te stellen. 7. Houd de toets ten minste twee seconden ingedrukt om de klok testarten. OPMERKING Nadat de klok op tijd is gezet, moet detoets ten minste twee seconden ingedruktworden gehouden voordat de sleutel naar “ ” wordt gedraaid, anders geeft deklok niet de juiste tijd aan. Kilometerteller- en rittellermodus Door indrukken van de toets wisselt deweergave tussen de kilometertellermodus “ODO” en de rittellermodus “TRIP” alsvolgt: ODO  TRIP ODO1. Kilometerteller2. Ritteller Om de ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door op de toets tedrukken, deze weer los te laten en daarnade toets ten minste twee seconden inge-drukt te houden. Brandstofniveaumeter De brandstofniveaumeter geeft aan hoe-veel brandstof in de tank aanwezig is.

De displaysegmenten van de brandstofnive- aumeter verdwijnen richting “E” (leeg) naarmate het brandstofniveau verderdaalt. Wanneer er nog maar één segment naast “E” is overgebleven, moet zo snelmogelijk brandstof worden bijgevuld. ZelfdiagnosesysteemDit model is uitgerust met een zelfdiagno-sesysteem voor het elektrische circuit vande brandstofregeling. Bij een probleem in het elektrische circuit van de brandstofregeling gaan alle LCD- segmenten van de brandstofmeter knip- peren. Als dit zich voordoet, vraag daneen Yamaha dealer de machine te contro-leren. PRESSBUTTONPRESSBUTTONFUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN3-53 6. Als de een-minuutaanduiding begintte knipperen, drukt u op de toets omde minuten in te stellen. 7. Houd de toets ten minste twee seconden ingedrukt om de klok testarten.

OPMERKING Nadat de klok op tijd is gezet, moet detoets ten minste twee seconden ingedruktworden gehouden voordat de sleutel naar “ ” wordt gedraaid, anders geeft deklok niet de juiste tijd aan.

Kilometerteller- en rittellermodus Door indrukken van de toets wisselt deweergave tussen de kilometertellermodus “ODO” en de rittellermodus “TRIP” alsvolgt: ODO  TRIP ODO1. Kilometerteller2. Ritteller Om de ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door op de toets tedrukken, deze weer los te laten en daarnade toets ten minste twee seconden inge-drukt te houden. Brandstofniveaumeter De brandstofniveaumeter geeft aan hoe-veel brandstof in de tank aanwezig is. De displaysegmenten van de brandstofnive- aumeter verdwijnen richting “E” (leeg) naarmate het brandstofniveau verderdaalt. Wanneer er nog maar één segment naast “E” is overgebleven, moet zo snelmogelijk brandstof worden bijgevuld. ZelfdiagnosesysteemDit model is uitgerust met een zelfdiagno-sesysteem voor het elektrische circuit vande brandstofregeling.

DAU12347StuurschakelaarsLinks 1. Dimlichtschakelaar “ / ” 2. Richtingaanwijzerschakelaar “ / ” 3. Claxonschakelaar “ ”Rechts 1. Startknop “ ”DAU12400 Dimlichtschakelaar “ / ” Zet deze schakelaar op “ ” voor groo- tlicht en op “ ” voor dimlicht.DAU12460 Richtingaanwijzerschakelaar “ / ” Druk deze schakelaar naar “ ” om afs-laan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand.Om de richtingaanwijzers uit te schakelenwordt de schakelaar ingedrukt nadat hij isteruggekeerd in de middenstand.DAU12500 Claxonschakelaar “ ” Druk deze schakelaar in om een claxon-signaal te geven.DAUM1132 Startknop “ ” Druk bij bekrachtigde voor- of achterremdeze knop in om de motor via de startmo- tor te starten. Zie pagina 5-1 voor star-tinstructies voordat u de motor start.DAU12900Voorremhendel1.

DAU12950Achterremhendel1. Achterremhendel De achterremhendel bevindt zich aan delinkerstuurgreep. Trek deze hendel naarhet stuur toe om de achterrem te bekrach-tigen.DAU13202Tankdop en dop van hetoliereservoir voor 2-taktinjectiesmering1. Dop oliereservoir voor 2-takt injectiesmering2. TankdopDe tankdop en de dop van het oliereser- voir voor 2-takt injectiesmering bevindenzich onder het zadel. (Zie pagina 3-11). TankdopOm de tankdop te verwijderen wordt dezelinksom gedraaid en dan losgenomen. Om de tankdop aan te brengen wordtdeze rechtsom gedraaid.Dop oliereservoir voor 2-taktinjectiesmering De dop van het oliereservoir voor 2-taktinjectiesmering wordt losgetrokken om teverwijderen.1 21FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN3-73

Om de dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering aan te brengen wordtdeze vastgedrukt in de reservoiropening.DWA10141sWAARSCHUWINGControleer alvorens te gaan rijden of detankdop en de dop van het oliereservoirvoor 2-takt injectiesmering correct zijn aangebracht. Door brandstoflekkageontstaat brandgevaar.DAU13212Brandstof Controleer of er voldoende brandstof inde brandstoftank aanwezig is.DWA10881sWAARSCHUWING Benzine en benzinedampen zijn zeer brandbaar. Volg de onderstaande ins- tructies om brand en ontploffing tevoorkomen en het letselrisico tijdenshet tanken te verlagen. 1. Zet alvorens te tanken de motor af en zorg dat er niemand op de machinezit. Rook nooit tijdens het tanken en tank nooit in de nabijheid van von- ken, open vuur of andere ontste- kingsbronnen zoals de waakvlam-men van geisers en kledingdrogers. 2. Maak de brandstoftank niet te vol.

af met water en zeep. Als u benzine opuw kleding morst, trek dan andere kle-ding aan.DAU13270Uw Yamaha motorblok is gebouwd op hetgebruik van normale loodvrije benzine meteen octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen),gebruik dan benzine van een ander merkof gebruik loodvrije superbenzine. Doorloodvrije benzine te gebruiken gaan bou- gies langer mee en blijven de onder-houdskosten beperkt.DAU13432Uitlaatkatalysator Dit model is uitgerust met een uitlaatka-talysator.DWA10861sWAARSCHUWING Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het vol- gende om brandgevaar of brandwon-den te voorkomen: ●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal datgemakkelijk vlam vat. ●Parkeer de machine op een plekwaar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met het hete uitla- atsysteem in aanraking kunnenkomen.

●Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhouds-werkzaamheden uit te voeren. ●Laat de motor niet langer danenkele minuten stationair draaien.Lang stationair draaien kan leidentot oververhitting.DCA10701LET OP Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toe-gebracht aan de uitlaatkatalysator.Voorgeschreven brandstof:UITSLUITEND NORMALELOODVRIJE BENZINEInhoud brandstoftank:5,5 L (1,45 US gal, 1,21 Imp.gal)Brandstofreserve:1,9 L (0,50 US gal, 0,42 Imp.gal)FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN3-93

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Yamaha JOG R 50 (2015) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden