Renault Kangoo (2017) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Renault Kangoo (2017) (260 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 150 mensen. Heb je een vraag over Renault Kangoo (2017) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Renault |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Kangoo (2017) |
Handleiding Renault Kangoo (2017) – volledige tekst
een passie voor presterenELF partner van deRENAULT adviseert ELFELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op het circuit als op de weg. Dankzij deze jarenlange samenwerking beschikt u over een gamma smeermiddelen die perfect op uw Renault zijn afgestemd. De duurzame bescherming en optimale prestaties van uw motor zijn zo gegarandeerd. Om te weten welk gehomologeerd smeer-middel van ELF het beste geschikt is om de olie in de motor van uw auto te verversen of bij te vullen, kunt u advies vragen aan uw Renault-dealer of het onderhoudsboekje van uw auto raadplegen.www.lubricants.elf.comEen merk van
0.1 Vertaald uit het Frans. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de autofabrikant.In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:– uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.– de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften.– zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over de mogelijkheden en de nieuwe technieken die erin zijn toegepast.
Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.Om het lezen van dit boekje voor u te vergemakkelijken gebruiken wij het volgende symbool:Welkom aan boord van uw autoDit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen van dit model beschreven. De aanwezigheid ervan in de auto is af- (standaard of optioneel) hankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.Overal waar in het instructieboekje sprake is van een merkdealer, wordt daarmee een RENAULT-dealer bedoeld.Om een gevaar of een veiligheidsadvies aan te geven.Wij wensen u een goede reis in uw auto.
1.4SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: gebruik(1/2)De auto kan met de afstandsbediening worden vergrendeld of ontgrendeld.Deze wordt gevoed door een batterijtje, dat u kunt vervangen (raadpleeg de paragraaf “Sleutel, FM-afstandsbediening: batterijtjes” in hoofdstuk 5).Portieren vergrendelenAfstandsbediening , of A B CDruk op de vergrendelknop .1Het vergrendelen ziet u aan het twee keer oplichten van de knipperlichten en de zij-knipperlichten.Als een portier (of de achterklep) open staat of niet goed is gesloten, worden de portieren en de achterklep vergrendeld en snel ont-grendeld en knipperen de knipperlichten en de zijknipperlichten niet.1Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als fles-opener, enz.).1A B1C
1.52Ontgrendelen van de portierenAfstandsbediening , of A B CDruk op de ontgrendelknop .2Met een korte druk ontgrendelt u alle por-tieren.Met een korte druk op knop 3 ontgrendelt/vergrendelt u de achterklep en, afhankelijk van de auto, de schuifdeuren.Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zij-knipperlichten.A B2SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING RADIO: gebruik (2/2)23Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.C
1.6EXTRA VERGRENDELINGGebruik nooit de extra por-tiervergrendeling als er nog iemand in de auto zit.1Als de auto hiermee uitgerust is, kunnen hiermee de portieren worden vergrendeld en niet met de handgrepen aan de binnenkant van de portieren worden ontgrendeld (na het inslaan van een ruit om het portier van bin-nenuit te openen).2Activeren van de extra portiervergrendelingDruk twee keer achter elkaar op de knop .1Het vergrendelen ziet u aan het vijf keer knipperen van de knipperlichten en de zijknipperlichten.Deactiveren van de extra portiervergrendelingOntgrendel de auto met behulp van de knop .2Het ontgrendelen ziet u aan het één keer knipperen van de knipperlichten en de zijknipperlichten.1212
1.7Openen van buitenafOntgrendel het portier en trek daarna aan portierhandgreep 1. Raadpleeg voor het ontgrendelen van de portieren de paragraaf “Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik” in hoofdstuk 1.Openen van binnenuitTrek aan de portierhandgreep .2PORTIEREN (1/5)12Veiligheid van de kinderenOm aan de achterkant het openen van de zijdeur van binnenuit onmogelijk te maken, verplaatst u de hendel met behulp van het 3uiteinde van de sleutel van de auto.Controleer, van binnenuit, of de deur goed vergrendeld is.3Waarschuwingssignaal verlichting brandt nogAls bij het openen van een portier de lich-ten nog branden terwijl het contact is afgezet dan klinkt er een signaal om u te waarschu-wen dat de accu wordt ontladen.2 Dit controlelampje geeft aan dat een por-tier geopend of slecht gesloten is.Uit veiligheidsoverwegingen mag u de deur alleen openen en sluiten als de auto stilstaat.
Raadpleeg voor het ontgrendelen van de portieren de paragraaf “Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik” in hoofdstuk 1.Openen van binnenuitTrek aan de portierhandgreep 6 en laat met behulp van de portierhandgreep 5 de deur naar de achterkant van de auto glijden tot ze blokkeert.Aanbevelingen bij het ge-bruik van de schuifdeurBij het openen en sluiten van de deur, moeten net als bij elk portier van de auto de volgende voor-zorgsmaatregelen in acht worden geno-men:– controleer of er niemand en geen dier of voorwerp tijdens het bewegen tussen de deur komt.– Gebruik voor het bewegen van de deur uitsluitend en alleen de hand-grepen aan de binnenkant en aan de buitenkant van de auto.– Beweeg de deur zowel bij het openen als bij het sluiten niet met geweld.– Let op dat u, als de auto op een hel-ling staat, de schuifdeur voorzichtig geheel openschuift tot hij blokkeert.– Het is streng verboden met een ge-opende schuifdeur te rijden, contro-leer voor u wegrijdt of de deur goed is gesloten.– Gebruik de onderste steun niet als treeplank.456Uit veiligheidsoverwegingen wordt de schuifdeur naast de tankdopklep ge-blokkeerd bij het openen van de klep.
1.9Maximale opening van de deurenTrek voor elke deur aan de grendel 8 om de deurvanger vrij te maken. Open de deur zover mogelijk.Met de hand sluiten van buitenafSluit eerst de kleine deur en daarna de grote. Sluit elk van de deuren tot ze bijna dicht zijn en sla ze daarna dicht.Klapdeuren achterOpenen van buitenafOntgrendel het portier en trek daarna aan portierhandgreep 7. Raadpleeg voor het ontgrendelen van de portieren de paragraaf “Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik” in hoofdstuk 1.PORTIEREN (3/5)Als u langs de kant van de weg parkeert en de achterklep ge-opend is, kunnen de achterlich-ten hierdoor aan het zicht ont-trokken worden. U dient dan de andere weggebruikers te waarschuwen met een gevarendriehoek of op andere wijze, vol-gens de in het land geldende voorschrif-ten.Laat bij harde wind de klap-deuren achter niet open. Risico van verwonding.78
1.10Klapdeuren achter (vervolg)Openen van binnenuitBeweeg de hendel 9 om de kleine deur te openen.Sluiten van binnenuitSluit eerst de kleine deur en daarna de grote.Sluit elk van de deuren tot hij bijna dicht is en sla ze daarna dicht.PORTIEREN (4/5)Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.9
1.11SluitenLaat de achterklep zakken met behulp van de handgrepen aan de binnenkant .12Als de achterklep op schouderhoogte is, klapt u hem rustig dicht.Openen van binnenuitBij een elektrische storing, kunt u de achter-klep met de hand van binnenuit openen.Steek een potlood of iets dergelijks in de holte 13, verschuif het geheel zoals op de tekening aangegeven is en duw tegen de achterklep om hem te openen.AchterklepOpenenOntgrendel het portier, druk op de knop 11 en trek de klep omhoog. Raadpleeg voor het ontgrendelen van de portieren de paragraaf “Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik” in hoofdstuk 1.Zorg voor uw eigen veiligheid ervoor, dat alle portieren van uw auto goed gesloten zijn voordat u wegrijdt.111312PORTIEREN (5/5)
1.12Vergrendelen van de portieren en kleppen zonder afstandsbedieningStilstaande motor, contact uit, schuifdeur dicht, een voorportier open, druk langer dan vijf secondes op de schakelaar .1Controleer of u uw sleutel bij zich heeft, voordat u de auto verlaat.Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.Het ontgrendelen van buitenaf van de auto is alleen met de sleutel mogelijk bij het be-stuurdersportier.Waarschuwingslampje van de portierenMet contact aan geeft het controlelampje in de schakelaar 1, aan of de portieren wel of niet vergrendeld zijn:– lampje brandt, de portieren zijn vergren-deld;– lampje uit, minstens één portier is ont-grendeld.Als u de portieren vergrendelt, blijft het con-trolelampje branden en dooft daarna.Schakelaar voor het vergrendelen en ontgrendelen van de portieren van binnenuitMet de elektrische vergrendeling worden de sloten van alle portieren gelijktijdig bediend.Vergrendel of ontgrendel de portieren door op de schakelaar te drukken.1Als een portier (of achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrende-len de portieren snel.CENTRAAL VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (1/2)1Laat de sleutel nooit achter in de auto als u de auto verlaat.Verantwoordelijkheid van de bestuurderBedenk dat het rijden met ver-grendelde portieren een be-lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
1.13CENTRAAL VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (2/2)2Met de handGebruik van de sleutelVergrendel of ontgrendel het bestuur-dersportier door de sleutel diep in het slot 2 te steken, draai daarna de sleutel.Raadpleeg voor meer bijzonderheden over de afstandsbedieningen de paragraaf “Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik” in hoofdstuk 1Handmatig vergrendelen van de portierenVerdraai, met open portier, de schroef 3 (met behulp van het uiteinde van de sleutel) en sluit het portier. Nu is het portier van bui-tenaf vergrendeld.Het openen kan alleen van binnenuit gebeu-ren of met de noodsleutel voor de voorpor-tieren.Schuifdeur (kant van tankdop)Om de voorkomen dat de deur niet tegen het vulpistool stoot, wordt hij door een mecha-nisch systeem geblokkeerd zodra de tank-dopklep geopend wordt.Plaats na het tanken de dop terug op de vul-hals en sluit de klep.
1.14Bedenk eerst of u deze functie wilt ge-bruiken of niet.Inschakelen van de functieHoud, met draaiende motor, de knop 1 ongeveer 5 seconden ingedrukt, tot u twee opeenvolgende geluidssignalen hoort. Het in de knop geïntegreerde controlelampje licht op als de portieren vergrendeld zijn.Uitschakelen van de functieDruk met op de knop draaiende motor 1 gedurende 5 secondes, tot u een geluidssi-gnaal hoort.AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDENDe werking van het systeemNa het wegrijden, vergrendelen de portieren automatisch als de auto de snelheid van on-geveer 7 km/u heeft bereikt.Bij een storingAls het systeem niet goed werkt (geen auto-matische vergrendeling) moet u eerst con-troleren of alle portieren goed zijn gesloten.
Als ze goed gesloten zijn en het probleem aanhoudt, raadpleeg dan een merkdealer.Controleer ook of de vergrendeling niet per ongeluk uitgeschakeld staat.Raadpleeg in dat geval de inschakelproce-dure.1Verantwoordelijkheid van de bestuurderBedenk dat het rijden met ver-grendelde portieren een be-lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
1.15HOOFDSTEUNEN VOOR (1/3)Hoofdsteun terugplaatsenControleer vóór alles, of de poten van de hoofdsteun op één lijn liggen en schoon zijn.Trek het lipje naar voren.2Plaats de poten van de hoofdsteun met de vertanding naar voren in de geleiders (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achter).Breng de hoofdsteun omlaag tot de ge-wenste stand is bereikt.Hoofdsteun AHoofdsteun hoger zettenTrek hem omhoog tot de gewenste stand is bereikt.Hoofdsteun lager zettenTrek het lipje 2 naar voren en schuif de hoofdsteun licht omhoog om hem los te maken en breng hem omlaag tot de ge-wenste stand is bereikt.Hoofdsteun verwijderenZet hem in de hoogste stand. Druk op de knop 1 en trek de hoofdsteun omhoog om hem vrij te maken.ADe hoofdsteun is een veilig-heidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld.
Let op dat zij in lijn staan en schoon zijn en controleer of de inkepingen aan de voorkant zitten.Steek de poten van de hoofdsteun in de hou-ders (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren).Schuif de hoofdsteun naar binnen tot hij blokkeert, druk dan op de knop 3 en druk de hoofdsteun zo ver mogelijk omlaag.HOOFDSTEUNEN VOOR (2/3)Hoofdsteun BHoofdsteun hoger zettenTrek hem omhoog tot de gewenste stand is bereikt.Hoofdsteun lager zettenDruk op de knop 3 en schuif de hoofdsteun omlaag tot de gewenste stand is bereikt.De hoofdsteun is een veilig-heidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld. Hij geeft een maximale beveiliging als de af-stand tussen de hoofdsteun en het ach-terhoofd zo klein mogelijk is en de bo-venkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin.3B4
1.17HOOFDSTEUNEN VOOR (3/3)Hoofdsteun CHoofdsteun hoger zettenTrek hem omhoog tot de gewenste stand is bereikt.Hoofdsteun lager zettenDruk op het lipje 5 en schuif de hoofdsteun omlaag tot de gewenste stand is bereikt.Hoofdsteun verwijderenZet hem in de hoogste stand. Druk op de lipjes 5 en 6 en trek de hoofdsteun omhoog om hem vrij te maken.N.B.: verander, als de hoofdsteun naar buiten is getrokken, niet de stand van de poten.Hoofdsteun terugplaatsenDruk op het lipje .5Plaats de poten van de hoofdsteun met de vertanding naar voren in de geleiders en schuif de hoofdsteun omlaag tot de ge-wenste stand is bereikt.De hoofdsteun is een veilig-heidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld.
1.18De hoofdsteun is een veilig-heidsorgaan, dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld.Opbergstand 2Trek hem naar u toe en laat hem helemaal zakken.De laagste stand van hoofdsteun is een opbergstand.
Indien er een passagier op de zitplaats achterin zit, mag de hoofdsteun niet in de laagste stand gebruikt worden.Hoger zettenSchuif hem tot de gewenste stand is be-reikt.Lager zettenTrek hem naar u toe en schuif hem tot de gewenste stand is bereikt.VerwijderenSchuif de hoofdsteun omhoog en maak hem vrij door de lipjes in te drukken.1Voor het terugplaatsenDruk het lipje 1 in en steek de poten in de geleiders, met de vertandingen naar voren.HOOFDSTEUN ACHTER12KinderhoofdsteunAls de auto uitgerust is met de kinderhoofd-steun en verhoogd zitkussen bevinden deze zich uitsluitend op de achterplaatsen aan de zijkant.Raadpleeg voor de montage en het gebruik de handleiding van de uitrusting.
Controleer of de zitting vergren-deld is.Hoogte van de zitting van de bestuurdersstoel verstellenBeweeg de hendel zo vaak als dit nodig is:3– naar boven om het zitkussen hoger te zetten;– naar beneden om het zitkussen lager te zetten.VOORSTOELEN (1/3)125342Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.Let er op dat de rugleuningen van de stoelen goed vergrendeld zijn.Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.
1.20– zorg dat er geen voorwerp het bewegen van de stoel hindert;– zet de hoofdsteun 5 zo dat hij onder het dashboard komt.De stoel wordt automatisch vergrendeld ; controleer of hij goed vergrendeld is.Stand vlakke vloerAfhankelijk van de auto kan de rugleuning aan passagierskant neergeklapt worden op het zitkussen om een vlakke vloer te krij-gen.– Houd de handgreep 4 vast en zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren;– zet de hoofdsteun zo laag mogelijk;– houd de rugleuning aan de bovenkant vast voor het omlaag zetten;– trek aan de hendel 2 en klap de rugleu-ning naar voren (het zitkussen gaat van-zelf vlak op de vloer);Houd de rugleuning van de stoel goed tegen om de vlakke vloer te krijgen.
Risico van ver-wonding.Maximale massa op de stoel in de stand vlakke vloer: 80 kg gelijkmatig verdeeld.VOORSTOELEN (2/3)4225Voer deze verstellingen uitslui-tend uit als de auto stilstaat.Plaats uw hand op de voorkant van het zitkussen bij het terug-plaatsen. Risico van beknel-ling.Terugplaatsen van de stoelZorg dat er geen voorwerp het bewegen van de stoel hindert.– Trek aan de hendel 2 en zet de rugleu-ning omhoog, controleer of hij goed ver-grendeld is;– zet het zitkussen terug door uw hand op de voorkant van het zitkussen te plaat-sen.Als de achterbank neergeklapt is, beweeg dan de voorstoel voorzichtig.
Bij het bewegen van de stoel, moet u er voor zorgen dat niets de bewegende delen en hun vergrendeling hindert.8VoorstoelenBij een storing(afhankelijk van auto)Als de schuifdeur niet werkt, zet dan de handgreep 8 omlaag, houd de hendel vast terwijl de rugleuning kantelt en schuif de stoel naar voren.Om de stoel in de stand “comfort” te zetten, schuift u hem naar achteren.Zet de stoel af en zorg dat hij goed vergren-deld is.AB67
1.22DAKKLEP (1/2)Rijden met een open dakklep kan tot gevolg hebben dat uit-laatgassen in het interieur te-rechtkomen. Dit gebruik moet beperkt blijven voor het transport van grote voorwerpen over een korte af-, stand, waarbij de achterdeuren geslo-ten kunnen blijven.
Sluit in dit geval alle ruiten en laat de ventilateur met een middelmatige of maximale snelheid draaien, om te voorkomen dat uitlaat-gassen het interieur binnendringen.123DwarsstangVoor het laden van grote voorwerpen kan de dwarsstang worden neergeklapt:– Druk op de hendel ;3– til de stang op om deze vrij te maken en begeleid hem naar de deurstijl;– na het laden moet u de stang weer ver-grendelen.Openen– Ontgrendel de bediening 2, de dakklep gaat dan automatisch omhoog (zorg dat niets het openen van de klep in de weg staat, begeleid in dat geval het omhoog gaan met behulp van de handgreep );1– de open dakklep moet u altijd vergren-delen door hem naar de voorkant van de auto te duwen tot bediening 2 vergren-delt.Belangrijk: Het is verboden met een ge-opende en niet-vergrendelde dakklep te rijden.NB: tijdens het rijden met een open dak-klep kunt u windgeruis horen.
1.23DAKKLEP (2/2)Voordat u wegrijdt, moet u altijd de dwarsstang weer op zijn plaats terugzet-ten en controleren of deze goed vergren-deld is.Alleen als de stang is vergrendeld kunnen de achterdeuren goed worden afgesloten.Houd rekening met de grotere buitenma-ten van de auto bij het vervoer van uit-stekende voorwerpen.1 2Sluiten– Ontgrendel de bediening 2, de dakklep gaat dan automatisch terug tot halver-wege;– trek aan de handgreep 1 en vergrendel de dakklep in gesloten stand.
1.24Laat de schot kantelen– Ontgrendel het zitkussen door de hand-greep naar beneden te draaien;1– zet het zitkussen van de passagiersstoel voor rechtop (pijl);– zet de hoofdsteun zo laag mogelijk;2– ontgrendel de rugleuning door opnieuw de handgreep naar beneden te draaien 1en zet hem horizontaal. Om deze hande-ling te vergemakkelijken, laat u de hoofd-steun kantelen;2– Draai het beweegbare deel 90° en zet het vast bij punt door de grendel naar be-5 3neden te drukken.N.B.: controleer of het grendelpunt schoon 4is voordat u het draaibare deel terugzet in de oorspronkelijke stand.– ontgrendel het draaibare deel door de grendel op te tillen;3– plaats het zitkussen in omgekeerde volg-orde terug.Tijdens het rijden moet het be-weegbare deel altijd zijn ver-grendeld.
Risico van verwon-ding.DRAAIBARE SCHEIDINGSSCHOTLet bij het draaien van het draaibare scheidingsschot op dat de autogordel niet beschadigd wordt. Houd de gordel tegen de zijkant als u het schot draait.12345Maximale massa op de stoel in tafel-stand: 80 kg gelijkmatig verdeeld.
1.25AUTOGORDELS (1/4)Afstellen van de autogordelGa goed tegen de rugleuning aan zitten.De band van de schoudergordel 1 moet zo dicht mogelijk langs de hals over de schou-der lopen, zonder dat de gordel de hals raakt.De band van de heupgordel 2 moet vlak over de heupen langs het bekken lopen.De gordel moet zo direct mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Bv.: niet over te dikke kleding of over ertussen gestoken voorwerpen enz.12Gebruik tijdens het rijden altijd de autogor-del. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich be-vindt.verkeerd afgestelde of ge-draaide autogordels kunnen bij een ongeval letsel veroor-zaken.Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene.Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen.
Let in dat geval op dat de heupgordel niet te veel op de onderbuik drukt, zonder de gordel te los te dragen.Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzittenden de au-togordel om de beste bescherming te krijgen.De juiste zithouding– Ga goed diep in uw stoel zitten (na uw mantel, jas enz. uitgetrokken te hebben). Dat is belangrijk voor een goede onder-steuning van de rug.– Verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen. Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u het kop-pelingspedaal nog net geheel kunt in-drukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de boven-kant van het stuurwiel te kunnen komen;– stel de hoofdsteun af. De afstand tussen de hoofdsteun en uw achterhoofd moet zo klein mogelijk zijn;– stel de hoogte van de zitting af.
Verstel deze om een zo goed mogelijk zicht op het verkeer te hebben;– stel de stand van het stuurwiel af. Voor een doeltreffende bescherming door de autogordels achter moet de achter-bank goed zijn vergrendeld. Raadpleeg de paragraaf “Achterbank: gebruiksmo-gelijkheden” in hoofdstuk 3.
1.26AUTOGORDELS (2/4)™Waarschuwingslampje vergeten autogordels voorHet blijft branden tijdens het star-ten als uw autogordel niet vastgemaakt is. Een geluidssignaal weerklinkt zachtjes ge-durende 30 secondes, daarna harder gedu-rende 90 secondes.OntgrendelenDruk op de knop 4, de gordel wordt door het oprolmechanisme teruggetrokken.
Begeleid hem.N.B.: een voorwerp op de zitting van de pas-sagiersstoel kan in sommige gevallen het waarschuwingslampje inschakelen.6Hoogteverstelling van de autogordels voorVerplaats de knop 6 om de hoogte van de gordel zo af te stellen dat de riem van de borstkas 1 loopt zoals hiervoor is aangege-ven:– om de gordel lager te zetten: druk op de knop 6 en laat gelijktijdig de gordel zakken;– om de gordel hoger te zetten: druk op de knop 6 en schuif hem daarna omhoog in de gewenste stand.Controleer na het afstellen of de knop weer goed is vergrendeld.VergrendelenTrek de riem over u langzaam en rustigheen en druk de gesp in de sluiting (con-3 5troleer de vergrendeling door aan de gesp 3 te trekken).Als de gordel blokkeert, laat hem dan een stuk teruggaan en rol hem opnieuw af.Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken.
1.27Middelste gordelRol de gordel langzaam af tot u de zwarte gesp in de grendel kunt vastklikken.8 9Gordels aan de zijkanten achter 7Het vergrendelen, ontgrendelen en afstellen gebeuren op dezelfde manier als bij de voor-ste gordels.AUTOGORDELS (3/4)789Voor een doeltreffende bescherming door de autogordels achter moet de achterbank goed zijn vergrendeld. Raadpleeg de paragraaf “Achterbank: gebruiksmogelijkheden” in hoofdstuk 3.Uitvoering met voorbank met twee plaatsenIn normale gebruiksomstandigheden maakt u de veiligheidsgordel van de middelste zit-plaats vast als er niemand zit.
1.28AUTOGORDELS (4/4)De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.– Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan. Raadpleeg voor speciale gevallen (bv. installatie van een kinderzitje) een merkdealer.– Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes, enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.– Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.– Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.– De gordel mag niet gedraaid zijn.– Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen.
Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen.– Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.– Let er bij het terugplaatsen van de achterbank op dat de autogordels en sluitingen goed zitten, zodat deze weer op de juiste wijze kunnen worden gebruikt.– Zorg dat er geen voorwerp in de sluiting van de gordel kan komen waardoor de werking belemmerd wordt.– Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).
1.29AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (1/3)12Afhankelijk van de auto, kunnen deze be-staan uit:– gordelspanners;– frontale airbags 1 voor de bestuurder en passagier.Deze voorzieningen worden gelijktijdig of af-zonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale bot-sing.Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem de volgende middelen ac-tiveren:– blokkering van de autogordel ;2– de gordelspanner (die in werking komt om de speling van de autogordel op te heffen);– de frontale airbag.GordelspannersDe gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trek-ken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de gordelspan-ner activeren die onmiddellijk de gordel strak trekt.– Laat al deze veiligheidsvoor-zieningen controleren na een aanrijding.– Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.– Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de gordelspan-ners en airbags werken.– Het elektrische ontstekingsmecha-nisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.– Laat de gaspatronen van de gordel-spanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
1.30AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (2/3)Airbag links en rechtsDe plaatsen voor aan bestuurderskant en af-hankelijk van de auto, van de passagier zijn hiermee uitgerust.Het opschrift “airbag” op het stuurwiel, het dashboard (zone van de airbag A) en, af-hankelijk van de auto, een pictogram aan de onderkant van de voorruit herinneren aan de aanwezigheid van deze uitrusting.Elk airbagsysteem bestaat uit:– een airbag en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier;– een rekeneenheid die het systeem be-waakt en de elektrische ontsteking van de gaspatroon bestuurt;– een waarschuwingslampje å op het instrumentenpaneel;– aparte opname-elementen.AWerkingHet systeem werkt alleen als het contact aanstaat.Bij een zware aanrijding, worden de frontaleairbags, die de klap opvangen van het hoofd en de borstkas van de bestuurder tegen het stuurwiel en van de passagier tegen het dashboard, snel opgeblazen.
Daarna lopen de airbags direct weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.KrachtbegrenzerVanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het li-chaam uitoefent te begrenzen tot een draag-lijk niveau.Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats waar-door warmte en rook vrijkomen zonder enig brandgevaar en er klinkt een luide knal. De airbag die on-middellijk naar buiten komt, kan onge-vaarlijke, lichte schaafwonden of ander ongemak veroorzaken.Auto uitgerust met drie zitplaatsen voorinDe passagiersairbag be-schermt enkel de passagier vooraan aan de zijkant; de passagier vooraan in het midden is enkel be-schermd door de autogordel. Gelieve de gebruikelijke veiligheidsvoorschriften (dragen van de autogordel) te respecte-ren.Risico op verwondingen bij een ongeluk.
1.31AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (3/3)Waarschuwingen inzake de bestuurdersairbag– Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.– Dek de naafdop niet af.– Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel.– Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer mogen deze werkzaamheden uitvoeren.– Ga niet te dicht achter het stuurwiel zitten, maar rijd met licht gebogen armen (raadpleeg de paragraaf “Afstellen juiste zithouding” in hoofd-stuk 1).
Zo blijft er voldoende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.Waarschuwingen inzake de passagiersairbag– Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) in de airbagzone.– Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dash-board zetten).– Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn.
Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.– Schakel de aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de passagier voorin direct weer in na het verwijderen van een kinderzitje, om de bescherming van de passagier te garanderen in geval van een botsing.HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN ZOLANG DE AIRBAGS VAN DE VOORPASSAGIER NIET UITGESCHAKELD ZIJN.(Raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin” in hoofdstuk 1.)Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.
1.32Zijairbags(afhankelijk van de auto)De zijairbag is aan de kant van het portier ondergebracht in de rugleuning van elk van de voorstoelen en komt in werking om de in-zittenden te beschermen bij een zware aan-rijding tegen de zijkant.Zijruitairbags (afhankelijk van de auto)Dit is een airbag die zich aan de zijkant boven kan bevinden en die zich ontplooit langs de zijruiten voor en achter om de inzit-tenden te beschermen bij een zware aanrij-ding tegen de zijkant. Waarschuwingen inzake de zijairbag– Stoelhoezen: voor de stoelen met zijairbags zijn speciale stoelhoezen nodig. Raadpleeg een merkdealer om te weten of dergelijke hoezen leverbaar zijn.
Het gebruik van andere hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model) kan de goede werking van de zijairbag belemmeren en daardoor de veiligheid van de inzittenden in gevaar brengen.– Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit af met bijvoorbeeld kleding of accessoires.
De werking van de airbag kan hierdoor belemmerd worden en verwon-dingen veroorzaken als de airbag wordt geactiveerd.– Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit ge-beurt door deskundig personeel van de merkdealer.– De spleten in de rugleuningen voor (aan de kant van het portier) komen overeen met de zone waarbinnen de airbag zich kan opblazen: het is verboden hier voorwerpen te plaat-sen.Afhankelijk van de auto, herinnert een pictogram op de voorruit aan de aanwe-zigheid van de aanvullende veiligheids-voorzieningen (airbags, gordelspanners enz.) in het interieur.VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN BESCHERMING ZIJKANT
1. 33De airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden ge-dragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren. Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspanners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen activeren. – Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan airbags, gordelspanners (rekeneenheid, bedrading enz. ). Deze mogen uitsluitend door speciaal opgeleide mon-teurs van de merkdealer worden gecontroleerd en gerepareerd.
– Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan het systeem werken. – Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto. – Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze bijzonderheden door hem dit instructieboekje bij de auto te leveren. – Laat de gaspatro(o)n(en) door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt ge-sloopt. AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELENStoringenHet lampje 1 op het instrumentenpaneel gaat branden als het contact wordt aangezet en dooft na enkele secondes. Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of oplicht bij draaiende motor, geeft het een storing in het systeem (airbags, gor-delspanner, enz. ) bij de zitplaatsen voorin en/of achterin aan.
2.8VastzettenTrek naar boven en controleer of de auto stil blijft staan.Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtigingDe snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging past de mate van bekrachtiging automatisch aan de snelheid waarmee u rijdt aan.Bij het parkeren is er veel bekrachtiging (voor meer comfort) en met het toenemen van de snelheid vermindert de bekrachtiging (voor een grotere veiligheid bij snel rijden).HandremVrijzettenTrek de handgreep iets omhoog waarna u 2de knop 1 indrukt en de handgreep omlaag duwt.Zet nooit de motor af tijdens het rijden: bij uitgeschakelde motor is er geen bekrachtiging.HANDREM/STUURBEKRACHTIGING12Tijdens het rijden moet de handrem helemaal vrij gezet zijn (rood waarschuwings-lampje uit), risico van overver-hitting of beschadiging.21Bij stilstaande auto, kan het nodig zijn, afhankelijk van de helling en de belasting van de auto, de handrem minstens twee extra tanden vaster te zetten en een versnelling in te schakelen (1e of achteruitversnelling) voor de auto’s met handgeschakelde versnellingsbak of stand P voor de auto’s met automatische transmissie.
2.9BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN BENZINEMOTORParkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat zich boven brandbaar materiaal bevindt.
Onder ongunstige omstandig-heden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.Onder bepaalde omstandigheden, zoals:– te lang doorrijden als het waarschuwings-lampje brandstofreserve brandt;– het gebruik van loodhoudende benzine;– het gebruik van niet goedgekeurde toe-voegingen aan de motorolie of de brand-stof.Of bij het optreden van storingen zoals:– een defect ontstekingssysteem, brand-stofgebrek of losse bougiekabel waar-door de ontsteking overslaat en de auto met horten en stoten rijdt;– vermogensverlies van de motor,kan de katalysator oververhit raken waar-door hij minder effectief wordt en ook andere delen van de auto te heet kunnen worden.Indien u één van de hiervoor genoemde sto-ringen constateert, dient u uw auto zo spoe-dig mogelijk door een merkdealer te laten herstellen.Door de in het garantie- en onderhoudsdo-cument voorgeschreven onderhoudsbeur-ten uit te laten voeren door een merkdealer kunt u dergelijke storingen voorkomen.Bij startmoeilijkhedenAls de auto niet direct aanslaat mag u de startmotor niet lang achtereen laten draaien om beschadiging van de kata-lysator te voorkomen.
Ook mag de auto niet worden aangeduwd of aangesleept, zolang de van het defect oorzaak niet is opgespoord en verholpen.Ga niet door met starten maar roep de hulp in van een merkdealer en laat de storing ver-helpen.
2.10BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN DIESELMOTORParkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat zich boven brandbaar materiaal bevindt.
Onder ongunstige omstandig-heden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.Voorzorgen in de winterOm problemen bij vorst te voorkomen:– zorg dat de accu steeds goed geladen is;– laat het brandstofpeil in de tank niet on-nodig laag komen om condensatie van waterdamp tegen te gaan.Toerental van de dieselmotorDe inspuitpomp van de dieselmotor heeft een elektronische begrenzing die er voor zorgt dat het afgestelde motortoerental in geen van de versnellingen kan worden over-schreden.Als de controlelampjes Ä en © branden, raadpleeg dan snel een merkdea-lerAls de tank is leeg geredenWanneer de motor door brandstofgebrek stilgevallen is, en u hebt weer getankt, dan kunt u de motor normaal starten, mits na-tuurlijk de accu in goede conditie is.Als, na enkele secondes, na verschillende startpogingen, de motor niet start, raadpleeg dan de paragraaf “Brandstofreservoir” in hoofdstuk 1.
2.11TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN (1/4)Het brandstofverbruik is goedgekeurd ove-reenkomstig een voorgeschreven stan-daardmethode. Deze methode is voor alle autofabrikanten hetzelfde en maakt het mo-gelijk om auto’s met elkaar te vergelijken. Het werkelijke verbruik is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de auto, de ui-trustingen en de rijstijl.
Raadpleeg voor een optimaal brandstofverbruik onderstaande aanbevelingen.Afhankelijk van de auto beschikt u over ver-schillende functies die u kunnen helpen het brandstofverbruik te verminderen:– het ECO-gedeelte van de toerenteller;– Indicatielampje voor overschakelen naar de volgende versnelling;– de trajectbalans en tips voor zuinig rijden via het multimediadisplay;– de ECO-modus, geactiveerd met de knop ECO.Deze informatie wordt aangevuld door het navigatiesysteem, als de auto hiermee is uit-gerust.Indicatielampje voor overschakelen naar de volgende versnelling 2Afhankelijk van de auto geeft een waar-schuwingslampje op het instrumentenpa-neel het beste moment aan om naar een hogere of lagere versnelling te schakelen om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden:Š schakel een hogere versnelling in;‰ schakel naar een lagere versnelling.2Het ECO-gedeelte van de toerenteller 1Rijden in de ECO-modus zorgt voor een op-timaal brandstofverbruik.1
Deze werkt op bepaalde stroomverbruikende sys-temen in de auto (verwarming, airconditio-ning, stuurbekrachtiging, enz.) en op be-paalde rij-activiteiten (versnellen, vertragen, schakelen, gebruik van snelheidsregelaar, enz.).Activeren van de functieGebruik schakelaar .4Het controlelampje in de schakelaar licht 4op.4Tijdens het rijden kan de ECO-modus tijde-lijk worden verlaten om de motor weer op volle kracht te laten werken.Druk daartoe het gaspedaal diep in.De ECO-modus wordt weer ingeschakeld zodra u de druk op het gaspedaal vermin-dert.Uitschakelen van de functieGebruik schakelaar .4Het controlelampje in de schakelaar dooft.4TrajectbalansNadat de motor is afgezet, geeft de “Trajectbalans”-weergave op het scherm 3 informatie over uw laatste traject.Het geeft aan: – het gemiddeld verbruik;– het aantal afgelegde kilometers;– het aantal gewonnen kilometers.3Afhankelijk van de auto is de functie actief als de motor is gestart.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Renault Kangoo (2017) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Renault
Alle Renault Auto handleidingen