Renault Twingo (2013) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Renault Twingo (2013) (93 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 15 mensen. Heb je een vraag over Renault Twingo (2013) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Renault |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Twingo (2013) |
Handleiding Renault Twingo (2013) – volledige tekst
Photo credit: Total/DPPI Imacom groupELF ontwikkelt voor RENAULT een compleet assortiment smeermiddelen:f motoroliënf oliën voor handgeschakelde en automatische versnellingbakkenDe hightech eigenschappen van deze smeermiddelen zijn te danken aan de research voor de Formule 1.In combinatie met de techniek van RENAULT voldoet dit assortiment perfect aan de specifieke eisen van de modellen van het merk.f De smeermiddelen van ELF vormen een belangrijke bijdrage aan de prestaties van uw auto.RENAULT adviseert de smeermiddelen van ELF die zijn goedgekeurd voor het bijvullen en verversen. Raadpleeg uw RENAULT-dealer of kijk op de website www.lubrifiants.elf.comWaarschuwing: voor een optimale werking van de motor, kan het gebruik van een smeermiddel beperkt zijn tot bepaalde modellen. Raadpleeg het onderhoudsdocument.RENAULT adviseert ELFEen merk van
0.1 Vertaald uit het Frans. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de autofabrikant.In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u: – uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten. – de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften. – zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over de mogelijkheden en de nieuwe technieken die erin zijn toegepast.
Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.Om het lezen van dit boekje voor u te vergemakkelijken gebruiken wij het volgende symbool:Welkom aan boord van uw autoDit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven. De aanwezigheid ervan in de auto is af- hankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.Overal waar in het instructieboekje sprake is van een merkdealer, wordt daarmee een RENAULT-dealer bedoeld.Om een gevaar of een veiligheidsadvies aan te geven.Wij wensen u een goede reis in uw auto.
1. 1Hoofdstuk 1: Ken uw auto Sleutels, Afstandsbediening: algemeen, gebruik, extra portiervergrendeling. 1. 2 Portieren. 1. 6 Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden. 1. 10 Hoofdsteunen. 1. 11 Voorstoelen. 1. 13 Autogordels. 1. 15 Aanvullende veiligheidsvoorzieningen. 1. 19 Kinderveiligheid: algemeen. 1. 26 Keuze van de bevestiging van een kinderzitje. 1. 29 Installatie van het kinderzitje. 1. 32 Uitschakelen/inschakelen van de passagiersairbag voorin. 1. 36 Claxon en lichtsignaal. 1. 39 Bestuurdersstoel. 1. 40 Instrumentenpaneel. 1. 44 Boordcomputer. 1. 49 Spiegels. 1. 54 Stuurwiel. 1. 55 Klokje en buitenthermometer. 1. 56 Verlichting en signalen. 1. 58 Afstellen van de koplampen. 1. 61 Ruitenwisser/Ruitensproeier. 1. 62 Brandstoftank. 1. 65.
1.2Sleutel A Gecodeerde contactsleutel, en sleutel 1van de portieren en de tankdopklep.FM-afstandsbediening B Vergrendelen van alle portieren.2 Ontgrendelen van alle portieren.3 Gecodeerde contactsleutel, en sleutel 4van het bestuurdersportier en de tank- dop.Verantwoordelijkheid van de bestuurderLaat uw sleutel nooit in de auto liggen als u een kind of een dier in de auto achterlaat. Het kind zou de motor kunnen starten of bijvoorbeeld de ruiten kunnen bedienen en door het sluiten ervan zich ernstig verwonden aan hals, arm, of hand als deze uit de auto steken.Gevaar voor ernstige verwondingen.B2341AAdviesStel de afstandsbediening niet bloot aan warmte, koude of vocht.Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als fles- opener, enz.).SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (1/2)
1.3SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (2/2)Bereik van de FM- afstandsbedieningHet bereik wordt beïnvloed door de omge- ving. Let op bij het vasthouden van de af- standsbediening dat u niet per ongeluk op de knoppen drukt waardoor de portieren worden vergrendeld of ontgrendeld.
N.B.: als er, bij bepaalde uitvoeringen, binnen (ongeveer) 2 minuten na het ont- grendelen geen portier wordt geopend, dan worden de portieren weer automatisch ver- grendeld.InterferentieSommige voorwerpen (metalen voorwerpen, mobiele telefoons, enz.) of sterke elektro- magnetische stralingen in de omgeving van de sleutel kunnen storingen veroorzaken en het functioneren van het systeem hinderen.Vervangen, extra sleutel of afstands- bediening nodigGa uitsluitend naar een merkdealer: – het vervangen van een sleutel moet altijd bij een merkdealer gebeu- ren, want het systeem moet daarbij worden gereset met alle sleutels; – afhankelijk van de auto kunt u maxi- maal vier afstandsbedieningen ge- bruiken.Als de afstandsbediening niet werkt:Controleer of de batterij goed en van het juiste model is en correct is geplaatst.
1.4FM-AFSTANDSBEDIENING: gebruik De auto kan met de afstandsbediening Bworden vergrendeld of ontgrendeld.Deze wordt gevoed door een batterijtje, dat u kunt vervangen (raadpleeg de para-graaf “FM-afstandsbediening: batterijtjes” in hoofdstuk 5).Portieren vergrendelenDruk op de vergrendelknop .1 Het vergrendelen ziet u aan het twee keer oplichten van de knipperlichten en de zij-knipperlichten.Als een portier (of de achterklep) open staat of niet goed is gesloten, worden de portieren en de achterklep vergrendeld en snel ont-grendeld en knipperen de knipperlichten en de zijknipperlichten niet.Ontgrendelen van de portierenDruk op de ontgrendelknop .2 Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zij-knipperlichten.B1B2
1.5EXTRA VERGRENDELINGExtra portiervergrendeling(voor sommige landen)Met deze functie worden de portieren ver- grendeld en kunnen ze niet van binnenuit geopend worden (in geval van het inslaan van een ruit, waarna iemand wil proberen de portieren van binnenuit te openen). Gebruik nooit de extra por- tiervergrendeling als er nog iemand in de auto zit!1Om de extra portiervergrendeling in te schakelen Drukt u twee keer snel achter elkaar op knop .1Het vergrendelen ziet u aan het vijf keer op-lichten van de knipperlichten en de zijknip-perlichten.
1.6PORTIEREN OPENEN,SLUITENMet de handOpenen van binnenuitTrek aan de portierhandgreep .1Waarschuwingssignaal verlichting brandt nogBij het openen van het bestuurdersportier of, afhankelijk van de auto, van de voorportie- ren en de bagageruimte, klinkt een signaal om u te waarschuwen indien de lichten nog branden, terwijl het contact is afgezet (de accu wordt dan ontladen).Met de hand openen van buitenafOntgrendel met de sleutel het slot van het 2voorportier. Plaats uw hand onder de hand- greep . Trek hem omhoog en trek het por- 3tier naar u toe.
Verantwoordelijkheid van de bestuurderBedenk dat het rijden met ver- grendelde portieren een be- lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.123Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
1.7SElektrisch(afhankelijk van auto)Hiermee worden gelijktijdig de sloten van de portieren en van de bagageruimte vergren- deld of ontgrendeld.U vergrendelt of ontgrendelt de sloten als u drukt op de schakelaar .1Het vergrendelen/ontgrendelen van de por- tieren is niet mogelijk als het portier open staat.Als een portier open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.Waarschuwingslampje van de portierenHet controlelampje van de schakelaar 1geeft informatie over de staat van de portieren: – als de portieren vergrendeld zijn, brandt het lampje; – als één van de portieren open is (of slecht gesloten) brandt het lampje niet.
Als u de portieren vergrendelt met de af- standsbediening, licht het lampje op en blijft het ongeveer een minuut branden waarna het dooft.PORTIEREN VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (1/3)Bedenk dat het rijden met ver- grendelde portieren een be- lemmering kan zijn voor hulp- verleners in geval van nood.Handmatig vergrendelen van de portierenBij open portier moet u de schroef draaien 2(met behulp van bijv. een schroevendraaier of iets dergelijks) en daarna het portier slui- ten.Nu is het portier van buitenaf vergrendeld.Het openen kan alleen van binnenuit gebeu- ren of met de noodsleutel voor het linker por- tier.Laat de sleutel nooit achter in de auto als u de auto verlaat.12
1.8PORTIEREN VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (2/3)ElektrischVergrendelen/ontgrendelen van buitenaf In sommige gevallen werkt de FM- afstandsbediening niet: – de auto bevindt zich in een sterk elektro- magnetisch veld; – gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de afstandsbediening werken (mobiele telefoon, enz.); – batterij van de afstandsbediening leeg, accu ontladen, enz.Ontgrendelen van de portieren Gebruik van de FM-afstandsbediening (raadpleeg de paragraaf “Sleutel/FM- afstandsbediening” in hoofdstuk 1). Ontgrendel van buitenaf met de geco- deerde contactsleutel het slot van het be- stuurdersportier (raadpleeg de paragraaf “Openen/Sluiten van de portieren” in hoofd- stuk 1).Laat de sleutel nooit achter in de auto als u de auto verlaat.1
1.9PORTIEREN VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (3/3)Druk langer dan vijf secondes op de schake- laar , stap dan uit de auto met de afstands- 1bediening bij u, en sluit het bestuurderspor- tier. Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.Het ontgrendelen van de auto is alleen mo- gelijk met de gecodeerde contactsleutel, op het linker voorportier.Controleer of u uw afstandsbediening bij u heeft, voordat u de auto verlaat.Vergrendelen van de portieren Gebruik van de schakelaar in het interi- eur voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren.Stilstaande motor, bestuurdersportier open, zet het contact aan en weer uit. Verantwoordelijkheid van de bestuurderLaat de sleutel nooit achter in de auto als u de auto verlaat.Bedenk dat het rijden met vergrendelde portieren een belemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.1
1.10AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDENU heeft de keus of u deze functie wilt ge-bruiken of niet.Inschakelen van de functieMet contact aan, houd de schakelaar 1van de elektrische portiervergrendeling ge- durende 5 secondes ingedrukt, tot u een dubbel geluidssignaal hoort.Uitschakelen van de functieZet het contact aan en houd de schakelaar 1van de elektrische portiervergrendeling ge- durende 5 secondes ingedrukt, tot u een dubbel geluidssignaal hoort.Bedenk dat het rijden met ver-grendelde portieren een belem-mering kan zijn voor hulpverle-ners in geval van nood.De werking van het systeem Na het wegrijden van de auto, vergrende-len de portieren automatisch als de auto de snelheid van ongeveer 7 km/u heeft bereikt.Het controlelampje van de knop brandt.1De portieren ontgrendelen automatisch – bij stilstaande auto door het openen van een portier.N.B.: na het openen van een portier ver- grendelt dit weer automatisch zodra de auto 7 km/u rijdt; – als u op de schakelaar voor het ont-1grendelen van de portieren drukt.Bij een storingAls u een storing constateert (geen automa-tische vergrendeling, het lampje in de knop 1licht niet op bij het vergrendelen van de por-tieren), controleer dan eerst of alle portieren goed gesloten zijn.
1.11HOOFDSTEUNEN VOOR (1/2) De hoofdsteun is een veilig- heidsorgaan, dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld. Hij geeft een maximale beveiliging als de boven- kant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin.Vaste of niet afstelbare hoofdsteun AVerwijderen van de hoofdsteun Druk op de knop en trek de hoofdsteun 1omhoog tot hij vrijkomt.Hoofdsteun terugplaatsenSteek de poten van de hoofdsteun in de hou- ders (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren).Druk de hoofdsteun omlaag tot deze blok- keert. De hoofdsteun is vast en is niet in Ahoogte verstelbaar.Afstellen van de hoofdsteun(afhankelijk van de auto)1A
1.13VOORSTOELEN (1/2)Naar voren of naar achteren schuivenBeweeg de hendel of de knop (aan pas- 2 4sagierskant) om te ontgrendelen. In de ge- wenste stand laat u de hendel los en contro- leert u de vergrendeling van de stoel.Rugleuning verstellenBeweeg de hendel tot de rugleuning in de 5gewenste stand staat.Stoelverwarming(afhankelijk van de auto)Druk, met contact aan, op de schakelaar 1van de gewenste stoel. Het controlelampje in de schakelaar licht op. Het systeem regelt met een thermostaat de verwarming en schakelt hem uit, indien nodig.Hoogte van de zitting van de bestuurdersstoel verstellen(afhankelijk van de auto)Beweeg de hendel .3Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen.
In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen. Let er op dat de rugleuningen van de stoelen goed vergren- deld zijn.23451
1.14VOORSTOELEN (2/2)Toegang tot de achterbankBeweeg de hendel of (afhankelijk van de 4 6auto), kantel de rugleuning en laat de stoel naar voren glijden. Om de bestuurdersstoel in de oorspron- kelijke stand te zetten (geheugenfunctie), schuift u de stoel naar achteren tot hij ver- grendelt.Voer deze verstellingen uitslui- tend uit als de auto stilstaat. Voor een optimale wer- k i n g v a n d e a u t o - gordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.Laat geen spullen op de vloer (bij de be- stuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de be- stuurder deze niet meer goed kan bedie- nen. Let er op dat de rugleuningen van de stoelen goed vergrendeld zijn.Controleer of niets of niemand de goede vergrendeling van de voorstoel belemmert. Verwijder alles wat de achterkant belem- mert.
Stel de stoel af, afhankelijk van be- nodigde ruimte erachter. Laat de perso- nen achterin weer instappen of plaats de voorwerpen terug. Herhaal deze handelingen tot de stoel goed is vergrendeld.Risico van verplaatsing van de stoel op de rails bij het accelereren en remmen. Beweeg niet tegelijkertijd de hand- greep en handgreep of .2 4 6426
1.15AUTOGORDELS (1/2)Gebruik tijdens het rijden altijd de autogor- del. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich be- vindt.Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzittenden de au- togordel om de beste bescherming te krijgen.De juiste zithouding – Ga goed diep in uw stoel zitten (na uw mantel, jas, enz. uitgetrokken te hebben).Dit is belangrijk voor een goede onder- steuning van de rug. – Verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen.Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u het koppelingspedaal nog net geheel kunt indrukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de bovenkant van het stuurwiel te kunnen komen. – Stel de hoofdsteun af. Voor een maximale veiligheid moet de bovenkant van de hoofdsteun op de- zelfde hoogte als de bovenkant van het hoofd staan.
– Stel de stand van het stuurwiel af.Afstellen van de autogordelGa goed tegen de rugleuning aan zitten.De schoudergordel moet zo dicht mogelijk 1onder de hals doorlopen. De band van de heupgordel moet vlak 2over de heupen langs het bekken lopen.De autogordel moet zo direct mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Bijv.: niet over te dikke kleding of over ertussen gesto- ken voorwerpen, enz. Voor een doeltreffende bescherming door de autogordels achter moet de achterbank goed zijn vergrendeld. Raadpleeg de paragraaf “Achterbank: gebruiksmogelijkheden” in hoofdstuk 3. verkeerd afgestelde of ge- draaide autogordels kunnen bij een ongeval letsel veroor- zaken. Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene. Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen. Let in dat geval op dat de heupgordel niet te veel op de onderbuik drukt, zonder de gordel te los te dragen.12
1.16AUTOGORDELS (2/2)Vergrendelen Trek de riem over u langzaam en rustigheen en druk de gesp in de sluiting (con- 3 5troleer de vergrendeling door aan de gesp 3te trekken).Als de gordel blokkeert, moet u de band een stuk terug laten gaan en opnieuw rustig over u heen trekken.Indien de gordel niet vrijkomt: – trekt u de gordel langzaam maar krachtig ongeveer 3 cm naar buiten; – laat u de gordel zichzelf oprollen; – rolt u de gordel opnieuw af; als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.ßWaarschuwingslampje vergeten autogordels voor Het brandt continu bij het starten van de motor en vervolgens, als de gordel van de bestuurder of passagier voorin (als de stoel bezet is) niet vastgemaakt is en de auto on- geveer 15 km/uur bereikt, knippert het en klinkt er een geluidssignaal gedurende on- geveer 2 minuten.N.B.: een voorwerp op de zitting van de pas- sagiersstoel kan in sommige gevallen het waarschuwingslampje inschakelen.
1.18AUTOGORDELSDe volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.– Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan. Raadpleeg voor speciale gevallen (bijv. installatie van een kinderzitje) een merkdealer.– Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes, enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk. – Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier. – Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit. – De gordel mag niet gedraaid zijn. – Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen.
Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen. – Let er bij het terug kantelen van de achterbank op dat de autogordels weer op de juiste wijze gebruikt kunnen worden. – Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit. – Zorg dat er geen voorwerp in de sluiting van de gordel kan komen waardoor de werking belemmerd wordt. – Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).
1.19AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (1/4)Dit zijn: – gordelspanners; – krachtbegrenzers; – frontale airbags voor de bestuurder en passagier; – zijairbags (afhankelijk van de auto).Deze systemen worden gelijktijdig of afzon- derlijk, afhankelijk van de ernst van de aan- rijding, geactiveerd bij een botsing aan de zij- of achterkant.Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem de volgende middelen ac- tiveren: – de blokkering van de autogordel; – de primaire gordelspanner (die geacti- veerd wordt om de gordel strak tegen het lichaam te spannen); – de airbags.Gordelspanners Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de plunjer acti- 1veren die onmiddellijk de gordel strak trekt.
De gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trek- ken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.– Laat al deze veiligheidsvoor- zieningen controleren na een aanrijding. – Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten. – Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de gordelspan- ners en airbags werken. – Het elektrische ontstekingsmecha- nisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd. – Laat de gaspatronen van de gordel- spanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.1
1.20AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (2/4)KrachtbegrenzerVanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het li- chaam uitoefent te begrenzen tot een draag- lijk niveau.Airbag links en rechts Deze bevindt zich bij de linker en rechter voorstoel.Het opschrift “Airbag” op het stuurwiel en het dashboard (zone van de airbag ) en een Apictogram aan de onderkant van de voorruit herinneren aan de aanwezigheid van deze uitrusting.Elk airbagsysteem bestaat uit: – een airbag en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier; – een elektronische rekeneenheid, ge- meenschappelijk voor beide airbags, met een schokdetector die de aanrijding regi- streert en de elektrische ontsteking van beide gaspatronen activeert; – afhankelijk van de auto, een extra schok- detector aan de zijkant; – een gemeenschappelijk waarschuwings- lampje å op het instrumentenpa- neel.
Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats waar- door warmte en rook vrijkomen zonder enig brandgevaar en er klinkt een luide knal. De airbag die on- middellijk naar buiten komt, kan onge- vaarlijke, lichte schaafwonden of ander ongemak veroorzaken.A
1.21AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (3/4)WerkingHet airbagsysteem werkt alleen als het con- tact aan staat. Bij een zware botsing worden de frontale airbag(s) snel opgeblazen die de klap op- vangen van het hoofd van de bestuurder tegen het stuurwiel en van de passagier tegen het dashboard. Daarna loopt (lopen) de airbag(s) weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.StoringenHet lampje 2å op het instrumentenpa- neel gaat branden als het contact wordt aan- gezet en dooft na enkele seconden.Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als het continu brandt bij draai- ende motor, wijst dit op een storing in het systeem.Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk- dealer. Wacht u hier te lang mee dan bete- kent dat, dat de bescherming in de tussen- liggende periode misschien niet optimaal is.2
1.22AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (4/4)Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.Waarschuwingen inzake de bestuurdersairbag– Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.– Dek de naafdop niet af.– Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel. – Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer mogen deze werkzaamheden uitvoeren. – Ga niet te dicht achter het stuurwiel zitten, maar rijd met licht gebogen armen (raadpleeg de paragraaf “Afstellen juiste zithouding” in hoofd- stuk 1).
Zo blijft er voldoende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.Waarschuwingen inzake de passagiersairbag – Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) in de airbagzone. – Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dash- board zetten). – Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn. Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.
– Schakel de aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de passagier voorin direct weer in na het verwijderen van een kinderzitje, om de bescherming van de passagier te garanderen in geval van een botsing.HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN ZOLANG DE AIRBAGS VAN DE VOORPASSAGIER NIET UITGESCHAKELD ZIJN.(Raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitschakelen/inschakelen van de passagiersairbag voorin” in hoofdstuk 1).
1.23AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN ACHTERINKrachtbegrenzerVanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het li-chaam uitoefent te begrenzen tot een draag-lijk niveau.– Laat al deze veiligheidsvoor- zieningen controleren na een aanrijding. – Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (airbags, reken-eenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten. – Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig RENAULT-per-soneel aan de gordelspanners en air-bags werken.
1.24VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN BESCHERMING ZIJKANTZijairbagsDe zijairbags zijn aan de kant van de portie-ren ondergebracht in de rugleuning van de voorstoelen en komen in werking om de in-zittenden te beschermen bij een zware aan-rijding tegen de zijkant.Een markering op de stoel herinnert u aan de aanwezigheid van deze voorziening.ZijruitairbagsDit is een airbag die zich eventueel aan de zijkant boven bevindt en die zich ontplooit langs de zijruiten voor en achter om de inzit-tenden bij een hevige botsing tegen de zij-kant te beschermen. Een markering op de interieurbekleding boven de zijruiten herinnert u aan de aan-wezigheid van deze voorziening.Waarschuwingen inzake de zijairbag – voor de stoelen met zijairbags zijn speciale stoelhoezen nodig. Stoelhoezen:Raadpleeg een merkdealer om te weten of dergelijke hoezen leverbaar zijn.
Het gebruik van andere hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model) kan de goede werking van deze airbags belemmeren en daardoor de veiligheid van de inzittenden in gevaar brengen. – Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit af met bijvoorbeeld kleding of accessoires. De werking van de airbag kan hierdoor belemmerd worden en verwon-dingen veroorzaken als de airbag wordt geactiveerd. – Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit ge-beurt door deskundig personeel van de merkdealer. – De ruimte tussen de rugleuning van de achterbank en de bekledingen is de zone waar-binnen de airbag zich kan opblazen: het is verboden hier voorwerpen te plaatsen.
1.25De airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren.Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspan-ners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen activeren. – Het is zelf werkzaamheden uit te voeren aan het complete systeem van de airbags van de bestuurder of de passagier streng verboden (airbags, gordelspanners, rekeneenheden, kabelbundels, enz.).
Deze mogen uitsluitend door speciaal opgeleide RENAULT-monteurs worden gecontroleerd en gerepareerd; – Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig RENAULT-personeel aan het systeem werken; – Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto; – Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze bijzonderheden door hem dit instructie-boekje bij de auto te leveren; – Laat de gaspatro(o)n(en) door een RENAULT-dealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELEN
1.26Vervoer van kinderenHet kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert.Een kind is geen volwassene in miniatuur- formaat. Het staat bloot aan specifieke let- selrisico’s doordat de spieren en botten nog in de groei zijn. De autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoer. Gebruik het juiste kinderzitje en gebruik het correct.KINDERVEILIGHEID: algemeen (1/2) Om het openen van de por- tieren te voorkomen, gebruikt u de “Kinderveiligheid” (raad- pleeg de paragraaf “Openen en sluiten van de portieren” in hoofdstuk 1). Een botsing met 50 km/u komt overeen met een val van 10 meter hoogte. Het niet vast- maken van een kind is het- zelfde als het laten spelen op een balkon zonder balustrade op de vierde verdie- ping! Houd een kind nooit in uw armen.
Bij een ongeluk zal u het niet kunnen tegen- houden, zelfs niet als u zelf in uw gordel vastzit.Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u het kinderzitje vervangen en de gordels en de ISOFIX verankeringen laten controleren.Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parke- ren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por- tieren te vergrendelen. Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
1.27KINDERVEILIGHEID: algemeen (2/2)Gebruik van een kinderzitjeDe bescherming die het kinderzitje biedt is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de be- scherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing.Controleer voordat u een kinderzitje koopt, of het voldoet aan de wettelijke eisen van het land waar u zich bevindt en of het ge- monteerd kan worden in uw auto. Raadpleeg een merkdealer om te weten welke zitje ge- adviseerd worden voor uw auto.Lees, vóór het monteren van een kinderzitje, de gebruiksaanwijzing en houd u aan de in- structies. Neem, bij problemen met het in- stalleren, contact op met de fabrikant van de uitrusting. Bewaar de gebruiksaanwijzing bij het zitje.
Geef het goede voorbeeld door uw gordel vast te maken en leer uw kind: – zich correct vast te maken, – in en uit te stappen aan de andere kant van het verkeer. Gebruik geen tweedehands kinderzitje of zonder gebruiksaanwijzing.Let op dat niets in de buurt van het kin- derzitje de installatie ervan belemmert.Laat een kind nooit onbewaakt achter in de auto. Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de gordel correct is afgesteld en aangepast. Vermijd te dikke kleding waardoor ruimte tussen de riemen kan ontstaan.Laat uw kind nooit zijn hoofd of armen uit het raam steken.Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.
1.28Kinderzitje “achterstevoren”Het hoofd van een baby is, naar verhouding, zwaarder dan dat van een volwassene en de nek is zeer kwetsbaar. Vervoer het kind zo lang mogelijk in deze stand (minstens tot het 2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek ondersteund. Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij en vervang het zodra het hoofd van het kind boven het kuipzitje uit-steekt.Kinderzitje “vooruit”Het hoofd en de buik van een kind zijn de lichaamsdelen die het meest beschermd moeten worden. Een vooruit bevestigd kin- derzitje dat solide in de auto is bevestigd vermindert de gevaren van een klap tegen het hoofd.
Vervoer uw kind in een vooruit be-vestigd zitje met een harnas of een schoot-kussen als de lengte van het kind dat toe-laat.Kies een omhullend zitje voor een betere be-scherming opzij.ZittingverhogersVanaf 15 kg of 4 jaar kan een kind reizen op een zittingverhoger waarmee de autogordel kan worden aangepast aan zijn lichaams-bouw. De zitting van de verhoger moet ge-leiders hebben die de gordel over de heupen van het kind en niet over de buik laat lopen. Een in hoogte verstelbare rugleuning met een gordelgeleider wordt geadviseerd om de gordel op het midden van de schouder te plaatsen. Deze mag nooit over de hals of over de armen lopen.Kies een omhullend zitje voor een betere be-scherming opzij.KINDERVEILIGHEID: keuze van het kinderzitje
1. 29KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van een kinderzitje (1/3)Keuze van de bevestiging Er zijn twee bevestigingssystemen voor kinderzitjes: met de autogordel of met het ISOFIX-systeem. Bevestiging met de autogordel De autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing. Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van het kinderzitje voorschrijft. Controleer altijd de vergrendeling van de au- togordel door eraan te trekken en zet hem daarna zo strak mogelijk door op het kinder- zitje te drukken. Controleer of het zitje goed vastzit door het zitje naar links/rechts en naar voren/achte- ren te bewegen: het zitje moet stevig vast blijven zitten. Controleer of het kinderzitje niet dwars is ge- ïnstalleerd en niet tegen een ruit rust.
Bevestiging met -systeemISOFIX De toegelaten ISOFIX-kinderzitjes zijn goedgekeurd overeenkomstig het reglement ECE-R44 in één van de drie gevallen: – universeel ISOFIX 3-punts vooruit – semi-universeel ISOFIX 2-punts – specifiek Controleer, voor deze twee laatste, of uw kinderzitje geïnstalleerd kan worden door de lijst van de geschikte auto’s te raadplegen. Bevestig het kinderzitje met de ISOFIX- grendels als het deze heeft. Het ISOFIX- systeem garandeert een gemakkelijke, snelle en veilige montage. Het ISOFIX-systeem bestaat uit 2 ringen en, in sommige gevallen, een derde ring. Voordat u een ISOFIX- kinderzitje installeert dat u hebt gekocht voor een andere auto, moet u nagaan of het geïnstal- leerd mag worden. Raadpleeg de lijst van de fabrikant van het zitje waarop de auto's staan waarin het zitje gebruikt mag worden. De autogordel mag nooit los- gemaakt of verdraaid worden.
Laat de gordel nooit onder de armen of achter de rug lopen. Controleer of de gordel niet beschadigd is door scherpe randen. Als de autogordel niet normaal werkt, kan deze het kind niet beschermen. Raadpleeg een merkdealer. Gebruik deze zitplaats niet zolang de gordel niet is gerepareerd.
Gebruik geen kinderzitje dat de gordel waarmee het vastzit zou kunnen losmaken: het onder- stel van het zitje mag niet op de gesp en/of de sluiting van de gordel rusten. Verander niets aan de onder- delen van het oorspronkelijk gemonteerde systeem: gor- dels, ISOFIX, stoelen en de be- vestigingen ervan.
1.30De twee ringen bevinden zich tussen de 1 rugleuning en de zitting of de bank of van de stoel en zijn te herkennen aan een mar- kering. Om het plaatsen en het vergrendelen van uw kinderzitje op de ringen te vergemak- 1 kelijken, gebruikt u de geleiders van het 2kinderzitje. De ISOFIX-verankeringen mogen alleen gebruikt worden voor kinderzitjes met het ISOFIX-systeem. Bevestig nooit andere kinderzitjes, noch de gordel of andere voorwerpen op deze veranke- ringspunten.Controleer of niets in de weg zit bij de verankeringspunten.Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u de ISOFIX- verankeringen laten controleren en het kinderzitje vervangen.KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van een kinderzitje (2/3)12
1.31De derde ring wordt gebruikt voor het vast- maken van de bovenste riem van bepaalde kinderzitjes.Bevestig de haak van de riem op ring (voor 3de plaats achter) of (voor de plaats voor) 4en span de riem.Wijzig niet, na het aantrekken van de riem, de stand van de stoel waarop het kinderzitje geïnstalleerd is. L E V E N S G E VA A R O F GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje op de plaats van de voorpassagier installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitscha- kelen, inschakelen van de passagiers- airbag voorin” in hoofdstuk 1). De kinderzitjes met harnas vooruit kij- kend zijn uitsluitend toegestaan als ze met ISOFIX vastgemaakt zijn en zonder autogordel.KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van een kinderzitje (3/3)43
1. 32 Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kin-derzitjes bevestigd worden Op het schema op de volgende bladzijde ziet u waar u een kinderzitje mag bevestigen. De genoemde types kinderzitjes zijn niet overal leverbaar. Controleer, voordat u een ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of het gemonteerd kan worden. Monteer het kinderzitje bij voor-keur op een zitplaats achterin. Controleer of het kinderzitje, door het installeren ervan in de auto, niet loskomt van het onderstel. Als u de hoofdsteun moet verwijde-ren, berg deze dan goed op zodat deze niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing. Maak het kinderzitje altijd goed vast aan de auto, ook als het niet in gebruik is, zodat het niet in een projectiel kan ver-anderen bij krachtig remmen of een bot-sing. Op zitplaats voorinHet vervoer van een kind op deze plaats is niet in alle landen toegestaan.
Raadpleeg de geldende wetgeving en volg de aanwijzin-gen van het schema op de volgende blad-zijde. Voordat u een kinderzitje op deze plaats in-stalleert (indien dit toegestaan is) – zet de autogordel zo ver mogelijk naar beneden; – schuif de stoel zo ver mogelijk naar ach-teren; – zet de rugleuning enigszins schuin (on-geveer 25°);Wijzig deze afstellingen niet meer na het in-stalleren van het kinderzitje. L E V E N S G E VA A R O F GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje achterste- voren op de plaats van de passagier voorin installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitschakelen/inscha-kelen van de passagiersairbag voorin” in hoofdstuk 1). De kinderzitjes met harnas vooruit kij- kend zijn uitsluitend toegestaan als ze met ISOFIX vastgemaakt zijn en zonder autogordel.
Op zitplaats achter aan de zijkantEen reiswieg wordt dwars in de auto geïn-stalleerd en neemt ten minste twee zitplaat-sen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier gelegen kant.
Voor het installeren van een kinderzitje, zet u de achterbank zo ver mogelijk naar achte-ren en controleert u of de poot van het kin-derzitje op de bodemplaat rust, zoals voor-geschreven is in de gebruiksaanwijzing van het kinderzitje. Zet de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren om een kinderzitje achterstevo-ren te installeren, en zet daarna de stoel(en) voor het kinderzitje zo ver mogelijk naar ach-teren zonder dat ze het kinderzitje raken. Voor de veiligheid van het vooruit geplaatste kind, mag u de stoel die voor het kind staat niet verder dan halverwege de stelrails naar achteren zetten, de rugleuning niet te schuin (25° maximaal) zetten en moet u de stoel zo ver mogelijk naar achteren zetten. Controleer of het vooruit geplaatste kinder-zitje goed tegen de rugleuning van de stoel van de auto rust en de hoofdsteun van de auto niet in de weg zit.
1.33KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (2/4) L E V E N S G E VA A R O F GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje achterste- voren op de plaats van de passagier voorin installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitschakelen/inscha-kelen van de passagiersairbag voorin” in hoofdstuk 1). De kinderzitjes met harnas vooruit kij- kend zijn uitsluitend toegestaan als ze met ISOFIX vastgemaakt zijn en zonder autogordel.Kinderzitje bevestigd met behulp van de gordel ¬ Plaats toegelaten voor de bevesti-ging met de gordel van een als “Universeel” goedgekeurd zitje. − Plaats toegelaten voor de beves- tiging met de gordel van een uitsluitend achterstevoren geplaatst kinderzitje dat goedgekeurd is als “Universeel”.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Renault Twingo (2013) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Renault
Alle Renault Auto handleidingen