Peugeot 308 CC (2013) Handleiding

Peugeot Auto 308 CC (2013)

Bekijk gratis de handleiding van Peugeot 308 CC (2013) (268 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 40 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over Peugeot 308 CC (2013) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag


Beoordeel deze handleiding

4.2/5 (5 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Peugeot
Categorie: Auto
Model: 308 CC (2013)

Handleiding Peugeot 308 CC (2013) – volledige tekst

Het instructieboekje online in de rubriek "MyPeugeot". gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkering die wordt weergegeven met dit pictogram: internetadres raadplegen: http://public.servicebox.peugeot.com melden), de taal, Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch systeem van uw auto veroorzaken. Houdt u rekening met deze bijzonderheid en wij raden u aan contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk PEUGEOT om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires voorzien van het betreffende artikelnummer. Selecteer: meest recente gegevens via het pictogram:

 87, 88 85 56 233 1798IN EEN OOGOPSLAG Sfeerverlichting De gedempte interieurverlichting verbe-tert het zicht in de auto als deze zich in een donkere omgeving bevindt. "AIRWAVE"-systeem Dit verwarmingssysteem is geïntegreerd in de hoofdsteunen van de voorstoelen en verbetert het comfort ter hoogte van uw hals en nek, in het bijzonder in de stand "cabriolet" en bij lage buitentemperatu-ren. De werking is optimaal als het wind-scherm (windstop) omhooggeklapt is. Audio- en telematicasystemen Deze systemen zijn voorzien van de nieuw-ste technologie: de MP3-compatibele Peugeot Connect Sound, de Peugeot Connect Bluetooth, Peugeot Connect Nav met wegklapbaar kleuren-display, JBL audiosysteem, AUX-aansluitingen. Afsluitbare opbergvakken Het dashboardkastje en de armleuning voor zijn ontworpen om vergrendeld te blijven, zelfs in de stand "cabriolet".

Deze worden uitsluitend vergrendeld als de rest van de auto wordt vergren-deld met behulp van de afstandsbedie-ning of de sleutel. INTERIEUR Peugeot Connect Sound Peugeot Connect Nav

!i 88 60 55 57 5612IN EEN OOGOPSLAG COMFORT Stuurwiel verstellen 1. Ontgrendelen van het stuurwiel met de hendel. 2. Verstellen in hoogte en diepte. 3. Vergrendelen van het stuurwiel met de hendel. Voorstoelen Overige beschikbare functies... Opslaan van de zitposities (elek-trisch verstelbare bestuurders-stoel). Elektrische bediening toegang tot zitplaatsen achter Armleuning vóór met afsluitbaar opbergvak Voor uw comfort is de armleuning vóór verstelbaar in hoogte- en lengterichting. De armleuning is tevens voorzien van een opbergvak. Ter bescherming van uw eigendommen wordt dit opbergvak ook vergrendeld als de auto met behulp van de afstandsbediening of de sleu-tel wordt vergrendeld als het dak in de stand "cabriolet" staat. Voer deze handelingen om veilig-heidsredenen uitsluitend uit bij stil-staande auto. 1.

 76  93 83 82IN EEN OOGOPSLAG ZICHT Verlichting Ring A Ring B Beweeg de lichtschakelaar omhoog of omlaag voorbij het zware punt; de rich-tingaanwijzers aan de desbetreffende zijde gaan knipperen tot de schakelaar weer in de neutraalstand wordt gezet. Richtingaanwijzers Uit. Automatisch inschakelen verlichting. Parkeerlicht. Dimlicht/grootlicht. Mistlampen vóór en mistachter-licht. Schakelaar A: ruitenwissers vóór Ruitenwissers Drie keer knipperen Beweeg de lichtschakelaar kort om-hoog of omlaag tot aan het zware punt. De richtingaanwijzers aan de desbetref-fende zijde knipperen drie keer. Deze functie is bij elke snelheid be-schikbaar, maar is in het bijzonder ge-schikt voor het wisselen van rijstrook op snelwegen. Inschakelen van de stand "AUTO"  Beweeg de schakelaar omlaag en laat deze los.

 21 23 177 177 67 71 95 12915IN EEN OOGOPSLAG * Volgens uitvoering. CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Instrumentenpaneel Rij drukschakelaars A. Als het contact wordt aangezet, moet de wijzer van de brandstof-meter de resterende hoeveelheid brandstof aangeven. B. Bij draaiende motor moet het ver-klikkerlampje laag brandstofniveau uitgaan. C. Als het contact wordt aangezet, moet de motorolieniveaumeter * en-kele seconden weergeven dat het niveau in orde is. Ga indien nodig tanken of vul olie bij. Het branden van een lampje geeft de sta-tus van de desbetreffende functie aan. A. Verzending van een noodoproep. 1. Als het contact wordt aangezet, gaan de oranje en rode verklikkerlampjes branden. 2. Bij draaiende motor moeten deze lampjes weer uitgaan. Raadpleeg de desbetreffende tabel als er lampjes blijven branden. Verklikkerlampjes B. Uitschakeling inbraakalarm. C. Centrale vergrendeling. D.

i 101  97, 101  6316IN EEN OOGOPSLAG Airbag voorpassagier STARTEN 1. Steek de sleutel in de schakelaar. 2. Selecteer de stand: "OFF" (uitschakelen) wanneer een kinderzitje "met de rug in de rijrich-ting" is bevestigd, "ON" (inschakelen) wanneer een passagier op de voorstoel zit of een kinderzitje "met het gezicht in de rij-richting" is bevestigd. 3. Verwijder de sleutel zonder de stand van de schakelaar te veranderen. 1. Stand Stop . 2. Stand Contact . 3. Stand Starten . A. Verklikkerlampje veiligheidsgordels voor en/of achter niet vastgemaakt of weer losgemaakt. B. Verklikkerlampje veiligheidsgordel links voor. C. Verklikkerlampje veiligheidsgordel rechts voor. D. Verklikkerlampje veiligheidsgordel rechts achter. E. Verklikkerlampje veiligheidsgordel links achter. F. Verklikkerlampje uitschakeling airbag vóór aan passagierszijde. G.

!ii 119  12017IN EEN OOGOPSLAG RIJDEN Stop & Start-systeem Het verklikkerlampje "ECO" op het instrumentenpaneel gaat branden en de motor wordt au-tomatisch afgezet: Het verklikkerlampje "ECO" dooft en de motor wordt auto-matisch weer gestart: U kunt het systeem op elk gewenst moment uitschakelen door op de toets "ECO OFF" te drukken; het verklikker-lampje in de toets gaat branden. Uitschakelen/Weer inschakelen Overgang naar de STOP-stand van de motor Overgang naar de START-stand van de motor - auto met een handgeschakelde versnellingsbak; als bij een snel-heid lager dan 20 km/h de versnel-lingshendel in de neutraalstand wordt gezet en het koppelingspe-daal wordt losgelaten. In bepaalde gevallen is de STOP-stand niet beschikbaar; het verklikkerlampje "ECO" knippert dan enkele seconden alvorens te doven.

- auto met een handgeschakelde versnellingsbak; als het koppe-lingspedaal volledig wordt ingetrapt. Als een versnelling wordt ingescha-keld zonder dat het koppelingspe-daal volledig is ingetrapt, wordt de motor niet automatisch weer gestart. Er wordt een waarschuwingsmel-ding weergegeven die u er attent op maakt dat u het koppelingspedaal volledig moet intrappen. Het systeem wordt automatisch weer ingeschakeld als de motor met de sleutel wordt gestart. Zet altijd het contact met de sleutel af als u gaat tanken of als u han-delingen onder de motorkap moet uitvoeren. In bepaalde gevallen kan de START-stand automatisch worden geactiveerd; het verklikkerlampje "ECO" knippert dan enkele seconden alvorens te doven.

 126 12418IN EEN OOGOPSLAG RIJDEN Snelheidsbegrenzer "LIMIT" 1. Selecteren/deactiveren van de snel-heidsbegrenzer. 2. Verlagen van de ingestelde snelheid. 3. Verhogen van de ingestelde snelheid. 4. Snelheidsbegrenzer aan/uit. 1. Selecteren/deactiveren van de snel-heidsregelaar. 2. Instellen van een snelheid / Verlagen van de ingestelde snelheid. 3. Instellen van een snelheid / Verhogen van de ingestelde snel-heid. 4. Snelheidsbegrenzer uit / Hervatten snelheidsbegrenzer. Snelheidsregelaar "CRUISE" Het instellen van een snelheid en het activeren van de snelheidsregelaar is alleen mogelijk bij een wagensnelheid hoger dan 40 km/h, vanaf de vierde versnelling bij een handgeschakelde versnellingsbak (tweede bij een auto-matische transmissie). Het instellen van de snelheid is alleen mogelijk bij draaiende motor.

Weergave op het instrumentenpaneel Als de snelheidsregelaar of -begrenzer is ingeschakeld, verschijnen de instel-lingen van het systeem op het instru-mentenpaneel. Snelheidsregelaar Snelheidsbegrenzer

19ECO-RIJDEN Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van uw auto verminderen. Maak optimaal gebruik van de versnellingsbak Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnel-lingsbak, rijd dan rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede versnelling in en schakel bij het accelereren bij voorkeur relatief snel over naar een hogere versnelling. Als uw auto is voorzien van een automatische transmissie of een elektronisch gestuurde versnellingsbak, gebruik dan bij voorkeur de automatische stand en trap het gaspedaal niet bruusk of diep in. De schakelindicator adviseert u de versnelling in te schake-len die het best geschikt is voor de rijomstandigheden: volg het op het instrumentenpaneel weergegeven schakeladvies zo snel mogelijk op.

Bij auto's met een elektronisch gestuurde versnellingsbak of een automatische transmissie wordt de opschakelindica-tor uitsluitend in de handmatige stand weergegeven. Kies voor een soepele rijstijl Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur af op de motor in plaats van het rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk in. Als u deze aanwijzingen na-leeft, neemt het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer beperkt. Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik dan vanaf een snelheid van ongeveer 40 km/h de snelheidsregelaar (in-dien aanwezig). Gebruik op slimme wijze de elektrische voorzieningen Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto hoog is opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatie-roosters alvorens de airconditioning in te schakelen.

Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten, maar laat de ventilatieroosters geopend. Gebruik de voorzieningen in het interieur die de tempera-tuurstijging kunnen beperken (blinderingspaneel van het panoramadak, zonneschermen, enz. ).

Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste tempe-ratuur is bereikt (behalve bij auto's met een automatische airconditioning). Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn als deze niet automatisch worden aangestuurd. Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit. Schakel de verlichting en de mistlampen uit als het zicht voldoende is. Laat de motor vooral 's winters na het starten niet statio-nair warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg: uw auto warmt sneller op als u rijdt. Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur (DVD-speler, MP3-speler, spelcomputer, enz. ) op de auto aan om het elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofver-bruik, te beperken. Koppel externe apparatuur los als u de auto verlaat.

20 Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruik Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de zwaarste voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de achterbank. Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal, fi etsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever een dakkoffer. Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal. Vervang na de winter zo snel mogelijk de winterbanden door zomerbanden. Houd u aan de onderhoudsvoorschriften Controleer regelmatig de bandenspanning (bij koude banden), houd u daarbij aan de bandenspanning die staat vermeld op de sticker op de portiersponning aan bestuurderszijde. Controleer de bandenspanning met name: - voor een lange rit, - bij de wisseling van de seizoenen, - als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.

Vergeet niet de bandenspanning van het reservewiel en van de wielen van de aanhanger of de caravan te controleren. Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, olie-fi lter, luchtfi lter en interieurfi lter vervangen, enz.) en houd u daarbij aan het in het garantie- en onderhoudsboekje voor-geschreven interval. Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer afslaan; zo voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt. U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 3000 km het gemiddelde brandstofverbruik zich stabiliseert.

7i98VEILIGHEID Veiligheidsgordels achter De zitplaatsen achter zijn voorzien van een driepunts veiligheidsgordel met op-rolautomaat en gordelkrachtbegrenzer. Omdoen  Haal de veiligheidsgordel, alvorens deze om te doen, uit de lus A .  Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.  Controleer of de gordel goed is vast-gemaakt door even aan de riem te trekken. Pictogrammendisplay veiligheidsgordels losgemaakt Als het contact wordt aangezet, met draaiende motor of als de wagensnel-heid lager is dan ongeveer 20 km/h, worden de pictogrammen 4 en 5 onge-veer 30 seconden rood weergegeven als de desbetreffende gordel niet is vastgemaakt. Als bij een wagensnelheid hoger dan ongeveer 20 km/h het pictogram 4 of 5 rood wordt weergegeven in combina-tie met een geluidssignaal en een mel-ding op het multifunctionele display, is de gordel van de desbetreffende ach-terpassagier losgemaakt.

Losmaken  Druk op de rode knop van de gor-delsluiting.  Houd de gordel vast terwijl deze zich oprolt. Waarschuwing veiligheidsgordel losgemaakt Als een achterpassagier zijn gordel los-maakt, gaat dit verklikkerlampje branden op het pictogrammendisplay veiligheids-gordels/airbag aan passagierszijde. Als er zich in de stand "cabriolet" geen passagiers op de zitplaatsen achter bevinden, haal dan de veiligheidsgor-dels achter door de lussen A , zodat de veiligheidsgordels niet heen en weer kunnen bewegen (uitsluitend bij uitvoeringen met lederen bekleding). Als de wagensnelheid hoger is dan ongeveer 20 km/h, knippert het verklikkerlampje gedurende twee minuten in combinatie met een steeds sterker wordend geluidssig-naal. Na deze 2 minuten blijft het ver-klikkerlampje branden zolang de ach-terpassagiers hun gordels niet hebben vastgemaakt.

7i99VEILIGHEID Alvorens te gaan rijden dient de be-stuurder te controleren of alle passa-giers hun veiligheidsgordel goed heb-ben omgedaan en vastgemaakt. Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun veiligheidsgordel dra-gen, ook al betreft het een korte rit. Draai de gespen van de veiligheids-gordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoende effectief. De veiligheidsgordels zijn voorzien van een oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte van de gordel au-tomatisch wordt aangepast aan de lichaamsbouw van de gebruiker. De gordel wordt automatisch opgerold als deze niet wordt gebruikt. Controleer zowel voor en na het ge-bruik van de gordel of deze goed is opgerold. De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden geplaatst. De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder wor-den geplaatst.

De oprolautomaten zijn voorzien van een automatische blokkeerin-richting die in werking treedt bij een aanrijding, een noodstop of het over de kop slaan van de auto. U kunt de blokkeerinrichting deblokkeren door stevig aan de riem te trekken en deze weer los te laten, zodat de riem weer een stukje wordt opgerold. Voor een effectieve werking van de veiligheidsgordel: - dient deze strak om het lichaam te worden gedragen, - moet deze in een vloeiende be-weging naar voren worden ge-trokken, zonder dat de gordel ge-draaid raakt, - mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen, - mag deze geen beschadigingen of rafels vertonen, - mag er om te voorkomen dat de gordel niet goed werkt, niets aan worden gewijzigd.

Vanwege de wettelijke veiligheids-voorschriften moeten werkzaamhe-den en controles aan de veiligheids-gordels worden uitgevoerd door het PEUGEOT-netwerk of een gekwali-fi ceerde werkplaats, die tevens voor de garantie zorgt en de werkzaamhe-den volgens de voorschriften uitvoert.

Laat de veiligheidsgordels van uw auto regelmatig controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -ceerde werkplaats, vooral als de gor-dels beschadigingen vertonen. Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop of een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk. Controleer na het neerklappen of ver-stellen van een stoel of de achterbank of de gordel zich op de juiste plaats bevindt en goed is opgerold. Voorschriften voor kinderen Maak voor kinderen tot 12 jaar of klei-ner dan 1,50 m gebruik van een ge-schikt kinderzitje. De veiligheidsgordel mag door niet meer dan één persoon gedragen worden. Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden. Bij aanrijdingen De gordelspanners kunnen, afhanke-lijk van de aard en de kracht van de aanrijding , vóór en onafhankelijk van de airbags afgaan.

Het activeren van de gordelspanners gaat gepaard met wat onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het sys-teem is geïntegreerd. In alle gevallen gaat het verklikker-lampje van de airbag branden. Laat het systeem na een aanrijding controleren en eventueel vervangen door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.

7i. 100VEILIGHEIDAIRBAGS De airbags zijn speciaal ontworpen om de inzittenden te beschermen bij ern-stige aanrijdingen. De airbags vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met gordelkrachtbe-grenzers. De elektronische schoksensoren regis-treren in dat geval de frontale en zijde-lingse aanrijdingen waaraan de regis-tratiezones voor een aanrijding worden blootgesteld: - bij een ernstige aanrijding worden de airbags onmiddellijk opgeblazen en dragen zo bij aan een betere be-scherming van de inzittenden van de auto; direct na de aanrijding ont-snapt het gas uit de airbags zodat noch het zicht, noch het eventueel verlaten van de auto door de inzit-tenden wordt belemmerd, - bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding van achteren en in bepaalde gevallen waarin de auto over de kop slaat, treden de airbags niet in werking.

De veiligheidsgor-dels zorgen in deze situaties voor de bescherming van de inzittenden. Het activeren van de airbags gaat gepaard met wat rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd. Deze rook is niet schadelijk, maar kan voor personen die daar gevoe-lig voor zijn irriterend werken. De knal die bij de ontsteking wordt geproduceerd, kan het gehoor ge-durende een korte periode enigs-zins verminderen. Airbags vóór Activering De airbags worden opgeblazen, be-halve de airbag aan passagierszijde als deze is uitgeschakeld, bij een ernstige frontale aanrijding binnen (een gedeel-te van) de impactzone vóór (A) , in de lengterichting van de auto en vanaf de voorzijde richting de achterzijde van de auto, die zich op een horizontale onder-grond moet bevinden.

De airbag vóór wordt opgeblazen tus-sen de bestuurder en het stuur of tus-sen de passagier voorin en het dash-board om te verhinderen dat deze naar voren wordt geslingerd. Registratiezones voor een aanrijding A. Impactzone vóór. B. Impactzone opzij. De airbags werken alleen als het contact aan is.

De airbags werken slechts een-maal. Als er een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een volgend ongeval), werken de airbags niet meer. De airbags vóór beschermen de be-stuurder en voorpassagier bij een ern-stige frontale aanrijding, om de kans op hoofd- en borstletsel te verkleinen. De bestuurdersairbag is geïntegreerd in het stuurwiel en de passagiersairbag in het dashboard boven het dashboard-kastje.

7!101VEILIGHEID Storing Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, laat het systeem dan controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde werk-plaats. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd. Opnieuw inschakelen Zet zodra u het kinderzitje hebt verwij-derd bij afgezet contact de schakelaar weer op "ON" om de airbag opnieuw in te schakelen en zo de veiligheid van uw passagier te garanderen. Als het contact wordt aange-zet, gaat op het display van de verklikkerlampjes van de veilig-heidsgordels en de airbag aan passagierszijde dit verklikkerlampje gedurende ongeveer 1 minuut branden om aan te geven dat de airbag aan pas-sagierszijde is ingeschakeld.

Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voor-stoel plaatst. Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk ge-wond raken. Als het contact wordt aange-zet, gaat dit verklikkerlampje branden op het display voor de verklikkerlampjes van de veilig-heidsgordels en de airbag aan passa-gierszijde. Het blijft branden zolang de airbag is uitgeschakeld. Uitschakelen Alleen de airbag aan passagierszijde kan worden uitgeschakeld:  Zet het contact af , steek de sleutel in de schakelaar voor uitschakelen van de airbag aan passagierszijde.  Draai deze in de stand "OFF" .  Verwijder de sleutel zonder de stand van de schakelaar te veranderen.

7i102VEILIGHEID Zij-airbags De zij-airbags beschermen de bestuur-der en de passagier bij een ernstige zijdelingse aanrijding, om de kans op letsel aan bekken, borstkas en hoofd te verkleinen. De zij-airbags zijn aan de portierzijde aangebracht: - één in de rugleuningen van de voor-stoelen (om borstkas en bekken te beschermen), - en één in de hoofdsteunen vóór (om het hoofd te beschermen). Activering De zij-airbags worden aan de desbe-treffende zijde opgeblazen bij een ern-stige zijdelingse aanrijding binnen (een gedeelte van) de impactzone opzij ( B ), loodrecht op de lengteas van de auto en vanaf de buitenzijde richting de bin-nenzijde van de auto. De zij-airbags worden opgeblazen tus-sen de inzittende vóór en het desbetref-fende portierpaneel. In het geval van een storing Registratiezones voor een aanrijding A. Impactzone vóór. B. Impactzone opzij.

Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk of een gekwa-lifi ceerde werkplaats om het systeem te laten controleren. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd. Bij een lichte zijdelingse aanrijding of bij over de kop slaan, kan het zijn dat de airbags niet worden ge-activeerd. Bij een aanrijding van achteren of een frontale aanrijding wordt de airbag niet geactiveerd.

7. 103VEILIGHEID Houd u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags: Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen te zitten. Draag altijd een correct afgestelde au-togordel. Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten. ). Dit kan de goede werking van de airbag belem-meren en/of de inzittende bij het op-blazen van de airbag verwonden. Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto de airbagsystemen controleren. Werkzaamheden aan airbagsyste-men mogen uitsluitend door het PEUGEOT-netwerk of door een ge-kwalifi ceerde werkplaats worden uit-gevoerd. Zelfs als alle bovenstaande voor-schriften worden nageleefd, blijft de kans bestaan op letsel of lichte brand-wonden aan het hoofd, de borst of de armen als de airbag wordt geacti-veerd.

De airbag wordt namelijk zeer snel opgeblazen (binnen enkele milli-seconden) en loopt vervolgens even snel leeg, waarbij de warme gassen via de daarvoor bestemde openingen naar buiten stromen. Airbags vóór Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuur-wielkussen rusten. De voorpassagier mag zijn voeten niet op het dashboard laten rusten. Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kun-nen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken. Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet op. Zij-airbags Bedek de stoelen uitsluitend met daarvoor goedgekeurde stoelhoezen. Deze belemmeren het activeren van de zij-airbags niet.

7i104VEILIGHEIDALGEMENE INFORMATIE MET BETREKKING TOT KINDERZITJES Hoewel PEUGEOT bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf. Volg voor een optimale veiligheid de volgende adviezen op: - conform de Europese wetge-ving dienen kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner dan 1,50 m in gehomologeerde, aan het li-chaamsgewicht aangepaste kin-derzitjes op met veiligheidsgordels of ISOFIX-bevestigingen uitgeruste plaatsen te worden vervoerd * , - de veiligste plaats voor het ver-voeren van een kind is volgens de statistieken een plaats op de achterbank van uw auto, - kinderen tot 9 kg moeten zowel voor- als achterin met de rug in de rijrichting worden vervoerd. * De regels voor het vervoeren van kinderen zijn per land verschillend. Informeer hiervoor naar de wetgeving in uw land.

KINDERZITJE OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR * "Met het gezicht in de rijrichting" "Met de rug in de rijrichting" Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel voor wordt geplaatst, moet de stoel in de middel-ste stand van de verstelling in lengterichting worden geschoven, en in de hoogste stand en met de rugleuning rechtop worden gezet. De airbag aan passagierszijde moet zijn uit-geschakeld. Gebeurt dit niet, dan kan het kind bij het afgaan van de airbag levens-gevaarlijk gewond raken. Wanneer een kinderzitje met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel voor wordt geplaatst, moet de stoel in de middelste stand van de verstelling in lengte-richting worden geschoven, en in de hoogste stand en met de rugleuning rechtop worden gezet en mag de airbag aan passagierszijde niet worden uitgeschakeld.

* Raadpleeg de wetgeving in uw land voordat u een kinderzitje op deze plaats bevestigt. Controleer of de veiligheidsgordel goed strak staat. Controleer bij kinderzitjes met een standaard of deze goed op de vloer steunt. Verstel indien nodig de passagiersstoel.

7!i105VEILIGHEID Airbag aan passagierszijde OFF Plaats nooit een kind in een kinder-zitje "met de rug in de rijrichting" op de voorpassagiersstoel als de airbag vóór aan passagierszijde is ingeschakeld. Het kind kan in dat geval bij een aanrijding ernstig en zelfs dodelijk gewond raken. UITSCHAKELEN VAN DE AIRBAG VÓÓR AAN PASSAGIERSZIJDE Dit voorschrift wordt tevens vermeld op de waarschuwingssticker aan beide zij-den van de zonneklep aan passagiers-zijde. Conform de wettelijke voorschrif-ten vindt u op de volgende tabellen deze waarschuwing in alle benodigde talen. Raadpleeg de rubriek "Airbags" voor meer informatie over het uit-schakelen van de airbag vóór aan passagierszijde.

7108VEILIGHEIDDOOR PEUGEOT AANBEVOLEN KINDERZITJES PEUGEOT levert een complete reeks kinderzitjes met artikelnummer die met een driepuntsveiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt: Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg Groep 1, 2 en 3: van 9 tot 36 kg L1 "RÖMER Baby-Safe Plus" Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst. L2 "KIDDY Comfort Pro" Voor het vervoer van jonge kinderen (van 9 tot 18 kg) is het gebruik van de gordelbeschermer verplicht. Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg L4 "KLIPPAN Optima" Vanaf ongeveer 6 jaar (vanaf 22 kg): gebruik alleen de zitverhoging. L5 "RÖMER KIDFIX" Kan aan de ISOFIX-verankeringen van de auto worden bevestigd. Het kind wordt beschermd door de veiligheidsgordel.

7109VEILIGHEID BEVESTIGING KINDERZITJES MET DE VEILIGHEIDSGORDEL Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen met de veiligheids-gordel van een universeel gehomologeerd kinderzitje (a) in uw auto, gerangschikt naar het gewicht van het kind en de plaats in de auto. (a) Universeel kinderzitje: kinderzitje dat in alle auto's met de veiligheidsgordel kan worden bevestigd. (b) Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg. Op de passagiersstoel vóór kan geen reiswieg of kinderbedje voor in de auto wor-den bevestigd. (c) Raadpleeg de wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen. (d) Zet bij het plaatsen van een kinderzitje de voorstoel naar voren en zet de rugleuning rechtop zodat er voldoende ruimte voor het kinderzitje en de benen van het kind is. De voorstoel hoeft dan ook niet in de middelste stand te staan.

U : plaats geschikt voor het bevestigen van een universeel goedgekeurd kinderzitje met de veiligheidsgordel, kinderzitje ge-plaatst "met de rug in de rijrichting" of "het gezicht in de rijrichting". U(R1) : hetzelfde als U , maar met de lengteverstelling van de stoel in de middenstand. U(R2) : hetzelfde als U , maar met de stoel van de auto in de hoogste stand. Plaats Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie Tot 13 kg (groep 0 (b) en 0+) Tot ± 1 jaar 9 tot 18 kg (groep 1) Van ± 1 tot ± 3 jaar 15 tot 25 kg (groep 2) Van ± 3 tot ± 6 jaar 22 tot 36 kg (groep 3) Van ± 6 tot ± 10 jaar Passagiersstoel vóór (c) - niet in hoogte verstelbaar - in hoogte verstelbaar U(R1) U(R2) U(R1) U(R2) U(R1) U(R2) U(R1) U(R2) Zitplaats links of rechts achter (d) U U U U

7!i110VEILIGHEIDISOFIX-BEVESTIGINGEN Uw auto voldoet aan de nieuwste ISOFIX-normen . De hieronder vermelde zitplaatsen zijn uitgerust met de voorgeschreven ISOFIX-bevestigingen: Elke zitplaats is voorzien van 2 ringen A die zijn geplaatst tussen de rug en de zitting van de stoel van de auto en wor-den aangegeven door een sticker. Bij een onjuist geplaatst kinder-zitje kan het kind bij een aanrijding ernstig letsel oplopen. Houd u nauwkeurig aan de mon-tagevoorschriften die zijn vermeld in de gebruiksaanwijzing van het kinderzitje. Raadpleeg het overzicht voor de be-vestiging van ISOFIX-kinderzitjes, waarin staat vermeld welke moge-lijkheden er zijn voor het plaatsen van een ISOFIX-kinderzitje in uw auto. Deze ringen bevinden zich achter af-dekplaatjes.

Toegang tot de ringen:  steek de contactsleutel in de uitspa-ring van het afdekplaatje,  maak het los door het naar voren te trek-ken en kantel het plaatje naar beneden. De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor een betrouwbare, degelijke en snelle montage van het kinderzitje in uw auto. De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over 2 sloten die eenvoudig aan deze ringen A kunnen worden verankerd.

7i111VEILIGHEID ISOFIX-KINDERZITJE AANBEVOLEN DOOR PEUGEOT EN GOEDGEKEURD VOOR UW AUTO Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingen. Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepuntsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen. Verstel de voorstoel van de auto om te voorkomen dat de voeten van het kind de rugleuning van de stoel raken. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje. RÖMER Duo Plus ISOFIX (gewichtsgroep B1 ) Groep 1: van 9 tot 18 kg Wordt uitsluitend met het gezicht in de rijrichting geplaatst. Wordt bevestigd aan de ringen A ; bevestigd zonder de bovenste riem. Het zitje kan in drie standen worden gezet: rechtop, slaapstand en verlengd.

7112VEILIGHEIDOVERZICHT BEVESTIGING ISOFIX-KINDERZITJES Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen. Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aan-gegeven met een letter ( A t/m G ). IL-SU: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een semi-universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje: - rug in de rijrichting voorzien van een steun, - gezicht in de rijrichting voorzien van een steun. IL1: zitplaats geschikt voor de bevestiging van het kinderzitje "RÖMER Duo Plus ISOFIX" dat speciaal voor uw auto is geho-mologeerd. In deze auto wordt dit ISOFIX-kinderzitje gebruikt zonder de bovenste riem.

X: zitplaats niet geschikt voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderzitje van de aangegeven gewichtsklasse. Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie Tot 10 kg (groep 0) Tot ca. 6 maanden Tot 10 kg (groep 0) Tot 13 kg (groep 0+) Tot ca. 1 jaar Van 9 tot 18 kg (groep 1) Van ca. 1 tot ca. 3 jaar Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg * "rug in de rijrichting" "rug in de rijrichting" "gezicht in de rijrichting" ISOFIX-maat F G C D E C D A B B1 ISOFIX-kinderzitjes universeel en semi-universeel geschikt voor bevestiging op de buitenste zitplaatsen achter X X IL-SU X IL-SU IL-SU IL1 * Op de passagiersplaats vóór kan geen reiswieg of kinderbedje voor in de auto worden bevestigd.

7!113VEILIGHEIDADVIEZEN VOOR KINDERZITJES De onjuiste bevestiging van een kin-derzitje brengt de veiligheid van het kind in gevaar in geval van een bot-sing. Zorg er bij het monteren van een kin-derzitje met de veiligheidsheidsgordel voor dat deze goed strak om het kin-derzitje is bevestigd en het kinderzitje goed op zijn plaats houdt. Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten, worden vastgemaakt waarbij de speling ten opzichte van het lichaam van het kind zoveel mo-gelijk moet worden beperkt. Zorg er voor een optimale bevestiging van het kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" voor dat de afstand tus-sen de rugleuning van het zitje en de rugleuning van de stoel van de auto zo klein mogelijk is. Laat indien mogelijk de rugleuning van het zitje tegen de rugleuning van de stoel aandrukken.

Kinderen voorin De regelgeving met betrekking tot het vervoer van kinderen op de pas-sagiersstoel vóór is per land verschil-lend. Raadpleeg de in uw land gelden-de regelgeving. Schakel de airbag aan passagierszij-de uit zodra een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel wordt geplaatst. Het kind kan anders bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. Laat uit veiligheidsoverwegingen: - geen kinderen zonder toezicht achter in een auto, - nooit een kind of een dier in een auto achter wanneer alle ruiten gesloten zijn en de auto in de zon staat, - de sleutels nooit binnen bereik van de kinderen achter in de auto. Plaatsen van een stoelverhoger Het bovenste gedeelte van de veilig-heidsgordel moet over de schouder van het kind liggen zonder de hals te raken. Controleer of de heupgordel goed over de bovenbenen van het kind ligt.

PEUGEOT beveelt aan een stoelver-hoger met rugleuning te gebruiken voorzien van een gordelgeleider ter hoogte van de schouder. Schakel het "AIRWAVE" systeem aan passagierszijde niet in als een kinder-zitje op de zitplaats vóór is bevestigd.

8!i!114RIJDEN Draai bij het parkeren van de auto op een helling de wielen vast tegen het trottoir, trek de parkeerrem aan en schakel een versnelling in. PARKEERREM Aantrekken  Trek de hefboom van de parkeer-rem volledig aan om uw auto stil te zetten. Als tijdens het rijden dit verklik-kerlampje en het verklikkerlamp-je STOP branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display, geeft dit aan dat de parkeerrem nog (iets) is aangetrokken. Vrijzetten  Trek de hefboom van de parkeerrem licht omhoog, druk de ontgrendel-knop in en duw de hefboom geheel omlaag. HANDGESCHAKELDE 6-VERSNELLINGSBAK Voor uw veiligheid en om het starten van de motor te vergemakkelijken: - zet de versnellingshendel altijd in de neutraalstand, - trap het koppelingspedaal in. Schakel de achteruitversnelling al-leen in als de auto stilstaat en de motor stationair draait.

8iii115RIJDENOPSCHAKELINDICATOR Dit systeem adviseert de bestuurder op te schakelen om het brandstofverbruik te verminderen. Werking Afhankelijk van de rijomstandigheden en de uitrusting van uw auto kan het systeem u adviseren één of meer ver-snellingen op te schakelen. U kunt deze aanwijzingen opvolgen zonder de tus-senliggende versnellingen in te hoeven schakelen. Het is niet verplicht om de aanbevolen versnellingen ook daadwerkelijk in te schakelen. De keuze van de optimale versnelling hangt namelijk altijd af van de situatie op de weg, de verkeers-drukte en de veiligheid. De bestuurder blijft derhalve altijd zelf verantwoordelijk voor het al dan niet opvolgen van een schakeladvies van het systeem. De functie kan niet worden uitgeschakeld. De informatie wordt in de vorm van een pijl op het instrumentenpaneel weerge-geven.

Het systeem past het schakeladvies aan de rijomstandigheden (helling, belading van de auto, ...) en de rijstijl van de bestuurder (veel vermogen nodig, accelereren, remmen, ...) aan. Het systeem zal u nooit adviseren om: - de eerste versnelling in te schakelen, - de achteruitversnelling in te schakelen, - terug te schakelen. Voorbeeld: - U rijdt in de derde versnelling. - U trapt het gaspedaal in. - Het systeem kan u in dit geval advi-seren een hogere versnelling in te schakelen. Bij uitvoeringen met automatische transmissie werkt dit systeem al-leen in de handbediende stand. Bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak kan naast de pijl ook de geadviseerde versnelling worden weergegeven.

8116RIJDENAUTOMATISCHE TRANSMISSIE MET "TIPTRONIC TECHNIEK SYSTEEM PORSCHE" Bij de automatische transmissie met zes versnellingen kunt u kiezen voor de automatische bediening, aangevuld met de programma's Sport en Sneeuw, of voor handmatig schakelen. Deze transmissie heeft twee gebruiks-mogelijkheden: - automatisch schakelen : het scha-kelen wordt elektronisch aange-stuurd door de transmissie, aange-vuld met het programma sport voor een meer dynamische rijstijl en het programma sneeuw voor het rijden op een ondergrond met weinig grip, - handmatig schakelen : deze stand maakt het zelf schakelen met de se-lectiehendel mogelijk. Standen van de selectiehendel P. Parkeerstand. - Stilzetten van de auto, met of zon-der aangetrokken handrem. - Starten van de motor. R. Achteruitversnelling. - Achteruitrijden, stilstaande auto, stationair toerental. N. Neutraalstand.

- Stilzetten van de auto, met aange-trokken handrem. - Starten van de motor. D. Automatische werking. M.+ / - Zelf schakelen tussen de zes versnellingen.  Beweeg de selectiehendel kort naar voren om op te schakelen. of  Beweeg de selectiehendel kort naar achteren om terug te schakelen. Weergave op het instrumentenpaneel Wanneer u de selectiehendel door het schakelpatroon beweegt, verschijnt het desbetreffende pictogram op het instru-mentenpaneel. P. Parking (parkeerstand) R. Reverse (achteruitversnelling) N. Neutral (neutraalstand) D1...D6. Drive (automatisch schakelen) S. Programma Sport  . Programma Sneeuw M1...M6. Handmatig schakelen (se-quentiëel) -. Ongeldige waarde bij handmatig schakelen Schakelpatroon 1. Selectiehendel. 2. Toets " S " (Sport) . 3. Toets "  " (Sneeuw) .

8. ii117RIJDEN Wegrijden  Trek de handrem aan.  Selecteer de stand P of N.  Start de motor. Als niet aan de bovenstaande voor-waarden wordt voldaan, klinkt een ge-luidssignaal en verschijnt een melding op het display.  Trap bij draaiende motor het rempe-daal in.  Zet de handrem vrij.  Selecteer de stand R , D of M.  Laat het rempedaal geleidelijk los. De auto begint te rijden. Als tijdens het rijden per ongeluk de stand N wordt geselecteerd, laat het motortoerental dan zakken tot stationair toerental, zet de selectiehendel in de stand D en trap het gaspedaal weer in. Als de motor stationair draait, het rempedaal is losgelaten en de stand R , D of M is geselecteerd, zet de auto zich zelfs al in beweging als het gaspedaal niet is ingetrapt. Laat bij draaiende motor daarom geen kinderen alleen in de auto achter.

Trek de handrem aan en selecteer de stand P indien er onderhouds-werkzaamheden moeten worden uitgevoerd bij draaiende motor. Er wordt een melding weergege-ven als u de selectiehendel uit de stand P probeert te halen zonder dat u het rempedaal hebt ingetrapt. Automatisch schakelprogramma  Selecteer de stand D om automa-tisch te laten schakelen tussen de zes versnellingen. De transmissie werkt dan in de auto-adaptieve stand, zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De transmissie kiest voortdurend de meest geschikte ver-snelling, afhankelijk van de rijstijl, het profi el van de weg en de belading van de auto. Op het instrumentenpaneel verschijnen achtereenvolgens de aanduidingen D en de automatisch ingeschakelde ver-snellingen. Voor een maximale acceleratie zon-der de stand van de selectiehendel te wijzigen, moet het gaspedaal volledig worden ingetrapt (kickdown).

Om de veiligheid te verbeteren schakelt de transmissie niet naar een hogere versnelling als u het gaspedaal plotse-ling loslaat. Zet de selectiehendel nooit in de stand N als de auto rijdt. Zet de selectiehendel nooit in de stand P of R als de auto niet vol-ledig stilstaat. Programma's Sport en Sneeuw Deze twee specifi eke programma's vul-len de automatische werking aan onder bijzondere rijomstandigheden. Programma Sport "S"  Druk op de toets " S " als de motor is gestart. Het schakelprogramma maakt dan au-tomatisch een dynamische rijstijl moge-lijk. Op het instrumentenpaneel verschijnt de aanduiding S. Programma Sneeuw "  "  Druk op de toets "  " als de motor is gestart. De transmissie past zich aan voor het rijden op gladde wegen. Het schakelprogramma zorgt ervoor dat u gemakkelijker kunt rijden op een on-dergrond met weinig grip. Op het instrumentenpaneel verschijnt de aanduiding .

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Peugeot 308 CC (2013) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden