Peugeot Partner (2008) Handleiding

Peugeot Auto Partner (2008)

Bekijk gratis de handleiding van Peugeot Partner (2008) (148 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 84 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over Peugeot Partner (2008) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/148
5
1
IN EEN OOGOPSLAG

Beoordeel deze handleiding

4.1/5 (6 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Peugeot
Categorie: Auto
Model: Partner (2008)

Handleiding Peugeot Partner (2008) – volledige tekst

7a7b2b2a2a7a2b7b6Exterieur15109107Legenda: verwijzing rubriek: verwijzing pagina19Sleutel - AfstandsbedieningGescheiden ontgrendeling van cabine en laadruimte.Alleen vergrendeling van de laadruimte.Volledige vergrendeling van de auto.Openen motorkapTil de motorkap enigszins op terwijl u een platte hand met de handpalm naar beneden onder de motorkap brengt om bij de handgreep te komen. Steek de voet van de motorkapsteun in de opening om de motorkap open te houden.Bevestig de steun in de houder die met een sticker op de linker zijkant van de auto is aangegeven.SchuifdeurTrek de handgreep naar u toe en vervolgens naar achteren, open de deur en volg de beweging van de deur tot voorbij het zware punt.Professionele uitrusting - Accessoires

42c8a8b2e2d 92e8b2c8a42d971IN EEN OOGOPSLAGExterieur2022GirafonDeze klep is alleen mogelijk in combinatie met achterdeuren. Om de girafon te kunnen gebruiken moeten de achterdeuren gesloten zijn.Lampen vervangen11323Achterklep en achterruitAchterdeurenReservewielHet gereedschap bevindt zich onder de rechter voorstoel.Breng de reservewielhouder met het wiel omhoog en zet deze goed vast tegen de bodemplaat.Bij auto's met trekhaak is het noodzakelijk de auto op te krikken om het reservewiel uit de houder te kunnen nemen.118Asymmetrisch (2/3 - 1/3).Dankzij dit slot kan er met de grote deur gesloten en de kleine deur geopend gereden worden.Met deze hendel kan de deur onder een hoek van ongeveer 180° geopend worden.Afmetingen134Parkeerhulp89

33334111IN EEN OOGOPSLAGInterieurLichten uitParkeerlichtGrootlicht (blauw)Dimlicht (groen)Schakelaar ruitenwissers2 Hoge snelheid.1 Normale snelheid.I Interval.0 uit.â Eén keer wissen.AUTO, beweeg de hendel één maal omlaag.AUTO, automatisch inschakelen van de verlichting40Lichtschakelaar43Snelheidsregelaar, SnelheidsbegrenzerOm de snelheidsregelaar te kunnen gebruiken, moet de wagensnelheid hoger zijn dan 40 km/h en moet minimaal de vierde versnelling zijn ingeschakeld.Hill-holder45, 4839ZICHT RIJDENFunctie snelweg: beweeg de schakelaar één keer omhoog of omlaag zonder deze voorbij het zware punt te bewegen; de desbetreffende richtingaanwijzers knipperen drie keer.RD4 mp3, handsfree setDeze kan ook MP3 CD’s afspelen en kan worden gekoppeld aan een Bluetooth-telefoon met een handsfree set.74

333312InterieurIN DE CABINEMiddelste zitplaatsEen opbergruimte onder de zitting kan met een slot (niet meegeleverd) worden afgesloten.Modulaire 2+1-bank- als de zitting opgeklapt is kunnen hoge voorwerpen in de cabine vervoerd worden.59596060Passagiersstoel- als deze weggeklapt is, kunnen voorwerpen tot 3 m lengte met gesloten achterdeuren in de auto vervoerd worden,

333335131IN EEN OOGOPSLAGInterieurLAADRUIMTESjorogenZware voorwerpen moeten zo ver mogelijk naar voren, bij de cabine, worden geplaatst.Uitneembare lampDe lamp, ingebouwd in de wand, dient als bagageruimteverlichting en kan worden uitgenomen om bijvoorbeeld het verwisselen van een wiel bij te lichten.Maximale beladingDakconsole: 5 kg.Wegklapbare stoel met de leuning neergeklapt op de zitting: 50 kg.Dwarsstangen: 75 kg.Opbergsysteem interieur: 10 kg per stang.Imperiaal: 120 kg.666865Scheidingswanden 676722Uitneembare klepDeze kan worden verwijderd om lange voorwerpen te kunnen vervoeren.GirafonDe achterdeuren moeten gesloten zijn.Opbergsysteem interieur

3 355314InterieurVENTILATIEVerwarming Automatische airconditioning51 53AirconditioningKINDEREN IN DE AUTOKinderzitjes10099Uitschakelen airbagTips voor het instellen van de handbediende airconditioningVoor een optimale werking van het systeem is het raadzaam de volgende instellingen te gebruiken:Gewenste werkingLuchtverdelingTemperatuurLuchtopbrengstLuchtrecirculatieA/CWarm -KoudOntdooienOntwasemen55Bij de automatische airconditioning is het raadzaam de stand AUTO te gebruiken, ongeacht de gewenste werking.Schakel deze uit zodra de luchtkwaliteit in de auto naar wens is.

15Toegang tot de autoVOORDAT u GAAT RIJDEN2SLEUTELMet de sleutel kunnen de sloten van de auto vergrendeld en ontgrendeld worden en kan de motor worden gestart.TOEGANG TOT DE AUTOBeveiligingAFSTANDSBEDIENINGOntgrendelenOntgrendelen van de laadruimteCentrale vergrendelingDruk kort op deze knop om de gehele auto te vergrendelen.Dit wordt bevestigd door het één keer knipperen van de richtingaanwijzers.Als één van de portieren is geopend (bijv.: vervoer van lange voorwerpen) of niet goed is gesloten, werkt de centrale vergrendeling niet.SupervergrendelingDoor binnen vijf seconden na het inschakelen van de vergrendeling nogmaals op het gesloten hangslot te drukken wordt de supervergrendeling ingeschakeld.Dit wordt bevestigd door het gedurende ongeveer twee seconden branden van de richtingaanwijzers.De supervergrendeling blokkeert het van binnenuit en van buitenaf openen van de portieren.

Schakel daarom nooit de supervergrendeling in als er zich iemand in de auto bevindt.Als de bestuurder de supervergrendeling van binnenuit met de afstandsbediening inschakelt, wordt de normale vergrendeling weer ingeschakeld zodr Om alleen de laadruimte te ontgrendelen: Druk op deze knop om de laadruimte te ontgrendelen, alleen de voorportieren blijven dan vergrendeld.Druk op deze knop om de gehele auto te vergrendelen.Druk op deze knop om alle deuren achter te ontgrendelen.Druk één keer op deze knop om de gehele auto te ontgrendelen.Het ontgrendelen wordt bevestigd door het twee keer knipperen van de richtingaanwijzers.

16Toegang tot de autoGebruiksvoorschriftHoud de afstandsbediening vrij van vet, stof en vocht.Een zwaar voorwerp dat aan de sleutel hangt terwijl deze in het contactslot zit (sleutelhanger, ...), kan storingen veroorzaken.AFSTANDSBEDIENINGSynchroniseren van de afstandsbedieningNa het vervangen van de batterij of het losnemen van de accukabels kan het zijn dat de afstandsbediening gesynchroniseerd moet worden.Wacht ten minste 1 minuut voordat u de afstandsbediening gebruikt.Steek de sleutel in het contactslot met de knoppen (hangslot) van de afstandsbediening naar u toe.Zet het contact aan.Druk binnen 10 seconden op de vergrendelknop (gesloten hangslot) en houd deze ten minste 5 seconden ingedrukt.Zet het contact af.Wacht ten minste 1 minuut voordat u de afstandsbediening gebruikt.De afstandsbediening werkt nu weer.Gebruik uitsluitend batterijen van hetzelfde type als de oorspronkelijke batterijen of de door het PEUGEOT-netwerk voorgeschreven batterijen.Gooi de batterij van de afstandsbediening niet weg, de batterij bevat metalen die schadelijk zijn voor het milieu.Lever de batterij in bij het PEUGEOT-netwerk of een speciaal verzamelpunt.Uitklappen/inklappen van de sleutelBatterij vervangenBatterij: CR 1620 / 3 VAls de batterij leeg is, verschijnt een melding op het display in combinatie met een geluidssignaal.Wip dan het huis met een muntstuk bij het oog los om bij de batterij te komen.Als de afstandsbediening na het vervangen van de batterij niet werkt, moet deze opnieuw gesynchroniseerd worden.Als de batterij niet wordt vervangen door een batterij van hetzelfde type, kan de afstandsbediening defect raken.Druk op deze knop om de sleutel uit te klappen.Druk om de sleutel in te klappen op deze verchroomde knop en duw de sleutel in de houder.

17Toegang tot de autoVOORDAT u GAAT RIJDEN2Let er bij het aanschaffen van een tweedehands auto op dat:- uw sleutels door het PEUGEOT-netwerk in het elektronische geheugen worden opgeslagen, zodat u er zeker van kunt zijn dat de in uw bezit zijnde sleutels de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart.GebruiksvoorschriftBreng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering.Speel niet met de knop van de afstandsbediening, om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden.Als zich in de buurt van de afstandsbediening andere apparaten bevinden die in hetzelfde frequentiegebied werken (mobiele telefoons, alarmsystemen van gebouwen), kan de werking van de afstandsbediening tijdelijk verstoord worden.De afstandsbediening werkt niet als de sleutel zich in het contact bevindt, ook al is het contact afgezet.Haal uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, ook al is dit voor een korte tijd.ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERINGAlle sleutels zijn voorzien van een chip voor de elektronische startblokkering.Dit systeem blokkeert het brandstofsysteem van de motor en wordt automatisch ingeschakeld zodra de sleutel uit het contact wordt verwijderd.Bij het aanzetten van het contact moet de code van de sleutel worden herkend door de startblokkering.De sleutelbaard moet volledig worden uitgeklapt om een goede communicatie van de startblokkering mogelijk te maken.Bij verlies van uw sleutelsNeem het kentekenbewijs van uw auto en een geldig identiteitsbewijs mee naar een servicepunt van het PEUGEOT-netwerk.Het PEUGEOT-netwerk kan de sleutel- en transpondercode achterhalen om nieuwe sleutels te bestellen.

18Toegang tot de autoVOORPORTIERENVan binnenuitGebruik de portiergreep om het desbetreffende portier te ontgrendelen en te openen.Van buitenafGebruik de afstandsbediening om de auto te vergrendelen/ontgrendelen.Steek de sleutelbaard in het slot van het bestuurdersportier als de afstandsbediening niet werkt.

19Toegang tot de autoVOORDAT u GAAT RIJDEN2Van binnenuitOntgrendel de deur met deze handgreep en open de deur door deze naar achteren te schuiven tot het zware punt. Ga voorbij dit zware punt om de deur geopend te houden.GebruiksvoorschriftControleer of de rail op de vloer vrij is van voorwerpen die het openen of sluiten van de schuifdeur in de weg kunnen staan.Laat, als de auto op een helling staat, de deur pas los als deze geheel geopend of gesloten is. Door de hellingshoek kan de deur sneller dan normaal openen of sluiten, hetgeen verwondingen kan veroorzaken.Ga om veiligheidsredenen en om storingen te voorkomen niet rijden met geopende schuifdeuren.SCHUIFDEURVan buitenafTrek de handgreep naar u toe en vervolgens naar achteren, open de schuifdeur en beweeg de deur tot voorbij het zware punt: de deur blijft dan openstaan.

20Toegang tot de autoPraktische informatieBij het vervoer van lange voorwerpen kan met de rechter achterdeur geopend worden gereden. De linker achterdeur wordt gesloten gehouden door de duidelijk zichtbare gele vergrendeling in de deurstijl. Deze gesloten deur mag niet worden gebruikt om lading op zijn plaats te houden.Rijd alleen met een geopende deur als het niet anders kan.

Respeteer de wettelijke veiligheidsvoorschriften om medeweggebruikers op de uítstekende belading te attenderen.ACHTERDEURENVan buitenafTrek aan de hendel om de rechterdeur te openen.Sluit om de achterdeuren te sluiten eerst de rechterdeur en vervolgens de linkerdeur.Trek om de achterdeuren te openen de handgreep naar u toe.De twee achterdeuren zijn asymmetrisch (2/3 - 1/3), met de kleine deur rechts.Ze zijn voorzien van een centraal slot.Bij uitvoeringen met achterklep is de achterbumper versterkt en kan deze als opstap worden gebruikt.

21Toegang tot de autoVOORDAT u GAAT RIJDEN2Van binnenuitTrek de handgreep naar u toe om de linkerdeur te openen.Openen tot ongeveer 180°De deurvangers maken het mogelijk de achterdeuren tot een hoek van ongeveer 90° tot ongeveer 180° te openen.Trek als de deur is geopend aan de gele hendel.Bij het sluiten van de deur komt de deurvanger automatisch in zijn oorspronkelijke stand terug.

Bij het gebruik van de girafon moeten de achterdeuren zijn gesloten.SteunstangU heeft de beschikking over een steunstang voor het vervoer van lange stukken na het openen van de girafon.Klap de steunstang neer door de hendel omhoog te zetten.Breng het uiteinde van de stang naar de achterdeursponning.Houd de te vervoeren lange voorwerpen met één hand vast, til ze op en zet met de andere hand de steunstang terug.Controleer of deze goed is vergrendeld en zet de belading stevig vast.De steunen opzij kunnen worden gebruikt als bevestigingspunten.De achterbumpers zijn versterkt voor het gebruik als treeplank bij het instappen in de laadruimte.Ga nooit rijden als de steunstang niet op zijn plaats zit.De achterdeuren kunnen alleen worden vergrendeld als de steunstang is geplaatst.Let bij het rijden met geopende girafon op wegen met een beperkte doorrijhoogte.Laat geen belading tegen de achterdeuren rusten.Respecteer de wettelijke voorschriften om medeweggebruikers op de uítstekende belading te attenderen.Openen van de girafon:- trek aan de hendel,- trek de girafon omhoog,- open de girafon tot voorbij het zware punt om hem te blokkeren met de steunen.Sluiten van de girafon:- controleer of de steunstang goed is vergrendeld,- laat de girafon zakken om hem te sluiten.

23Toegang tot de autoVOORDAT u GAAT RIJDEN2ACHTERKLEP (VOLGENS UITVOERING)Van buitenafDe achterklep kan worden vergrendeld en ontgrendeld met de afstandsbediening.Druk om de achterklep te openen op de knop onder de sierlijst en trek de klep open.U kunt gebruik maken van een lus om de geopende achterklep te sluiten.Trek de achterklep omlaag tot aan het evenwichtspunt en duw de achterklep vervolgens volledig dicht.Van binnenuitNoodbedieningHiermee kan bij een eventuele storing in de centrale vergrendeling de achterklep van binnenuit ontgrendeld worden.Steek een kleine schroevendraaier in de opening tussen de achterklep en de vloer.

Verplaats de nok naar links om het slot te ontgrendelen en duw de klep vervolgens open.Ruit van de achterklepDe ruit van de achterklep kunt u openen, zodat u het achtercompartiment rechtstreeks kunt bereiken zonder dat u de klep hoeft te openen.OpenenDruk nadat u de auto met de afstandsbediening of de sleutel hebt ontgrendeld op de knop en til de achterruit op om hem te openen.SluitenSluit de achterruit door op het midden van de ruit te drukken totdat deze volledig gesloten is.De achterklep en de ruit van de klep kunnen niet gelijktijdig worden geopend. De ruit zou anders beschadigd kunnen raken.

24Toegang tot de autoHet lampje in de schakelaar:- knippert als de portieren worden vergrendeld terwijl de auto stilstaat en het contact uit staat.- brandt als de portieren worden vergrendeld en vanaf het moment dat het contact aan staat.CENTRALE VERGRENDELINGCabine en laadruimteLaadruimteVergrendelen tijdens het rijdenHet systeem vergrendelt de achterdeuren zodra een snelheid van 10 km/h wordt bereikt. Op dat moment klinkt het geluidssignaal voor de centrale vergrendeling.

Het lampje in de schakelaar op het centrale bedieningspaneel op het dashboard gaat branden.Als tijdens het rijden één van de achterdeuren wordt geopend wordt de auto volledig ontgrendeld.Bij een ernstige aanrijding worden alle opengaande delen eveneens ontgrendeld, om de auto toegankelijk te maken voor eventuele hulpverlenende instanties.Anti-overvalsysteemDoor eenmaal te drukken worden de portieren en achterdeuren centraal vergrendeld, op voorwaarde dat deze gesloten zijn.Door nogmaals te drukken wordt de auto weer ontgrendeld.De schakelaar werkt niet als de auto is vergrendeld met de afstandsbediening of van buitenaf met de sleutel.Inschakeling/uitschakeling van het systeemAls het contact aan staat, kan het systeem worden in- of uitgeschakeld door éénmaal lang op de knop te drukken.Verklikkerlampje geopend portierAls het verklikkerlampje gaat branden, controleer dan of de portieren en achterdeuren goed gesloten zijn.Door eenmaal te drukken worden de achterdeuren van de laadruimte centraal vergrendeld/ontgrendeld, onafhankelijk van de status van de vergrendeling van de cabine.De achterdeuren kunnen altijd van binnenuit geopend worden.

26CockpitMiddenconsole met displayInstrumentenpaneel zonder display- rechtsom draaien: uren verhogen (houd de knop naar rechts om de tijd in een sneller tempo in te stellen),- linksom draaien: tijdsaanduiding in 24H of 12H,- rechtsom draaien: 24H of 12H selecteren,- linksom draaien: ingestelde tijd bevestigen.Als er ongeveer 30 seconden geen handelingen worden uitgevoerd, verschijnt de huidige weergave.TIJD INSTELLENRaadpleeg om de op het display weergegeven tijd en datum in te stellen in de rubriek 4 het gedeelte "Datum en tijd instellen".Middenconsole zonder displayMet de knop aan de linkerzijde kan het klokje worden ingesteld door de handelingen in onderstaande volgorde uit te voeren:- linksom draaien: de minuten knipperen,- rechtsom draaien: minuten verhogen (houd de knop naar rechts om de tijd in een sneller tempo in te stellen),- linksom draaien: de uren knipperen,De tijdweergave is afhankelijk van de uitvoering.

27VOORDAT u GAAT RIJDEN2 272CockpitVERKLIKKERLAMPJESBij elke start gaat een aantal verklikkerlampjes branden ter controle. Deze lampjes gaan meteen weer uit. Als een verklikkerlampje bij draaiende motor blijft branden of gaat knipperen, wordt het een waarschuwing. Dit kan gebeuren in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display.Negeer deze waarschuwingen niet.Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actieSTOPbrandt, in combinatie met een ander verklikkerlampje en een melding op het scherm.ernstige storingen met betrekking tot de functies "Remvloeistofniveau", "Motoroliedruk en -temperatuur", "Koelvloeistoftemperatuur", "Elektronische remdrukregelaar", "Stuurbekrachtiging".Stop onmiddellijk en zet het contact af. Laat uw auto controleren door het PEUGEOT-netwerk.Handrem / Remvloeistofniveau / REFbrandt. handrem aangetrokken of niet goed losgezet.

Zet de handrem los, het verklikkerlampje zal uitgaan.brandt. een te laag vloeistofniveau. Vul de door PEUGEOT voorgeschreven remvloeistof bij.blijft branden, ondanks correct niveau, in combinatie met het verklikkerlampje ABS.een storing in de elektronische remdrukregelaar (REF).Stop onmiddellijk en zet het contact af. Laat uw auto controleren door het PEUGEOT-netwerk.Motoroliedruk en motorolietemperatuurgaat branden tijdens het rijden.onvoldoende druk of te hoge temperatuur.Zet de auto stil, zet het contact af en laat de motorolie afkoelen. Controleer het motorolieniveau met de peilstok. Zie in rubriek 7 het gedeelte "Niveaus".blijft branden, ondanks correct niveau.een ernstige storing.Laat uw auto controleren door het PEUGEOT-netwerk.

28CockpitVerklikkerlampje status signaleert Oplossing - actieKoelvloeistoftemperatuur en -niveaubrandt en wijzer in het rode gebied.een abnormale verhoging van de temperatuur.Zet de auto stil, zet het contact af en laat de koelvloeistof afkoelen. Controleer visueel het niveau.knippert. een te laag koelvloeistofniveau.Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Niveaus". Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.Serviceblijft kort branden.kleine storingen of waarschuwingen. Raadpleeg het "Logboek meldingen" op het display. Zie in rubriek 4 het gedeelte "Autoradio - Boordcomputer" (volgens uitvoering). Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.blijft branden.

ernstige storingen.Veiligheidsgordel niet vastgemaaktbrandt en gaat vervolgens knipperen.de bestuurder heeft zijn veiligheidsgordel niet vastgemaakt.Doe de gordel om en steek de gesp in de gordelsluiting.knippert in combinatie met een geluidssignaal en blijft vervolgens branden.de bestuurder rijdt terwijl de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt.Trek aan de gordel om de vergrendeling van de gesp te controleren. Zie in rubriek 5 het gedeelte "Veiligheidsgordels".

ABS30CockpitVerklikkerlampje status signaleert Oplossing - actieStuurbekrachtigingbrandt. een storing in het systeem.De conventionele werking van de stuurinrichting, zonder bekrachtiging, blijft behouden. Laat uw auto controleren door het PEUGEOT-netwerk.Geopend portierbrandt in combinatie met melding op het display.een niet goed gesloten portier.Controleer of alle portieren goed zijn gesloten.ABS blijft branden. een storing in het antiblokkeersysteem.De conventionele werking van het remsysteem, zonder bekrachtiging, blijft behoudenRaadpleeg het PEUGEOT-netwerk.ESPknippert. een ingreep van de ASR of het ESP.Dit systeem verdeelt de aandrijfkracht optimaal over de wielen en verbetert zo de koersvastheid van de auto. Zie in de rubriek 5 het gedeelte "Veilig rijden".blijft branden.een storing in het systeem. Bijv.: een te lage bandenspanning.Controleer de bandenspanning.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. (Wielsensor, hydraulisch regelorgaan, ...).blijft branden in combinatie met het verklikkerlampje van de knop (op het dashboard).dat het systeem is uitgeschakeld op verzoek van de bestuurder.Het systeem is uitgeschakeld en wordt automatisch weer ingeschakeld zodra de snelheid boven de 50 km/h komt of na het indrukken van de knop (op het dashboard).

33VOORDAT u GAAT RIJDEN2 332CockpitBRANDSTOFNIVEAUMETERKOELVLOEISTOFTEMPERATUURDe wijzer van de koelvloeistoftemperatuurmeter bevindt zich tussen blauw en rood: de temperatuur is in orde.Onder zware gebruiksomstandigheden of bij warm weer kan de wijzer in de buurt van het rode gebied komen.Als de wijzer in het rode gebied komt:Ga langzamer rijden of laat de motor stationair draaien.Als het lampje gaat branden:- stop onmiddellijk en zet het contact af. De motorventilateur kan nog ongeveer 10 minuten blijven werken.- wacht tot de motor is afgekoeld om het koelvloeistofniveau te controleren en eventueel koelvloeistof bij te vullen. Het koelcircuit staat onder druk.

Neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht om brandwonden te voorkomen:- laat de motor nadat deze is afgezet minimaal een uur afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert,- draai de dop eerst een kwart omwenteling los om de druk te laten dalen,- controleer, als de druk eenmaal is gedaald, het niveau in het expansievat,- verwijder indien nodig de dop om koelvloeistof bij te vullen.Laat uw auto controleren door het PEUGEOT-netwerk als de wijzer in het rode gebied blijft staan.Raadpleeg in de rubriek 7 het gedeelte "Niveaus".Raadpleeg in de rubriek 7 het gedeelte "Brandstof".Het brandstofniveau wordt aangegeven zodra het contact wordt aangezet.De wijzer staat op:- de brandstoftank is volledig 1:gevuld (ongeveer 60 liter).- de brandstoftank is bijna leeg, 0:het verklikkerlampje blijft branden.

34CockpitLekke bandSensor(en) niet gedetecteerdHet detectiesysteem voor te lage bandenspanning is een hulpmiddel voor de bestuurder die desondanks waakzaam moet blijven en verantwoordelijk is.

35VOORDAT u GAAT RIJDEN2 352CockpitONDERHOUDSINDICATORDe onderhoudsindicator informeert de bestuurder over de afstand tot de volgende onderhoudscontrole, afhankelijk van het gebruik van de auto. De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is meer dan 1000 kmVoorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole bedraagt 4800 km. Als het contact wordt aangezet geeft het display gedurende enkele seconden het volgende aan:Enkele seconden na het aanzetten van het contact geeft de teller eerst het oliepeil en vervolgens weer de normale kilometerstand en de stand van de dagteller aan.

De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is minder dan 1000 kmElke keer dat het contact wordt aangezet knippert de sleutel en de resterende kilometers worden aangegeven:Enkele seconden na het aanzetten van het contact, wordt het oliepeil aangegeven, geeft de teller vervolgens weer de normale kilometerstand en de stand van de dagteller aan en blijft de sleutel branden. Dit om aan te geven dat er binnenkort onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden. De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is overschredenWat het eerst bereikt is: de sleutel gaat ook branden als de maximale interval van 2 jaar is verstreken. WerkingAls het contact wordt aangezet, gaat gedurende enkele seconden het sleutelsymbool branden. De kilometerteller geeft de resterende kilometers (afgerond) tot de eerstvolgende onderhoudscontrole aan.

Het onderhoudsinterval wordt berekend vanaf de laatste nulstelling van de onderhoudsindicator op basis van twee parameters:- het aantal afgelegde kilometers,- de verstreken tijd sinds de laatste onderhoudscontrole. Afhankelijk van de gebruiksgewoonten van de bestuurder kan de factor tijd worden meegewogen bij de nog af te leggen kilometers. Bij draaiende motor blijft de sleutel branden totdat de onderhoudscontrole is uitgevoerd.

36CockpitNulstelling dagtellerAls u na deze handeling de accu wilt loskoppelen, vergrendel dan de auto en wacht minimaal vijf minuten. Het resetten van de onderhoudsindicator zal anders niet worden opgeslagen. Op 0 zettenHet PEUGEOT-netwerk zet de onderhoudsindicator na elke onderhoudscontrole weer op 0. Als u zelf de onderhoudscontrole van uw auto heeft uitgevoerd, kan de onderhoudsindicator op de volgende wijze op 0 gezet worden:- zet het contact af,- druk op de resetknop van de dagteller en houd deze ingedrukt,- zet het contact aan. De kilometerteller begint terug te tellen. Laat de knop los als de onderhoudsindicator aangeeft; de "=0"sleutel verdwijnt. MotorolieniveaumeterBij het aanzetten van het contact wordt eerst de onderhoudsindicator weergegeven en vervolgens gedurende enkele seconden het motorolieniveau.

Olieniveau correctTe weinig olieAls de aanduiding "OIL" knippert in combinatie met het verklikkerlampje service, een geluidssignaal en een melding op het display, is het motorolieniveau te laag, waardoor ernstige motorschade kan ontstaan. Controleer het olieniveau met de peilstok. Als blijkt dat het olieniveau te laag is, moet olie worden bijgevuld. Storing motorolieniveaumeterAls de aanduiding "OIL--" knippert, duidt dit op een storing in de motorolieniveaumeter. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. Een controle van het olieniveau is alleen betrouwbaar als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor minstens 15 minuten niet heeft gedraaid. OliepeilstokA = maxi, het oliepeil mag nooit boven dit niveau uitkomen. Een te hoog oliepeil kan schade aan de motor veroorzaken. Raadpleeg in dat geval zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk.

B = mini, als het oliepeil niet boven dit niveau uitkomt, moet het voor de motor van uw auto voorgeschreven type motorolie worden bijgevuld via de vuldop. Druk, tijdens het branden van de verlichting, op de knop om de sterkte van de dashboardverlichting te veranderen.

37VOORDAT u GAAT RIJDEN2 372VERSNELLINGSBAKVijfversnellingsbak - achteruitTrap om soepel te kunnen schakelen het koppelingspedaal altijd volledig in.Om te voorkomen dat de werking van het pedaal wordt gehinderd:- controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en goed op de vloer bevestigd is,- leg nooit meerdere matten boven op elkaar.Laat tijdens het rijden uw hand niet op de versnellingspook rusten. Zelfs een lichte belasting op de pook kan na verloop van tijd slijtage aan de onderdelen in de versnellingsbak veroorzaken.Wacht, voordat u de achteruitversnelling inschakelt, tot de auto volledig stilstaat.

38Starten en stoppenGebruiksvoorschrift: stoppenGebruiksvoorschrift: startenVerklikkerlampje voorgloeien dieselmotor Als de motor voldoende op temperatuur is, gaat het lampje na minder dan 1 seconde uit en kunt u de motor direct starten.Wacht bij koud weer tot dit lampje uitgaat en zet vervolgens de startmotor in werking (stand "Starten") tot de motor aanslaat.Verklikkerlampje geopend portierControleer als dit lampje brandt of de portieren, achterdeuren, schuifdeuren en de motorkap goed zijn gesloten!Ontzien van de motor en de versnellingsbakLaat de motor voordat u het contact afzet enkele seconden draaien om het toerental van de turbocompressor (dieselmotor) te laten dalen.Geef geen gas bij het afzetten van het contact.Het inschakelen van alleen een versnelling bij het parkeren van de auto is niet afdoende.STARTEN EN STOPPENStand "AAN" en "Accessoires".Verdraai terwijl u de contactsleutel omdraait het stuurwiel iets (zonder te forceren) om het stuurslot te ontgrendelen.

In deze stand kunnen verschillende accessoires functioneren.Stand "Starten".De startmotor wordt in werking gezet. Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen.Stand STOP: stuurslot.Het contact is afgezet. Draai het stuurwiel tot het stuurslot wordt vergrendeld. Haal de sleutel uit het contact.

39VOORDAT u GAAT RIJDEN2 392Starten en stoppenHILL HOLDERWerkingAls u het rempedaal en het koppelingspedaal hebt ingetrapt, hebt u zodra u het rempedaal loslaat ongeveer 2 seconden de tijd om, zonder dat de auto de helling af begint te rollen, gas te geven en weg te rijden.Bij het wegrijden wordt de functie automatisch gedeactiveerd door de remdruk geleidelijk te laten afnemen. Gedurende deze fase is het mogelijk dat de remmen hoorbaar zijn, het teken dat de auto in beweging komt.StoringDe Hill Holder wordt gedeactiveerd onder de volgende omstandigheden:- als u het koppelingspedaal laat opkomen,- als de handrem wordt aangetrokken,- als de motor wordt afgezet,- als de motor afslaat.In het geval van een storing in het systeem gaat dit verklikkerlampje branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding ter bevestiging op het display.

Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om het systeem te laten nakijken.Deze aan het ESP gekoppelde functie vereenvoudigt het wegrijden op een helling en wordt geactiveerd onder de volgende omstandigheden:- de auto moet stilstaan met draaiende motor en het rempedaal ingetrapt,- de helling moet steiler zijn dan 5%,- bij het omhoog rijden op een helling moet de versnellingsbak in de neutraalstand staan of moet een versnelling zijn ingeschakeld, maar niet de achteruitversnelling,- bij het afdalen van een helling moet de achteruitversnelling zijn ingeschakeld.

40StuurkolomschakelaarsRICHTINGAANWIJZERS (knippert groen)Functie "snelweg"Duw de schakelaar één keer omhoog of omlaag om de richtingaanwijzer aan de desbetreffende zijde driemaal te laten knipperen.LICHTSCHAKELAARLinks: omlaag duwen tot voorbij het zware punt.Rechts: omhoog duwen tot voorbij het zware punt.Verlichting vóór en achterDraai de ring om de verlichting in te Aschakelen.Lichten uitAutomatische verlichtingParkeerlichtenDimlicht (groen)Grootlicht (blauw)Overschakelen van dim- naar grootlichtTrek de hendel helemaal naar u toe.Vergeten verlichtingAls het contact is afgezet en er wordt een voorportier geopend, klinkt een geluidssignaal.Zie in rubriek 2 het gedeelte "Cockpit" voor meer informatie over de verklikkerlampjes.

40StuurkolomschakelaarsRICHTINGAANWIJZERS (knippert groen)Functie "snelweg"Duw de schakelaar één keer omhoog of omlaag om de richtingaanwijzer aan de desbetreffende zijde driemaal te laten knipperen.LICHTSCHAKELAARLinks: omlaag duwen tot voorbij het zware punt.Rechts: omhoog duwen tot voorbij het zware punt.Verlichting vóór en achterDraai de ring om de verlichting in te Aschakelen.Lichten uitAutomatische verlichtingParkeerlichtenDimlicht (groen)Grootlicht (blauw)Overschakelen van dim- naar grootlichtTrek de hendel helemaal naar u toe.Vergeten verlichtingAls het contact is afgezet en er wordt een voorportier geopend, klinkt een geluidssignaal.Zie in rubriek 2 het gedeelte "Cockpit" voor meer informatie over de verklikkerlampjes.

41StuurkolomschakelaarsERGONOMIE en COMFORT3Verlichting overdag (volgens land van bestemming)Bij uitvoeringen met verlichting overdag wordt het dimlicht ingeschakeld als de auto wordt gestart. Mistachterlichten (amberkleurig, draai de ring 2 standen naar voren). Mistlampen vóór (groen, draai de ring 1 stand naar voren). Mistlampen vóór/mistachterlichtDeze worden ingeschakeld door de ring naar voren te draaien en Buitgeschakeld door de ring naar achteren te draaien. Het branden van de mistlampen wordt aangegeven door een verklikkerlampje op het instrumentenpaneel. Deze branden in combinatie met parkeer- en dimlicht. Vergeet niet de mistlampen uit te zetten zodra het niet meer nodig is. De automatische verlichting schakelt het mistachterlicht uit, maar de mistlampen vóór blijven branden. Dit verklikkerlampje gaat branden op het instrumentenpaneel.

De verlichting van de cockpit (instrumentenpaneel, display, bedieningspaneel airconditioning,. ) gaat niet branden, behalve wanneer de automatische stand van de verlichting wordt ingeschakeld of wanneer de verlichting handmatig wordt ingeschakeld. Draai de ring twee standen naar achteren om achtereenvolgens het mistachterlicht en de mistlampen vóór te doven. Bij helder of regenachtig weer, zowel overdag als 's nachts, is het mistachterlicht verblindend voor medeweggebruikers en daarom niet toegestaan. Automatisch inschakelen van de verlichtingBij mist of sneeuwval kan de lichtsensor voldoende licht waarnemen en zullen de lichten niet automatisch worden ingeschakeld. Dek de lichtsensor, die zich achter de binnenspiegel op de voorruit bevindt, niet af. Deze sensor dient voor de regeling van de automatische verlichting en ruitenwissers. InschakelenDraai de ring in de stand.

Bij het AUTOinschakelen van de functie verschijnt een melding op het display. UitschakelenDraai de ring naar voren of naar achteren. Bij het uitschakelen van de functie verschijnt een melding op het display.

De functie wordt tijdelijk uitgeschakeld als de verlichting met de lichtschakelaar wordt bediend. Het parkeerlicht en het dimlicht worden automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving onvoldoende is en als de ruitenwissers wissen. De verlichting wordt uitgeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is of het wissen is gestopt. Deze functie is niet mogelijk in combinatie met verlichting overdag.

43StuurkolomschakelaarsERGONOMIE en COMFORT32 Hoge snelheid (hevige neerslag).1 Normale snelheid (matige regenval).I Interval.0 Uit.âEén keer wissen (omlaag duwen).In de ntervalstand wordt de snelheid Ivan de wissers aangepast aan de rijsnelheid.RUITENWISSERSCHAKELAARHandbediende ruitenwissers vóór Als het contact langer dan één minuut is afgezet terwijl de schakelaar in de stand 2 1 I, of stond, dient de schakelaar weer geactiveerd te worden:- zet de schakelaar in een willekeurige stand,- zet de schakelaar vervolgens in de gewenste stand.Dek de regensensor, die zich achter de binnenspiegel op de voorruit bevindt, niet af.InschakelenDuw de hendel omlaag. Bij het inschakelen van de automatische ruitenwissers verschijnt een melding op het display.Deactiveren/UitschakelenZet de schakelaar in de stand , of I 12.

Als de functie wordt uitgeschakeld, verschijnt er een melding op het display.In het geval van een storing in de werking van de automatische ruitenwissers werken de ruitenwissers in de intervalstand.Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om het systeem te laten controleren.De ruitenwissers werken automatisch in de stand AUTO, waarbij de snelheid van de wissers aan de hoeveelheid neerslag wordt aangepast.De werking van de ruitenwissers in andere standen dan de stand AUTO komt overeen met die van de handbediende ruitenwissers.Als het contact meer dan 1 minuut afgezet is geweest, moet de automatische werking van de ruitenwissers opnieuw worden geactiveerd door de schakelaar één keer omlaag te bewegen.Zet het contact uit als de auto gewassen wordt in een wasstraat, om te voorkomen dat de automatische ruitenwissers worden ingeschakeld.Wacht 's winters met het inschakelen van het automatisch wissen tot de voorruit ontdooid is.Automatische ruitenwissers

44StuurkolomschakelaarsRuiten- en koplampsproeiersTrek de hendel naar u toe. De ruitensproeiers treden in werking, waarna enige tijd de ruitenwissers worden ingeschakeld om de ruit schoon te wissen.De koplampsproeiers treden gelijktijdig met de ruitensproeiers in werking als de dimlichten zijn ingeschakeld. Draai de ring voorbij de eerste stand, zodat de ruitensproeier in werking treedt en vervolgens de ruitenwisser enige tijd wordt ingeschakeld.Wacht 's winters, als de ruit met sneeuw of ijs bedekt is, met het inschakelen van de ruitenwisser achter. Zet eerst de achterruitverwarming aan, wacht tot de sneeuw of het ijs begint te smelten en veeg de ruitenwisser achter schoon.

Zet dan pas de ruitenwisser achter aan.Raadpleeg voor het bijvullen van het reservoir in de rubriek 7 het gedeelte "Niveaus".Onderhoudsstand ruitenwissers vóórAls de ruitenwisserschakelaar binnen één minuut nadat het contact is afgezet wordt bediend, bewegen de ruitenwissers naar de voorruitstijlen. Deze stand moet worden gebruikt voor 's winters parkeren en het vervangen of reinigen van de ruitenwisserbladen.Zie in de rubriek 8 het gedeelte "Ruitenwisserbladen vervangen". Zet het contact aan en bedien de ruitenwisserschakelaar om de ruitenwissers na de werkzaamheden weer in de ruststand te zetten.Draai de ring tot de eerste stand.Ruitensproeier achterRuitenwisser achter

45StuurkolomschakelaarsERGONOMIE en COMFORT3SNELHEIDSREGELAAR "CRUISE"Deze voorziening werkt alleen bij snelheden boven 40 km/h vanaf de 4e versnelling.Op het controledisplay wordt aangegeven of de functie is geselecteerd en wordt de ingestelde snelheid weergegeven: Functie geselecteerd, weergave van het symbool "Snelheidsregelaar".Functie uitgeschakeld, OFF (bijvoorbeeld bij 107 km/h).Functie ingeschakeld, (bijvoorbeeld bij 107 km/h).Wagensnelheid hoger dan ingestelde snelheid (118 km/h), de weergegeven ingestelde snelheid knippert.Storing in de werking van het systeem, OFF - de streepjes knipperen.Voor het instellen van de gewenste wagensnelheid.Met dit systeem kan de bestuurder, bij normaal doorstromend verkeer met een constante zelf ingestelde snelheid rijden, behalve op steile hellingen.

46StuurkolomschakelaarsSelecteren van de functie- Zet de draaiknop in de stand CRUISE. De snelheidsregelaar is geselecteerd, maar nog niet geactiveerd en er is nog geen snelheid ingesteld.Eerste keer activeren/instellen van een snelheid- Breng uw auto met het gaspedaal op de gewenste snelheid.- Druk op de toets SET- SET+ of .De snelheid is nu in het geheugen opgeslagen/geactiveerd en deze snelheid wordt door de auto gehandhaafd.Tijdelijk overschrijden van de ingestelde snelheidHet is mogelijk gas te geven en tijdelijk met een hogere snelheid dan de ingestelde snelheid te rijden.

De ingestelde snelheid zal dan knipperen.Als het gaspedaal wordt losgelaten, wordt de ingestelde snelheid weer aangenomen.Uitschakelen (OFF)- Druk op deze toets of trap op het rem- of koppelingspedaal.Opnieuw activeren- Druk na het onderbreken van de snelheidsregelaar op deze toets.De auto neemt de laatst ingestelde snelheid weer aan. U kunt ook de procedure "eerste keer activeren" herhalen.

47StuurkolomschakelaarsERGONOMIE en COMFORT3Ingestelde snelheid wijzigen De ingestelde snelheid kunt u op twee manieren verhogen:Uitschakelen van de functieStoringDe ingestelde snelheid wordt gewist en in plaats daarvan verschijnen drie streepjes op het display. Raadpleeg het PEUGEOT -netwerk om het systeem te laten controleren.Ingestelde snelheid annulerenAls bij stilstaande auto het contact wordt afgezet, wordt de ingestelde snelheid uit het geheugen gewist.Zonder het gaspedaal:- druk op de toets .Set +Druk de toets kort in om de snelheid met 1 km/h te verhogen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verhogen.Met het gaspedaal- trap het gaspedaal in tot de gewenste snelheid is bereikt,- druk op de toets of .Set + Set -Verlagen van de ingestelde snelheid:- druk op de toets .Set -Druk de toets kort in om de snelheid met 1 km/h te verlagen.

Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verlagen.- Draai de knop in de stand of 0zet het contact af om het systeem volledig uit te schakelen.GebruiksvoorschriftLet bij het wijzigen van de ingestelde snelheid door het ingedrukt houden van de toets goed op omdat de snelheid zeer snel kan worden verhoogd of verlaagd.Gebruik de snelheidsregelaar niet op gladde wegen of bij zeer druk verkeer.Bij een steile afdaling kan de snelheidsregelaar niet voorkomen dat de ingestelde snelheid wordt overschreden.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Peugeot Partner (2008) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden