Peugeot Bipper (2015) Handleiding

Peugeot Auto Bipper (2015)

Bekijk gratis de handleiding van Peugeot Bipper (2015) (193 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 88 mensen en kreeg gemiddeld 4.6 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over Peugeot Bipper (2015) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag


Beoordeel deze handleiding

4.6/5 (6 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Peugeot
Categorie: Auto
Model: Bipper (2015)

Handleiding Peugeot Bipper (2015) – volledige tekst

98Bluetooth handsfree systeemKopiëren van uw contactenlijstTwee mogelijkheden:1 - Na het opslaan van uw telefoon vraagt het systeem of u de contactenlijst naar het systeem van de auto wilt kopiëren.Opbellen van een contactpersoon uit de contactenlijstDit is uitsluitend mogelijk als de contactenlijst van uw telefoon naar het systeem van de auto is gekopieerd."CALL [Naam van de contactpersoon]"\wacht tot de gegevens van de contactpersoon in beeld verschijnen (naam, tel.nr., ...)\"Yes" om de persoon op te bellen of "No" om te annuleren.Bevestig door op deze toets te drukken."Yes" start het kopiëren.Weiger door op deze toets te drukken."No" om niet te kopiëren.2 - U kunt de contactenlijst op een later tijdstip alsnog kopiëren via het menu:Activeer het hoofdmenu.Selecteer achtereenvolgens SETTINGS, USER DATA en PHONEBOOK."Settings"\"User data"\"Download phone book".Activeer het hoofdmenu.Selecteer PHONEBOOK.Bevestig.Selecteer de groep waartoe uw contactpersoon behoort.Bevestig.Selecteer de naam.Bevestig om de contactpersoon op te bellen, indien er voor deze persoon één nummer is opgeslagen.Indien er voor de contactpersoon meerdere nummers zijn opgeslagen:Selecteer het nummer.Bevestig om de contactpersoon op te bellen.Geef de nadere informatie "Home" of "Work" of anders "NEXT" of "PREVIOUS".Druk op OK om de contactpersoon op te bellen.

99TECHNOLOGIE aan BOORDBluetooth handsfree systeem5Opbellen door een nummer te kiezen Gesprek beëindigen Inkomende oproep"Dial"\Spreek het nummer karakter voor karakter (+, #, *) en cijfer voor cijfer (0 t/m 9) uit.Het systeem geeft het herkende nummer weer en spreekt het uit.Zeg "CALL" als het nummer correct is.of"Cancel" om het kiezen van het nummer te annuleren."Start over" om het nummer te wissen en een nieuw nummer te kiezen."Repeat" om het nummer opnieuw te horen.Als de contactpersoon is opgeslagen in de index, wordt zijn naam weergegeven.Indrukken om de oproep te accepteren.Lang indrukken om de oproep te weigeren.Indrukken om de oproep te negeren, waarbij de oproep wordt opgeslagen in de lijst laatste inkomende oproepen.In het geval van een nieuwe oproep tijdens een gesprek.Alleen met gesproken commando's Lang indrukken.Indrukken, om het gesprek te wisselen en de andere persoon in de wacht te zetten.

100Bluetooth handsfree systeemOverdracht van een lopend gesprekTwee mogelijkheden:1 - Van de mobiele telefoon naar het handsfree-systeemAls het contact aan staat, probeert het systeem automatisch verbinding te maken tussen de mobiele telefoon en het audiosysteem van de auto.Bevestig deze verbinding met de toetsen van de mobiele telefoon.Vervolgens is de overdracht van een lopend gesprek mogelijk.In de wacht zetten van een gesprekLaatste oproepenMet behulp van deze functie kunt u naar het nummer van een van de laatste 10 ontvangen oproepen, naar een van de laatste 10 gekozen nummers of naar het nummer van een van de laatste 5 gemiste oproepen bellen.2 - Van het handsfree-systeem naar de mobiele telefoonIndrukken: de microfoon wordt uitgeschakeld en uw gesprekspartner wordt in de wacht gezet.Nogmaals indrukken: het gesprek wordt hervat.Activeer het hoofdmenu.Selecteer CALL LIST.Bevestig.Selecteer het te bellen nummer.Bevestig."Call back" voor de laatste persoon die u gebeld hebt, of"Redial" voor de laatste persoon die u zelf hebt gebeld."Yes" of "No" om te bevestigen/annuleren.Tevens kan het commando "Call back" worden gebruikt.Het systeem zal opnieuw vragen "Redial, of, Call back?"."Call back" voor de laatste persoon die u gebeld hebt."Redial" voor de laatste persoon die u zelf hebt gebeld.Indrukken: de gesproken commando's van het systeem blijven actief.

101TECHNOLOGIE aan BOORDBluetooth handsfree systeem5GESPROKEN COMMANDO'SDe gesproken commando's zijn in drie niveaus te onderscheiden (niveau 1, 2 en 3).Wanneer een commando van niveau 1 wordt uitgesproken, komen de commando's van niveau 2 beschikbaar; door vervolgens een commando van niveau 2 uit te spreken, komen de commando's van niveau 3 beschikbaar.Instellingen / koppelenNiveau 1 Niveau 2 Niveau 3 ActiesSettingsAdjustConfigureUser dataActiveren van het menu SETTINGS van het handsfree systeem.Activeren van het menu USER DATA.Delete users Wissen van de opgeslagen gegevens van alle gebruikers.Delete contacts / Delete directory / Delete numbersWissen van de gegevens in de contactenlijst.Copy phone book / Copy phonebook / Copy numbersKopiëren van de contactenlijsten van uw mobiele telefoon naar de handsfree set (beschikbaarheid functie afhankelijk van type mobiele telefoon).Add contactsKopiëren van de contactpersonen van uw mobiele telefoon naar de handsfree set (beschikbaarheid functie afhankelijk van type mobiele telefoon).Delete allWissen van de opgeslagen gegevens en de telefoonindexen/contactpersonen van alle opgeslagen telefoons, waarbij het handsfree-systeem weer terugkeert naar de standaardinstellingen.Pairing Activeren van de procedure voor het opslaan van een nieuwe mobiele telefoon.Advanced options Activeren van het menu ADVANCED OPTIONS.

102Bluetooth handsfree systeemDe gesproken commando's zijn in drie niveaus te onderscheiden (niveau 1, 2 en 3).Wanneer een commando van niveau 1 wordt uitgesproken, komen de commando's van niveau 2 beschikbaar; door vervolgens een commando van niveau 2 uit te spreken, komen de commando's van niveau 3 beschikbaar.GESPROKEN COMMANDO'SMobiele telefoon met handsfree functiesNiveau 1 Niveau 2 Niveau 3 ActiesDial/Dial a numberOne, Two, ..., Plus, Star, PoundCall / DialInvoeren van cijfers of symbolen om het telefoonnummer te kiezen.Delete / Correct Wissen van de laatste groep ingevoerde cijfers.Start over Wissen van alle groepen ingevoerde cijfers met de mogelijkheid om een nieuw nummer in te voeren.Repeat Herhalen van het ingevoerde en door het handfree-systeem herkende nummer.Cancel Annuleren van het kiezen van een nummer.Doorschakelen van het gesprek naar het ingesproken nummer.Call [ Naam ]Yes / No Opbellen van de in de index van het systeem opgeslagen contactpersoon.MobileOpbellen van de contactpersoon met omschrijving als er meerdere nummers in het systeem zijn opgeslagen.HomeWork / OfficeRedial Opbellen van de contactpersoon die u als laatste hebt gebeld.Callback Opbellen van de contactpersoon die het laatst heeft gebeld.

103TECHNOLOGIE aan BOORDBluetooth handsfree systeem5Als uw mobiele telefoon van deze functie is voorzien, wordt bij elk binnenkomend sms-bericht een geluidssignaal gegeven waarna u ervoor kunt kiezen het bericht door het systeem te laten oplezen.Binnenkomend sms-bericht oplezen.Zeg "YES"; het sms-bericht wordt opgelezen.Uitsluitend bij mobiele telefoons die van deze functie zijn voorzienBinnenkomend sms-bericht opslaan en later lezen.Zeg "NO"; het bericht wordt opgeslagen en kan later worden gelezen.OPLEZEN VAN SMS-BERICHTENOplezen van een binnenkomend sms-berichtOplezen van het laatst ontvangen sms-berichtActiveer het hoofdmenu.Selecteer MESS. READER.Bevestig.Selecteer READ LAST.Bevestig.Zeg "READ LAST": het laatst ontvangen sms-bericht wordt opgelezen.Lijst van sms-berichtenHet systeem kan ongeveer 20 sms-berichten opslaan.

Als de lijst vol is, wordt bij ontvangst van een nieuw sms-bericht het oudste opgeslagen sms-bericht gewist.Openen van een bepaald sms-bericht:Activeer het hoofdmenu.Selecteer MESS. READER.Bevestig.Selecteer IN BOX.Bevestig.

104Bluetooth handsfree systeemSelecteer het gewenste sms-bericht.Zeg "MESSAGE READER" en vervolgens na het geluidssignaal "in box".Door "previous" of "next" te zeggen kunt u door de lijst met sms-berichten scrollen.Zeg "read": het geselecteerde sms-bericht wordt opgelezen.Bevestig om het sms-bericht te lezen.Beheer van de sms-berichtenZeg "READ" om het oplezen te starten.Zeg "DELETE" om het bericht te wissen.Zeg "CALL" om de afzender van het bericht te bellen.Wissen van alle berichtenActiveer het hoofdmenu.Selecteer DELETE ALL.Bevestig.Het systeem vraagt u uw keuze te bevestigen:Bevestig uw keuze om de berichten te wissen.Annuleren.Zeg "Message reader" en zeg vervolgens na het geluidssignaal "Delete all".Het systeem vraagt u uw keuze te bevestigen, antwoord "YES" om te bevestigen of "NO" om te annuleren.Zeg " essage reader" en vervolgens na Mhet geluidssignaal " ignal type".SHet systeem noemt de mogelijkheden op; maak uw keuze door "Reader deactivated", " udio and visual info" of A"Visual info only" te zeggen.Instellingen voor het weergeven van de informatieActiveer het hoofdmenu.Kies de gewenste optie.Tijdens het lezen van een bericht:Activeer het hoofdmenu.Selecteer MESS.

READER.Bevestig.Selecteer SIGNAL TYPE.Bevestig en kies vervolgens uit een van de drie volgende mogelijkheden:- Geluid en visueel: het systeem geeft met een geluidssignaal en een melding aan dat een bericht is binnengekomen en biedt aan het bericht op te lezen.- Uitsluitend visueel: de ontvangst van een bericht wordt via een melding op het instrumentenpaneel aangegeven.- Uitschakelen: de functie oplezen van sms-berichten is uitgeschakeld.

105TECHNOLOGIE aan BOORDBluetooth handsfree systeem5GESPROKEN COMMANDO'SOplezen sms-berichtenDe gesproken commando's zijn in drie niveaus te onderscheiden (niveau 1, 2 en 3).Wanneer een commando van niveau 1 wordt uitgesproken, komen de commando's van niveau 2 beschikbaar; door vervolgens een commando van niveau 2 uit te spreken, komen de commando's van niveau 3 beschikbaar.Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 ActiesMessage reader/MessagesMessages received / ReceivedActiveren van het menu MESS.

READER.Toegang tot de lijst van ontvangen sms-berichten.Read / read again Oplezen van het in de lijst geselecteerde sms-bericht.CALL Bellen van de afzender van het sms-bericht.Delete Annuleren van het bellen van de afzender van het sms-bericht of wissen van het sms-bericht dat wordt opgelezen.Back / Next / NEXT Verdergaan naar het volgende sms-bericht in de lijst.Back / PREVIOUS Teruggaan naar het vorige sms-bericht in de lijst.Read last / Read last message / Read message Oplezen van het laatst ontvangen sms-bericht.Delete all / Delete messages / Delete Wissen van alle sms-berichten na bevestiging.

106Bluetooth handsfree systeemNiveau 1 Niveau 2 Niveau 3 ActiesMessage reader/Messages Type of info / InfoActiveren van het menu MESS. READER.Activeren van de functie instellingen informatieweergave.Deactivate reader / Reader not activative / Reader offUitschakelen van de functie oplezen sms-berichten.Visual and aidible info / Visual and audible / Visual plus audible / AudibleSignaleren van een binnenkomend sms-bericht via een melding op het scherm van het instrumentenpaneel en een geluidssignaal.Only visual signal/Visual Signal/VisualSignaleren van een binnenkomend sms-bericht uitsluitend via een melding op het scherm van het instrumentenpaneel.

107TECHNOLOGIE aan BOORDBluetooth handsfree systeem5Het systeem kan audiobestanden in het formaat .mp3, .wma en .wav en speellijsten in het formaat .wpl afspelen.Selecteren van bestandenDRAAGBARE AUDIOSPELERAutomatisch afspelenUSB-aansluitingSluit het apparaat rechtstreeks of met een geschikte kabel (niet bijgeleverd) aan op de USB-aansluiting.Als het contact aan staat:- maakt het systeem verbinding met de speler en wordt automatisch de afspeellijst opgestart,- of begint het systeem automatisch met afspelen als het hierop is ingesteld.Selecteer anders een af te spelen bestand via het menu.Activeer het hoofdmenu.Selecteer achtereenvolgens SETTINGS, MEDIA PLAYER en TRACK PLAY.Bevestig.Selecteer ON of READER OFF.Bevestig.Activeer het hoofdmenu.Selecteer MEDIA PLAYER.Bevestig.Selecteer een van de volgende selectiecriteria:FOLDERS, ARTISTS, GENRES, ALBUMS, PLAYLISTS, SHUFFLE (willekeurig afspelen van de bestanden van de afspeellijst).Zeg " edia player" en vervolgens M"USB options" en kies daarna "Folders", "artists", ...

108Bluetooth handsfree systeemWeergeven van informatie over het bestandVorige bestandBevestig.Onderbreken/hervatten van het afspelenVolgende bestandWijzigen van de geluidsbronSelecteer het bestand.Begin met afspelen.Deze functie kan uitsluitend via gesproken commando's worden gebruikt.Indrukken:- binnen 3 seconden na het begin van het afspelen: om het vorige bestand af te spelen.- na 3 seconden: om terug te gaan naar het begin van het huidige bestand."Previous".Indrukken om naar het volgende bestand te gaan."Next".Zeg " top" om het afspelen te onderbreken Sen " lay" om het afspelen te hervatten.PIndrukken om de audiobron (radio, CD, media player) te selecteren.Indrukken om het afspelen te onderbreken of te hervattenZeg " rack info".THet gesproken commando kan "Play"alleen worden gebruikt als het afspelen met het commando was "Stop"onderbroken.

109TECHNOLOGIE aan BOORDBluetooth handsfree systeem5GESPROKEN COMMANDO'SDraagbare audiospelerNiveau 1 ActiesPlayer / Multimedia player / Media player Activeren van het menu MEDIA PLAYER.Play / Play the track / Play the multimedia file Beginnen met afspelen.Stop / Stop music / Stop the multimedia file Onderbreken van het afspelen van het huidige bestand.Next / Next track Naar het volgende menu of het volgende bestand.Previous / Previous track / Back Naar het vorige menu of het vorige bestand.Shuffle on / Random play on Activeren in willekeurige volgorde afspelen van de bestanden.Shuffle off / Random order off Deactiveren in willekeurige volgorde afspelen van de bestanden.Track repeat on / Repeat on / Repeat Activeren van het herhalen van bestanden.Track repeat off / Repeat off Deactiveren van het herhalen van bestanden.Now playing / Track information / What is playing / What is this?

Weergeven van informatie over het bestand dat wordt afgespeeld.USB media settings / USB settings Activeren van het menu Instellingen van de MEDIA PLAYER.Activate automatic play Activeren van het automatisch afspelen als de draagbare speler wordt aangesloten.Deactivate automatic play Deactiveren van het automatisch afspelen als de draagbare speler wordt aangesloten.Shuffle / Any / Random Activeren in willekeurige volgorde afspelen van de bestanden.De gesproken commando's zijn in drie niveaus te onderscheiden (niveau 1, 2 en 3).Wanneer een commando van niveau 1 wordt uitgesproken, komen de commando's van niveau 2 beschikbaar; door vervolgens een commando van niveau 2 uit te spreken, komen de commando's van niveau 3 beschikbaar.

110Bluetooth handsfree systeemNiveau 1 Niveau 2 Niveau 3 ActiesPlayer / Multimedia player / Media player / PlayerActiveren van het menu van de MEDIA PLAYER.Advanced USB options / Other options Activeren van de afspeelopties.Folder / Explore folders / Consult list of foldersActiveren van het menu FOLDERS.Artists / List of artists Activeren van het menu ARTISTS.Genres / List of genres Activeren van het menu GENRES.Album / List of albums Activeren van het menu ALBUMS.Playlist / List of tracks Activeren van het menu PLAYLISTS.

1116VEILIGHEIDVeiligheid tijdens het rijdenHANDREMAantrekkenTrek aan de hendel van de handrem om de auto op de handrem te zetten.Controleer voordat u uitstapt of de handrem goed is aangetrokken.Als de handrem nog (iets) is aangetrokken, wordt dit aangegeven door dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel.Als de auto stilstaat op een helling, draai dan de wielen richting trottoir en trek de handrem aan.Het is dan niet voldoende om alleen een versnelling in te schakelen bij het parkeren van de auto, zeker niet bij een beladen auto.Trek de handrem uitsluitend bij stilstaande auto aan.Trek, in het uitzonderlijke geval dat de handrem wordt gebruikt als de auto rijdt, deze voorzichtig aan om de achterwielen niet te blokkeren (slipgevaar).ALARMKNIPPERLICHTENLoszettenTrek aan de hendel van de handrem en druk op de knop om de handrem los te zetten.Druk deze knop in, alle richtingaanwijzers knipperen tegelijkertijd.De alarmknipperlichten werken ook als het contact is afgezet.Als de alarmknipperlichten zijn ingeschakeld, heeft het inschakelen van de richtingaanwijzers links of rechts met de richtingaanwijzerschakelaar geen effect.

112Veiligheid tijdens het rijdenCLAXONDruk in het midden van het stuurwiel. Antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische remdrukregelaarDeze systemen zorgen tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto, vooral op een slecht of glad wegdek. HULPSYSTEMEN BIJ HET REMMENUw auto is voorzien van drie systemen die u helpen om de auto in een noodsituatie veilig tot stilstand te brengen:- het antiblokkeersysteem (ABS),- de elektronische remdrukregelaar (EBD),- Brake Assist System (BAS). InschakelenHet antiblokkeersysteem treedt automatisch in werking zodra een van de wielen dreigt te blokkeren. Als het antiblokkeersysteem ingrijpt, is dat merkbaar aan het trillen van het rempedaal en een specifiek geluid; dit is de normale werking. Trap het rempedaal bij een noodstop krachtig en volledig in en laat het niet los.

StoringAls dit waarschuwingslampje gaat branden in combinatie met een melding op het display van het instrumentenpaneel, duidt dit op een storing in het antiblokkeersysteem. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen. Als dit waarschuwingslampje gaat branden in combinatie met het waarschuwingslampje ABSen een melding op het display van het instrumentenpaneel, duidt dit op een storing in de elektronische remdrukregelaar. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen. Stop op een veilige plaats. GebruiksvoorschriftHet antiblokkeersysteem garandeert geen kortere remweg. Op een erg glad wegdek (ijzel, olie, enz. ) kan de remweg door de werking van het ABS juist langer zijn. Trap het rempedaal bij een noodstop krachtig en volledig in en laat het niet los, ook niet op een glad wegdek.

Het ABS zorgt er dan voor dat u om het obstakel heen kunt sturen. Zorg er bij vervanging van de wielen (banden en velgen) voor dat er wielen worden gemonteerd die aan de voorschriften van de constructeur voldoen.

1136VEILIGHEIDVeiligheid tijdens het rijdenBrake-Assist-System*Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat de remafstand kleiner wordt. Het Brake-Assist-System maakt onderdeel uit van het ESC-systeem. InschakelenHet systeem wordt ingeschakeld als het rempedaal sneller wordt ingetrapt dan een bepaalde grenswaarde. Het systeem zorgt er dan voor dat de benodigde bedieningskracht minder wordt en dat de effectiviteit van het remmen wordt vergroot. Trap het rempedaal bij een noodstop zeer krachtig in en laat het pedaal niet los. GebruiksvoorschriftDit systeem kan niet door de bestuurder worden uitgeschakeld. * Afhankelijk van het land van bestemming.

STABILITEITSCONTROLESYSTEMENElektronisch stabiliteitsprogramma (ESC)Het elektronisch stabiliteitsprogramma grijpt in via de remmen van één of meer wielen en via het motorkoppel om de auto (binnen de natuurkundige grenzen) weer in de juiste koers te brengen. InschakelenDit systeem wordt automatisch ingeschakeld zodra de motor wordt gestart en kan niet worden uitgeschakeld. Het systeem wordt geactiveerd zodra de wielen te weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt van de door de bestuurder gewenste richting. Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie met een melding op het display van het instrumentenpaneel, wijst dit op een storing in dit systeem. Het systeem wordt dan automatisch uitgeschakeld. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.

Antislipregeling (ASR) en motorkoppelregeling (MSR)De antislipregeling zorgt voor een optimale tractie. Het systeem voorkomt het spinnen van de wielen door in te grijpen op de remmen van de aangedreven wielen en op het motormanagement. Het MSR-systeem maakt onderdeel uit van het ASR-systeem en treedt in werking als te abrupt wordt geschakeld of als de aangedreven wielen gaan glijden. Door het motorkoppel te vergroten zorgt het systeem ervoor dat de auto stabiel blijft.

InschakelenAls de motor wordt gestart, worden deze systemen automatisch ingeschakeld. Deze systemen treden in werking als de auto grip verliest of uit de koers dreigt te raken. UitschakelenIn bijzondere omstandigheden (als de auto vastzit in de modder, sneeuw, in mulle grond,. ) kan het nuttig zijn het ASR-systeem uit te schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen en weer grip kunnen krijgen. In dat geval gaat dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel knipperen. Storing.

114Veiligheid tijdens het rijdenOpnieuw inschakelenHet ASR-systeem wordt automatisch weer ingeschakeld als het contact opnieuw wordt aangezet.F Druk nogmaals op de knop "ASR OFF" om het systeem handmatig weer in te schakelen.StoringAls dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie met het verklikkerlampje ASR OFF, een geluidssignaal en een melding op het display van het instrumentenpaneel, duidt dit op een storing in het ASR-systeem. Het systeem wordt dan automatisch uitgeschakeld.Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.GebruiksvoorschriftHet ESC- en het ASR-systeem zorgen voor meer veiligheid tijdens het rijden.

De bestuurder mag zich echter nooit laten verleiden tot het nemen van meer risico's of tot het te snel rijden.De goede werking van de systemen wordt verzekerd door de naleving van de voorschriften van de constructeur op het gebied van wielen (banden en velgen), onderdelen van het remsysteem, elektronische onderdelen alsmede de montageprocedure en het uitvoeren van werkzaamheden door het netwerk.Laat de systemen na een aanrijding controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.F Druk op de toets , die zich "ASR OFF"op het bedieningspaneel links van het stuurwiel bevindt.Als dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel brandt en er een melding op het display verschijnt, is het ASR-systeem uitgeschakeld.

1156VEILIGHEIDVeiligheid tijdens het rijdenIntelligent Traction ControlSysteem dat zorgt voor extra tractie in situaties met weinig grip (sneeuw, ijzel, modder...).Dit systeem signaleert situaties met weinig grip en zorgt ervoor dat u onder deze omstandigheden kunt wegrijden en kunt blijven rijden.In dergelijke omstandigheden, neemt de Intelligent Traction Control de werking van de ASR over door de aandrijfkracht over te brengen op het wiel met de meeste grip, waardoor de tractie en de bestuurbaarheid optimaal zijn.InschakelenBij het starten van de auto is dit systeem uitgeschakeld.Druk op de toets op het bedieningspaneel links van het stuurwiel om het systeem in te schakelen.UitschakelenDruk op de toets op het bedieningspaneel links van het stuurwiel om het systeem uit te schakelen.Het verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaat uit en de ASR wordt weer ingeschakeld.StoringDit lampje blijft branden op het instrumentenpaneel in het geval van een storing in het systeem.

Dit lampje op het instrumentenpaneel gaat branden in combinatie met een melding op het display om te bevestigen dat het systeem is ingeschakeld.Het systeem werkt tot ongeveer 30 km/h.Zodra u sneller rijdt dan 30 km/h, wordt het systeem automatisch gedeactiveerd, maar blijft het verklikkerlampje branden.Het systeem wordt automatisch weer geactiveerd zodra u weer langzamer dan 30 km/h rijdt.

116Veiligheid tijdens het rijdenBANDENSPANNINGSCONTROLESySTEEMDit systeem controleert automatisch de bandenspanning tijdens het rijden. Het systeem bewaakt de spanning van de vier banden zodra de auto begint te rijden. Het systeem vergelijkt de signalen van de snelheidssensoren van de wielen met de referentiewaarden die elke keer nadat de banden op spanning zijn gebracht of na het verwisselen van een wiel moeten worden gereset. Het systeem geeft een waarschuwing zodra wordt gesignaleerd dat de spanning van een of meer banden te laag is. Het bandenspanningscontrolesysteem is niet meer dan een hulpmiddel, hetgeen inhoudt dat de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder niet door het systeem kunnen worden vervangen. Het systeem onthoudt u niet van de verantwoordelijkheid om elke maand de bandenspanning te controleren (ook die van het reservewiel).

Doe dit ook voordat u een lange rit gaat maken. Het rijden met een te lage bandenspanning heeft een nadelige invloed op het weggedrag en de remweg van de auto en veroorzaakt vroegtijdige bandenslijtage, vooral onder zware omstandigheden (zware belading, hoge snelheden, een lange rit). Het rijden met een te lage bandenspanning veroorzaakt bovendien een hoger brandstofverbruik. De voor uw auto voorgeschreven bandenspanning vindt u op de sticker met de bandenspanningen. Zie de rubriek "Identificatie". De bandenspanning moet worden gecontroleerd als de banden "koud" zijn (de auto staat langer dan een uur stil of er is minder dan 10 km gereden met een beperkte snelheid). Onder andere omstandigheden (bij warme banden) moet de bandenspanning ten opzichte van de op de sticker vermelde spanning met 0,3 bar worden verhoogd.

Waarschuwing te lage bandenspanningU krijgt deze waarschuwing als dit lampje blijft branden in combinatie met een melding (volgens uitvoering). F Verminder onmiddellijk uw snelheid en vermijd plotselinge stuurbewegingen en krachtig remmen. F Stop zodra dit mogelijk is op een veilige plaats.

Een te lage bandenspanning is niet altijd aan de band te zien. Een visuele controle is dus niet voldoende. F Gebruik in het geval van een lekke band de bandenreparatieset of het reservewiel (volgens uitvoering),ofF controleer als u een compressor in de auto hebt, bijvoorbeeld die van de set voor tijdelijke bandenreparatie, de spanning van de vier banden als deze zijn afgekoeld,ofF rijd voorzichtig verder als het niet mogelijk is om deze controle onmiddellijk uit te voeren. De waarschuwing blijft actief tot het systeem is gereset.

1176VEILIGHEIDVeiligheid tijdens het rijdenResettenElke keer nadat u een of meer banden op spanning hebt gebracht en na het verwisselen van een of meer wielen, moet u het systeem resetten.Controleer voordat u het systeem gaat resetten of de spanning van de vier banden overeenkomstig de gebruiksomstandigheden van de auto en de voorschriften op de sticker met de bandenspanningen is.Het bandenspanningscontrolesysteem geeft geen meldingen als de bandenspanning bij het resetten onjuist is.F Druk met aangezet contact en stilstaande auto gedurende ongeveer drie seconden op deze knop en laat de knop vervolgens los; het resetten wordt bevestigd door een geluidssignaal.Het bandenspanningscontrolesysteem werkt alleen betrouwbaar als bij het resetten van het systeem de vier banden de correcte spanning hebben.SneeuwkettingenHet systeem hoeft niet gereset te worden na het aanbrengen of verwijderen van sneeuwkettingen.Als het waarschuwingslampje te lage bandenspanning gaat knipperen en vervolgens blijft branden in combinatie met een melding (volgens uitvoering), wijst dit op een storing in het systeem.Controleer na werkzaamheden aan het systeem altijd de spanning van de vier banden en reset het systeem vervolgens.StoringIn dat geval werkt de bandenspanningscontrole mogelijk niet goed.Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.

118VeiligheidsgordelsVEILIGHEIDSGORDELS VÓÓRDe voorstoelen zijn voorzien van veiligheidsgordels met pyrotechnische gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers.VastmakenTrek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.Trek aan de gordel om de vergrendeling van de gesp te controleren.De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden gebracht. De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder worden geplaatst.Veiligheidsgordels met oprolautomaatDeze zijn voorzien van een automatische blokkeerinrichting die in werking treedt bij een aanrijding of een noodstop.Dankzij de toepassing van veiligheidsgordels met gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers is de veiligheid van de inzittenden bij frontale aanrijdingen nog verder verbeterd.

De gordelspanners dienen om, afhankelijk van de kracht van de aanrijding, de autogordels stevig tegen de lichamen van de inzittenden te trekken.De veiligheidsgordels met gordelspanners werken alleen als het contact is aangezet.De gordelkrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee de gordel tegen het lichaam van de inzittende getrokken wordt.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel bestuurderAls de bestuurder zijn veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt, gaat bij het starten van de motor het waarschuwingslampje branden.VEILIGHEIDSGORDELS ACHTER (COMBI)De driezitsbank is voorzien van driepunts veiligheidsgordels met oprolautomaat en spankrachtbegrenzer.De middelste zitplaats is voorzien van een gordelgeleider en een oprolautomaat die zijn bevestigd aan de rugleuning.Als een veiligheidsgordel niet wordt gebruikt, kunt u de gesp ervan opbergen in de daarvoor bestemde uitsparing in de zitting.Als de bestuurder zijn veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt, werkt de START-stand van het Stop & Start-systeem niet.

1196VEILIGHEIDVeiligheidsgordelsGebruiksvoorschriftDe bestuurder moet ervan verzekerd zijn dat alle passagiers op de juiste manier gebruik maken van hun veiligheidsgordel. Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al betreft het een korte rit. De veiligheidsgordels zijn voorzien van een oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte van de gordel automatisch wordt aangepast aan uw lichaamsbouw. De gordel wordt automatisch opgerold als deze niet wordt gebruikt. Controleer zowel voor en na het gebruik van de gordel of deze goed is opgerold. Controleer na het neerklappen of verplaatsen van een stoel of de gordel goed is opgerold en de gordelsluiting zich op de juiste plaats bevindt. De gordelkrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee de gordel tegen het lichaam van de inzittenden getrokken wordt.

De gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers werken alleen als het contact is aangezet. De oprolautomaten zijn voorzien van een automatische blokkeerinrichting die in werking treedt bij een aanrijding of een noodstop. Als de gordelspanners zijn geactiveerd, licht het verklikkerlampje airbag op. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwaliceerde werkplaats. De gordelspanners van de autogordels vóór kunnen, afhankelijk van de aard en de kracht van de aanrijding, onafhankelijk van de airbags afgaan. De gordelspanners trekken de veiligheidsgordels direct stevig tegen het lichaam van de inzittenden. Het afgaan van de gordelspanners gaat gepaard met lichte onschadelijke rookvorming en een geluid als gevolg van het activeren van de pyrotechnische lading in het systeem.

Voor een effectieve werking van de veiligheidsgordel:- mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen,- moet worden voorkomen dat de gordel gedraaid raakt en moet de gordel in een vloeiende beweging naar voren worden getrokken,- dient deze strak om het lichaam te worden gedragen. De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder worden geplaatst.

De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden geplaatst. Draai de gespen van de veiligheidsgordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoende effectief. Als de zitplaatsen zijn voorzien van armsteunen, moet de heupgordel altijd onder de armsteun door worden geleid. Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door even aan de riem te trekken. Voorschriften voor kinderen:- maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan 1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje. - laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden. De veiligheidsgordel mag door niet meer dan één persoon gedragen worden. Raadpleeg voor meer informatie over kinderzitjes de rubriek "Veiligheid - "Kinderen aan boord".

Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften moeten werkzaamheden aan de veiligheidsgordels worden uitgevoerd door een gekwaliceerde werkplaats waarvan het personeel over de noodzakelijke kennis beschikt en die is voorzien van de geschikte apparatuur. Het PEUGEOT-netwerk voldoet aan deze eisen. Laat de veiligheidsgordels van uw auto regelmatig (ook na een kleine aanrijding) controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwaliceerde werkplaats: de gordels mogen geen slijtagesporen en scheuren vertonen en er mogen geen wijzigingen aan de gordels zijn aangebracht. Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop of een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.

120AirbagsALGEMENE INFORMATIE OVER DE AIRBAGSDe airbags zijn speciaal ontworpen voor een betere veiligheid van de inzittenden bij ernstige aanrijdingen: ze vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met spankrachtbegrenzers.De elektronische schoksensoren registreren in dat geval de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan de registratiezones voor een aanrijding worden blootgesteld:- bij een ernstige aanrijding worden de airbags onmiddellijk opgeblazen en helpen ze de inzittenden van de auto te beschermen. Direct na de aanrijding ontsnapt het gas zodat noch het zicht, noch het eventueel verlaten van de auto door de inzittenden wordt belemmerd,- bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding van achteren en in bepaalde gevallen waarin de auto over de kop slaat, treden de airbags niet in werking.

De veiligheidsgordels kunnen in een dergelijke situatie voor een afdoende bescherming zorgen.De kracht van de aanrijding is afhankelijk van het soort obstakel en de snelheid van de auto op dat moment.De airbags werken alleen als het contact aan is.De airbags werken slechts eenmaal.

Als er een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een volgend ongeval), werken de airbags niet meer.Het activeren van de airbags gaat gepaard met wat rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd.De rook is niet schadelijk, maar kan voor personen die daar gevoelig voor zijn, irriterend zijn.De knal die bij de ontsteking wordt geproduceerd, kan het gehoor gedurende een korte periode enigszins verminderen.Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel is geplaatst, moet de airbag vóór aan passagierszijde zijn uitgeschakeld.Raadpleeg de rubriek "Veiligheid - Kinderen aan boord".

1216VEILIGHEIDAirbagsZIJ-AIRBAGSActiveringDe zij-airbag wordt opgeblazen bij een ernstige zijdelingse aanrijding, haaks op de lengteas van de auto en vanaf de buitenzijde naar de binnenzijde van de auto, die zich in horizontale positie moet bevinden.De zij-airbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het desbetreffende portierpaneel.Bij een lichte zijdelingse aanrijding of bij over de kop slaan, kan het zijn dat de airbag niet wordt geactiveerd.Storing Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwaliceerde werkplaats om het systeem te laten controleren wanneer het verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaat branden. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet meer geactiveerd worden.

122AirbagsAIRBAGS VÓÓRDeze zijn voor de bestuurder in het midden van het stuurwiel en voor de passagier in het dashboard aangebracht.ActiveringZe worden geactiveerd bij een ernstige frontale aanrijding, behalve de airbag aan passagierszijde als deze is uitgeschakeld.De airbag vóór wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het dashboard om te voorkomen dat de inzittende naar voren wordt geworpen.Uitschakelen van de airbag vóór aan passagierszijdeUitsluitend de airbag vóór aan passagierszijde kan worden uitgeschakeld.

Het uitschakelen gebeurt met de toets SET/Terug op het bedieningspaneel links van het stuurwiel: selecteer in het menu "Bag p" de optie "OFF".Het verklikkerlampje van de airbag vóór aan passagierszijde op het centrale paneel met schakelaars brandt zolang de airbag is uitgeschakeld.Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag vóór aan passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel plaatst.

Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken.Raadpleeg de rubriek "Technologie aan boord - Configuratie van de auto".StoringPlaats geen kinderzitje op de voorstoel met de rug in de rijrichting wanneer de twee verklikkerlampjes van de airbags permanent branden.Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwaliceerde werkplaats.Wanneer dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel brandt, een geluidssignaal klinkt en een melding op het display verschijnt, neem dan contact op met het PEUGEOT-netwerk of met een gekwaliceerde werkplaats om het systeem te laten controleren. Het is mogelijk dat de airbags niet in werking treden bij een ernstige aanrijding.

1236VEILIGHEIDAirbagsHoud u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags:Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen te zitten.Draag altijd een correct afgestelde veiligheidsgordel.Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten...).Dit kan de goede werking van de airbag belemmeren en/of de inzittenden bij het opblazen van de airbag verwonden. Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto het airbagsysteem controleren.Uitsluitend personeel van het PEUGEOT-netwerk of van een gekwalificeerde werkplaats mag werkzaamheden uitvoeren aan airbagsystemen. Zelfs wanneer alle voorschriften worden gevolgd, bestaat er een risico op verwondingen of lichte brandwonden aan hoofd, borst of armen wanneer een airbag onverhoopt afgaat.

De airbag wordt namelijk vrijwel onmiddelijk opgeblazen (in enkele milliseconden) en loopt vrijwel meteen weer leeg, waarbij hete gassen vrijkomen via de daarvoor bedoelde openingen.Airbags vóórHoud het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuurwielkussen rusten.Laat aan passagierszijde uw voeten niet op het dashboard rusten.Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken.Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet op.Zij-airbagsBedek de stoelen uitsluitend met goedgekeurde stoelhoezen die geschikt zijn voor stoelen met zij-airbags. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk voor meer informatie over de voor uw auto geschikte stoelhoezen.

Zie ook het hoofdstuk "Accessoires".Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het afgaan van de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of middel.Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten.

124Kinderen aan boordALGEMENE INFORMATIE MET BETREKKING TOT KINDERZITJESHoewel PEUGEOT bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf.* De regelgeving met betrekking tot het vervoer van kinderen zijn per land verschillend.

Raadpleeg de in uw land geldende regels.Volg voor een optimale veiligheid de volgende adviezen op:- conform de Europese wetgeving dienen kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner dan 1,50 m in gehomologeerde, aan het lichaamsgewicht aangepaste kinderzitjes op met veiligheidsgordels of ISOFIX-bevestigingen uitgeruste plaatsen te worden vervoerd*,- de veiligste plaats voor het vervoeren van een kind is volgens de statistieken een plaats op de achterbank van uw auto,- kinderen tot 9 kg moeten zowel voor- als achterin met de rug in de rijrichting worden vervoerd.PEUGEOT beveelt u aan kinderen op de achterzitplaatsen van uw auto te vervoeren:- met de rug in de rijrichting tot 3 jaar,- met het gezicht in de rijrichting vanaf 3 jaar.

1256VEILIGHEIDKinderen aan boordKINDERZITJE ACHTERIN (COMBI)"Rug in de rijrichting"Schuif als u een kinderzitje "met de rug in de rijrichting" achterin plaatst de voorstoel naar voren en zet de rugleuning van de voorstoel rechtop, zodat het kinderzitje de voorstoel niet raakt."Gezicht in de rijrichting"Schuif als u een kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" achterin plaatst de voorstoel naar voren en zet de rugleuning van de voorstoel rechtop, zodat de benen van het kind de voorstoel niet raken.Controleer of de veiligheidsgordel goed strak staat. Controleer bij kinderzitjes met een standaard of deze goed op de vloer steunt.

126Kinderen aan boordKINDERZITJE OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR*"Met de rug in de rijrichting"Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel voor wordt geplaatst, moet de stoel in de middelste stand van de verstelling in lengterichting worden geschoven, en in de hoogste stand en met de rugleuning rechtop worden gezet.De airbag aan passagierszijde moet zijn uitgeschakeld.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Peugeot Bipper (2015) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden