Peugeot Partner (2002) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Peugeot Partner (2002) (127 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 35 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Peugeot Partner (2002) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Peugeot |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Partner (2002) |
Handleiding Peugeot Partner (2002) – volledige tekst
Dit wordt beves-tigd door het snel knipperen vande richtingaanwijzers.Lokaliseren van de autoAls de auto is vergrendeld, kandeze op een parkeerplaats wor-den gelokaliseerd:☞druk op de knop en gedu-A rende enkele seconden gaande plafonniers branden en derichtingaanwijzers knipperen.STARTENSTOP (S):Het contact is afgezet.Stand accessoires (A): Hetcontact is afgezet, maar deaccessoires functioneren wel.Stand aan (M):Het contact staat aan.Stand starten (D):De startmotor wordt in werkinggezet.62UW PARTNER IN EEN OOGOPSLAG
7UW PARTNER IN EEN OOGOPSLAGAIRBAGSDe airbags zijn speciaal ontwor-pen voor een betere veiligheidvan de inzittenden bij ernstigeaanrijdingen: ze vormen eenaanvulling op de werking van deveiligheidsgordels met pyrotech-nische gordelspanners.Airbags voorDeze zijn voor de bestuurder inhet midden van het stuurwiel envoor de passagier in het dash-board aangebracht.
Ze wordentegelijkertijd geactiveerd, behalveals de airbag aan passagierszijdeis uitgeschakeld.Voorzorgsmaatregelen metbetrekking tot de airbag aanpassagierszijde➜Schakel de airbag uit als u eenkinderzitje met de rug in de rij-richting op de voorstoelplaatst.➜Schakel de airbag in als er eenpassagier op de voorstoel zit.Uitschakelen airbag aanpassagierszijde*➜Steek, als het contact isafgezet, de sleutel in deschakelaar 1 en draai deze inde stand "OFF".Zet, zodra u het kinderzitje verwij-dert, de schakelaar in de stand"ON" om de airbag weer in teschakelen.Controle van werkingAls de airbag aan passa-gierszijde is uitgeschakeld(schakelaar in de stand"OFF"), zal bij het aanzet-ten van het contact (2estand vande sleutel) het verklikkerlampjegaan branden.Het verklikkerlampje blijft bran-den zolang de airbag aan passa-gierszijde is uitgeschakeld.Zijairbags*De zijairbags zijn geïntegreerd inde rugleuning van de voorstoelenaan de zijde van de portieren.Ze worden aan de zijde waar deaanrijding plaatsvindt opgeblazen.*Volgens land van bestemming.87 8823-12-2002
99STUURWIEL IN HOOGTEVERSTELLEN➜Druk, bij stilstaande auto, dehendel Anaar voren om hetstuurwiel te ontgrendelen.➜Verstel het stuurwiel in hoogte.➜Vergrendel het stuurwiel doorde hendel volledig naar uAtoe te trekken.SNELHEIDSREGELAARMet behulp van de snelheidsre-gelaar kan de bestuurder meteen constante snelheid rijdenzonder gas te hoeven geven of teremmen ongeacht het profiel vande weg.Deze voorziening werkt alleen bijsnelheden boven ongeveer40 km/h in de 4eof 5eversnelling.Inschakelen➜Draai de knop in de stand1 ON.U kunt nu een snelheid instellen.➜Draai de knop in de stand1 OFF om het systeem uit teschakelen.Instellen van de snelheidDruk op de schakelaar 2 of 3zodra de gewenste snelheid isbereikt.
De snelheid is nu in hetgeheugen opgeslagen en zalautomatisch worden aangehouden.Ingestelde snelheid uitschakelenAls u het rijden met de ingesteldesnelheid wilt onderbreken:➜Druk op de toets 4 of trap hetrem- of koppelingspedaal in.Ingestelde snelheid opnieuwoproepenDruk, na het uitschakelen van deingestelde snelheid, op de toets4. De auto neemt de laatst inge-stelde snelheid weer aan.Ingestelde snelheid annuleren➜Draai de knop 1 in destand OFF of zet hetcontact uit.8677UW PARTNER IN EEN OOGOPSLAG23-12-2002
23-12-2002UW PARTNER IN EEN OOGOPSLAGINDELING VOORIN1. KAARTENVAKKEN IN DE PORTIERENA. Flessenhouder.B. Bekerhouder.C. Kaartenvak.2. OPBERGVAK BOVEN VOORRUIT MET KAARTLEESLAMPJE3. PLAFONNIER4. ZONNEKLEP5. DASHBOARDKASTJETrek aan de handgreep om het dashboardkastje te openen.6. AANSTEKER7. UITNEEMBARE ASBAKTrek aan de handgreep om de asbak te openen.Trek de de asbak eerst omhoog om deze te kunnen verwijderen.8. 12 V-aansluitingDe 12 V-aansluiting bevindt zich aan de onderzijde van de middenconsole en kan worden gebruikt voorbijvoorbeeld het opladen van een telefoon of een flessenwarmer.9. OPBERGLADETrek de handgreep omhoog en de lade naar voren om deze te openen.7913
14UW PARTNER IN EEN OOGOPSLAG14MOTORKAP OPENENBinnenzijde: Trek aan de knoplinks onder het dashboard.Buitenzijde: Druk de vei-ligheidshaak omhoog, tilde motorkap op en zet demotorkapsteun vast om demotorkap open te houden.BRANDSTOF TANKENHet tanken dient met te gebeuren.afgezette motor ➜Steek de sleutel in het slot en draai deze linksom.➜Trek de tankdop uit de vulopening.De voorgeschreven soort brandstof staat aangegeven.Laat het vulpistool bij het aftanken van de auto nooit meer dan 3 keerautomatisch uitspringen.
23-12-2002PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLESDoor de lange intervallen hoeft u de werkplaats minder vaak te bezoeken.• Voor modellen met benzinemotor: elke 30.000 km of elke twee jaar.• Voor modellen met direct ingespoten dieselmotor: elke 20.000 km of elke twee jaar.• Voor modellen met indirect ingespoten dieselmotor: elke 15.000 km of elke twee jaar.Door de lange intervallen tussen de onderhoudscontroles is het noodzakelijk het motoroliepeil regelmatig tecontroleren: het is normaal dat er tussen twee verversingen motorolie bijgevuld moet worden.Daarom nodigt PEUGEOT u uit voor een tussentijdse controle tussen twee onderhoudscontroles.Deze tussentijdse controle wordt niet aangegeven door de onderhoudsintervalindicator.
De controle moet elke15.000 km plaatsvinden voor benzinemotoren, elke 10.000 km voor dieselmotoren met directe inspuiting en elke7.500 km voor dieselmotoren met indirecte inspuiting.Een PEUGEOT-monteur voert een kortdurende controle uit. Bovendien worden vloeistoffen indien nodig bijgevuld(olie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof tot 2 liter).Een te laag oliepeil kan ernstige schade aan de motor veroorzaken: controleer daarom het motoroliepeil ten minsteelke 3.000 of 5.000 km, afhankelijk van de gebruiksomstandigheden.Deze lange intervallen zijn mogelijk geworden door de doorontwikkeling van onze auto's en van de smeermiddelen: DAAROM IS HET VERPLICHT UITSLUITEND MOTOROLIËN TE GEBRUIKEN DIE GEHOMOLOGEERD ZIJN ENAANBEVOLEN WORDEN DOOR DE CONSTRUCTEUR.PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLES18
23-12-2002PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLES19BIJZONDERHEDENBepaalde belangrijke onderdelen van uw auto vragen speciale aandacht. De airbags en de gecontroleerd te worden. pyrotechnische gordelspanners dienen elke 10 jaar De remvloeistof dient elke 60.000 km of elke 2 jaar vervangen te worden. Het pollenfilter dient bij elk bezoek aan het PEUGEOT-servicepunt (tussentijdse controles en onderhoudscontroles)gecontroleerd te worden.De distributieriem: raadpleeg uw PEUGEOT-servicepunt.Bijzondere gebruiksomstandighedenBij gebruik onder bepaalde, bijzonder zware omstandigheden:• Overwegend huis-aan-huisbestellingen.• Overwegend stadsverkeer (b.v.
taxi).• Korte ritten bij lage temperatuur.Of bij langdurig gebruik onder de volgende omstandigheden:• In warme streken met temperaturen regelmatig hoger dan +30 °C.• In koude streken met temperaturen regelmatig lager dan –15 °C.• In stoffige gebieden.• In landen waar smeermiddelen of brandstoffen niet overeenkomen met onze aanbevelingen.Onder dergelijke omstandigheden is het noodzakelijk om het onderhoudsschema voor "Bijzondere omstandigheden"te volgen en de intervallen te verkorten:• Elke 20.000 km of elk jaar voor benzinemotoren.• Elke 15.000 km of elk jaar voor dieselmotoren met directe inspuiting.• Elke 10.000 km of elk jaar voor dieselmotoren met indirecte inspuiting.
23-12-2002PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLES19BIJZONDERHEDENBepaalde belangrijke onderdelen van uw auto vragen speciale aandacht. De airbags en de gecontroleerd te worden. pyrotechnische gordelspanners dienen elke 10 jaar De remvloeistof dient elke 60.000 km of elke 2 jaar vervangen te worden. Het pollenfilter dient bij elk bezoek aan het PEUGEOT-servicepunt (tussentijdse controles en onderhoudscontroles)gecontroleerd te worden.De distributieriem: raadpleeg uw PEUGEOT-servicepunt.Bijzondere gebruiksomstandighedenBij gebruik onder bepaalde, bijzonder zware omstandigheden:• Overwegend huis-aan-huisbestellingen.• Overwegend stadsverkeer (b.v.
taxi).• Korte ritten bij lage temperatuur.Of bij langdurig gebruik onder de volgende omstandigheden:• In warme streken met temperaturen regelmatig hoger dan +30 °C.• In koude streken met temperaturen regelmatig lager dan –15 °C.• In stoffige gebieden.• In landen waar smeermiddelen of brandstoffen niet overeenkomen met onze aanbevelingen.Onder dergelijke omstandigheden is het noodzakelijk om het onderhoudsschema voor "Bijzondere omstandigheden"te volgen en de intervallen te verkorten:• Elke 20.000 km of elk jaar voor benzinemotoren.• Elke 15.000 km of elk jaar voor dieselmotoren met directe inspuiting.• Elke 10.000 km of elk jaar voor dieselmotoren met indirecte inspuiting.
23-12-2002De afstand tot de eerstvolgendeonderhoudscontrole is minderdan 1.000 km.Voorbeeld: er is nog 900 km af teleggen tot de eerstvolgende onder-houdscontrole.Bij het aanzetten van het contact engedurende 5 seconden daarna geeftde teller aan: 5 seconden na het aanzetten vanhet contact geeft de teller weer denormale kilometerstand aan, maarhet lampje blijft branden.Dit om aan te geven dat er binnen-kort onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden. De kilo-metertotaalstand of de stand van dedagteller wordt aangegeven.ONDERHOUDSINTERVAL-INDICATORDeze geeft aan hoeveel kilometer unog verwijderd bent van de eerstvol-gende onderhoudscontrole volgenshet onderhoudsschema.WerkingZodra het contact wordt aangezet,gaat het lampje (een sleutel die onder-houdswerkzaamheden symboliseert)gedurende 5 seconden branden.
Bij het aanzetten vanhet contact en gedurende 5 secondendaarna geeft de teller aan:5 seconden na het aanzetten van hetcontact geeft de teller weer de nor-male kilometerstand of de stand vande dagteller aan.De afstand tot de eerstvolgendeonderhoudscontrole is over-schreden.Elke keer als het contact wordt aangezet,gaat het lampje gedurende 5 secondenknipperen en geeft de teller het aantalkilometers aan dat er teveel gereden is.Voorbeeld: er had 300 km eerder eenonderhoudscontrole uitgevoerd moetenworden.Bij het aanzetten van het contact en gedu-rende 5 seconden daarna geeft de teller aan:5 seconden na het aanzetten van hetcontact geeft de teller weer de nor-male kilometerstand aan, maar hetlampje blijft branden. De kilometerto-taalstand of de stand van de dagtellerwordt aangegeven.PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLES20
23-12-2002Op 0 zetten van de onderhoudsintervalindicatorUw PEUGEOT-servicepunt zet deonderhoudsintervalindicator na elkeonderhoudscontrole weer op 0.Als u zelf de onderhoudscontroleheeft uitgevoerd, kan de onderhouds-intervalindicator op de volgende wijzeop 0 gezet worden:– zet het contact af,– druk op knop 1 en houd dezeingedrukt,– zet het contact aan. De kilometer-teller begint 10 seconden terug tetellen,– houd knop gedurende 10 secon-1 den ingedrukt.De teller geeft aan en het lam-[= 0] pje gaat uit.PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLES21
PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLES22ONDERHOUDSINTERVAL VAN UW PARTNER BENZINEOnderhoudscontrole elke 30.000 km of elke 2 jaar.Garantiecontrole bij10.000 km of 6 maanden*.Deze is noodzakelijk omaanspraak op de garantiete kunnen maken.* Wat het eerst wordt bereikt.Tussentijdse controle tussen tweeonderhoudsbeurten.KM-STAND 30.000 60.000 90.000 120.000150.000 180.000 210.000 240.000 270.000Voor dit onderhoudsinterval dient gebruikt te wor-olie op synthetische basis den. Het gebruik van volledig synthetische olie of brandstofbesparende olieis ook toegestaan.Bijzondere gebruiksomstandigheden (zie het desbetreffende hoofdstuk).
23-12-2002PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLES23Tussentijdse controle tussen tweeonderhoudsbeurten.ONDERHOUDSINTERVAL VAN UW PARTNER HDI TURBODIESELOnderhoudscontrole elke 20.000 km of elke 2 jaar.Garantiecontrole bij10.000 km of 6 maanden*.Deze is noodzakelijk om aanspraak op de garantie te kunnen maken.Voor dit onderhoudsinterval dient gebruikt te worden. Het gebruik van olie op synthetische basis volledig synthetischeolie of brandstofbesparende olie is ook toegestaan.Bijzondere gebruiksomstandigheden (zie het desbetreffende hoofdstuk).* Wat het eerst wordt bereikt.KM-STAND 20.000 40.000 60.000 80.000 100.000120.000 140.000 160.000 180.000 200.000 220.000 240.000
23-12-2002(1) Minimale kwaliteitseis: Benzinemotoren: ACEA A3 en API SH/SJ; Dieselmotoren: ACEA B3 en API CF/CD - = Association des Constructeurs Européens Automobiles - = American Petroleum InstituteACEA API Bij gebruik van een oliesoort die niet aan de norm ACEA A3-B3 voldoet, is het noodzakelijk het onderhoudsschema "Bijzondere omstandigheden" met kortere intervallen aan te houden.*Deze brandstofbesparende olie mag alleen worden gebruikt in motoren die hiervoor geschikt zijn.COMMERCIELE BENAMINGEN VAN DE AANBEVOLEN SMEERMIDDELEN VOOR MOTOREN IN EUROPA(1)B E N Z I N E D I E S E L D I E S E L B E N Z I N E26
23-12-200227PEUGEOT ONDERHOUDSCONTROLESVoorgeschrevensmeermiddelenDe olie in de tabel voldoet voor demeeste gebruiksomstandigheden.Het schema geeft een overzicht vande meest geschikte viscositeit bijeen bepaalde temperatuur.Het is ook mogelijk om synthetische"superkwaliteit" motorolie te gebruiken.Indien het gebruik van semi-syntheti-sche of synthetische oliën niet moge-lijk is, mogen oliën van de kwaliteitAPI SH/SJ (voor benzinemotoren) ofCD/CF (voor dieselmotoren) gebruiktworden, waarbij dan wel het onder-houdsschema voor "Bijzonderegebruiksomstandigheden" dient teworden aangehouden.Aarzel niet om een PEUGEOT-servicepunt advies te vragen om het rijcomfort van uw auto te behoudenen de onderhoudskosten zo laagmogelijk te houden.Neem contact op met de lokalevertegenwoordiger van AutomobilesPEUGEOT in landen buiten Europa.VERPLICHT VERPLICHTHandgeschakelde ESSO GEAR OIL BV TOTAL TRANSMISSION BVversnellingsbak 75W 80 Ond.
23-12-2002CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN29Verklikkerlampjehandrem, te laag remvloeistofniveau enstoring elektronischeremdrukregelaar (REF)Gekoppeld aan het verklikkerlampjeverplicht stoppen (STOP). Wijst op:– een (iets) aangetrokken handrem. – een te laag remvloeistofniveau(als het lampje ook bij losse hand-rem blijft branden). – een storing in de elektronischeremdrukregelaar (REF), als hetverklikkerlampje brandt in combi-natie met het verklikkerlampjeABS. Stop onmiddellijk. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. CONTROLE TIJDENS HETRIJDENEen verklikkerlampje dat constantblijft branden of bij draaiende motorknippert, is een teken dat het desbe-treffende onderdeel of systeem nietgoed werkt. Sommige verklikkerlam-pjes kunnen branden in combinatiemet een geluidssignaal en een mel-ding op het multifunctionele display.
Negeer een dergelijke waarschuwingniet, maar raadpleeg zo snel moge-lijk een PEUGEOT-servicepunt. Stop onmiddellijk indien tijdens het rijden het verklikkerlampje verplichtstoppen (STOP) gaat branden, maarzorg ervoor dat u uw auto op een zo vei-lig mogelijke plaats tot stilstand brengt. Verklikkerlampje anti-blokkeersysteem (ABS)Dit lampje gaat elke keer dathet contact wordt aangezet geduren-de 3 seconden branden. Als het lampje bij een snelheid vanmeer dan 12 km/h blijft branden of gaatbranden, wijst dit op een storing in hetantiblokkeersysteem. De normale remwerking met rembe-krachtiging blijft echter behouden. Het lampje gaat branden in combinatiemet een geluidssignaal. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. Verklikkerlampje koelvloeistofniveauGekoppeld aan het verklikkerlampjeverplicht stoppen (STOP). Stop onmiddellijk. Wacht tot de motor is afgekoeldalvorens koelvloeistof bij te vullen.
Het koelcircuit staat onder druk. Draai de dop eerst 2 slagen los omde druk te laten dalen en te voorko-men dat de koelvloeistof uit hetkoelsysteem spuit. Trek, als de druk eenmaal gedaaldis, de dop los en vul het systeem bij. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.
Verklikkerlampjeverplicht stoppen(STOP)Gekoppeld aan het verklikkerlampjemotoroliedruk, koelvloeistoftempe-ratuur, koelvloeistofniveau, hand-rem, remvloeistofniveau en storingelektronische remdrukregelaar. Stop als het lampje bij draaiendemotor knippert onmiddellijk. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. Verklikkerlampjemotoroliedruk en -temperatuurGekoppeld aan het verklikkerlampjeverplicht stoppen (STOP). Stop onmiddellijk. Wijst op hetzij:– te lage oliedruk. – te weinig olie in het smeer-systeem. Vul indien nodig olie bij. – een te hoge temperatuur van demotorolie. Het verklikkerlampjebrandt in combinatie met eengeluidssignaal. Matig uw snelheidom de motorolietemperatuur telaten dalen. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.
23-12-2002CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN30Verklikkerlampje veiligheidsgordels*Dit lampje gaat branden als, bijingeschakeld contact, de bestuur-der zijn veiligheidsgordel niet heeftvastgemaakt. Verklikkerlampje airbags vóór en zij-airbagsHet lampje gaat bij het aanzettenvan het contact branden en gaat naenkele seconden uit. Als het lampje bij draaiende motorgaat branden, wijst dit op een sto-ring in het airbagsysteem. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. Verklikkerlampjeladen van de accuWijst op:– een storing in het laadcircuit. – loszittende aansluitingen van deaccu of de startmotor. – een gebroken of te slappe dyna-moriem. – een defecte dynamo. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. Verklikkerlampje zelfdiagnose motorGaat bij het aanzetten van het con-tact branden. Als het lampje bij draaiende motorgaat branden, wijst dit op een defectin het injectie-/ontstekingssysteemof in de emissieregeling.
De kataly-sator kan dan beschadigd raken(alleen benzinemotor). Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. * Volgens land van bestemming. Verklikkerlampje waterin brandstoffilter(diesel)*Raadpleeg zo snel mogelijk eenPEUGEOT-servicepunt. Er bestaat kans op schade aan hetinspuitsysteem. Verklikkerlampje uitschakeling airbag passagier*Als de airbag aan passagierszijdeuitgeschakeld is, gaat het verklikker-lampje branden als het contact wordtaangezet, waarna het blijft branden. Raadpleeg in alle gevallen dat het lamp-je knippert uw PEUGEOT-servicepunt. VerklikkerlampjebrandstofreserveOp het moment dat dit lampje gaatbranden bedraagt de actieradiusnog ca. 50 km (tankinhoud: ca. 55 liter voor de benzinemotoren en60 liter voor de dieselmotoren). Verklikkerlampjevoorgloeien (diesel)Wacht met het starten van de motortot dit lampje uit is.
23-12-2002CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN30Verklikkerlampje veiligheidsgordels*Dit lampje gaat branden als, bijingeschakeld contact, de bestuur-der zijn veiligheidsgordel niet heeftvastgemaakt. Verklikkerlampje airbags vóór en zij-airbagsHet lampje gaat bij het aanzettenvan het contact branden en gaat naenkele seconden uit. Als het lampje bij draaiende motorgaat branden, wijst dit op een sto-ring in het airbagsysteem. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. Verklikkerlampjeladen van de accuWijst op:– een storing in het laadcircuit. – loszittende aansluitingen van deaccu of de startmotor. – een gebroken of te slappe dyna-moriem. – een defecte dynamo. Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. Verklikkerlampje zelfdiagnose motorGaat bij het aanzetten van het con-tact branden. Als het lampje bij draaiende motorgaat branden, wijst dit op een defectin het injectie-/ontstekingssysteemof in de emissieregeling.
De kataly-sator kan dan beschadigd raken(alleen benzinemotor). Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt. * Volgens land van bestemming. Verklikkerlampje waterin brandstoffilter(diesel)*Raadpleeg zo snel mogelijk eenPEUGEOT-servicepunt. Er bestaat kans op schade aan hetinspuitsysteem. Verklikkerlampje uitschakeling airbag passagier*Als de airbag aan passagierszijdeuitgeschakeld is, gaat het verklikker-lampje branden als het contact wordtaangezet, waarna het blijft branden. Raadpleeg in alle gevallen dat het lamp-je knippert uw PEUGEOT-servicepunt. VerklikkerlampjebrandstofreserveOp het moment dat dit lampje gaatbranden bedraagt de actieradiusnog ca. 50 km (tankinhoud: ca. 55 liter voor de benzinemotoren en60 liter voor de dieselmotoren). Verklikkerlampjevoorgloeien (diesel)Wacht met het starten van de motortot dit lampje uit is.
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN31Display op het instrumentenpaneelDit heeft na het aanzetten van het contact, 3 verschillende functies:– Onderhoudsintervalindicator (zie het desbetreffende hoofdstuk).– Motorolieniveaumeter (diesel).– Kilometerteller (totale kilometerstand en dagteller).Opmerking: De totale kilometerstand en de dagteller worden gedurende dertig seconden na het uitzetten van het contact,bij het openen van het bestuurdersportier en bij het vergrendelen en ontgrendelen van de auto weergegeven.Motorolieniveaumeter (diesel)Bij het aanzetten van het contact, wordt de onderhoudsintervalindicator enkele seconden weergegeven en vervolgensgedurende ongeveer 10 seconden het motorolieniveau.MaximumOpmerking: Te veel olie kan leiden tot motorschade.MinimumControleer het olieniveau met de peilstok en vul zonodig olie bij.
De aanwijzing is alleenbetrouwbaar als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor minstens10 minuten niet heeft gedraaid.Defecte motorolieniveaumeterAls de 6 blokjes knipperen, geeft dit een defect aan de motorolieniveaumeter aan. Erbestaat grote kans op ernstige motorschade.Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.23-12-2002
Zodra een gegevenknippert, kan het worden gewijzigd.Vervolgens kunnen door het indruk-ken van de knop in onderstaande1 volgorde de verschillende gegevensgeselecteerd worden:– Taal,– Uren (12 of 24 uur),– Minuten,– Jaar,– Maand,– Dag.Door de knop in te drukken kan de2 waarde van het geselecteerde gege-ven aangepast worden. Houd deknop ingedrukt om de instelling in eenhoger tempo te wijzigen (terug naarhet begin na de laatste waarde).Als de knop gedurende 7 secondenniet wordt ingedrukt, geeft het dis-play het basisscherm weer en zijn degewijzigde gegevens opgeslagen.
23-12-2002UW PARTNER IN DETAIL35Toets FunctieA In-/uitschakelen van de radio.B – Verlagen van de geluidssterkte.C + Verhogen van de geluidssterkte.D RDS RDS-functie AAN/UIT.Langer dan 2 seconden indrukken: aan-/uitzetten van de regionale functie.E TA Voorrang voor verkeersinformatie AAN/UIT.FLang indrukken: snel terugspoelen van cassette.GLang indrukken: snel vooruitspoelen van cassette.F+G j k Kort indrukken: omkeren afspeelrichting van de cassette.jj kk Lang indrukken: uitwerpen van de cassette.HSelecteren van lage tonen, hoge tonen, loudness, de geluidsverdeling en de automatische volumecorrectie.I▲Hoger instellen van de aan de toets H gekoppelde functies.J▼Lager instellen van de aan de toets H gekoppelde functies.K SRC Selecteren van radiofunctie: radio, cassette of CD-wisselaar.Langer dan 2 seconden indrukken: in willekeurige volgorde afspelen CD.Lkk Handmatig en automatisch zoeken van zenders in oplopende frequentie.Volgende nummer van CD selecteren en selecteren volgende PTY (radio).M MAN Handmatige/automatische functie van de toetsen Len N voor de radio.Njj Handmatig en automatisch zoeken van zenders in aflopende frequentie.Vorige nummer van CD selecteren en selecteren vorige PTY (radio).O BND Selectie van het golfbereik FM1, FM2, FMast, AM.AST Langer dan 2 seconden indrukken: automatisch opslaan van voorkeuzezenders (autostore).1 t/m 6 1 2 3 4 5 6 Selectie van een opgeslagen zender.Selectie van CD in de CD-wisselaar.Langer dan 2 seconden indrukken: opslaan van een zender.
23-12-2002ALGEMENE FUNCTIESAan/uitDruk, als het contact AAN is of in de stand ACCESSOIRES staat, op de knop om de radio aan of uit teA zetten.De radio kan gedurende 30 minuten werken zonder dat het contact aanstaat.DiefstalbeveiligingDe radio is zodanig gecodeerd dat deze alleen in uw auto functioneert.
Het heeft geen enkele zin de radio in een andereauto te monteren.De diefstalbeveiliging is volledig automatisch en behoeft daarom niet te worden ingeschakeld of ingesteld.REGELING VAN HET VOLUMEDruk herhaaldelijk op de toets om het te verlagen.C om het volume te verhogen en op de toets B Door de toetsen C en Bingedrukt te houden wordt het volume sneller geregeld.AUDIO-INSTELLINGENDruk herhaaldelijk op de toets om achtereenvolgens de bassen , de hoge tonen , de loudness-H (BASS) (TREB)functie (LOUD), de fader (FAD), de balans (BAL) en de automatische aanpassing van het volume te kiezen.Deze functie wordt na enkele seconden automatisch weer uitgeschakeld als er geen instellingen gewijzigdworden of door de toets na het bereiken van de functie voor de automatische aanpassing van het volumeH nogmaals in te drukken.Opmerking: De instellingen voor de bassen en de hoge tonen zijn gekoppeld aan de op dat momentingeschakelde geluidsbron.
23-12-2002BassenDruk, als er "BASS" op het display wordt weergegeven, op de toets om de bassen in te stellen.I of J – "BASS –9" minimum instelling bassen,– "BASS 0" normale stand,– "BASS +9" maximum instelling bassen.ToonregelingDruk, als er "TREB" op het display wordt weergegeven, op de toets om de hoge tonen in te stellen.I of J – "TREB –9" minimum instelling bassen,– "TREB 0" normale stand,– "TREB +9" maximum instelling bassen.Loudness-functieMet deze functie kunnen de bassen en hoge tonen bij een gering volume versterkt worden.
Druk op de toetsen om de functie in of uit te schakelen.I of JFaderregelingDruk, als er "FAD" op het display wordt weergegeven, op de toets I of J.Met de toets I wordt het volume vóór versterkt.Met de toets J wordt het volume achter versterkt.BalansregelingDruk, als er "BAL" op het display wordt weergegeven, op de toets I of J.Met de toets I wordt het volume rechts versterkt.Met de toets wordt het volume links versterkt.J Automatische volumeregelingMet deze functie wordt het volume automatisch aangepast aan het geluidsniveau ten gevolge van de snelheid van de auto.Druk op de toets om de functie in- of uit te schakelen.I of JUW PARTNER IN DETAIL39
Dit ligt niet aan de kwaliteit van het apparaat,maar aan de opbouw van de radiosignalen en de wijze van verzenden.Bij AM-zenders kunnen er storingen optreden als er onder hoogspanningskabels, in tunnels of onder viaducten wordtgereden.Bij FM-zenders kunnen de afstand van de zender, de reflectie van het signaal door grote obstakels (bergen, gebouwen, enz.)en het zenderbereik oorzaak zijn van een mindere ontvangst.Selecteren van de radiofunctieAutoradio RB3: Druk herhaaldelijk op de toets "SRC".Autoradio RD3: Druk op de toets R.Selecteren van het golfbereikAutoradio RB3: Druk kort op de toets "BND/AST" om de golflengte FM1, FM2, FMast of AM te kiezen.Autoradio RD3: Druk kort op de toets R om de golflengte FM1, FM2, FMast of AM te kiezen.Automatisch afstemmenDruk kort op één van de toetsen L of Nom respectievelijk de volgende of vorige zender te selec-teren.
Als deze toets wordt vastgehouden, blijft de radio in de gekozen volgorde frequentiesafzoeken.De radio stopt bij de eerste zender die na het loslaten van de toets wordt gevonden.Als de functie is ingeschakeld, wordt alleen afgestemd op zenders die verkeersinformatie uitzenden.TAEerst worden de sterkste zenders afgezocht in de stand . Daarna wordt in de stand ook naar zwakkere zenders"LO" "DX" gezocht.Druk twee keer kort op de toets op de zwakkere zenders af te kunnen stemmen.L of N om direct in de stand "DX" UW PARTNER IN DETAIL40
23-12-2002Handmatig afstemmenDruk op de toets "MAN".Druk kort op de toets L of Nom respectievelijk de volgende of vorige zender te selecteren.Als deze toets wordt vastgehouden, blijft de radio in de gekozen volgorde frequenties afzoeken.Het zoeken stopt zodra de toets wordt losgelaten.Als de toets opnieuw wordt ingedrukt, wordt teruggekeerd naar het automatisch afstemmen op een zender."MAN" Handmatig opslaan van zendersKies het gewenste station.Houd één van de voorkeuzetoetsen langer dan twee seconden ingedrukt."1" t/m "6"Het geluid valt weg en keert weer terug: de desbetreffende zender is nu opgeslagen.Automatisch opslaan van FM-zenders (autostore)Autoradio RB3: Houd de toets langer dan twee seconden ingedrukt."BND/AST" Autoradio RD3: "R" Houd de toets langer dan twee seconden ingedrukt.De autoradio slaat automatisch de 6 sterkste -zenders op.
Deze zenders worden op de FMast-band opgeslagen.FMAls er minder dan 6 zenders worden gevonden, blijven de resterende geheugens ongewijzigd. Oproepen van opgeslagen zendersTelkens als een van de toetsen "1" "6" t/m wordt ingedrukt, wordt de desbetreffende zender weergegeven.UW PARTNER IN DETAIL41
23-12-2002RDSGebruik van de RDS-functie (Radio Data Systeem) op FMDe RDS-functie biedt de mogelijkheid om naar een zender te luisteren, ongeacht de verschillende frequenties die voor dezezender gebruikt worden in de diverse regio's.Druk kort op de toets om de functie in of uit te schakelen."RDS" Op het multifunctionele display verschijnt:– "RDS" als deze functie is ingeschakeld.– "(RDS)" als deze functie wel ingeschakeld, maar niet beschikbaar is.Volgen van RDS-zendersOp het display wordt de naam van de zender aangegeven.
Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds desterkste zender die hetzelfde programma uitzendt.VerkeersinformatieDruk op de toets "TA" om deze functie in of uit te schakelen.Op het display verschijnt:– "TA" als deze functie is ingeschakeld.– "(TA)" als deze functie wel ingeschakeld, maar niet beschikbaar is.Als deze functie is ingeschakeld, wordt de geluidsbron die op dat moment te horen is (radio, cassette, CD ofCD-wisselaar) onderbroken om voorrang te verlenen aan de ontvangen verkeersinformatie.Druk op de toets "TA" om de verkeersinformatie te onderbreken, de functie is dan uitgeschakeld.N.B.: Het volume van de verkeersinformatie is onafhankelijk van het normale volume van de radio. U kunt dit instellenmet de volumeknop.
De instelling wordt opgeslagen en gebruikt bij volgende berichten.Regionale functie (REG)Sommige gekoppelde zenders zenden op bepaalde tijdstippen op dezelfde frequentie verschillende, regionale programma'suit. Met deze functie kan een regionaal programma worden beluisterd.Houd hiervoor de toets langer dan twee seconden ingedrukt om deze functie in of uit te schakelen."RDS" UW PARTNER IN DETAIL42
23-12-2002CASSETTESPELER: AUTORADIO RB3Selecteren van de cassettespelerZodra een cassette in de cassettespeler wordt gestoken, zal automatisch worden begonnen met afspelen vandeze cassette.Als er al een cassette in de speler zit, druk dan herhaaldelijk op de toets totdat de cassettespeler is"SRC" geselecteerd.Opmerking: Controleer voor het insteken van een cassette of de magneetband goed is gespannen.Uitwerpen van de cassetteDruk de 2 toetsen lang in om de cassette uit de cassettespeler te werpen.F en GAfspeelrichtingDe cassettespeler speelt beide zijden van de band na elkaar af door aan het eind van de band de afspeelrichting automatischom te keren. Druk de toetsen F en G half in om handmatig de afspeelrichting van de cassette om te keren.Snel vooruit en terugspoelenDruk één van de toetsen geheel in om de cassette snel vooruit of terug te spoelen.
Na het spoelen tot het eind zalF of G het apparaat de zijde die daar begint, afspelen.Gebruiksvoorschriften cassettes– Gebruik alleen cassettes van goede kwaliteit.– Gebruik geen cassettes met een langere speelduur dan 90 minuten.– Leg cassettes niet op een warme plaats en houd ze uit de zon.– Zorg ervoor dat het bandje is gespannen voordat de cassette in de speler wordt gestoken.– Reinig regelmatig de koppen met een speciale cassette met reinigingsvloeistof.UW PARTNER IN DETAIL44
23-12-2002CD-WISSELAARSelecteren van de CD-wisselaarAutoradio RB3: Druk herhaaldelijk op de toets "SRC".Autoradio RD3: Druk op de toets P. Selecteren van een CDDruk op één van de voorkeuzetoetsen van de autoradio om de gewenste CD te selecteren."1" "6" t/m Selecteren van een nummer van een CDDruk op de toets L om het volgende nummer te selecteren.Druk op de toets om terug te gaan naar het begin van het afgebeelde nummer of het vorigeN nummer. Versneld afspelenHoud één van de toetsen geheel ingedrukt om de CD versneld vooruit of achteruit te spelen. Het versneld afspelenL of N stopt zodra de toets wordt losgelaten. Random-functie (RDM)Houd, op het moment dat de CD-wisselaar is geselecteerd:– autoradio RB3: "SRC" de toets langer dan twee seconden ingedrukt.– autoradio RD3: de toets P langer dan twee seconden ingedrukt.De nummers van de CD worden nu in een willekeurige volgorde afgespeeld.
Selecteren van het golfbereik FM1, FM2, FMAST, AM.Langer dan 2 seconden indrukken: automatisch opslaan van voorkeuzestations (autostore).S▲Uitwerpen van de CD.1 t/m 6 1 2 3 4 5 6 Selectie van een opgeslagen zender.Selectie van CD in CD-wisselaar.Langer dan 2 seconden indrukken: opslaan van een zender.
Dit ligt niet aan de kwaliteit van het apparaat,maar aan de opbouw van de radiosignalen en de wijze van verzenden.Bij AM-zenders kunnen er storingen optreden als er onder hoogspanningskabels, in tunnels of onder viaducten wordtgereden.Bij FM-zenders kunnen de afstand van de zender, de reflectie van het signaal door grote obstakels (bergen, gebouwen, enz.)en het zenderbereik oorzaak zijn van een mindere ontvangst.Selecteren van de radiofunctieAutoradio RB3: Druk herhaaldelijk op de toets "SRC".Autoradio RD3: Druk op de toets R.Selecteren van het golfbereikAutoradio RB3: Druk kort op de toets "BND/AST" om de golflengte FM1, FM2, FMast of AM te kiezen.Autoradio RD3: Druk kort op de toets R om de golflengte FM1, FM2, FMast of AM te kiezen.Automatisch afstemmenDruk kort op één van de toetsen L of Nom respectievelijk de volgende of vorige zender te selec-teren.
Als deze toets wordt vastgehouden, blijft de radio in de gekozen volgorde frequentiesafzoeken.De radio stopt bij de eerste zender die na het loslaten van de toets wordt gevonden.Als de functie is ingeschakeld, wordt alleen afgestemd op zenders die verkeersinformatie uitzenden.TAEerst worden de sterkste zenders afgezocht in de stand . Daarna wordt in de stand ook naar zwakkere zenders"LO" "DX" gezocht.Druk twee keer kort op de toets op de zwakkere zenders af te kunnen stemmen.L of N om direct in de stand "DX" UW PARTNER IN DETAIL40
23-12-2002Handmatig afstemmenDruk op de toets "MAN".Druk kort op de toets L of Nom respectievelijk de volgende of vorige zender te selecteren.Als deze toets wordt vastgehouden, blijft de radio in de gekozen volgorde frequenties afzoeken.Het zoeken stopt zodra de toets wordt losgelaten.Als de toets opnieuw wordt ingedrukt, wordt teruggekeerd naar het automatisch afstemmen op een zender."MAN" Handmatig opslaan van zendersKies het gewenste station.Houd één van de voorkeuzetoetsen langer dan twee seconden ingedrukt."1" t/m "6"Het geluid valt weg en keert weer terug: de desbetreffende zender is nu opgeslagen.Automatisch opslaan van FM-zenders (autostore)Autoradio RB3: Houd de toets langer dan twee seconden ingedrukt."BND/AST" Autoradio RD3: "R" Houd de toets langer dan twee seconden ingedrukt.De autoradio slaat automatisch de 6 sterkste -zenders op.
Deze zenders worden op de FMast-band opgeslagen.FMAls er minder dan 6 zenders worden gevonden, blijven de resterende geheugens ongewijzigd. Oproepen van opgeslagen zendersTelkens als een van de toetsen "1" "6" t/m wordt ingedrukt, wordt de desbetreffende zender weergegeven.UW PARTNER IN DETAIL41
23-12-2002RDSGebruik van de RDS-functie (Radio Data Systeem) op FMDe RDS-functie biedt de mogelijkheid om naar een zender te luisteren, ongeacht de verschillende frequenties die voor dezezender gebruikt worden in de diverse regio's.Druk kort op de toets om de functie in of uit te schakelen."RDS" Op het multifunctionele display verschijnt:– "RDS" als deze functie is ingeschakeld.– "(RDS)" als deze functie wel ingeschakeld, maar niet beschikbaar is.Volgen van RDS-zendersOp het display wordt de naam van de zender aangegeven.
Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds desterkste zender die hetzelfde programma uitzendt.VerkeersinformatieDruk op de toets "TA" om deze functie in of uit te schakelen.Op het display verschijnt:– "TA" als deze functie is ingeschakeld.– "(TA)" als deze functie wel ingeschakeld, maar niet beschikbaar is.Als deze functie is ingeschakeld, wordt de geluidsbron die op dat moment te horen is (radio, cassette, CD ofCD-wisselaar) onderbroken om voorrang te verlenen aan de ontvangen verkeersinformatie.Druk op de toets "TA" om de verkeersinformatie te onderbreken, de functie is dan uitgeschakeld.N.B.: Het volume van de verkeersinformatie is onafhankelijk van het normale volume van de radio. U kunt dit instellenmet de volumeknop.
De instelling wordt opgeslagen en gebruikt bij volgende berichten.Regionale functie (REG)Sommige gekoppelde zenders zenden op bepaalde tijdstippen op dezelfde frequentie verschillende, regionale programma'suit. Met deze functie kan een regionaal programma worden beluisterd.Houd hiervoor de toets langer dan twee seconden ingedrukt om deze functie in of uit te schakelen."RDS" UW PARTNER IN DETAIL42
23-12-2002PTY-functie: autoradio RD3Met behulp van deze functie kunnen zenders met een specifieke programmering (info, cultuur, sport, pop...) beluisterd worden.Houd, als is geselecteerd, de toets FM "TA" langer dan twee seconden ingedrukt om deze functie in of uit teschakelen.Zoeken van een PTY-programmering:– Schakel de PTY-functie in,– Druk kort op één van de toetsen om een overzicht met de verschillende programma-L of N types weer te geven,– Als er een programma naar wens wordt weergegeven, houd dan één van de toetsen L of Nlanger dan twee seconden ingedrukt om automatisch af te stemmen (na het afstemmen wordtde PTY-functie weer uitgeschakeld).In de stand kunnen de verschillende programmatypes worden opgeslagen. Houd daarvoor de voorkeuzetoetsen PTY "1"t/m "6" langer dan twee seconden ingedrukt.
Een bepaalde programmering kan nu worden opgeroepen door de desbetref-fende toets kort in te drukken.EON: autoradio RD3Dit systeem maakt koppelingen tussen zenders in hetzelfde gebied. Bij dit systeem is het mogelijk om automatisch naarandere zenders binnen het gebied over te schakelen die verkeersinformatie of een PTY-programmering uitzenden.De EON-functie werkt alleen als de functie TA of PTY is ingeschakeld.UW PARTNER IN DETAIL43
23-12-2002CD-SPELER: AUTORADIO RD3Selecteren van de CD-spelerZodra een CD in de CD-speler wordt gestoken met het etiket naar boven gericht, zal de CD-speler de CDautomatisch afspelen.Als er al een CD in het apparaat zit, druk dan op de toets Q. Uitwerpen van een CDDruk op de toets S om de CD uit de CD-speler te werpen.Selecteren van een nummer van de CDDruk op de toets om het volgende nummer te selecteren.L Druk op de toets om terug te gaan naar het begin van het afgespeelde nummer of het vorigeN nummer.Versneld afspelenHoud één van de toetsen lang ingedrukt om de CD versneld vooruit of achteruit af te spelen.L of N Het versneld afspelen stopt zodra de toets wordt losgelaten.Random-functie (RDM)Houd, op het moment dat de CD-speler als geluidsbron is gekozen, de toets langer dan 2 seconden ingedrukt. DeQ nummers van de CD worden nu in een willekeurige volgorde afgespeeld.
Druk de toets opnieuw langer dan 2 secondenQ in om weer op normaal spelen over te schakelen.De random-functie wordt uitgeschakeld zodra de radio wordt uitgezet.UW PARTNER IN DETAIL45Het gebruik van gekraste CD's kan storingen veroorzaken. Gebruik uitsluitend CD's met een ronde vorm.
23-12-2002UW PARTNER IN DETAIL49VENTILATIE1. Uitstroomopeningen voorruitontwaseming.2. Uitstroomopeningen zijruitontwaseming.3. Zijventilatieroosters.4. Middelste ventilatieroosters.5. Uitstroomopeningen voor beenruimte voor.Gebruiksadviezen– Stel de luchtverdeling naar wens en afhankelijk van de weersomstandigheden in.– Wijzig de temperatuurinstelling geleidelijk om het gewenste comfort te bereiken.– Schuif de knop van de luchttoevoerregeling in de stand "Toevoer van buitenlucht".– Let er voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interieur op dat het luchtinlaatrooster en de uitstroom-openingen in de auto vrij blijven.
Zorg ervoor dat het interieurfilter in een goede staat verkeert.Achterruitverwarming en verwarming buitenspiegelsDruk bij draaiende motor op de schakelaar om de achterruitverwarming en deverwarming van de buitenspiegels in te schakelen.Na ongeveer 12 minuten worden deze automatisch weer uitgeschakeld.Druk opnieuw op de schakelaar om de systemen weer 12 minuten te laten werken.De verwarming kan ook handmatig worden uitgeschakeld door op de schakelaarte drukken.
23-12-20022. Regeling luchtopbrengst enregeling luchttoevoerDraai de knop in van de14standen om de gewen-ste luchtopbrengst te ver-krijgen.Toevoer van buitenlucht.Dit is de normale stand.Recirculatie van de lucht inhet interieur.Deze stand dient om de toevoer vanbuitenlucht bij stank en stofoverlastaf te sluiten en om het verwarmenvan het interieur te versnellen.Zet de knop, zodra de omstandig-heden dit toelaten, weer in de standtoevoer buitenlucht om het beslaanvan de ruiten te voorkomen.VERWARMING1. Regeling luchtopbrengstDraai de knop in van de14standen om de gewen-ste luchtopbrengst te ver-krijgen.UW PARTNER IN DETAIL50
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Peugeot Partner (2002) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Peugeot
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto