Peugeot Boxer (2011) Handleiding

Peugeot Auto Boxer (2011)

Bekijk gratis de handleiding van Peugeot Boxer (2011) (184 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 21 mensen en kreeg gemiddeld 4.9 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over Peugeot Boxer (2011) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/184
Instructieboekje

Beoordeel deze handleiding

4.9/5 (6 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Peugeot
Categorie: Auto
Model: Boxer (2011)

Handleiding Peugeot Boxer (2011) – volledige tekst

1WELKOM De Boxer is speciaal ontwikkeld om aan al uw specifieke eisen te voldoen op het gebied van gebruiksgemak, comfort, veiligheid en uitstraling. Om u in korte tijd vertrouwd te maken met uw Boxer, stellen wij u voor met behulp van het instructieboekje een toer door de auto te maken. In het instructieboekje worden de uitrustingen waarover u beschikt uitgebreid beschreven. PEUGEOT dankt u voor het vertrouwen en wenst u een goede reis. Belangrijke informatie: het monteren van een uitrusting of een elektrische accessoire zonder artikelnummer van Automobiles PEUGEOT, kan een storing in het elektronische systeem van uw auto tot gevolg hebben. Houd rekening met deze bijzonderheid. Wij raden u dan ook aan contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk PEUGEOT om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires met het betreffende artikelnummer.

Uw auto kan, afhankelijk van het uitrustingsniveau en de specifieke kenmerken voor het land waarvoor uw auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen zijn voorzien. Neem voor alle werkzaamheden aan uw auto contact op met een gekwalificeerde werkplaats die beschikt over de juiste technische informatie, vakkennis en apparatuur. Het PEUGEOT-netwerk is in staat u dit te bieden.

4PRESENTATIE In de rubrieken kunt u de volgende symbolen aantreffen: Dit instructieboekje is ontwikkeld om u in korte tijd vertrouwd te maken met alle functies van uw nieuwe auto. Het instructieboekje is verdeeld in 10 rubrieken met elk een eigen kleur. In de rubrieken komen alle mogelijke functies van de auto gerangschikt per thema aan bod. In rubriek 9 vindt u een overzicht van de technische gegevens van uw auto. De visuele index achter in dit instructieboekje verwijst u naar de bladzijden met meer informatie over de desbetreffende uitrusting en functies.

COMMUNICATIE: BEZOEK DE WEBSITE VAN PEUGEOT Surf naar http://public.servicebox.peugeot.com en selecteer: - de rubriek boorddocumentatie/gebruiksaanwijzingen, - het model van uw auto, - de carrosserievariant van uw auto: 3-/5-deurs, sedan, CC, SW, Break, gesloten bestelwagen, ..., - de periode die overeenkomt met de eerste tenaamstelling van uw auto, - het hoofdstuk "Laatste informatie". De technische gegevens, uitrusting en accessoires kunnen in de loop van het jaar gewijzigd worden. Raadpleeg voor meer informatie over deze wijzigingen de pagina "Laatste informatie" op de website SERVICEBOX . Door middel van een eenvoudige registratie kunt u toegang krijgen tot de site en de boorddocumentatie gratis raadplegen.

43421IN EEN OOGOPSLAG5In een oog opslag Achteruitrijcamera Dit systeem wordt automatisch geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling. Het camerabeeld wordt weergegeven op het scherm dat op de plaats van de binnenspiegel is gemonteerd. 79 78 43 EXTERIEUR Follow-me-home Nadat u het contact hebt afgezet en de auto hebt verlaten, blijven de koplampen nog even branden. Achterdeuren openen tot een hoek van 180° Als de auto ontgrendeld is, kunnen de achterdeuren tot een hoek van 180° worden geopend om het uit- en inladen te vereenvoudigen. Parkeerhulp achter Als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, waarschuwt dit systeem u voor obstakels achter de auto. 26

2226 In een oogopslag Schuifdeur Openen Trek de handgreep naar u toe en vervolgens naar achteren. Controleer of de rail op de vloer vrij is van voorwerpen die het openen of sluiten van de schuifdeur in de weg kunnen staan. Open de schuifdeur volledig zodat deze geblokkeerd wordt. Rijd niet met een geopende schuifdeur. 25 Sleutel met afstandsbediening 2 knoppen 20 Handmatige bediening centrale vergrendeling 27 OPENEN 3 knoppen Sleutel in-/uitklappen. Ontgrendelen. Vergrendelen. Sleutel in-/uitklappen. Cabine ontgrendelen. Laadruimte ontgrendelen. Auto vergrendelen. Auto vergrendelen. Auto ontgrendelen. Laadruimte ver-/ontgrendelen.

2271IN EEN OOGOPSLAG7In een oogopslag Openen Trek de handgreep naar u toe. Sluiten Sluit eerst de linkerdeur en vervolgens de rechterdeur om de achterdeuren te sluiten. Achterdeuren Openen tot een hoek van 180° Druk op de knop op het portierpaneel om de openingshoek van de deur te vergroten. Brandstoftank Brandstofvulklep openen. Ophangen van de brandstofvuldop. Tankinhoud: ongeveer 90 liter. 26 OPENEN 26 141

3331IN EEN OOGOPSLAG13In een oogopslag 45 Ruitensproeier vóór Trek de hendel naar u toe. De ruitensproeiers treden in werking en de ruitenwissers worden enige tijd ingeschakeld. ZICHT 73 Schakelaars ruitbediening A. Schakelaar ruitbediening bestuurderszijde. B. Schakelaar ruitbediening passagierszijde. Eén minuut na het afzetten van het contact wordt de elektrische ruitbediening uitgeschakeld. 45 Ruitenwisser vóór A. Uit. B. Interval (4 snelheden). C. Constant wissen met lage snelheid. D. Constant wissen met hoge snelheid. E. Eén keer wissen.

14 In een oogopslag VENTILATIE Automatische airconditioning : gebruik bij voorkeur de volledig automatische werking van het systeem door op de toets "AUTO" te drukken. Aanbevolen instellingen Handbediende airconditioning Gewenste werking Luchtverdeling Temperatuur Luchtopbrengst Luchtrecirculatie A/C Warm - Koud Ontdooien Ontwasemen

221IN EEN OOGOPSLAG15In een oogopslag Achteruitrijcamera De camera wordt geactiveerd als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en blijft geactiveerd tot een snelheid van ongeveer 15 km/h is bereikt. De camera wordt uitgeschakeld als de auto sneller rijdt dan 18 km/h. 79 Instrumentenpaneel A. Snelheidsmeter. B. Display van het instrumentenpaneel. C. Toerenteller. 28 Verklikkerlampjes Als het contact wordt aangezet, gaan de oranje en rode verklikkerlampjes branden. Als de motor draait, moeten deze lampjes uitgaan. Raadpleeg de desbetreffende rubriek als er verklikkerlampjes blijven branden. 29 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Toetsen Regelen lichtsterkte. Scherm Druk op de knop en zet het scherm in de gewenste stand. Regelen achtergrondverlichting. Met de functie ON/OFF kunnen beelden van de achteruitrijcamera worden weergegeven zonder dat de achteruitversnelling wordt ingeschakeld.

54216 In een oogopslag Een kinderzitje kan aan twee ogen vóór, die tussen de rugleuning en de zitting zijn geplaatst en een oog achter, worden bevestigd. ISOFIX-bevestigingen 124 VEILIGHEID VOOR DE INZITTENDEN Raadpleeg rubriek 4 in het gedeelte "MODE" om de airbag aan passagierszijde uit te schakelen. Selecteer vervolgens OFF in het menu "Airbag passagier". Het verklikkerlampje op het instrumentenpaneel brandt zolang de airbag is uitgeschakeld. 75 Als de kinderbeveiliging is ingeschakeld, kan de schuifdeur niet meer van binnenuit geopend worden. Kinderbeveiliging 25

4321IN EEN OOGOPSLAG17In een oog opslag Snelheidsregelaar De werking van de snelheidsregelaar wordt aangegeven door een pictogram in de toerenteller. 46 Hill-holder Deze functie, verbonden met het ESP, vergemakkelijkt het wegrijden op een helling en wordt onder de volgende voorwaarden geactiveerd: - de auto moet stilstaan, met draaiende motor, - de helling moet steiler zijn dan 5%. 40 Luchtvering Hiermee kan de wagenhoogte achter gewijzigd worden om het laden en lossen te vergemakkelijken. Druk op de schakelaar en laat de schakelaar los om de beweging te stoppen. Elke keer dat de schakelaar wordt ingedrukt, wordt de wagenhoogte achter één stand verhoogd: +1 tot +3. Druk op de schakelaar en laat de schakelaar los om de beweging te stoppen. Elke keer dat de schakelaar wordt ingedrukt, wordt de wagenhoogte achter één stand verlaagd: -1 tot -3.

18 ECO-RIJDEN Maak optimaal gebruik van deversnellingsbak Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak, rijd dan rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede versnelling in en schakel bij voorkeur relatief snel over naar een hogere versnelling. Volg de aanwijzingen van de schakelindicator (indien aanwezig) die op het instrumentenpaneel worden weergegeven. Als uw auto is voorzien van een automatische transmissie of een gestuurde handgeschakelde versnellingsbak, laat de selectiehendel dan in de stand Drive "D" of Auto "A" (afhankelijk van het type versnellingsbak) staan en trap het gaspedaal niet bruusk of diep in. Kies voor een soepele rijstijl Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur af op de motor in plaats van het rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk in.

Als u deze aanwijzingen naleeft, neemt het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer beperkt. Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik dan vanaf een snelheid van ongeveer 40 km/h de snelheidsregelaar (indien aanwezig). Gebruik op slimme wijze de elektrische voorzieningen Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto hoog is opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatieroosters alvorens de airconditioning in te schakelen. Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten, maar laat de ventilatieroosters geopend. Gebruik de voorzieningen in het interieur die de temperatuurstijging kunnen beperken (blinderingspaneel van het panoramadak, zonneschermen, enz. ). Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste temperatuur is bereikt (behalve bij auto's met een automatische airconditioning).

Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn als deze niet automatisch worden aangestuurd. Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit. Schakel de verlichting en de mistlampen uit als het zicht voldoende is.

Laat de motor vooral 's winters na het starten niet stationair warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg: uw auto warmt sneller op als u rijdt. Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur (DVD-speler, MP3-speler, spelcomputer, enz. ) op de auto aan om het elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofverbruik, te beperken. Koppel externe apparatuur los als u de auto verlaat. Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van uw auto verminderen.

19Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruik Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de zwaarste voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de achterbank. Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal, fietsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever een dakkoffer. Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal. Vervang na de winter zo snel mogelijk de winterbanden door zomerbanden. Houd u aan de onderhoudsvoorschriften Controleer regelmatig de bandenspanning (bij koude banden), houd u daarbij aan de bandenspanning die staat vermeld op de sticker op de portiersponning aan bestuurderszijde. Controleer de bandenspanning met name: - voor een lange rit, - bij de wisseling van de seizoenen, - als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.

Vergeet niet de bandenspanning van het reservewiel en van de wielen van de aanhanger of de caravan te controleren. Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, oliefilter en luchtfilter vervangen, enz.) en houd u daarbij aan het door de fabrikant voorgeschreven interval. Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer afslaan; zo voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt. U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 3000 km het gemiddelde brandstofverbruik zich stabiliseert.

20 Toegang tot de auto AFSTANDSBEDIENING TOEGANG TOT DE AUTO Ontgrendelen van de cabine Druk op deze knop om de cabine van uw auto te ontgrendelen. De plafonnier gaat kort branden en de richtingaanwijzers knipperen twee keer. Ontgrendelen van de achterdeuren Druk op deze knop om de schuifdeur en de achterdeuren van de laadruimte te ontgrendelen. Centrale vergrendeling Druk kort op deze knop om alle toegangen tot uw auto, zowel van de cabine als de laadruimte, te vergrendelen. Als één van de portieren of deuren is geopend of niet goed is gesloten, werkt de centrale vergrendeling niet. Het vergrendelen wordt bevestigd door het één keer knipperen van de richtingaanwijzers. Het verklikkerlampje van de schakelaar op de middenconsole gaat branden en vervolgens knipperen.

212 Toegang tot de autoVOORDAT U GAAT RIJDENSupervergrendeling Door twee keer achter elkaar op deze knop te drukken wordt de supervergrendeling ingeschakeld. De portieren kunnen dan niet meer van binnenuit of buitenaf geopend worden. De richtingaanwijzers knipperen drie keer. Schakel nooit de supervergrendeling in als er zich iemand in de auto bevindt. Uitklappen/inklappen van de sleutel Druk op deze knop om de sleutel uit te klappen. Druk om de sleutel in te klappen op de knop en duw de sleutel in de houder. Wanneer u bij het inklappen niet op de knop drukt, kan het mechanisme beschadigd raken.

22 Toegang tot de auto SLEUTEL Met de sleutel kunt u de sloten van de auto vergrendelen en ontgrendelen, de tankdop openen en sluiten en de motor starten en afzetten. BATTERIJ AFSTANDSBEDIENING Referentie: CR 2032/3 V. Batterij van afstandsbedieningvervangen - druk op de knop om de sleutel uit te klappen, - draai de schroef 1 van het gesloten hangslot in de richting van het geopende hangslot met een kleine schroevendraaier, - wip met de schroevendraaier de batterijhouder 2 los, - verwijder de batterij 3 en plaats de nieuwe batterij op de juiste manier, - plaats de batterijhouder 2 in de sleutel en draai de schroef 1 vast. Wanneer niet de voorgeschreven batterij gebruikt wordt, kan de afstandsbediening beschadigd raken. Gebruik uitsluitend een door het PEUGEOT-netwerk voorgeschreven batterij of een batterij met gelijkwaardige eigenschappen.

232 Toegang tot de autoVOORDAT U GAAT RIJDENELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING Alle sleutels zijn voorzien van een chip voor de elektronische startblokkering. Dit systeem blokkeert het brandstofsysteem van de motor en wordt automatisch ingeschakeld zodra de sleutel uit het contact wordt verwijderd. Speel niet met de knop van de afstandsbediening, om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden. Mocht dit echter toch gebeuren en er is na ongeveer 30 seconden geen portier geopend, dan worden de portieren automatisch weer vergrendeld. Als zich in de buurt van de afstandsbediening andere apparaten bevinden die in hetzelfde frequentiegebied werken (mobiele telefoons, alarmsystemen van gebouwen), kan de werking van de afstandsbediening tijdelijk verstoord worden. De afstandsbediening werkt niet als de sleutel in het contact zit, ook niet als het contact is afgezet.

Dit geldt niet voor het opnieuw synchroniseren. Gebruiksvoorschrift Noteer het sleutelnummer zorgvuldig. Het PEUGEOT-netwerk kan dan bij verlies snel voor een nieuwe sleutel zorgen wanneer u dit nummer en de codekaart meebrengt. Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering. Als de sleutel wordt herkend, gaat dit verklikkerlampje uit en kan de motor worden gestart. Als de sleutel niet wordt herkend, kan de motor niet worden gestart. Start de auto met een andere sleutel en laat de defecte sleutel controleren door het PEUGEOT-netwerk. Het rijden met vergrendelde portieren kan in geval van nood de toegang tot het interieur belemmeren. Neem uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel met afstandsbediening mee als u de auto verlaat, zelfs al is dit voor korte duur.

Let er bij het aanschaffen van een tweedehands auto op dat: - u in het bezit bent van een codekaart, - uw sleutels door het PEUGEOT-netwerk in het elektronische geheugen worden opgeslagen, zodat u er zeker van kunt zijn dat de in uw bezit zijnde sleutels de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart. CODEKAART De codekaart wordt u bij aflevering van de auto samen met de twee sleutels overhandigd. Op deze kaart staat de identificatiecode die het -netwerk nodig heeft bij werkzaamheden aan de elektronische startblokkering. De code is afgedekt, verwijder de film alleen als dit strikt noodzakelijk is. Bewaar de codekaart op een veilige plaats buiten de auto. Neem de codekaart mee wanneer u een verre reis maakt en bewaar de kaart bij uw persoonlijke documenten.

24 Toegang tot de auto Als het alarm in de waakfase is, wordt bij een inbraak gedurende ongeveer 30 seconden de sirene geactiveerd, waarbij tevens de richtingaanwijzers gaan knipperen. Het alarm komt vervolgens terug in de waakfase, maar het systeem geeft op het moment dat de auto wordt ontgrendeld door het snel knipperen van het lampje aan dat het alarm is afgegaan. Het alarm gaat tevens af nadat de elektrische voeding is onderbroken en weer wordt aangesloten. Automatisch inschakelen Volgens land van bestemming: deze functie wordt ongeveer 2 minuten na het sluiten van het laatst geopende portier automatisch ingeschakeld. Druk om te voorkomen dat het alarm afgaat bij het openen van een portier nogmaals op de ontgrendelknop van de afstandsbediening. Uitschakelen met de sleutel Ontgrendel de portieren met de sleutel en stap in de auto.

Zet het contact aan; de identificatie van de sleutelcode zorgt ervoor dat de sirene stopt Uitschakelen met de afstandsbediening Druk op deze knop (cabine en sleutel). Het alarmsysteem wordt uitgeschakeld op het moment dat de auto wordt ontgrendeld. Gebruiksvoorschrift Snel uitschakelen van de sirene als deze per ongeluk is afgegaan: - zet het contact aan, de identificatie van de sleutelcode zorgt ervoor dat de sirene stopt, - druk op de ontgrendelknop (cabine en sleutel) van de afstandsbediening. Als u de auto wilt vergrendelen zonder het alarmsysteem in te schakelen, vergrendel de auto dan met de sleutel in het slot (bijvoorbeeld om de auto te wassen). Bij het ontgrendelen van de auto met de afstandsbediening wordt de sirene automatisch uitgeschakeld.

Het systeem bevat bovendien een sirene en een van buitenaf zichtbaar verklikkerlampje, dat de drie werkingsfasen van het alarm aangeeft: - alarm aan (in waakfase): het rode lampje knippert, - alarm uit (niet in waakfase): het lampje is uit, - alarm is afgegaan (inbraak gedetecteerd): het rode lampje knippert snel bij het ontgrendelen van de auto. Controleer eerst of alle portieren goed zijn gesloten. Druk op het hangslot om het alarm in te schakelen. De beveiliging wordt na enkele seconden ingeschakeld.

252 Toegang tot de autoVOORDAT U GAAT RIJDENVOORPORTIEREN Kinderbeveiliging Als de kinderbeveiliging is ingeschakeld, kan de schuifdeur niet meer van binnenuit geopend worden. Druk op de schakelaar op de zijkant van de schuifdeur. Bestuurdersportier Ontgrendel/vergrendel het portier met de afstandsbediening. SCHUIFDEUR Controleer of de rail op de vloer vrij is van voorwerpen die het openen of sluiten van de schuifdeur in de weg kunnen staan. Van buitenaf Trek de handgreep naar u toe en vervolgens naar achteren. Van binnenuit Duw de handgreep naar achteren om de schuifdeur te ontgrendelen en te openen. Open de schuifdeur volledig, zodat hij volledig wordt geblokkeerd. Trek aan de handgreep om de blokkering op te heffen en schuif de deur dicht. Ga niet rijden als de schuifdeur is geopend.

26 Toegang tot de auto ACHTERDEUREN Van buitenaf Trek de handgreep naar u toe. De twee deuren kunnen worden geopend in een hoek van 96°. Openen/sluiten van de achterdeuren Trek om de achterdeuren te openen de handgreep van de rechterdeur naar u toe en open de linkerdeur door aan de hendel aan de binnenzijde te trekken. Sluit om de achterdeuren te sluiten eerst de linkerdeur en vervolgens de rechterdeur. Openen van de achterdeuren met 180° De uitklapbare deurvangers (volgens uitvoering) maken het mogelijk de achterdeuren in een hoek van 96° tot 180°. Druk op de knop op het deurpaneel om de openingshoek te vergroten. Bij het sluiten van de deur komt de deurvanger automatisch in zijn oorspronkelijke stand terug.

Het verklikkerlampje van de schakelaar: - gaat branden als de portieren zijn vergrendeld en het contact is aangezet, - knippert vervolgens als de portieren zijn vergrendeld en de motor is afgezet. De schakelaar werkt niet als de auto van buitenaf is vergrendeld met de afstandsbediening of de sleutel in het portierslot. Laadruimte Druk op de knop om de schuifdeuren en achterdeuren vanuit de cabine te ontgrendelen. Het verklikkerlampje blijft branden zolang de portieren zijn vergrendeld. Anti-overvalsysteem Na het wegrijden worden de portieren van de cabine en de deuren van de laadruimte automatisch vergrendeld zodra sneller wordt gereden dan 20 km/h. Zolang er gedurende de rit geen portier wordt geopend, blijven de portieren vergrendeld. Activeren/deactiveren van de functie Druk om de functie te activeren/deactiveren op de toets MODE en selecteer "Autoclose".

292VOORDAT U GAAT RIJDENCockpit VERKLIKKERLAMPJES Bij het starten van de motor wordt een automatische controle van een aantal verklikkerlampjes uitgevoerd. Deze verklikkerlampjes blijven kort branden. Als bij draaiende motor een verklikkerlampje gaat branden of knipperen in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, is dit een teken dat het desbetreffende onderdeel of systeem niet goed werkt. Volg in dat geval altijd de desbetreffende instructies. Verklikkerlampje status signaleert Wat te doen Service blijft kort branden. storingen. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. blijft branden in combinatie met een melding op het display. ernstige storingen. Noteer de waarschuwingsmelding en neem contact op met het PEUGEOT-netwerk. Handrem - Remvloeistofniveau brandt. handrem (nog iets) aangetrokken. Zet de handrem los; het verklikkerlampje zal uitgaan. brandt.

remvloeistofniveau te laag. Vul de door PEUGEOT voorgeschreven remvloeistof bij. blijft branden, terwijl het niveau correct is. Stop onmiddellijk, zet het contact af en neem contact op met het PEUGEOT-netwerk. + Elektronische remdrukregelaar brandt. storing remdrukregelaar. Stop onmiddellijk. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. Te laag koelvloeistofniveau brandt. koelvloeistofniveau te laag. Zet de auto stil en zet het contact af. Laat de koelvloeistof afkoelen. Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Niveaus". Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.

Cockpit Verklikkerlampje status signaleert Wat te doen Koelvloeistof-temperatuur brandt en wijzer in rode gebied. een abnormale toename. Zet de auto stil, zet het contact af en laat de koelvloeistof afkoelen. Controleer visueel het niveau. op H in rode gebied. een te hoge koelvloeistof-temperatuur. Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Niveaus". Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. Motoroliedruk brandt tijdens het rijden. een te lage druk. Zet de auto stil, zet het contact af, laat de motorolie afkoelen en controleer het oliepeil. Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Niveaus". blijft branden, terwijl het niveau correct is. een ernstige storing. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. knippert enkele seconden in combinatie met een melding op het display. een bijna verstreken onderhoudsinterval.

Zie het overzicht met controlepunten in het onderhoudsboekje en laat de onderhoudsbeurt uitvoeren door het PEUGEOT-netwerk. Laden accu brandt. een storing in het laadcircuit. Controleer de accupolen ... Zie in de rubriek 8 het gedeelte "Accu". blijft branden of knipperen, terwijl de controles zijn uitgevoerd. een storing in een elektrisch circuit, de ontsteking of het brandstofsysteem. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. Geopend portier brandt. een niet goed gesloten portier, achterdeur, schuifdeur of motorkap. Controleer of de portieren, de achterdeuren, de schuifdeuren en de motorkap goed zijn gesloten.

2VOORDAT U GAAT RIJDENCockpit Verklikkerlampje status signaleert Wat te doen Veiligheidsgordel niet vastgemaakt brandt en gaat vervolgens knipperen. dat de bestuurder zijn veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt. Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting. in combinatie met een geluidssignaal; blijft vervolgens branden. tijdens het rijden dat de veiligheidsgordel van de bestuurder niet is vastgemaakt. Trek aan de gordel om de vergrendeling van de gesp te controleren. Zie in de rubriek 5 het gedeelte "Veiligheidsgordels". Stuurbekrachtiging brandt in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. een storing in het systeem. De conventionele werking van de stuurinrichting, zonder bekrachtiging, blijft behouden. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk. Airbag vóór/zij-airbag knippert of blijft branden. een defecte airbag.

Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk..Zie in de rubriek 5 het gedeelte "Airbags". Vering brandt. een storing in de pneumatische niveauregeling. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. ABS brandt. een storing in het systeem. De conventionele werking van het remsysteem, zonder bekrachtiging, blijft behouden. Het is echter raadzaam de auto stil te zetten en contact op te nemen met het PEUGEOT-netwerk. ASR knippert. een ingreep van de ASR. Het systeem verdeelt de aandrijfkracht optimaal over de wielen en verbetert zo de richtingsstabiliteit van de auto. Zie in de rubriek 5 het gedeelte "Veilig rijden". brandt, in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. een storing in het systeem. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.

Cockpit Verklikkerlampje status signaleert Wat te doen ESP knippert. de werking van het systeem. brandt. een storing in het systeem of in het hulpsysteem voor wegrijden op een helling. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. Zie in de rubriek 5 het gedeelte "Veilig rijden". een storing in de Intelligente tractiecontrole. Emissieregeling brandt. de regeneratie van het roetfilter. Het is raadzaam de motor te laten lopen tot het lampje dooft, om er zeker van te zijn dat de regeneratiefase is afgesloten, Rubriek 7, gedeelte "Controles". Emissieregeling brandt. een storing in het systeem. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door het PEUGEOT-netwerk. Uitschakeling airbag aan passagierszijde brandt. dat deze airbag handmatig is uitgeschakeld op het moment dat een kinderzitje met de rug in de rijrichting op deze plaats is bevestigd.

Schakel de airbag in of uit via het menu MODE van de boordcomputer. Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Mode". Elektronische startblokkering brandt. dat de gebruikte contactsleutel niet wordt herkend. De motor kan in dat geval niet worden gestart. Gebruik een andere sleutel en laat de defecte sleutel controleren door het PEUGEOT-netwerk. Zie in de rubriek 2 het gedeelte "Toegang tot de auto". Remblokken vóór brandt. dat de remblokken zijn versleten. Laat de remblokken vervangen door het PEUGEOT-netwerk.

332VOORDAT U GAAT RIJDENCockpit Verklikkerlampje status signaleert Wat te doen Water in brandstoffilter brandt in combinatie met een melding op het display.. de aanwezigheid van water in het brandstoffilter (diesel). Laat het filter aftappen door het PEUGEOT-netwerk. Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Controles". Laag brandstofniveau brandt met de wijzer in zone E. een bijna lege brandstoftank. Wacht niet met tanken. De actieradius met de resterende hoeveelheid brandstof is afhankelijk van de rijstijl, het profiel van de weg, de verstreken tijd en het aantal kilometers dat is gereden sinds het lampje brandt. knippert. een storing. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. Voorgloeien dieselmotor brandt. dat voorgloeien van de dieselmotor noodzakelijk is (koude omstandigheden). Wacht tot het lampje uit is alvorens de motor te starten. Parkeerlicht brandt, in combinatie met een melding op het display.

een handmatig geselecteerde stand. Draai de ring van de lichtschakelaar het automatisch branden van de lichten, ring in de stand A. Stel de gevoeligheid van de lichtsensor in via het menu MODE. Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Mode". Dimlicht brandt. een handmatig geselecteerde stand. Draai de ring van de lichtschakelaar in de tweede stand. Grootlicht dat u de hendel naar u toe trekt. Trek de hendel naar u toe om terug te keren naar dimlicht.

34 Cockpit Verklikkerlampje status signaleert Wat te doen Richtingaanwijzers knippert in combinatie met geluidssignaal. het inschakelen van de richtingaanwijzers met de lichtschakelaar links van het stuurwiel. Rechts: beweeg de hendel omhoog. Links: beweeg de hendel omlaag. Mistlampen vóór brandt. dat de knop op de middenconsole is ingedrukt. Handmatig selecteren. De mistlampen werken uitsluitend als het parkeerlicht of dimlicht is ingeschakeld. Mistachterlicht brandt. dat de knop op de middenconsole is ingedrukt. Handmatig selecteren. Het mistachterlicht werkt uitsluitend als het parkeerlicht of dimlicht is ingeschakeld. Schakel het mistachterlicht uit als het zicht weer normaal is. Snelheidsregelaar brandt. dat de snelheidsregelaar is geselecteerd. Handmatig selecteren. Zie in de rubriek 3 het gedeelte "Stuurkolomschakelaars". Defecte lamp brandt.

in combinatie met een melding op het display. dat een of meer lampen defect zijn. Laat de lamp vervangen. Zie in de rubriek 8 het gedeelte "Lampen vervangen" of raadpleeg het PEUGEOT-netwerk. Parkeerhulp achter brandt. een storing in het systeem. De parkeerhulp met geluidssignalen werkt niet meer. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door het PEUGEOT-netwerk.

352VOORDAT U GAAT RIJDENCockpit Display geeft weer signaleert Wat te doen Temperatuur/Gladheid het verklikkerlampje voor gladheid, de temperatuur die knippert en een melding die wordt weergegeven op het display. weersomstandigheden met kans op gladheid. Wees extra waakzaam en rem niet abrupt. Zie in de rubriek 5 het gedeelte "Veilig rijden". Datum 11:00:00 instellen: Datum. Tijd. een instelling via het menu MODE. Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Mode". Hoogte van de koplampverstelling een verstelling van de koplampen. stand 0 t/m 3, afhankelijk van de belading van de auto. Verstel de koplampen met de knop op het dashboard. Zie in de rubriek 3 het gedeelte "Stuurkolomschakelaars". Onderhoudssleutel de sleutel die blijft branden. een bijna verstreken onderhoudsinterval. Zie het overzicht met controlepunten in het onderhoudsboekje. Laat de onderhoudsbeurt uitvoeren door het PEUGEOT-netwerk.

36 Cockpit BRANDSTOFNIVEAUMETER Het brandstofniveau wordt aangegeven zodra het contact wordt aangezet. De wijzer staat op: - F (Full - vol): de brandstoftank is volledig gevuld (ongeveer 90 liter). - E (Empty - leeg): de brandstoftank is bijna leeg, het verklikkerlampje blijft branden. Het lampje gaat branden op het moment dat er nog ongeveer 11 liter brandstof in de tank aanwezig is. Optioneel kan de auto worden uitgerust met een brandstoftank met een inhoud van 60 of 125 liter. KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR De wijzer van de koelvloeistoftemperatuurmeter bevindt zich tussen C (Cold - koud) en H (Hot - warm): de temperatuur is in orde. Onder zware gebruiksomstandigheden of bij warm weer kan de wijzer in de buurt van het rode gebied komen. - wacht tot de motor is afgekoeld om het niveau te controleren en eventueel koelvloeistof bij te vullen.

Neem daarbij de volgende voorzorgsmaatregelen in acht: het koelcircuit staat onder druk. Draai om brandwonden te voorkomen de dop eerste 2 omwentelingen los om de druk te laten dalen. Controleer, als de druk eenmaal is gedaald, het niveau en verwijder de dop om koelvloeistof bij te vullen. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk als de wijzer in het rode gebied blijft staan. Raadpleeg in de rubriek 7 het gedeelte "Niveaus". Raadpleeg in de rubriek 7 het gedeelte "Brandstof". Als de wijzer in het rode gebied komt en/of het lampje gaat branden: - stop onmiddellijk en zet het contact af. De motorventilateur kan nog ongeveer 10 minuten blijven werken.

372VOORDAT U GAAT RIJDENCockpitONDERHOUDSINDICATOR Na het aanzetten van het contact brandt het lampje (een sleutel die onderhoudswerkzaamheden symboliseert) gedurende enkele seconden : het display geeft de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt aan volgens het onderhoudsschema van de constructeur (zie het onderhoudsboekje). Deze wordt bepaald op basis van de afgelegde afstand sinds de vorige onderhoudsbeurt. DIMMER DASHBOARDVERLICHTING De lichtsterkte van de dashboardverlichting kan worden ingesteld als de verlichting is ingeschakeld. Na enkele seconden schakelt het display weer over naar de normale weergave. Stel de lichtsterkte van de dashboardverlichting in met deze schakelaars. Er zijn 8 standen mogelijk. Door de toets lang in te drukken keert u terug naar het hoofdscherm. Raadpleeg rubriek 4 in het gedeelte "Mode".

Kwaliteitsindicator motorolie Raadpleeg het overzicht van de onderhoudsbeurten in het onderhoudsboekje dat u bij de afl evering van de auto is overhandigd. Oproepen van de informatie over het onderhoud De informatie over het onderhoud kan altijd worden geraadpleegd door kort op de toets MODE te drukken. Gebruik de pijltjestoetsen omhoog/omlaag om de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt en de kwaliteit van de motorolie weer te geven. Door de toets MODE opnieuw in te drukken, keert u terug naar de verschillende menu's op het display. Menu. Selecteer. Om. 12 Service Service (Km/Mijl tot olie verversen) Het nog af te leggen aantal kilometers/mijlen, totdat olie moet worden ververst, weer te geven. Olie Het olieniveau weer te geven. Het permanent knipperen van het lampje kan worden uitgeschakeld door een reparateur door middel van het diagnosegereedschap.

Deze melding die is gekoppeld aan het lampje, wordt op het instrumentenpaneel weergegeven zolang de olie niet is ververst. De kwaliteit van de olie heeft een grenswaarde overschreden. Om verdere verslechtering te voorkomen moet de olie zo snel mogelijk worden ververst.

Dit verklikkerlampje knippert bij het starten van de motor en er verschijnt, volgens uitvoering, een melding op het instrumentenpaneel: het systeem heeft een verslechtering van de kwaliteit van de motorolie gedetecteerd. De motorolie moet zo snel mogelijk worden ververst. Voor de 3. 0 HDi motoren zal het toerental beperkt worden tot 3000 t/min en vervolgens tot 1500 t/min zolang de olie niet is ververst. Laat de motorolie verversen om te voorkomen dat er schade aan de motor ontstaat.

38 Versnellingsbak en stuurwiel HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Trap om soepel te kunnen schakelen het koppelingspedaal altijd volledig in. Om te voorkomen dat de werking van het pedaal wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar. Laat tijdens het rijden niet uw hand op de versnellingspook rusten. Zelfs een lichte belasting op de pook kan na verloop van tijd slijtage aan de onderdelen in de versnellingsbak veroorzaken. VERSNELLINGSBAK EN STUURWIEL STUURWIEL IN DIEPTE VERSTELLEN Stel eerst, bij stilstaande auto, de stoel in de juiste stand af. Ontgrendel het stuurwiel door de hendel naar u toe te trekken. Stel het stuurwiel in de gewenste stand en vergrendel het weer door de hendel volledig terug te duwen. Uit veiligheidsoverwegingen mogen deze handelingen alleen bij stilstaande auto worden uitgevoerd.

Achteruit Trek de ring onder de pookknop omhoog om de achteruit in te schakelen. Schakel de achteruit pas in als de auto volledig stilstaat. Zet de pook met beleid in de achteruitversnelling om bijgeluiden te beperken. Als de achteruit is ingeschakeld, klinkt aan de buitenzijde van de auto een geluidssignaal. De parkeerhulp (volgens uitvoering) wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling automatisch ingeschakeld; hierbij klinkt een geluidssignaal. Raadpleeg in rubriek 4 het gedeelte "Parkeerhulp achter".

392VOORDAT U GAAT RIJDENStarten en stoppenSTARTEN EN STOPPEN Stand MAR : AAN. Verschillende accessoires functioneren. Stand AVV (Avviemento): startmotor. De startmotor wordt in werking gezet. Stand STOP : stuurslot. Het contact is afgezet. Gebruiksvoorschrift: starten Verklikkerlampje startblokkering Gebruik als dit lampje brandt een andere sleutel en laat de defecte sleutel controleren door het PEUGEOT-netwerk. Verklikkerlampje voorgloeien dieselmotor Zet het contact in de stand MAR . Wacht bij koud weer tot dit lampje uitgaat en zet vervolgens de startmotor in werking (stand AVV ) tot de motor aanslaat. Als de motor voldoende op temperatuur is, gaat het lampje na minder dan 1 seconde uit en kunt u de motor direct starten. Verklikkerlampje geopend portier Controleer als dit lampje brandt of de portieren, achterdeuren, schuifdeuren en de motorkap goed zijn gesloten!

Gebruiksvoorschrift: stoppen Ontzien van de motor en de versnellingsbak Laat de motor voordat u het contact afzet enkele seconden draaien om het toerental van de turbocompressor te laten dalen. Geef geen gas bij het afzetten van het contact. Het inschakelen van een versnelling na het parkeren van de auto is niet nodig. Bij lage temperaturen In bergachtige en/of koude gebieden wordt aanbevolen zogenaamde "winter" brandstof te tanken die speciaal geschikt is voor (zeer) lage temperaturen.

40 Starten en stoppen HILL HOLDER Deze aan het ESP gekoppelde functie vereenvoudigt het wegrijden op een helling en wordt geactiveerd onder de volgende omstandigheden: - de auto moet stilstaan met draaiende motor en het rempedaal ingetrapt, - de helling moet steiler zijn dan 5%, - bij het omhoog rijden op een helling moet de versnellingsbak in de neutraalstand staan of moet een versnelling zijn ingeschakeld, maar niet de achteruitversnelling, - bij het afdalen van een helling moet de achteruitversnelling zijn ingeschakeld. De Hill Holder of hulp bij het wegrijden op een helling is een voorziening om het rijcomfort te vergroten en kan niet gebruikt worden als elektrisch bediende handrem.

Als u het rempedaal en het koppelingspedaal hebt ingetrapt, hebt u zodra u het rempedaal loslaat ongeveer 2 seconden de tijd om, zonder dat de auto de helling af begint te rollen, gas te geven en weg te rijden. Bij het wegrijden wordt de functie automatisch gedeactiveerd door de remdruk geleidelijk te laten afnemen. Gedurende deze fase is het mogelijk dat de remmen hoorbaar zijn, het teken dat de auto in beweging komt. Storing In het geval van een storing in het systeem gaat dit verklikkerlampje branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding ter bevestiging op het display. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om het systeem te laten nakijken. De Hill Holder wordt gedeactiveerd onder de volgende omstandigheden: - als u het koppelingspedaal laat opkomen, - als de handrem wordt aangetrokken, - als de motor wordt afgezet, - als de motor afslaat.

413ERGONOMIE EN COMFORTC omfortGELUIDSISOLATIE De technische uitvoering van de vering van uw auto zorgt voor meer comfort.Deze ontwikkeling zorgt eveneens voor een vermindering van het geluidsniveau. COMFORT GELUIDSCOMFORT DOORSPECIALE BEHANDELING VAN DE CARROSSERIE De steenslagbescherming aan de onderzijde van de carrosserie en in de wielkuipen zorgt voor een aanzienlijk lager geluidsniveau en beschermt de carrosserie tegen beschadigingen van buitenaf. De carrosserie van uw auto heeft een cataforesebehandeling ondergaan die een perfecte bescherming tegen roest biedt. De anticorrosiegarantie bedraagt 6 jaar.

42 Stuurkolomschakelaars LICHTSCHAKELAAR Draai de ring met het witte merkteken in de stand van de gewenste verlichting. Alle verlichting uit Richtingaanwijzers (groene verklikkerlampjes) Links: omlaag. Rechts: omhoog. STUURKOLOMSCHAKELAARS Parkeerlichten aan Dimlicht/grootlicht aan Schakelen tussen dim- en grootlicht Trek de hendel volledig naar u toe. Lichtsignaal Trek de hendel naar u toe, ongeacht de stand van de ring. Mistlampen vóór Mistachterlicht De mistlampen (volgens uitvoering) werken als het parkeerlicht, dimlicht of grootlicht is ingeschakeld. Druk op één van deze schakelaars om de gewenste verlichting in te schakelen. De mistlampen mogen uitsluitend worden gebruikt bij dichte mist of zware sneeuwval. Bij helder of regenachtig weer, zowel overdag als 's nachts, is het mistachterlicht verblindend voor medeweggebruikers en daarom niet toegestaan.

Vergeet niet de mistlampen uit te schakelen zodra ze niet meer nodig zijn. Functie "snelweg" Trek de hendel naar het stuur tot aan het zware punt van de lichtschakelaar; de desbetreffende richtingaanwijzers zullen vijf keer knipperen.

433ERGONOMIE EN COMFORTStuurkolomschakelaarsAUTOMATISCHE VERLICHTING De automatische verlichting (volgens uitvoering) zorgt er bij een geringe lichtsterkte van de omgeving voor dat automatisch het dimlicht wordt ingeschakeld. Bij mist of sneeuwval kan de lichtsensor voldoende licht waarnemen en zullen de lichten niet automatisch worden ingeschakeld. Schakel het dimlicht indien nodig zelf in. De verlichting wordt uitgeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is. Inschakelen Draai de ring in de afgebeelde stand. Als het contact wordt afgezet, wordt de verlichting automatisch uitgeschakeld. Dek de lichtsensor in het midden van de voorruit niet af. FOLLOW ME HOME Contact afgezet of contact in de stand STOP. Zet binnen 2 minuten na het afzetten van de motor het contact in de stand STOP of verwijder de sleutel uit het contact. Trek de lichtschakelaar naar het stuurwiel toe.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Peugeot Boxer (2011) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden