Peugeot 2008 (2014) Handleiding

Peugeot Auto 2008 (2014)

Bekijk gratis de handleiding van Peugeot 2008 (2014) (272 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 100 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 7 reviews. Heb je een vraag over Peugeot 2008 (2014) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/272
INSTRUCTIEBOEKJE

Beoordeel deze handleiding

4.8/5 (7 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Peugeot
Categorie: Auto
Model: 2008 (2014)

Handleiding Peugeot 2008 (2014) – volledige tekst

Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Het instructieboekje online Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie. Deze informatie is gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkering die wordt weergegeven met dit pictogram: Als de rubriek "MyPeugeot" niet beschikbaar is op de website van Peugeot voor uw land, kunt u het instructieboekje op het volgende internetadres raadplegen: http://public.servicebox.peugeot.com de link "Boorddocumentatie" op de startpagina (u hoeft zich niet aan te melden), de taal, het model van uw auto en de carrosserie-uitvoering, de uitgifteperiode van uw instructieboekje die overeenkomt met de datum van deel 1A van het kentekenbewijs van uw auto.

Belangrijke informatie:Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch systeem van uw auto veroorzaken. Wij verzoeken u hier rekening mee te houden en raden u aan contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk PEUGEOT om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires voorzien van het betreffende artikelnummer. Selecteer: U kunt hier online uw instructieboekje bekijken en hebt toegang tot de meest recente gegevens via het pictogram:

WELKOM Symbolen Waarschuwing: dit symbool geeft waarschuwingen weer die u absoluut dient te respecteren omwille van uw veiligheid en die van anderen en om schade aan uw auto te voorkomen. Informatie: dit symbool vestigt uw aandacht op aanvullende informatie die u helpt de gebruiksmogelijkheden van uw auto optimaal te benutten. Bescherming van het milieu: dit symbool verschijnt bij adviezen met betrekking tot de bescherming van het milieu.Verwijzing: dit symbool verwijst naar de bladzijde waar meer informatie over de desbetreffende functie is te vinden. Wij danken u voor uw keuze voor de 2008. Dit instructieboekje is ontwikkeld om u in de gelegenheid te stellen onder alle omstandigheden optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden van uw auto. In het eerste deel van het boekje is de belangrijkste informatie samengevat om u in korte tijd vertrouwd te maken met de bediening van uw auto.

Vervolgens komen alle details van uw auto op het gebied van comfort, veiligheid en praktische informatie uitgebreid aan bod, zodat u en uw passagiers maximaal van de auto kunnen genieten. Uw auto kan, afhankelijk van het uitrustingsniveau en de specifieke kenmerken voor het land waarvoor uw auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen zijn voorzien.

493104116In één oogopslag Stop & Start-systeem Dit systeem zet de motor tijdelijk af als u stopt (bij rood licht, opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch weer gestart als u weer weg wilt rijden. Het Stop & Start-systeem, dat volledig is aangepast aan rijden in de stad, zorgt voor een lager brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke stoffen en mminder geluid tijdens het wachten. Park Assist De Park Assist is een actief parkeerhulpsysteem. Het systeem detecteert een geschikte parkeerruimte en bedient vervolgens de stuurinrichting om de auto in te parkeren. Buitenzijde Statische bochtverlichting Bij lage snelheid zorgt deze verlichting automatisch voor extra zicht in bochten, op kruispunten, bij parkeermanoeuvres, enzovoort, dankzij de mistlamp aan de desbetreffende zijde.

.515156102In één oogopslagBandenreparatieset Met deze complete set, bestaande uit een compressor en een flacon met afdichtmiddel, kunt u een noodreparatie aan een band uitvoeren. Panoramadak Dit panoramadak, dat is voorzien van regelbare lichtgeleiders, zorgt voor bijzonder veel lichtinval en zicht in het interieur. Parkeerhulp achter Deze functie waarschuwt u tijdens het achteruitrijden voor obstakels achter de auto. Buitenzijde

619444191In één oogopslag Openen A. Uitklappen/inklappen van de sleutel. B . Ontgrendelen van de auto. Uitschakelen van het inbraakalarm. Sleutel met afstandsbediening Motorkap 1. Openen van de brandstofvulklep door op het achterste gedeelte ervan te drukken. 2. Openen van de brandstoftankdop. 3. Ophangen van de brandstoftankdop. Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 50 liter. A. Hendel in het interieur. B. Hendel aan de buitenzijde. C.Motorkapsteun. Overige beschikbare functies...C . Vergrendelen van de auto. Lokaliseren van de auto. Inschakelen van het inbraakalarm. Brandstoftank

.78212227721530385 67In één oogopslag Interieur Elektronisch gestuurde versnellingsbak Met dit systeem kunt u tijdens het rijden kiezen tussen automatisch en handmatig schakelen. 5 versnellingen Sfeerverlichting interieur Het gedimde licht van de sfeerverlichting verbetert bij weinig buitenlicht het zicht in het interieur. De verlichting bestaat uit een aantal lampen die zich bevinden onder het instrumentenpaneel, in de beenruimte, in de plafonnier en aan beide zijden van het panoramadak. Automatische airconditioning met gescheiden regeling Deze functie maakt het mogelijk de airconditioning op een bepaald comfortniveau in te stellen. Aan de hand van deze instelling en de weersomstandigheden wordt de airconditioning vervolgens automatisch geregeld.

.115860In één oogopslag Juiste zitpositie Verstellen van de hoofdsteun 1. Ontgrendelen van het stuurwiel met de hendel. 2. Verstellen in hoogte en diepte. 3. Vergrendelen van het stuurwiel met de hendel. Stuurwiel verstellen Deze handelingen moeten uit veiligheidsoverwegingen uitsluitend worden uitgevoerd als de auto stilstaat. Trek de hoofdsteun omhoog om deze hoger te zetten. Druk tegelijkertijd op de knop A en op de hoofdsteun om de hoofdsteun lager te zetten. Juiste zitpositie Stel alvorens te gaan rijden en om optimaal te profiteren van de specifieke ergonomie van de cockpit uw zitpositie af in de volgende volgorde: - de hoogte van de hoofdsteun, - de hoek van de rugleuning, - de hoogte van de zitting van de stoel, - de positie in lengterichting van de stoel, - de diepte en vervolgens de hoogte van het stuurwiel. - de buitenspiegels en binnenspiegel.

.13109, 110117119118In één oogopslag ZichtVerlichting Ring A Ring B Ruitenwissers Schakelaar A: ruitenwissers vóór 2 . Hoge snelheid. 1. Normale snelheid. Int.Interval. 0.Uit. AUTO . Automatische ruitenwissers. Inschakelen van de stand "AUTO"  Beweeg de hendel één keer omlaag. Uitschakelen van de stand "AUTO"  Beweeg de hendel nogmaals één keer omlaag of zet de hendel in een andere stand: Int , 1 of 2. Ring B: ruitenwisser achter Uit. Automatische verlichting. Parkeerlicht. Dimlicht/grootlicht. Mistachterlicht. Uit. Interval. Ruitensproeier. of Mistlampen vóór en mistachterlicht. Een keer wissen: trek de hendel één keer naar u toe. Ruitensproeiers: trek de hendel naar u toe en houd de hendel enige tijd in deze stand.

.152321In één oogopslag Controle tijdens het rijden Wanneer u het contact aanzet, slaan alle meters uit en keren vervolgens terug naar de '0"-stand. A. Als het contact wordt aangezet, moet de meter het resterende brandstofniveau weergeven. B. Bij draaiende motor moet het verklikkerlampje laag brandstofniveau uitgaan. Instrumentenpanelen 1. Als het contact wordt aangezet, gaan de oranje en rode waarschuwingslampjes branden. 2. Bij draaiende motor moeten deze lampjes weer uitgaan. Raadpleeg de desbetreffende bladzijde als er lampjes blijven branden. Verklikkerlampjes C. Als het contact wordt aangezet, wordt op het display van het instrumentenpaneel het motorolieniveau weergegeven. Ga indien nodig tanken of vul olie bij.

16103, 105/10612794521341502732In één oogopslag Controle tijdens het rijden Het branden van een verklikkerlampje geeft u informatie over de status van de desbetreffende functie. A.Uitschakeling van de parkeerhulp voor en achter. of Inschakeling van het Park Assist-systeem. Rij drukschakelaars 1. Open het dashboardkastje. 2. Steek de sleutel in de schakelaar. 3. Selecteer de stand: "ON"(inschakelen) wanneer een passagier op de voorstoel zit of een kinderzitje met het gezicht in de rijrichting is bevestigd, "OFF"(uitschakelen) wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting is bevestigd. 4. Verwijder de sleutel zonder de stand van de schakelaar te veranderen. Airbag vóór aan passagierszijde C. Uitschakeling van het Stop & Start-systeem. D. Uitschakeling van de interieurbeveiliging. E.Inschakeling van de elektrische kinderbeveiliging. Veiligheid voor alle inzittenden A.

.17939494In één oogopslag Onder het rijden Stop & Start-systeem Overgang naar de STOP-stand van de motor Het verklikkerlampje "ECO" op het instrumentenpaneel gaat branden en de motor komt in de stand-bystand: Overgang naar de START-stand van de motorUit-/inschakelen U kunt deze functie op elk willekeurig moment uitschakelen door de schakelaar "ECO OFF" in te drukken; het verklikkerlampje in de schakelaar gaat branden. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld zodra u het contact weer aanzet. Zet tijdens het tanken en als u handelingen onder de motorkap wilt uitvoeren, altijd het contact af en neem de sleutel uit het contactslot.

Het verklikkerlampje "ECO" gaat uit en de motor wordt gestart: - bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak , als u het koppelingspedaal intrapt, - bij auto's met een 2Tronic versnellingsbak: ● als de selectiehendel in de stand A of Mstaat, als u het rempedaal loslaat, ● of als u de selectiehendel in de stand Aof M zet als deze in de stand N staat en het rempedaal niet ingetrapt is, ● of als u de achteruitversnelling inschakelt. - bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak , bij een snelheid lager dan 20 km/h, als u de versnellingshendel in de neutraalstand zet en het koppelingspedaal loslaat, - bij auto's met een 2Tronic versnellingsbak , bij een snelheid lager dan 8 km/h, als u het rempedaal intrapt of als u de selectiehendel in de stand Nzet.

Onder bepaalde omstandigheden wordt de START-stand automatisch geactiveerd; het verklikkerlampje "ECO" knippert enkele seconden en gaat dan uit. Onder bepaalde omstandigheden is de STOP-stand niet beschikbaar; het verklikkerlampje "ECO"knippert enkele seconden en gaat dan uit.

189799In één oogopslag Onder het rijden 1. Selecteren van de snelheidsbegrenzer. 2. Verlagen van de ingestelde snelheid. 3. Verhogen van de ingestelde snelheid. 4. Inschakelen/uitschakelen van de snelheidsbegrenzer. Snelheidsbegrenzer "LIMIT" 1. Selecteren van de snelheidsregelaar. 2. Verlagen van de ingestelde snelheid. 3. Verhogen van de ingestelde snelheid. 4. Uitschakelen/inschakelen van de snelheidsregeling. Snelheidsregelaar "CRUISE" Het instellen van de snelheid is alleen mogelijk bij draaiende motor. Het instellen van een snelheid en het activeren van de snelheidsregelaar is alleen mogelijk bij een wagensnelheid hoger dan 40 km/h, vanaf de 4e versnelling bij een handgeschakelde versnellingsbak (2e bij een 2Tronic versnellingsbak of een automatische transmissie).

Weergave op het instrumentenpaneel Als de snelheidsregelaar of -begrenzer is ingeschakeld, verschijnen de instellingen van het systeem op het instrumentenpaneel. SnelheidsregelaarSnelheidsbegrenzer

19 Eco-rijden Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van uw auto verminderen. Maak optimaal gebruik van de versnellingsbak Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak, rijd dan rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede versnelling in en schakel bij het accelereren bij voorkeur relatief snel over naar een hogere versnelling. Als uw auto is voorzien van een automatische transmissie of een elektronisch gestuurde versnellingsbak, gebruik dan bij voorkeur de automatische stand en trap het gaspedaal niet bruusk of diep in. De schakelindicator adviseert u de versnelling in te schakelen die het best geschikt is voor de rijomstandigheden: volg het op het instrumentenpaneel weergegeven schakeladvies zo snel mogelijk op.

Bij auto's met een elektronisch gestuurde versnellingsbak of een automatische transmissie wordt de opschakelindicator uitsluitend in de handmatige stand weergegeven. Kies voor een soepele rijstijl Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur af op de motor in plaats van het rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk in. Als u deze aanwijzingen naleeft, neemt het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer beperkt. Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik dan vanaf een snelheid van ongeveer 40 km/h de snelheidsregelaar (indien aanwezig). Gebruik op slimme wijze de elektrische voorzieningen Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto hoog is opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatieroosters alvorens de airconditioning in te schakelen.

Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten, maar laat de ventilatieroosters geopend. Gebruik de voorzieningen in het interieur die de temperatuurstijging kunnen beperken (blinderingspaneel van het panoramadak, zonneschermen, enz. ).

Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste temperatuur is bereikt (behalve bij auto's met een automatische airconditioning). Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn als deze niet automatisch worden aangestuurd. Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit. Schakel de verlichting en de mistlampen uit als het zicht voldoende is. Laat de motor vooral 's winters na het starten niet stationair warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg: uw auto warmt sneller op als u rijdt. Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur (DVD-speler, MP3-speler, spelcomputer, enz. ) op de auto aan om het elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofverbruik, te beperken. Koppel externe apparatuur los als u de auto verlaat.

20 Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruik Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de zwaarste voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de achterbank. Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal, fietsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever een dakkoffer. Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal. Vervang na de winter zo snel mogelijk de winterbanden door zomerbanden. Houd u aan de onderhoudsvoorschriften Controleer regelmatig de bandenspanning (bij koude banden), houd u daarbij aan de bandenspanning die staat vermeld op de sticker op de portiersponning aan bestuurderszijde. Controleer de bandenspanning met name: - voor een lange rit, - bij de wisseling van de seizoenen, - als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.

Vergeet niet de bandenspanning van het reservewiel en van de wielen van de aanhanger of de caravan te controleren. Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, oliefilter, luchtfilter en interieurfilter vervangen, enz.) en houd u daarbij aan het in het garantie- en onderhoudsboekje voorgeschreven interval. Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer afslaan; zo voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt. U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 3000 km het gemiddelde brandstofverbruik zich stabiliseert.

121Controle tijdens het rijden Instrumentenpaneel met LCD-display 1. Koelvloeistoftemperatuurmeter. 2. Toerenteller (x 1000 t/min of rpm), schaalverdeling afhankelijk van de motoruitvoering (benzine of diesel). 3. Motorolieniveaumeter * . 4. Opschakelindicator (handgeschakelde versnellingsbak) of weergave positie selectiehendel (2Tronic versnellingsbak of automatische transmissie).5. Digitale snelheidsmeter (km/h of mph). Door lang op de toets B te drukken kan deze functie worden uitgeschakeld. A. Dimmer verlichting. B. Informatie over het onderhoud. Resetten van de geselecteerde functie (onderhoudsindicator of dagteller). Instellen van de tijd. Inschakelen/uitschakelen van de digitale snelheidsmeter. 6. Aanwijzingen van de snelheidsregelaar of de snelheidsbegrenzer. 7. Onderhoudsindicator, vervolgens kilometerteller (km of miles).

Deze functies worden na het aanzetten van het contact achter elkaar weergegeven. 8. Dagteller (km of miles). 9. Analoge snelheidsmeter (km/h of mph). 10. Brandstofniveaumeter. Meters en displays Bedieningstoetsen * Volgens uitvoering.

22Controle tijdens het rijden Instrumentenpaneel met matrixdisplay Meters en displays Bedieningstoetsen 1. Koelvloeistoftemperatuurmeter. 2. Toerenteller (x 1000 t/min of rpm), schaalverdeling afhankelijk van de motoruitvoering (benzine of diesel). 3. Aanwijzingen van de snelheidsregelaar of de snelheidsbegrenzer. 4. Opschakelindicator (handgeschakelde versnellingsbak) of weergave positie selectiehendel (2Tronic versnellingsbak of automatische transmissie).5. Digitale snelheidsmeter (km/h of mph). A. Dimmer verlichting. B. Sfeerverlichting van het instrumentenpaneel. C. Informatie over het onderhoud. Resetten van de geselecteerde functie (onderhoudsindicator of dagteller). 6. Onderhoudsindicator, vervolgens kilometerteller (km of miles). Deze functies worden na het aanzetten van het contact achter elkaar weergegeven. 7. Dagteller (km of miles).8. Analoge snelheidsmeter (km/h of mph). 9.

123Controle tijdens het rijden Verklikkerlampjes Een aantal verklikkerlampjes heeft beide mogelijkheden. Of het constant branden of knipperen van een verklikkerlampje duidt op een storing, is afhankelijk van de werkingsfase van de auto. Bij het aanzetten van het contact Als het contact wordt aangezet, gaan bepaalde waarschuwingslampjes op het instrumentenpaneel en/of op het display van het instrumentenpaneel enkele seconden branden. Zodra de motor wordt gestart, moeten deze lampjes weer uitgaan. Als het lampje blijft branden, controleer dan voordat u gaat rijden welke functie het betreft. Bijbehorende waarschuwingen Sommige verklikkerlampjes kunnen gaan branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display van het instrumentenpaneel of op het multifunctionele display. Verklikkerlampjes kunnen constant branden of knipperen.

De verklikkerlampjes geven de bestuurder informatie over de werking van een systeem (ingeschakeld of uitgeschakeld) of waarschuwen de bestuurder in het geval van een storing (waarschuwingslampje).

24Controle tijdens het rijden Verklikkerlampjes ingeschakelde functies De volgende verklikkerlampjes op het instrumentenpaneel en/of op het display van het instrumentenpaneel geven aan dat de desbetreffende functie is ingeschakeld.ControlelampjeStatusOorzaakActies / Opmerkingen Richtingaanwijzer links knippert, met geluidssignaal. Als u de lichtschakelaar omlaag beweegt. Richtingaanwijzer rechts knippert, met geluidssignaal. Als u de lichtschakelaar omhoog beweegt. Parkeerlichten permanent. De lichtschakelaar staat in de stand "Parkeerlichten".Dimlicht permanent. De lichtschakelaar staat in de stand "Dimlicht".Grootlicht permanent. Als u de lichtschakelaar naar u toe trekt. Trek aan de lichtschakelaar om terug te schakelen naar dimlicht.Mistlampen vóór permanent. De mistlampen vóór zijn ingeschakeld. Draai de ring twee standen naar achteren om de mistlampen vóór uit te schakelen.

125Controle tijdens het rijdenControlelampjeStatusOorzaakActies / OpmerkingenVoorgloeien dieselmotor permanent. Het contactslot staat in de tweede stand (Contact). Wacht met starten tot het controlelampje uitgaat. De wachttijd is afhankelijk van de weersomstandigheden (in extreme gevallen 30 seconden). Als de motor niet wil aanslaan, zet dan het contact af. Zet het contact dan weer aan en wacht opnieuw tot het lampje uitgaat voordat u de motor start. Handrem permanent. De handrem is aangetrokken of niet goed vrijgezet. Zet de handrem vrij zodat het controlelampje uitgaat; trap het rempedaal in. Houd u aan de veiligheidsvoorschriften. Raadpleeg de rubriek "Handrem" voor meer informatie over de handrem. Voet op het rempedaal permanent. Het rempedaal moet worden ingetrapt. Trap bij de 2Tronic versnellingsbak het rempedaal in om de motor te starten (selectiehendel in stand N ).

Bij de automatische versnellingsbak moet u bij een draaiende motor en voordat u de handrem vrijzet het rempedaal intrappen om de selectiehendel vanuit stand P in een andere stand te kunnen zetten. Als u de handrem vrijzet zonder het rempedaal in te trappen, zal dit verklikkerlampje blijven branden. knippert. Als u de auto met een 2Tronic versnellingsbak op een helling te lang probeert tegen te houden door het gaspedaal in te trappen, raakt de koppeling oververhit. Gebruik het rempedaal en/of de handrem.

26Controle tijdens het rijdenControlelampjeStatusOorzaakActies / OpmerkingenVoet op het koppelingspedaal * permanent. In de STOP-stand van het Stop & Start-systeem wordt de motor niet gestart als u het koppelingspedaal slechts gedeeltelijk intrapt. Trap het koppelingspedaal helemaal in zodat de motor gestart kan worden. Stop & Startpermanent. Het Stop & Start-systeem heeft de motor in de STOP-stand gezet (verkeerslicht, stopbord, opstopping, enz.). Het lampje gaat uit en de motor wordt automatisch gestart als u wilt wegrijden. knippert enkele seconden en gaat dan uit. De STOP-stand is nu niet beschikbaar.of De motor wordt automatisch in de START-stand gezet. Raadpleeg voor meer informatie over de bijzonderheden van de STOP- en START-stand de rubriek "Stop & Start". Automatische ruitenwisserspermanent. De ruitenwisserschakelaar is naar beneden bewogen.

127Controle tijdens het rijdenVerklikkerlampjes uitgeschakelde functies De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie handmatig is uitgeschakeld. Soms klinkt er ook een geluidssignaal en verschijnt er een bericht op het display. ControlelampjeStatusOorzaakActies / OpmerkingenPassagiersairbag permanent. De schakelaar in het dashboardkastje staat in de stand " OFF". De frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld. In dit geval kunt u een kinderzitje met de "rug in de rijrichting" plaatsen. Zet de schakelaar in de stand " ON " om de frontairbag aan passagierszijde in te schakelen. Bevestig in dit geval op deze zitplaats geen kinderzitje met de "rug in de rijrichting".

28Controle tijdens het rijdenWaarschuwingslampjes Als bij draaiende motor of tijdens het rijden een van de volgende verklikkerlampjes gaat branden, wijst dit op een storing in het desbetreffende systeem en moet de bestuurder actie ondernemen. Lees in het geval van een storing waarbij een waarschuwingslampje gaat branden de aanvullende informatie, die via een melding op het display wordt weergegeven. Raadpleeg indien nodig het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. ControlelampjeStatusOorzaakActies / OpmerkingenSTOP permanent, in combinatie met een ander verklikkerlampje. Dit waarschuwingslampje brandt bij een ernstige storing. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats. Zet het contact af en neem contact op met het PEUGEOT-netwerk of met een gekwalificeerde werkplaats.Service permanent, in combinatie met een ander verklikkerlampje.

Er is een ernstige storing opgetreden. Raadpleeg de rubriek voor het desbe treffende verklikkerlampje en neem contact op met het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. permanent, in combinatie met een melding (auto's met een display). Er is een storing opgetreden waarbij geen specifiek verklikkerlampje gaat branden. Identificeer de storing met behulp van de melding op het display (auto's met een display) en raadpleeg de desbetreffende rubriek: - waarschuwing motorolieniveau, - kans op verstopping van het roetfilter (diesel), - brandstofadditiefniveau (diesel met roetfilter). Raadpleeg altijd het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

129Controle tijdens het rijdenControlelampjeStatusOorzaakActies / OpmerkingenRemsysteem permanent. Het remvloeistofniveau is te laag. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats. Vul het niveau bij met een vloeistof voorzien van een artikelnummer van PEUGEOT. Als het probleem zich blijft voordoen, laat het systeem dan controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. + permanent, in combinatie met het waarschuwingslampje ABS. Er is een storing in de elektronische remdrukregelaar (REF). Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Te hoge koelvloeistoftemperatuur permanent, met de wijzer in het rode gebied. De temperatuur van de koelvloeistof is te hoog. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.

Wacht met het eventueel bijvullen van de koelvloeistof tot de motor is afgekoeld. Als het probleem zich blijft voordoen, raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Antiblokkeersysteem (ABS) permanent. Er is een storing in het antiblokkeersysteem. De normale remwerking blijft behouden. Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Dynamische stabiliteitscontrole(CDS/ASR) knippert. De CDS-/ASR-regeling is actief. Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt voor een betere koersstabiliteit als de wielen te weinig grip hebben of de auto uit de koers dreigt te raken. permanent. Storing in het CDS-/ASR-systeem. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.

30Controle tijdens het rijdenControlelampjeStatusOorzaakActies / OpmerkingenZelfdiagnose motorpermanent. Er is een storing in de emissieregeling. Het verklikkerlampje moet doven als de motor wordt gestart. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. knippert. Er is een storing in het motormanagementsysteem. Kans op beschadiging van de katalysator. Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. permanent, in combinatie met het verklikkerlampje SERVICE. Er is sprake van een lichte motorstoring. Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. permanent, in combinatie met het verklikkerlampje STOP. Er is sprake van een ernstige motorstoring. Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige plaats stil.

Parkeer de auto, zet het contact af en neem contact op met het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Laag brandstofniveau permanent, met de wijzer in het rode gebied. Er zit er nog ongeveer 5 literbrandstof in de tank. Vanaf dit moment worden de laatste liters brandstof in de tankaangesproken. Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat u met een lege tank strandt. Dit controlelampje gaat elke keer na het aanzetten van het contact branden zolang er niet voldoende brandstof getankt is. Inhoud brandstoftank: ongeveer 50 liter. rrRijd nooit door tot de tank helemaal leeg is, hierdoor kunnen het emissieregelsysteem en het injectiesysteem beschadigd raken. knippert met de wijzer in het rode gebied. Er zit nog een minimale hoeveelheid brandstof in de tank.

131Controle tijdens het rijdenControlelampjeStatusOorzaakActies / OpmerkingenMotoroliedruk permanent. Er is een storing in de motorsmering. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats. Parkeer de auto, zet het contact af en raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Laadstroom accu permanent. Er is een storing in het laadstroomcircuit van de accu (vervuilde of losgeraakte accuklemmen, aandrijfriem dynamo ontspannen of gebroken...). Het lampje moet bij het starten van de motor uitgaan. Parkeer de auto op een veilige plek. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. Een of meer portierengeopend permanent, in combinatie met een melding die het desbetreffende portier aangeeft, bij een snelheid lager dan 10 km/h. Een portier of de achterklep is niet goed gesloten. Sluit het desbetreffende carrosseriedeel.

32Controle tijdens het rijdenControlelampjeStatusOorzaakActies / OpmerkingenAirbagstijdelijk. Het lampje brandt gedurende enkele seconden en dooft als het contact wordt aangezet. Het lampje moet doven zodra de motor wordt gestart. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. permanent. Er is een storing in een van de airbags of de pyrotechnische gordelspanners. Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Stuurbekrachtigingpermanent. Er is een storing met betrekking tot de stuurbekrachtiging. Rijd voorzichtig en met lage snelheid. Laat het systeem nakijken door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Veiligheidsgordel(s) niet vastgemaakt of weerlosgemaakt. permanent, of knippert in combinatie met een geluidssignaal. Een van de veiligheidsgordels is niet vastgemaakt of weer losgemaakt.

133Controle tijdens het rijden Meters Koelvloeistoftemperatuurmeter Als bij draaiende motor de wijzer zich bevindt in: - zone A , is de temperatuur in orde, - zone B , is de temperatuur te hoog. Het waarschuwingslampje maximumtemperatuur en het waarschuwingslampje STOPgaan branden, in combinatie met een geluidssignaal en een waarschuwingsmelding op het display. Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats. Wacht enkele minuten voordat u de motor afzet. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. De temperatuur en de druk in het koelcircuit beginnen na enkele minuten rijden te stijgen. Om koelvloeistof bij te vullen:  wacht tot de motor is afgekoeld,  draai de dop iets los om de druk te laten dalen,  verwijder vervolgens de dop,  vul bij tot aan het merkteken "MAXI". Wees voorzichtig bij het bijvullen van de koelvloeistof: kans op brandwonden.

34Controle tijdens het rijden Dimmer dashboardverlichting U kunt de lichtsterkte van de verlichting van het dashboard en het touchscreen handmatig aanpassen aan het licht van de omgeving. Twee knoppen Druk, als de verlichting brandt, op de knop B om de dashboardverlichting en de sfeerverlichting sterker te laten branden of op de knop A om de verlichting te dimmen. Laat de knop los zodra de gewenste lichtsterkte is bereikt. Eén knop Actief Druk op de knop om de sterkte van de dashboardverlichting te variëren,  laat de knop los zodra de gewenste lichtsterkte is bereikt.Touchscreen Druk op MENU om het "HOOFDMENU"weer te geven en selecteer vervolgens "Instellingen". Selecteer "Systeemconfiguratie" en vervolgens "Lichtsterkte". Druk op "Display uitschakelen" . Het touchscreen wordt volledig uitgeschakeld.

Druk nogmaals op het touchscreen (op een willekeurig gedeelte) om het in te schakelen. Niet actief De dashboardverlichting kan niet worden ingesteld als de verlichting van de auto is uitgeschakeld of, bij auto's met dagrijverlichting, in de dagstand staat.

135Controle tijdens het rijdenOnderhoudsindicator De afstand tot de eerstvolgende beurt is meer dan 3000 km Als het contact wordt aangezet, verschijnt er geen onderhoudsinformatie op het display. De onderhoudsindicator geeft aan hoeveel kilometer u nog verwijderd bent van de eerstvolgende onderhoudscontrole volgens het onderhoudsschema van de fabrikant. Deze afstand wordt berekend vanaf de laatste nulstelling van de onderhoudsindicator op basis van twee parameters: - het aantal afgelegde kilometers, - de verstreken tijd sinds de laatste onderhoudscontrole. De afstand tot de eerstvolgende beurt is 1000 tot 3000 km Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende 7 seconden de onderhoudssleutel branden. De kilometerteller geeft de resterende kilometers tot de eerstvolgende onderhoudscontrole aan. Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole bedraagt 2800 km.

Als het contact wordt aangezet, geeft het display gedurende 7 seconden het volgende aan: 7 seconden na het aanzetten van het contact verdwijnt de sleutel ; de teller geeft weer de kilometerstand en de stand van de dagteller aan. De afstand tot de eerstvolgende beurt is minder dan 1000 km Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole bedraagt 900 km. Als het contact wordt aangezet, geeft het display gedurende 7 seconden het volgende aan: 7 seconden na het aanzetten van het contacttreedt de kilometerteller weer in werking en blijft de sleutel branden om aan te geven dat er binnenkort onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden.

36Controle tijdens het rijden De afstand tot de eerstvolgende beurt is overschreden Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende 7 seconden de sleutelknipperen om aan te geven dat de onderhoudswerkzaamheden zo spoedig mogelijk uitgevoerd moeten worden. Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt met 300 km overschreden. Als het contact wordt aangezet, geeft het display gedurende 7 seconden het volgende aan: De factor tijd kan worden meegewogen bij de nog af te leggen kilometers, afhankelijk van de rijgewoonten van de bestuurder. De sleutel kan dus ook gaan branden als de tijd sinds de laatste onderhoudsbeurt, zoals aangegeven in het garantie- enonderhoudsboekje, is overschreden. Als u na deze handeling de accu wilt loskoppelen, vergrendel dan de auto en wacht minimaal 5 minuten. Het op 0 zetten van de onderhoudsindicator zal anders niet worden opgeslagen.

Op 0 zetten van de onderhoudsindicator De onderhoudsindicator moet na elke onderhoudsbeurt op 0 gezet worden. Voer dit als volgt uit:  zet het contact af,  druk op de resetknop van de dagteller en houd deze ingedrukt,  zet het contact aan; de kilometerteller begint terug te tellen, laat de knop los als het display "=0"aangeeft; de sleutel verdwijnt. Opnieuw weergeven van de onderhoudsinformatie U kunt op elk moment de onderhoudsinformatie weergeven.  Druk op de knop voor nulstelling van de dagteller. De onderhoudsinformatie wordt enkele seconden weergegeven en verdwijnt vervolgens weer. 7 seconden na het aanzetten van het contact treedt de kilometerteller weer in werking en blijft de sleutel branden.

137Controle tijdens het rijdenMotorolieniveaumeter* Te weinig olie Als het motorolieniveau te laag is, gaat het symbool "OIL " knipperen of wordt een melding op het instrumentenpaneel weergegeven. Controleer het olieniveau met de peilstok. Als blijkt dat het olieniveau te laag is, moet olie worden bijgevuld om te voorkomen dat ernstige motorschade ontstaat. Storing motorolieniveaumeter Als de motorolieniveaumeter defect is, gaat het symbool "OIL_ _ " knipperen of wordt een melding op het instrumentenpaneel weergegeven. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Oliepeilstok Raadpleeg de rubriek "Onderhoud" voor de plaats van de peilstok en het bijvullen van motorolie voor het motortype van uw auto. 2 merktekens op de peilstok: Op het display wordt in het gedeelte A detotale kilometerstand en in het gedeelte B de dagteller weergegeven.

Druk, als de dagteller wordt weergegeven, enkele seconden op de knop. Kilometerteller Nulstelling dagteller De motorolieniveaumeter geeft aan of het motorolieniveau in orde is. Bij het aanzetten van het contact wordt eerst de onderhoudsindicator weergegeven en vervolgens gedurende enkele seconden het motorolieniveau.Een controle van het olieniveau is alleen betrouwbaar als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor minstens 30 minuten niet heeft gedraaid. - A= maxi; het olieniveau mag nooit boven dit niveau uitkomen, - B = mini; als het olieniveau niet boven het niveau B uitkomt, moet het voor de motor van uw auto voorgeschreven type motorolie worden bijgevuld via de vuldop. Olieniveau correct * Volgens uitvoering.

38Controle tijdens het rijden De boordcomputer geeft actuele informatie over het rijden (actieradius, brandstofverbruik...). Boordcomputer Display van het instrumentenpaneel Weergave van de informatie  Druk op de toets op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar omachtereenvolgens de verschillende functies weer te geven. - Actuele informatie: ● a c t ie r ad i us , ● actueel brandstofverbruik, ● de teller van het Stop & Start-systeem. - Traject "1": ● g e m id d el d e sn e lh e id , ● gemiddeld brandstofverbruik, ● de afgelegde afstand, voor het eerste traject. - Traject "2" : ● g e m id d el d e sn e lh e id , ● gemiddeld brandstofverbruik, ● de afgelegde afstand, voor het tweede traject.

139Controle tijdens het rijden Traject resetten  Druk zodra het gewenste traject wordt aangegeven de toets op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar langer dan twee seconden in. De trajecten "1" en "2"zijn onafhankelijk en hebben dezelfde eigenschappen. Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor een maandelijks verbruik.

40Controle tijdens het rijden De boordcomputer geeft tijdens het rijden verschillende informatie (actieradius, brandstofverbruik ...). Boordcomputer met touchscreen Weergave van de informatie - Actuele informatie: ● a c t iera diu s, ● huidig brandstofverbruik, ● de teller van het Stop & Start-systeem. - Traject "1": ● a f g e legde afstand , ● gemiddeld brandstofverbruik, ● gemiddelde snelheid, voor het eerste traject. - Traject "2": ● a f g e legde afstand , ● gemiddeld brandstofverbruik, ● gemiddelde snelheid, voor het tweede traject.  Druk op MODE op het touchscreen om de verschillende functies weer te geven.  Selecteer de gewenste functie met uw vinger.

141Controle tijdens het rijden Traject resetten  Druk op het gedeelte voor het resetten, rechtsonder op hettouchscreen, zodra het gewenste traject wordt weergegeven. De trajecten "1" en "2"zijn onafhankelijk en hebben dezelfde eigenschappen. Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor een maandelijks verbruik.

42Controle tijdens het rijdenStop & Start-teller (minuten/seconden of uren/minuten) Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als tijdens het rijden de streepjes continu worden weergegeven. Deze functie wordt alleen weergegeven bij snelheden vanaf 30 km/h. Deze waarde kan variëren door een gewijzigde rijstijl of het rijden op een helling, waardoor het momentele brandstofverbruik aanzienlijk kan wijzigen. Boordcomputer, enkele definities Actieradius(km of miles) Aantal kilometers dat u nog met de resterende hoeveelheid brandstof kunt rijden (berekend op basis van het gemiddelde verbruik over de laatste afgelegde kilometers). Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt, verschijnen streepjes op het display. Na het tanken van minimaal 5 liter brandstof wordt de actieradius opnieuw berekend en weergegeven als deze meer dan 100 km bedraagt.

Huidig verbruik (l/100 km, km/l of mpg) Berekend over de laatste verstreken seconden. Gemiddeld verbruik (l/100 km, km/l of mpg) Berekend sinds de laatste nulstelling van de trajectgegevens. Gemiddelde snelheid(km/h of mph) Berekend sinds de laatste nulstelling van de trajectgegevens. Afgelegde afstand (km of miles)Berekend sinds de laatste nulstelling van de trajectgegevens. Als uw auto is uitgerust met Stop & Start, registreert een teller hoelang de STOP-stand tijdens een traject is geactiveerd. De teller wordt, elke keer als u het contact met de sleutel aanzet, weer op nul gezet.

143Controle tijdens het rijdenInstrumentenpaneel met LCD-display  Druk deze toets in om achtereenvolgens de volgende parameters weer te geven: - uren, - minuten, - tijdsaanduiding in 12 of 24 uur. Datum en tijd instellen Druk op MENU om het " HOOFDMENU "weer te geven en selecteer " Instellingen ". Selecteer " Datum Tijd ". Selecteer de datum of tijd die wordt weergegeven, gebruik het toetsenbord om de instellingen te wijzigen en selecteer " Bevestigen ". Touchscreen Selecteer " Systeemconfiguratie ".

44Toegang tot de auto U kunt om de auto te ontgrendelen of vergrendelen de centrale vergrendeling bedienen met de sleutel in het portierslot of met de afstandsbediening. De sleutel met afstandsbediening dient tevens voor de lokalisatie en het starten van de auto en maakt deel uit van de diefstalbeveiliging. Sleutel met afstandsbediening Uitklappen van de sleutel Openen van de auto Volledig ontgrendelen Met de sleutel  Draai de sleutel in de richting van de voorzijde van de auto om de auto te ontgrendelen. Met de afstandsbediening  Druk op het geopende hangslot om de auto te ontgrendelen. Het ontgrendelen wordt bevestigd door het gedurende ongeveer 2 seconden snel knipperen van de richtingaanwijzers.Tegelijkertijd worden, afhankelijk van de uitvoering van de auto, de buitenspiegels uitgeklapt. Het inbraakalarm wordt niet uitgeschakeld als de auto met de sleutel wordt ontgrendeld.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Peugeot 2008 (2014) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden