Weishaupt WWP LI 16-A R Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Weishaupt WWP LI 16-A R (44 pagina’s), behorend tot de categorie Warmtepomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 22 mensen en kreeg gemiddeld 4.6 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Weishaupt WWP LI 16-A R of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Weishaupt |
| Categorie: | Warmtepomp |
| Model: | WWP LI 16-A R |
Handleiding Weishaupt WWP LI 16-A R – volledige tekst
452169. 66. 10 · 09/2020 · Rei 283321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R1 Veiligheidsvoorschriften1 Veiligheidsvoorschriften1. 1 Symbolen en markeringBijzonder belangrijke opmerkingen zijn in deze handleiding gemarkeerd met OPGELET. en OPMERKING. ACHTUNGOPGELETDirect levensgevaar of gevaar voor zwaar letsel of zware materiële schade. OpmerkingRisico op materiële schade of licht letsel of belangrijke informatie zonder andere gevaren voor personen en voorwerpen. 1. 2 Doelmatig gebruikDit toestel is uitsluitend vrijgegeven voor het door de fabrikant beoogde gebruiksdoel. Elk ander of verderreikend gebruik wordt als oneigenlijk gebruik beschouwd. Hiertoe wordt ook de inachtneming van de desbetreffende productdocumentatie gerekend. Het is niet toegestaan het toestel te veranderen of om te bouwen. 1.
3 Wettelijke voorschriften en richtlijnenDeze warmtepomp is volgens artikel 1, paragraaf 2 k) van de EU-richtlijn 2006/42/EG (richtlijn voor machines) voor huiselijk gebruik bestemd en valt daarmee onder de eisen van de EU-richtlijn 2014/35/EU (laagspanningsrichtlijn). De pomp is daarmee ook be-stemd voor gebruik door leken voor het verwarmen van winkels, kantoren en andere soortgelijke werkomgevingen, evenals voor het verwarmen van landbouwbedrijven, ho-tels, pensions en dergelijke of voor het verwarmen van andere wooninrichtingen. De constructie en uitvoering van de warmtepomp voldoen aan alle overeenkomstige EU-richtlijnen, DIN- en VDE-voorschriften (zie CE-conformiteitsverklaring). Bij de elektrische aansluiting van de warmtepomp dienen de overeenkomstige VDE-, EN- en IEC-normen alsook het Algemeen Reglement voor Elektrische Installaties (A. R. E. I. ) te worden nageleefd.
Dit toestel kan door kinderen vanaf 8 jaar en meer alsook door personen met vermin-derde fysieke, sensorische of mentale capaciteiten of gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, als deze onder toezicht zijn of over het veilige gebruik van het toestel werden geïnstrueerd en de daaruit resulterende gevaren verstaan. Kinderen mogen niet met het toestel spelen. Reiniging en gebruikersonderhoud mogen niet door kinderen zonder toezicht worden uitgevoerd. ACHTUNGOPGELETVoor het gebruik en het onderhoud van een warmtepomp moeten de vereiste regelgevingen van de landen na worden gekomen, waarin de warmtepomp gebruikt wordt. Afhankelijk van de koelmiddelhoeveelheid moet de dichtheid van de warmtepomp met regelmatige tussenpozen door overeenkomstig opgeleid personeel worden gecontroleerd en vastgelegd. Mee informatie hierover vindt u in het meegeleverde logboek.
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R1 Veiligheidsvoorschriften452169.66.10 · 09/2020 · Rei 3833212071.4 Energiebesparend gebruik van de warmtepompDoor het aanschaffen van deze warmtepomp draagt u bij aan de ontlasting van ons mi-lieu. De voorwaarde voor een energiebesparende werking is de juiste dimensionering van de warmtebron- en warmtegebruiksinstallatie.Het is van groot belang voor de effectiviteit van een warmtepomp dat het temperatuur-verschil tussen het verwarmingswater en de warmtebron zo laag mogelijk wordt ge-houden. Daarom is een zorgvuldige dimensionering van de warmtebron en de verwar-mingsinstallatie dringend aan te bevelen. Een met één Kelvin (één °C) hoger temperatuurverschil leidt tot een stijging van het stroomverbruik van ca. 2,5 %.
Let erop dat bij het dimensioneren van de verwarmingsinstallatie ook rekening gehou-den moet worden met speciale lasten, zoals de bereiding van sanitair warm water, en dat deze ook voor lagere temperaturen gedimensioneerd moeten worden. Een vloer-verwarming (verwarming van oppervlakken) is door lage vertrektemperaturen (30 °C tot 40 °C) optimaal geschikt voor het gebruik van een warmtepomp. Tijdens het gebruik dient verontreiniging van de warmtewisselaars te worden voorko-men, omdat hierdoor het temperatuurverschil verhoogd wordt, met een slechtere ver-mogenscoëfficiënt als gevolg.Een aanzienlijke bijdrage tot energiebesparend gebruik wordt ook geleverd door de warmtepompmanager, indien op de juiste manier ingesteld. Meer opmerkingen hierom-trent vindt u in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompmanager.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 483321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp2.1 ToepassingsgebiedDe lucht/water-warmtepomp is uitsluitend ontworpen voor het verwarmen en koelen van verwarmingswater. Deze kan in aanwezige of nieuw te plaatsen verwarmingsinstal-laties gebruikt worden.De warmtepomp is geschikt voor mono-energetische en bivalente werking tot een bui-tenluchttemperatuur van -22 °C.Bij continue werking moet een temperatuur van de verwarmingswaterterugloop van meer dan 22 °C (+2 °C/-0 °C) aangehouden worden om probleemloos ontdooien van de verdamper te waarborgen.De warmtepomp is niet ontworpen voor de verhoogde warmtebehoefte tijdens het dro-gen na de bouw. Daarom moet in de extra warmtebehoefte met speciale apparaten ter plaatse worden voorzien.
Voor het drogen na de bouw in de herfst of in de winter is het raadzaam een additioneel elektrisch verwarmingselement (als toebehoren verkrijgbaar) te installeren.In de koelmodus is de warmtepomp geschikt voor luchttemperaturen van +15 °C tot + 40 °C. De warmtepomp kan worden gebruikt voor stille en dynamische koeling. De mi-nimale koelwaterinlaattemperatuur is +7 °C.OpmerkingHet apparaat is niet voor frequentieomzetting geschikt.
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp452169. 66. 10 · 09/2020 · Rei 5833212072. 2 WerkwijzeVerwarmenBuitenlucht wordt door de ventilator aangezogen en daarbij door de verdamper (warm-tewisselaar) geleid. De verdamper koelt de lucht af, d. w. z. hij onttrekt warmte aan de lucht. De gewonnen warmte wordt in de verdamper op de werkvloeistof (koelmiddel) overgedragen. Met behulp van een elektrisch aangedreven compressor wordt de opgenomen warmte door drukverhoging op een hoger temperatuurniveau "gepompt" en via de condensor (warmtewisselaar) aan het verwarmingswater afgegeven. Daarbij wordt de elektrische energie gebruikt om de warmte van de omgeving op een hoger temperatuurniveau te brengen. Omdat de aan de lucht onttrokken energie naar het verwarmingswater getransfereerd wordt, wordt dit apparaat ook lucht/water-warm-tepomp genoemd.
De lucht/water-warmtepomp bestaat uit de hoofdcomponenten verdamper, ventilator, expansieventiel, compressor, de condensor en de elektrische sturing. Bij lage omgevingstemperaturen verbindt luchtvochtigheid zich als rijp met de verdam-per en belemmert de warmteoverdracht. Een ongelijkmatige adsorptie geeft daarbij geen tekort weer. Indien nodig, wordt de verdamper automatisch door de warmtepomp ontdooid. Afhankelijk van het weer kunnen daarbij stoomwolken bij de luchtuitlaat ont-staan. KoelenIn de bedrijfsmodus "Koelen" wordt de werkwijze van verdamper en condensor omge-keerd. Het verwarmingswater geeft via de nu als verdamper werkende condensor de warmte aan het koelmiddel af. Met de compressor wordt het koelmiddel op een hoger tempe-ratuurniveau gebracht. Via de condensor (in de verwarmingsmodus verdamper) wordt de warmte aan de omgevingstemperatuur afgegeven. 2.
Ter opsporing van de huidige druk zijn in de koelkring van de warmtepomp twee toegevoegde druksensoren voor en achter de compressor ingebouwd. Uit de in de software gedeponeerde compressorgegevens en de huidige druk kan het momentele verwarmingsvermogen berekend worden. Het ge-heel van het verwarmingsvermogen over de looptijd geeft de door de warmtepomp af-gegeven warmtehoeveelheid, die op het display van de warmtepompmanager apart voor verwarming, warmwater- en zwembadwaterbereiding weergegeven wordt. De geïntegreerde warmtehoeveelheidsmeting mag niet worden gebruikt voor afreke-ningen van stookkosten. EN 1434 is niet toepasbaar.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 683321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R3 Leveromvang3 Leveromvang3.1 BasisapparaatDe warmtepomp bevat de hieronder genoemde onderdelen.De koelkring is "hermetisch gesloten" en bevat het in het Kyotoprotocol opgenomen gefluoreerde koelmiddel R410A. Meer informatie over de GWP-waarde en het CO2-equivalent van het koelmiddel vindt u in het hoofdstuk toestelinformatie. Het is CFK-vrij, breekt geen ozon af en is niet brandbaar.1. Verdamper2. Expansieventiel3. Ventilator4. Schakelkast5. Filterdroger6. Condensor7. Compressor1234567
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R3 Leveromvang452169.66.10 · 09/2020 · Rei 7833212073.2 SchakelkastDe schakelkast bevindt zich in de warmtepomp. Na het afnemen van de onderste front-afdekking en het losdraaien van de twee zijdelingse schroeven kan het schakelkast-deksel eraf worden genomen.In de schakelkast bevinden zich (net-)aansluitklemmen, vermogenselektronica voor de compressor, koelkringregelaar en warmtepompmanagerDe warmtepompmanager is een comfortabel elektronisch regel- en besturingsappa-raat. Hij stuurt en bewaakt afhankelijk van de buitentemperatuur de hele verwarmings-installatie, de bereiding van sanitair warm water en de veiligheidstechnische voorzie-ningen.De ter plaatse aan te brengen buitentemperatuurvoeler incl.
bevestigingsmateriaal wordt met de warmtepomp meegeleverd.Het functioneren en het gebruik van de warmtepompmanager wordt in de daartoe bij-geleverde gebruiksaanwijzing beschreven.Om servicewerkzaamheden aan de koelkring te vereenvoudigen, is het mogelijk om de schakelkast uit te bouwen en naast het apparaat te plaatsen. Daarvoor moet het deksel worden afgenomen en de schakelkast van de koeling worden losgekoppeld.1. Schakelkastdeksel afnemen2. 2x schroef koeling losdraaien3. Toevoerleidingen aan de regelaar loskoppelen en dooropening geleiden4. 2x schroef schakelkast losdraaien5. Schakelkast licht naar rechts schuivenen naar voren eruit tillen 21534
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R4 Accessoires452169.66.10 · 09/2020 · Rei 9833212074 Accessoires4.1 Ruimte-airconditioningBij de koeling via oppervlakteverwarmings-/koelsystemen gebeurt de regeling volgens de gemeten ruimtetemperatuur en luchtvochtigheid. Aan de warmtepompmanager resp. ruimteregeleenheid wordt hiervoor de gewenste ruimtetemperatuur ingesteld. Uit de gemeten ruimtetemperatuur en luchtvochtigheid van de referentieruimte wordt de minimaal mogelijke koelwatertemperatuur berekend. Het regelgedrag van de koeling wordt door de actueel geregistreerde ruimtetempera-tuur en de ingestelde gewenste ruimtetemperatuur beïnvloed.4.2 GebouwbeheersysteemDe warmtepompmanager kan door aanvulling van de betreffende interfacekaart op een netwerk van een gebouwbeheersysteem aangesloten worden.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 10 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R5 Transport5 TransportACHTUNGOPGELETDe warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).Het transport naar de definitieve opstellingsplaats moet met pallet gebeuren. Het ba-sisapparaat biedt enerzijds de transportmogelijkheid met een handpalletwagen, steek-wagen o.i.d. of door middel van 3/4" buizen, die door openingen in de grondplaat of in het frame geleid worden.Warmtepomp en transportpallet zijn door 4 kantelbeveiligingen stevig met elkaar ver-bonden. Deze moeten worden verwijderd.Voor het gebruik van de transportgaten in het frame is het noodzakelijk de onderste delen aan de voorkant eraf te nemen. Daartoe worden telkens twee schroeven op de sokkel losgedraaid en de platen worden er door terugtrekken aan de bovenkant uitge-nomen.
Bij het aanbrengen van de platen moeten deze met lichte druk naar boven toe geschoven worden.Bij het doorsteken van de draagbuizen in het frame moet erop worden gelet dat er geen constructiedelen worden beschadigd.Op de opstellingsplaats moeten 8 zwarte beschermingskappen, die als zakje met ac-cessoires met het apparaat zijn meegeleverd, in de mogelijke transportgaten worden vastgeklikt.Na het transport moet de transportbeveiliging in het apparaat aan de bodem aan beide zijden verwijderd worden.Openen van het deksel Sluiten van het deksel3.1.1.3.2.3.3.1.1.2.
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R5 Transport452169.66.10 · 09/2020 · Rei 11 83321207ACHTUNGOPGELETVóór de inbedrijfstelling moet de transportbeveiliging verwijderd worden.Voor een eenvoudiger transport in bestaande woningen resp. gebouwen is het moge-lijk om het basisapparaat in twee delen op te delen.Daarvoor moet na het verwijderen van de afdekplaten als volgt te werk worden gegaan:1. Koelmiddel afzuigen2. Condenswaterslang verwijderen3. Buisisolatie over de soldeerpunten verwijderen4. 4x soldeerpunten spanvrij scheiden.5. Kabel van de ventilator afklemmen en door dekabelschroefverbindingen in de condensaatkuip trekken.6. Steeds 4x schroeven bij de hoeken losdraaien7. Bovenste deel van de warmtepomp eraf tillen8. Gedeeltes voor het optillen aan het frame9. Warmtepomp naar de opstellingsplaats transporteren10. Onderdelen samenvoegen11.
Scheidingspunten weer solderen (met spoeling met inert gas)12. Koelkring vacumeren13. Vullen met koelmiddel14. Dichtheidscontrole uitvoeren15. Buisisolaties weer aanbrengen16. Ventilator weer vastklemmen17. Boorgaten voor het aanbrengen van een transporthulpmiddel (bijv. draagriemen)ACHTUNGOPGELETNiet aan de condensaatkuip optillen. Deze kan geen krachten opnemen.ACHTUNGOPGELETWerkzaamheden aan de koelkring en elektronica mogen alleen door deskundig vakpersoneel worden uitgevoerd.ACHTUNGOPGELETVóór het plaatsen van het bovenste deel, moet de condenswaterslang worden verwijderd. Transportsicherungentfernen/einschraubenTransportbeveiliging verwij-deren/inschroeven
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R6 Opstelling452169. 66. 10 · 09/2020 · Rei 13 833212076 Opstelling6. 1 AlgemeenDe constructie van het toestel voorziet in meerdere aansluitingsvarianten. Door het ver-plaatsen van één van beide opgeschroefde afdekkingen kan de positie van de uitblaas-opening van rechts (toestand bij levering) naar links of boven verplaatst worden. Door het vervangen van onderste zijdelingse geveldelen is het eveneens mogelijk om de hydraulische aansluiting van links (leveringstoestand) naar rechts om te zetten. De verschillende aansluitmogelijkheden zijn in de maatschets (Hoofdstuk 1 op pagina II) weergegeven. De lucht/water-warmtepomp moet in een vorstvrije en droge ruimte op een effen, glad en horizontaal oppervlak worden geplaatst. Daarbij moet het frame rondom dicht bij de grond liggen om een toereikende geluidsisolatie te garanderen.
Indien voetjes worden gebruikt, moet de warmtepomp waterpas worden uitgelijnd. In dit geval is het mogelijk dat het aangegeven geluidsniveau tot maximaal 3 dB(A) hoger ligt en additionele ge-luidsisolerende maatregelen noodzakelijk worden. Voor het opstellen op een onderstelbuffer is een volledig omlopend oplegdeel absoluut noodzakelijk. De warmtepomp moet zo zijn opgesteld, dat service aan het apparaat probleemloos kan worden uitgevoerd. Dit is gewaarborgd, indien er een afstand van ca. 1m aan de voorkant zoals op de kant van de warmwateraansluiting van de warmte-pomp gerespecteerd wordt. De zijdelen mogen niet door aansluitleidingen zijn bedekt. In de plaatsingsruimte mogen zich geen seizoenvorst of hogere temperaturen dan 35 ºC voordoen. Het apparaat dient nooit in ruimtes met een hoge luchtvochtigheid te worden ge-plaatst.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 14 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R6 Opstelling6.2 CondensaatafvoerHet bij het gebruik ontstane condenswater dient vorstvrij te worden afgevoerd. De warmtepomp dient horizontaal te worden geplaatst, zodat het water goed kan af-vloeien. De condenswaterbuis moet minstens een diameter van 50 mm hebben en moet vorstvrij in de afvoerleiding worden geleid. Condenswater niet direct in bezinkvij-vers en putten leiden.
Agressieve dampen en een niet vorstvrij aangelegde con-densaatleiding kunnen de verdamper vernielen.6.3 GeluidOm bij hogere geluidseisen overdracht van contactgeluid in het verwarmingssy-steem te voorkomen, is het raadzaam de warmtepomp met een flexibele slang aan het verwarmingssysteem te koppelen.Gebruikte luchtkanalen moeten geluidstechnisch van de warmtepomp worden los-gekoppeld om overdracht van contactgeluid op de kanalen te voorkomen.Het niet verwijderen van de transportbeveiligingsschroeven aan de compressor kan tot duidelijke hogere geluidsemissie leiden!
Bij het gebruik van de luchtkanalen voor de uitlaatzijde (600 x 600) is aan de gekozen aansluitingskant de ''afdichtingmat-kanaalaansluiting'' (in het zakje met accessoires) om de uitblaasopening te lijmen.De afdichtingsmanchet wordt voor de afdichting van de luchtkanalen op de warmtepomp gebruikt. De luchtkanalen zelf worden niet direct aan de warmtepomp vastgeschroefd. In gebruiksklare staat maakt uitsluitend het afdichtingsrubber contact met de warmtepomp. Daardoor wordt enerzijds een gemakkelijke montage en demontage van de warmtepomp gewaarborgd en anderzijds een goede loskoppeling van het structuurgeluid bereikt.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 16 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R7 MontageWordt een ander dan het als onderdeel verkrijgbare luchtkanaal gebruikt, moet erop gelet worden, dat de binnenste dwarsdoorsnede van de luchtaanzuig- en luchtuit-blaaskant door het luchtkanaal niet verminderd wordt. Voor de afdichting naar de warmtepomp kunnen de meegeleverde ''ringafdichtingen klein en groot'' gebruikt wor-den, deze geven tegelijkertijd een reducering van trillingen in het koppelingselement weer.Met de grote ringafdichting kan de aanzuigopening van de warmtepomp ook direct aan een overeenkomstige ontworpen muurdoorvoer te worden geplaatst.Verder dient erop gelet te worden dat de muurdoorvoer aan binnenzijde beslist met een thermische isolatie bekleed wordt, om volledige afkoeling resp.
doorslaand vocht in het muurwerk te voorkomen.Bij het gebruik van een zeer kort luchtkanaal aan de luchtuitlaat moet aan de buiten-muur van de muurdoorvoer een beschermingsrooster of luchtomleidingsrooster te wor-den geïnstalleerd, die juist verhindert, dat lichaamsdelen (vingers en armen, in het bij-zonder van kinderen) de ventilator in de warmtepomp aan kunnen raken.Bij het gebruik van opgeflensde luchtkanalen wordt telkens een aansluitstuk op de aan-zuig- en uitlaatzijde van de verdamper met 4 zeskantbouten M8 op de daarvoor be-stemde schroefgaten (van de lange 6-kantmoeren) bevestigd. Daarbij dient erop gelet te worden, dat beide aansluitstukken van het luchtkanaal uitsluitend met de isolatie en niet met het apparaat in contact komen.Bovendien moet op een passende trillingsontkoppeling en kanaalisolatie gelet worden.M8
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R7 Montage452169. 66. 10 · 09/2020 · Rei 17 833212077. 3 Aansluiting verwarmingskantDe aansluitingen aan verwarmingskant aan de warmtepomp zijn van 1" binnendraad voorzien. Bij de aansluiting aan de warmtepomp moet aan de overgangen met een sleutel tegengeduwd worden. Als alternatief kan de aansluiting aan de verwarmingskant ook naar rechts plaatsvinden. Daarvoor moeten de onderste geveldelen links en rechts worden gedemonteerd. De twee aansluitbuizen incl. buishouder moeten in het apparaat van links naar rechts wor-den omgezet. Daarna moeten de geveldelen weer in spiegelbeeld worden gemonteerd. Voordat de warmtepomp aan de warmwaterkant aangesloten wordt, dient de verwar-mingsinstallatie doorgespoeld te worden om mogelijk vuil, resten van isolatiemateriaal etc. te verwijderen.
Wanneer de condensor door resten en vervuiling verstopt raakt, kan dit tot uitval van de warmtepomp leiden. Voor installaties met afsluitbaar verwar-mingswaterdebiet, door radiator- resp. thermostaatskranen, moet een overstroomven-tiel ter plaatse achter de verwarmingspomp in een verwarmingsbypass worden inge-bouwd. Dit garandeert een minimaal verwarmingswaterdebiet door de warmtepomp en verhindert storingen. Na installatie van de verwarmingskant dient de verwarmingsinstallatie te worden ge-vuld, te worden ontlucht en onderdrukt te worden. Bij het vullen van de installatie moet op het volgende worden gelet:onbehandeld vul- en navulwater moet drinkwaterkwaliteit hebben(kleurloos, helder, zonder afzettingen)het vul- en navulwater moet zijn voorgefilterd (poriënwijdte max. 5 µm).
Kalksteenvorming in warmwaterverwarmingsinstallaties kan niet worden voorkomen, maar is in installaties met vertrektemperaturen onder 60 °C verwaarloosbaar gering. Bij hogetemperatuurwarmtepompen en vooral bij bivalente installaties met groot vermo-gen (combinatie warmtepomp + ketel) kunnen ook vertrektemperaturen van 60 °C en meer bereikt worden.
Daarom moet het vul- en navulwater volgens VDI 2035 blad 1 aan de volgende richtwaarden voldoen. De waarden van de totale hardheid kunnen in de tabel teruggevonden worden. Afb. 7. 1: Richtwaarden voor vul- en navulwater volgens VDI 2035Bij installaties met een bovengemiddeld groot specifiek installatievolume van 50 l/kW raadt de norm VDI 2035 het gebruik van gedemineraliseerd water en een pH-stabilisa-tor aan op het corrosiegevaar in de warmtepomp en de verwarmingsinstallatie te mini-maliseren. ACHTUNGOPGELETBij gedemineraliseerd water moet erop gelet worden dat de minimaal toegestane pH-waarde van 7,5 (minimaal toegestane waarde voor koper) niet onderschreden wordt. Een onderschrijding kan tot vernietiging van de warmtepomp leiden. Totaal verwar-mingsvermo-gen in kWSomAardalkaliën in mol/m³ resp.
452169. 66. 10 · 09/2020 · Rei 18 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R7 MontageMinimaal debiet verwarmingswaterHet minimale debiet verwarmingswater van de warmtepomp dient in elke bedrijfstoe-stand van de verwarmingsinstallatie gegarandeerd te zijn. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door de installatie van een hydraulische evenwichtsfles of van een overstroom-ventiel. De instelling van een overstroomventiel wordt in het hoofdstuk inbedrijfstelling uitgelegd. Een daling onder het minimumdebiet van het verwarmingswater kan de warmtepomp volledig beschadigen doordat de platenwarmtewisselaar in de koelkring bevriest. Het nominale debiet wordt afhankelijk van de max. vertrektemperatuur in de toestelin-formatie aangegeven en moet bij de planning in acht genomen worden.
Bij dimensio-neringstemperaturen van minder dan 30 °C in het vertrek moet absoluut op het maxi-male debiet met 5 K spreiding bij A7/W35 worden gedimensioneerd. De opgegeven nominale doorstroming (Zie "Toestelinformatie" op pagina 31. ) moet in elke bedrijfstoestand gegarandeerd worden. Een ingebouwde debietschakelaar dient uitsluitend voor de uitschakeling van de warmtepomp bij een buitengewone en abrupte daling van het verwarmingswaterdebiet en niet voor de bewaking en beveiliging van het nominale debiet. VorstbeveiligingBij warmtepompen die vorstgevaarlijk zijn opgesteld, moet een manuele wateraflaat (zie afbeelding) worden geplaatst. Indien de warmtepompmanager en de verwarmings-circulatiepomp bedrijfsklaar zijn, werkt de vorstbeveiligingsfunctie van de warmte-pompmanager. Bij buitenbedrijfstelling van de warmtepomp of bij stroomuitval moet de installatie worden geleegd.
Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet her-kend kan worden (vakantiehuis), moet de verwarmingskring met een geschikte vorstbe-veiliging worden gebruikt. 7.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 20 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R7 Montage7.4.2 Montage van de buitentemperatuurvoelerDe temperatuurvoeler moet zo aangebracht worden dat alle weersinvloeden geregis-treerd worden en de meetwaarde niet vervalst wordt.bevestiging aan de buitenwand en indien mogelijk aan de noordelijke/noordweste-lijke zijdeniet op "beschutte plek" (bijv.
in een muurnis of onder het balkon) monterenniet in de buurt van ramen, deuren, ontluchtingsopeningen, buitenlampen of warmtepompen aanbrengenin geen enkel seizoen aan direct zonlicht blootstellen-7.4.3 Montage van de contactvoelersDe montage van de conactvoelers is alleen noodzakelijk, indien deze onderdeel zijn van de leveromvang van de warmtepomp, maar niet ingebouwd zijn.De contactvoelers kunnen als buiscontactvoeler gemonteerd of in de dompelhuls van de compacte verdeler geplaatst worden.Montage als buiscontactvoelerOntdoe de verwarmingsbuis van lak, roest en tondelBestrijk het gereinigde oppervlak met warmtegeleidende pasta (dun aanbrengen)Maak de voeler met de slangklem vast (trek goed vast, een losse voeler leidt tot fou-tieve werking) en zorg voor thermische isolatie7.4.4 Verdeelsysteem hydraulisch systeemDe compacte verdeler en hydraulische evenwichtsfles fungeren als interface tussen de warmtepomp, verwarmingsverdeelsysteem, buffervat en evt.
ook de boiler. In plaats van vele individuele componenten wordt hier een compact systeem gebruikt om de instal-latie te vereenvoudigen. Meer informatie vindt u in de betreffende montagehandleiding.Ontwerpparameters voelerleidingMateriaal kabel CuKabellengte 50 mOmgevingstemperatuur 35 °CPlaatsingswijze B2 (DIN VDE 0298-4 / IEC 60364-5-52)Buitendiameter 4-8 mmSchlauchschelleAnlegefühlerWärmeisolierungSlangklemContactvoelerWarmte-isolatie
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R7 Montage452169. 66. 10 · 09/2020 · Rei 21 833212077. 5 Elektrische aansluiting 7. 5. 1 AlgemeenAlle elektrische aansluitwerkzaamheden mogen uitsluitend door een elektricien of een voor de betreffende werkzaamheden geschoold persoon met inachtneming van de montage- en gebruiksaanwijzing, landspecifieke installatievoorschriften, bijv. A. R. E. I, VDE 0100technische aansluitvoorwaarden van het energiebedrijf en de netwerkexploitant (bijv. TAB) ende plaatselijke omstandigheden worden uitgevoerd. Ter waarborging van de vorstbeveiligingsfunctie mag de warmtepompmanager niet spanningsvrij worden geschakeld en moet er stroming door de warmtepomp plaatsvin-den. De schakelcontacten van de uitgangsrelais zijn ontstoord.
Daarom is er afhankelijk van de interne weerstand van een meetinstrument, ook wanneer de contacten niet gesloten zijn, een spanning meetbaar die echter lager is dan de netspanning. 7. 5. 2 Elektrische aansluitwerkzaamheden 1. De 4-aderige elektrische kabel voor het vermogensdeel van de warmtepomp wordt van de stroommeter van de warmtepomp via de EVB-veiligheidsschakelaar (indien vereist) in de warmtepomp geleid. Aansluiting van de voedingskabel op de schakelkast van de warmtepomp via de klemmen X1: L1/L2/L3/PEDe spanningsvoorziening voor de warmtepomp moet worden voorzien van een al-polige afschakeling met ten minste 3 mm contactopeningsafstand (bijv. een EVB-veiligheidsschakelaar) en een alpolige vermogensschakelaar met één uitschakeling voor alle buitenkabels (uitschakelstroom en karakteristiek volgens toestelinforma-tie). 2.
De kabel (L/N/PE~230 V, 50 Hz) voor de WPM moet onder duurspanning zijn en moet om deze reden voor de EVB-veiligheidsschakelaar afgetakt resp. op de huis-houdingsstroom aangesloten worden, omdat anders gedurende de energiebe-drijfsblokkering belangrijke beveiligingsfuncties buiten werking zijn. 3. De EVB-veiligheidsschakelaar (K22) met 3 hoofdcontacten (1/3/5 // 2/4/6) en een hulpcontact (maakcontact NO bijv. 13/14) moet op de capaciteit van de warmtepomp passen en ter plaatse geïnstalleerd worden. Het maakcontact NO van de EVB-veiligheidsschakelaar (13/14) wordt op stekker (1) (=DI1) van functieblok 0 (grijs) geklemd. LET OP. Laagspanning. 4. De contactor (K20) voor de dompelweerstand (E10) moet voor mono-energeti-sche installaties (2e WG) bij de capaciteit van het verwarmingselement passen en ter plaatse geïnstalleerd worden.
De aansturing (230 V AC) vindt plaats vanuit de warmtepompmanager via stekker (7)(=NO3) van functieblok 0 (grijs) geklemd. 5. De contactor (K21) voor de flensverwarming (E9) in de boiler moet bij de capaci-teit van de radiator passen en ter plaatse geïnstalleerd worden. De aansturing (230 V AC) vindt plaats vanuit de WPM via stekker (7) van het gedefinieerde func-tieblok. 6. De contactors uit punten 3;4;5 worden in de stroomdistributie geïntegreerd. De voedingskabels voor de radiatoren moeten volgens DIN VDE 0100 gedimensio-neerd zijn en beveiligd worden. 7. De verwarmingscirculatiepomp (M13) wordt aan stekker (5) (230V) en (8) (stuur-signaal) van functieblok 0 (grijs) geklemd. 8. De sanitair-water-laadpomp (M18) wordt op stekker (5) van het gedefinieerde functieblok aangesloten.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 22 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R7 Montage9. De buitenvoeler (R1) wordt op stekker (3) (=U1) van functieblok 0 (grijs) geklemd.10. De warmwatervoeler (R3) is in de boiler ingebouwd en wordt op stekker (3) van het gedefinieerde functieblok geklemd.OpmerkingBij het gebruik van draaistroompompen kan met het 230 V-uitgangssignaal van de warmtepompmanager een contactor aangestuurd worden.Voelerleidingen kunnen met 2 x 0,75 mm-leidingen tot 40 m verlengd worden.OpmerkingMeer informatie over de bekabeling van de warmtepompmanager vindt u in de elektri-sche documentatie.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 24 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R7 Montage7.5.3 Aansluiting van elektronisch geregelde circulatiepompenElektronisch geregelde circulatiepompen kunnen hoge aanloopstromen hebben die eventueel de levensduur van de warmtepompmanager kunnen verkorten. Om deze reden is tussen de uitgang van de warmtepompmanager en de elektronisch geregelde circulatiepomp een koppelrelais geïnstalleerd of dient dit nog te gebeuren. Dit is niet noodzakelijk als de toegestane bedrijfsstroom van 2 A en een maximale aanloopstroom van 12 A van de elektronisch geregelde circulatiepomp niet wordt overschreden, of er een uitdrukkelijke vrijgave van de producent van de pomp aanwezig is. Meer details vindt u in de elektrische documentatie. ACHTUNGOPGELETHet is niet toegestaan via een relaisuitgang meer dan een elektronisch geregelde circulatiepomp te schakelen.
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R8 Inbedrijfstelling452169. 66. 10 · 09/2020 · Rei 25 833212078 Inbedrijfstelling8. 1 AlgemeenVoor een inbedrijfstelling volgens de voorschriften dient deze door een door de fabriek bevoegde klantendienst (Weishaupt-technicus) uitgevoerd te worden. Onder be-paalde voorwaarden is daarmee een extra garantie verbonden. 8. 2 VoorbereidingVoorafgaand aan de inbedrijfstelling dienen de volgende punten gecontroleerd te wor-den:Alle aansluitingen van de warmtepomp dienen gemonteerd te zijn (zie hoofdstuk 6). In de verwarmingskring moeten alle afsluiters, die de correcte stroming van het ver-warmingswater zouden kunnen belemmeren, geopend zijn. De luchtaanzuig-/uitblaasweg moeten vrij worden gehouden. De draairichting van de ventilator moet overeenstemmen met de pijlrichting.
De instellingen van de warmtepompmanager moet volgens de bijbehorende ge-bruiksaanwijzing aan de verwarmingsinstallatie aangepast zijn. De condenswaterafvoer moet ongehinderd kunnen plaatsvinden. Het zakje met accessoires in de schakelkast en het zakje met accessoires in het ge-deelte onder de ventilator moeten verwijderd zijn. 8. 3 WerkwijzeDe inbedrijfstelling van de warmtepomp verloopt via de warmtepompmanager. De in-stellingen moeten volgens de handleiding worden uitgevoerd. Indien minimaal debiet verwarmingswater door middel van een overstroomventiel be-veiligd wordt, moet deze op de verwarmingsinstallatie worden afgestemd. Een ver-keerde instelling kan tot verschillende storingen en een verhoogde energiebehoefte lei-den.
Om het overstroomventiel goed in te stellen, adviseren wij als volgt te handelen:Sluit alle verwarmingskringen, die ook bij een werkende installatie afhankelijk van het gebruik gesloten kunnen zijn, zodat het waterdebiet in deze bedrijfstoestand zo ongun-stig mogelijk is. Dit zijn doorgaans de verwarmingskringen in de ruimten aan de zuid- en westkant. Er moet minimaal één verwarmingskring geopend blijven (bv.
badkamer). Het overstroomventiel moet zo ver worden geopend dat bij de actuele warmtebrontem-peratuur het in de onderstaande tabel aangegeven maximale temperatuurverschil tus-sen verwarmingsvertrek en -terugloop ontstaat. Het temperatuurverschil moet zo dicht mogelijk bij de warmtepomp worden gemeten. Bij mono-energetische installaties moet het verwarmingselement tijdens de inbedrijfstelling gedeactiveerd worden. Warmtebrontempe-ratuur max. temperatuurverschil tus-sen verwarmingsvertrek en -terugloopvan tot-20 °C -15 °C 4 K-14 °C -10 °C 5 K-9 °C -5 °C 6 K-4 °C 0 °C 7 K1°C 5°C 8 K6°C 10°C 9 K11 °C 15 °C 10 K16 °C 20 °C 11 K21 °C 25 °C 12 K26 °C 30 °C 13 K31 °C 35 °C 14 K.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 26 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R8 InbedrijfstellingBij verwarmingswatertemperaturen lager dan 7 °C is een inbedrijfstelling niet mogelijk. Het water in het buffervat moet met de 2e warmtegenerator tot minstens 18 °C opge-warmd worden.Daarna moet de volgende procedure aangehouden worden om de inbedrijfstelling sto-ringsvrij te laten verlopen:1. alle verbruikerkringen moeten worden gesloten.2. Het waterdebiet van de warmtepomp moet gegarandeerd zijn.3. Kies de bedrijfsmodus "Automatisch" op de manager.4. In het menu "Speciale functies" moet het programma "Inbedrijfstelling" worden ge-start.5. Wachten tot een teruglooptemperatuur van minstens 25 °C bereikt wordt.6.
Daarna worden de afsluiters van de verwarmingskringen na elkaar opnieuw lang-zaam geopend, en dat zodanig dat het verwarmingswaterdebiet door licht openen van de betreffende verwarmingskring continu verhoogd wordt. De verwarmings-watertemperatuur in het buffervat mag hierbij niet onder 20 °C dalen om altijd een ontdooiing van de warmtepomp mogelijk te maken.7. Wanneer alle verwarmingskringen volledig zijn geopend en een teruglooptempera-tuur van minstens 18 °C aangehouden wordt, is de inbedrijfstelling voltooid.ACHTUNGOPGELETHet gebruik van de warmtepomp met lagere systeemtemperaturen kan tot de totale uitval van de warmtepomp leiden.
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R9 Reiniging / onderhoud452169. 66. 10 · 09/2020 · Rei 27 833212079 Reiniging / onderhoud9. 1 OnderhoudOm de lak te beschermen, moet u erop letten dat er geen voorwerpen tegen het toestel aanleunen of erop gelegd worden. De buitenunits van de warmtepomp kunnen met een vochtige doek en met gewone schoonmaakmiddelen schoongemaakt worden. OpmerkingGebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudende schoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten. Om storingen door vuil in de warmtewisselaar van de warmtepomp te voorkomen, moet ervoor worden gezorgd dat er geen vuil in de warmtewisselaar van de verwarmingsin-stallatie kan komen. Om de verdamper te beschermen is een vogelrooster met mini-maal 80% vrije doorsnede in het aanzuigkanaal raadzaam.
Indien zich toch bedrijfssto-ringen door vervuiling voordoen, moet de installatie schoongemaakt worden zoals hieronder beschreven. 9. 2 Reiniging verwarmingskantACHTUNGOPGELETDe ingebouwde vuilzeef moet regelmatig gereinigd worden. De onderhoudsintervallen zijn al naar gelang vervuilingsgraad van de installatie zelf te kiezen. De zeef moet hierbij gereinigd worden. Voor de reiniging moet de verwarmingskring in de zone van de vuilzeef drukloos ge-maakt worden, de zeef door het afschroeven van de zeefruimte verwijderd en gereinigd te worden. Bij het in elkaar zetten in omgekeerde volgorde moet er op de correcte in-bouw van het zeefelement en de dichtheid van de schroefverbinding gelet worden. Vooral bij het gebruik van stalen componenten kan zuurstof in de verwarmingswaterkring-loop oxidatieproducten (roest) veroorzaken.
De roest komt via ventielen, circulatiepompen of kunststof buizen in het verwarmingssysteem terecht. Daarom dient er – met name bij de buizen van de vloerverwarming – op een diffusiedichte installatie te worden gelet. OpmerkingOm afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (bijv.
roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken. Ook resten van smeer- en afdichtingsmiddelen kunnen het verwarmingswater vervuilen. Indien de vervuiling zo groot is dat het de prestaties van de condensor in de warmte-pomp belemmert, moet een installateur de installatie reinigen. Volgens de huidige stand van kennis adviseren wij om te reinigen met een fosforzuur van 5% of, indien er vaker moet worden gereinigd, met een mierenzuur van 5%. In beide gevallen moet de reinigingsvloeistof op ruimtetemperatuur zijn. Het is raad-zaam de warmtewisselaar tegen de normale doorstroomrichting in uit te spoelen. Om te voorkomen, dat zuurhoudend reinigingsmiddel in de kringloop van de verwar-mingsinstallatie terechtkomt, raden wij aan, het spoelapparaat direct op vertrek en te-rugloop van de condensor van de warmtepomp aan te sluiten.
Daarna moet er met geschikte, neutraliserende middelen nogmaals grondig gespoeld worden, zodat beschadigingen door eventueel in het systeem achtergebleven resten van een reinigingsmiddel worden voorkomen. De zuren moeten voorzichtig worden gebruikt en de desbetreffende voorschriften moe-ten in acht genomen worden. De informatie van de fabrikant van het reinigingsmiddel moet in ieder geval in acht wor-den genomen.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 28 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R9 Reiniging / onderhoud9.3 Reiniging luchtzijdeDe luchtkanalen, verdampers, ventilator en condenswaterafvoer moeten voor het begin van het stookseizoen worden gereinigd (bladeren, twijgen etc.). Daartoe moet de warmtepomp aan de kant eerst aan de onderkant en dan aan de bovenkant worden ge-opend.ACHTUNGOPGELETAlvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen spanningsvrij geschakeld te zijn.Het wegnemen en plaatsen van de delen aan de voorkant wordt uitgevoerd als be-schreven in hoofdstuk 4.Gebruik voor het schoonmaken geen scherpe of harde voorwerpen, om de verdamper en de condensaatkuip niet te beschadigen.
Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R10 Storingen / storingsdiagnose452169.66.10 · 09/2020 · Rei 29 8332120710 Storingen / storingsdiagnoseDeze warmtepomp is een kwaliteitsproduct dat storingsvrij dient te werken. Als er toch een keer een storing optreedt, wordt dit op het display van de warmtepompmanager weergegeven. Zie hiertoe de pagina Storingen en Storingsdiagnose in de gebruiks-aanwijzing van de warmtepompmanager. Wanneer u de storing niet zelf kunt verhelpen, waarschuw dan de bevoegde klanten-dienst.ACHTUNGOPGELETWerkzaamheden aan de warmtepomp mogen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige klantendienst uitgevoerd worden.
452169.66.10 · 09/2020 · Rei 30 83321207Montage- en gebruiksaanwijzingWWP LI 16-A R11 Buitenbedrijfstelling/verwijdering van afvalstoffen11 Buitenbedrijfstelling/verwijdering van afvalstoffenAlvorens de warmtepomp te demonteren, dient de machine spanningsvrij en alle klep-pen afgesloten te zijn. De warmtepomp moet door vakpersoneel worden uitgebouwd. Milieurelevante eisen m.b.t. terugwinning, recyclage en verwijdering van afvalstoffen en componenten volgens de gebruikelijke normen dienen te worden nageleefd. Dit geldt in het bijzonder voor het vakkundig verwijderen van het koelmiddel en de koelolie.
Deze gegevens beschrijven de afmeting en het rendement van de installatie conform EN 14511. Voor economische en energetische berekeningen moet met de factoren bivalentiepunt en regeling rekening gehouden worden. Deze gegevens worden uitsluitend met schone warmtewisselaars bereikt. Opmerkingen i. v. m. het onderhoud, de inbedrijfstelling en werking vindt u in de betreffende gedeeltes van de montage- en gebruiksaanwijzing. Hierbij betekenen bijv. A2/W35: warmtebrontemperatuur 2 °C en verwarmingswater vertrektemperatuur 35 °C. 3. Het maximale geluidsvermogensniveau bij volledige belasting kan met 5 dB(A) hoger worden. 4. De aangegeven geluidswaarden gelden zonder de meegeleverde voetjes. Bij gebruik van de voetjes kan het niveau tot aan 3db(A) verhogen. 5. Bij verminderd gebruik worden het verwarmingsvermogen en vermogenscoëfficiënt met ca. 5% gereduceerd6.
Het aangegeven geluidsdrukniveau vormt het niveau in het vrije veld. Afhankelijk van de opstellingsplaats kan de meetwaarde tot max. 16 dB(A) afwijken. 7. Let erop dat de benodigde ruimte voor buisaansluiting, bediening en onderhoud groter is. 8.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Weishaupt WWP LI 16-A R stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Warmtepomp Weishaupt
Handleiding Warmtepomp
Nieuwste handleidingen voor Warmtepomp