Opel Zafira Life (2020) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Opel Zafira Life (2020) (297 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 27 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 7 reviews. Heb je een vraag over Opel Zafira Life (2020) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Opel |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Zafira Life (2020) |
Handleiding Opel Zafira Life (2020) – volledige tekst
Inleiding 3Uw autogegevensVoer hier de gegevens van de auto inzodat ze gemakkelijk te vinden zijn. Raadpleeg de onderdelen "Serviceen onderhoud", "Technische gege‐vens", het typeplaatje en de nationaleregistratiedocumenten van de auto. InleidingUw Zafira Life / Vivaro is een intelli‐gente combinatie van vernieuwendetechniek, overtuigende veiligheid,milieuvriendelijkheid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindt ualle informatie die u nodig hebt om uwauto veilig en efficiënt te kunnenbedienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervanop de hoogte zijn dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wetge‐ving van het land waarin u zichbevindt. Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding.
Als u de beschrijving in deze handlei‐ding negeert, kan dit van invloed zijnop de garantie. Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan. Elke Opel Service Partner biedt ueersteklas service tegen redelijke prij‐zen. Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor degebruiker altijd onder handbereik inde auto. Gebruik van dezehandleiding● Deze handleiding geeft eenomschrijving van alle voor ditmodel beschikbare opties enfuncties. Mogelijk zijn bepaaldeomschrijvingen, waaronder dievoor display- en menufuncties,niet op uw auto van toepassingwanneer er sprake is van eenmodelvariant, afwijkendelandenspecificaties of specialeuitrustingen of accessoires. ● In het hoofdstuk "Kort en bondig"krijgt u een beknopt overzicht.
● De inhoudsopgave aan het beginvan de handleiding en in deafzonderlijke paragrafen geeftaan waar u de informatie die uzoekt kunt vinden. ● Met behulp van het trefwoorden‐register kunt u specifieke infor‐matie zoeken.
4 Inleiding● Richtingaanduidingen in debeschrijvingen, zoals links,rechts, voor of achter moetenaltijd met de blik in de rijrichtingworden gezien.● Displays ondersteunen mogelijkuw specifieke taal niet.● Displayteksten en opschriften inhet interieur zijn vet gedrukt.Gevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9 GevaarTeksten met de vermelding9 Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9 WaarschuwingTeksten met de vermelding9 Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan totverwondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kanraken. Het niet naleven van dezerichtlijnen kan tot beschadigingvan de auto leiden.SymbolenVerwijzingen naar andere pagina'sworden aangeduid met 3.
Kort en bondig 7StoelverstellingVerstelling in de lengterichtingTrek aan de hendel, verschuif destoel en laat de hendel los. Probeerde stoel heen en weer te bewegen omna te gaan of deze op zijn plaats zit.Stoelpositie 3 49.Handmatige stoelverstelling 3 50.Hoek van rugleuningZithoek met het handwiel aanpassen.Bij het verstellen de rugleuning nietbelasten.Stoelpositie 3 49.Handmatige stoelverstelling 3 50.ZithoogtePompbeweging van de hendelomhoog : stoel omhoogomlaag : stoel omlaagStoelpositie 3 49.Handmatige stoelverstelling 3 50.
8 Kort en bondigLendensteunDraai aan het kartelwieltje om depersoonlijke voorkeur in te stellen.HoofdsteunverstellingZet de hoofdsteun omhoog ofomlaag. Als de hoofdsteun is vastge‐klikt, op de pal drukken en de hoofd‐steun verschuiven.Hoofdsteunen 3 48.VeiligheidsgordelVeiligheidsgordel afrollen en ingordelslot vastmaken. De veiligheids‐gordel mag niet gedraaid zitten enmoet strak tegen het lichaam aanlig‐gen. De rugleuningen mogen niet tever naar achteren hellen (maximaalca. 25°).Om de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Stoelpositie 3 49.Veiligheidsgordels 3 59.Airbagsysteem 3 63.
Kort en bondig 15AchterruitsproeierZet op R.Er wordt sproeiervloeistof op deachterruit gespoten en de ruitenwis‐ser maakt enkele slagen.Achterruitwisser en -sproeier 3 99.KlimaatregelingVerwarmbare achterruitè indrukken om verwarming in teschakelen.Verwarmbare achterruit 3 46.Verwarmde voorruit 3 46.Verwarmbare buitenspiegelsAfhankelijk van de versie werkt deverwarming door op è of m tedrukken.De verwarming werkt bij een draai‐ende motor en wordt na korte tijdautomatisch uitgeschakeld.Verwarmbare buitenspiegels 3 41.
16 Kort en bondigRuiten ontwasemen en ontdooienVerwarmings- en ventilatiesysteem,airconditioning● Aanjagersnelheid ý op hoogstestand zetten.● Draaiknop voor temperatuur ñ inhoogste stand zetten.● Schakel, indien nodig, de A/C in.● Verwarming achterruit èinschakelen.● Zijdelingse luchtroosters openennaar wens en op de zijruiten rich‐ten.Let opAls de instellingen voor ontwasemenen ontdooien zijn geselecteerd, is erwellicht geen Autostop mogelijk.Als de instellingen voor ontwasemenen ontvriezen zijn geselecteerdterwijl de motor in een Autostop is,zal de motor automatisch herstarten.Stop/Start-systeem 3 160.Verwarmings- en ventilatiesysteem3 142.Airconditioning 3 144.Elektronische klimaatregeling (ECC)● Druk op h. Het led-lampje in deknop brandt om activering aan tegeven.● Airconditioning en automatischestand worden automatisch inge‐schakeld.
Het led-lampje in detoets A/C brandt, AUTOverschijnt op het display.● Temperatuur en luchtverdelingworden automatisch ingesteld,de aanjager draait met een hogesnelheid.● Verwarming achterruit èinschakelen.
Kort en bondig 17● Voorruitverwarming 9 inscha‐kelen.● Om weer naar de vorige moduste gaan: h weer indrukken.Let opAls h wordt ingedrukt terwijl demotor loopt, wordt een Autostopverhinderd totdat er opnieuw oph wordt gedrukt.Als h wordt ingedrukt terwijl demotor in een Autostop is, zal demotor automatisch herstarten.Elektronisch klimaatregelsysteem3 146.VersnellingsbakHandgeschakeldeversnellingsbakTrap om de achteruitversnelling in teschakelen bij een 5-traps versnel‐lingsbak op het koppelingspedaal enhaal de schakelhendel naar rechts ennaar achteren.Trap om de achteruitversnelling in teschakelen bij een 6-traps versnel‐lingsbak op het koppelingspedaal,haal de ring onder de schakelhendelomhoog en haal de hendel helemaalnaar links en naar voren.Handgeschakelde versnellingsbak3 173.
Kort en bondig 19Motor startenContactslot● draai de sleutel naar stand 1● stuurwiel iets verdraaien om hetstuurslot te ontgrendelen● handgeschakelde versnellings‐bak: trap het koppelingspedaalen het rempedaal inautomatische versnellingsbak:trap het rempedaal in en zet dekeuzehendel in P of N● gaspedaal niet intrappen● dieselmotor: wacht totdat decontrolelamp z voor voorver‐warming dooft● draai de sleutel in de stand 2 enlaat deze na het starten van demotor losMotor starten 3 158.Startknop● handgeschakelde versnellings‐bak: trap het koppelingspedaalen het rempedaal in● automatische versnellingsbak:trap het rempedaal in en zet dekeuzehendel in P of N● gaspedaal niet intrappen● druk op de toets Start/Stop● laat de toets los nadat de motorgestart is
20 Kort en bondigStop-startsysteemAls de auto langzaam rijdt of stilstaaten er aan bepaalde voorwaarden isvoldaan, wordt een autostop geacti‐veerd.Een Autostop wordt aangegevendoor controlelampje ñ.Handgeschakelde versnellingsbak:om de motor te herstarten, moet u hetkoppelingspedaal opnieuw intrappen.Controlelampje ñ dooft.Automatische versnellingsbak: om demotor te herstarten, moet u hetrempedaal loslaten. Controlelampjeñ dooft.Stop-startsysteem 3 160.Parkeren9 Waarschuwing● Parkeer de auto niet op eenondergrond met brandbaarmateriaal.
Door de hogetemperatuur van het uitlaatsys‐teem kan het oppervlakontbranden.● Trek altijd de parkeerrem aan.● Als de auto vlak of op een oplo‐pende helling staat, dan deeerste versnelling inschakelenof de keuzehendel in stand Pzetten (automatische versnel‐lingsbak type A)/N (automati‐sche versnellingsbak type B).Op een oplopende hellingbovendien de voorwielen vande stoeprand wegdraaien.Als op een aflopende hellingstaat, dan de achteruitversnel‐ling inschakelen of de keuze‐hendel in stand P zetten (auto‐matische versnellingsbak typeA)/N (automatische versnel‐lingsbak type B). Bovendien devoorwielen naar de stoeprandtoedraaien.● Sluit de ruiten.● Zet de motor af.● Trek de sleutel uit het contact‐slot of schakel bij auto's meteen aan/uit-knop het contactuit.
Verdraai het stuurwiel tothet stuurslot merkbaarvergrendelt.● Vergrendel de auto met - op dehandzender.Activeer het alarmsysteem3 37.● Koelventilatoren kunnen ook nahet afzetten van de motor inwerking treden 3 220.VoorzichtigNa een rit waarbij met hoge motor‐toerentallen of met hoge motorbe‐lasting werd gereden, de motorvóór het afzetten gedurende eenkorte tijd met lage belasting latendraaien of gedurende ca.
Bij het bestellen van reservesleutelsmoet het sleutelnummer wordenvermeld aangezien de sleutels deeluitmaken van de startbeveiliging. Sloten 3 262. Centrale vergrendeling 3 25. Motor starten 3 158. Handzender 3 23. Elektronische sleutel 3 24. Het codenummer van de adaptervoor de wielborgmoeren vindt u opeen kaart. Vermeld het wanneer ueen nieuwe adapter bestelt. Wiel verwisselen 3 253.
Klik de achterafdekking op zijnplaats.StoringAls de centrale vergrendeling niet metde afstandsbediening kan wordenvergrendeld of ontgrendeld, kan dithet gevolg zijn van het volgende:● Storing in de afstandsbediening.● De accuspanning is te laag.● Overbelasting van de centralevergrendeling door herhaalde,snel opeenvolgende activeringvan de handzender, waardoor destroomvoorziening voor korte tijdwordt onderbroken.● Storing door radiogolven afkom‐stig van externe zenders met eenhoog vermogen.Handmatig ontgrendelen 3 25.Elektronisch sleutelsysteemAfhankelijk van de versie kunt u methet elektronische sleutelsysteem devolgende functies zonder sleutelbedienen:● centrale vergrendeling 3 25● achterklep ontgrendelen● koplampen inschakelenDe bestuurder hoeft alleen de elek‐tronische sleutel bij zich te dragen.De elektronische sleutel bevat ook defunctionaliteit van de handzender3 23.Handzender met zorg behandelen,vochtvrij houden, beschermen tegenhoge temperaturen en onnodiggebruik vermijden.Batterij elektronische sleutelvervangenBatterij meteen vervangen zodra hetsysteem niet meer goed werkt of hetbereik ervan afneemt.
Sleutels, portieren en ruiten 25Batterijen horen niet in het huisvuilthuis. Ze moeten via speciale inza‐melpunten gerecycled worden.1. Verwijder het deksel.2. Verwijder de lege batterij.3. Vervang de batterij door eenbatterij van hetzelfde type. Let opde installatiepositie.4.
Plaats het deksel.StoringAls de centrale vergrendeling niet kanworden vergrendeld of ontgrendeld ofals de motor niet kan worden gestart,kan dit de volgende oorzakenhebben:● Storing in elektronische sleutel.● De elektronische sleutel is buitenontvangstbereik.● De accuspanning is te laag.● Overbelasting van de centralevergrendeling door herhaalde,snel opeenvolgende activeringvan de handzender, waardoor destroomvoorziening voor korte tijdwordt onderbroken.● Storing door radiogolven afkom‐stig van externe zenders met eenhoog vermogen.Om de storing te verhelpen, de positievan de elektronische sleutel verande‐ren.Handmatig ontgrendelen 3 25.Centrale vergrendelingOntgrendelt en vergrendelt deuren,bagageklep en tankklep.Door aan de binnenste deurhand‐greep te trekken wordt de desbetref‐fende deur ontgrendeld en geopend.Let opBij een ongeval waarbij de airbags ofgordelspanners in werking treden,wordt het voertuig automatischontgrendeld.Let opWanneer na ontgrendeling met deafstandsbediening geen van deportieren word geopend, wordendeze na korte tijd automatischopnieuw vergrendeld.
Een voor‐waarde is dat de instelling is geacti‐veerd in de persoonlijke instellingen3 127.Selectief ontgrendelenMet selectief ontgrendelen kunt u devoorportieren en de tankklep of deschuifdeuren, de achterdeuren/deachterklep ontgrendelen. Selectiefontgrendelen moet worden geconfi‐gureerd.
26 Sleutels, portieren en ruitenOm te activeren, het contact inscha‐kelen en meer dan 2 seconden op* drukken. Het led brandt. Er klinkteen geluidssignaal en afhankelijk vande configuratie van de auto verschijnter een bericht op het Info-Display.Om te deactiveren, het contactinschakelen en gedurende meer dan2 seconden op * drukken. De leddooft.Werking van afstandsbedieningOntgrendelen
Sleutels, portieren en ruiten 27BevestigingDe werking van de centrale vergren‐deling wordt bevestigd door de alarm‐knipperlichten. Een voorwaarde is datde instelling in de persoonlijke instel‐lingen 3 127 is geactiveerd.Werking elektronischsleutelsysteemDe elektronische sleutel moet zichbinnen een bereik van ongeveeréén meter van het betreffende portierbuiten de auto bevinden.OntgrendelenSteek een hand achter de portier‐greep van een van de voorportieren,de schuifdeuren, de scharnierdeurenof druk op de achterklepknop.De ontgrendelmodus kan wordeningesteld in het menu Persoonlijkeinstellingen op het Info-Display. Ukunt uit twee instellingen kiezen:● Alle deuren, de scharnierdeuren/de bagageruimte en de tankklepworden ontgrendeld door eenhand achter een van de voorpor‐tiergrepen, de handgrepen vande schuifdeuren of de handgre‐pen van de scharnierdeuren testeken.
28 Sleutels, portieren en ruitenVergrendelenDruk op een van de portierkrukken ofdruk op de achterklepknop.Alle portieren, de achterklep/koffer‐klep en de tankvulklep wordenvergrendeld.Als de auto niet goed gesloten is, deelektronische sleutel in de auto blijftof het contact niet uit is, is vergrende‐ling niet toegestaan.BevestigingDe werking van de centrale vergren‐deling wordt bevestigd door de alarm‐knipperlichten.Centrale vergrendelingstoetsHiermee vergrendelt of ontgrendelt ualle deuren en de bagageruimtevanuit het interieur. Als de auto isuitgerust met een elektronisch sleu‐telsysteem, wordt de tankklep ookvergrendeld of ontgrendeld.Druk op - om te vergrendelen. Hetled-lampje in de toets brandt.Druk nogmaals op - om te ontgren‐delen.
Het led-lampje in de toetsdooft.Bediening met de sleutel bij eenstoring in de centralevergrendelingBij een storing, bijvoorbeeld omdat deaccu of de batterij van de handzen‐der / elektronische sleutel leeg is,kunt u het bestuurdersportier met demechanische sleutel vergrendelen enontgrendelen.Handmatig ontgrendelenElektronische sleutel: houd de palingedrukt om de geïntegreerde sleu‐tel te voorschijn te halen.
Sleutels, portieren en ruiten 29U ontgrendelt het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in de slot‐cilinder te steken en te draaien.De andere portieren kunnen wordengeopend door aan de binnenhand‐greep te trekken.Als u het contact inschakelt, wordt hetvergrendelingssysteem uitgescha‐keld.Handmatig vergrendelenU vergrendelt de deuren, de achter‐klep en de tankklep handmatig doorde sleutel in het cilinderslot van debestuurdersdeur te steken en tedraaien.Automatisch vergrendelenAutomatisch vergrendelen nawegrijdenDit systeem biedt de mogelijkheid omde portieren en de achterklep auto‐matisch te vergrendelen zodra desnelheid van de auto is opgelopen totboven 10 km/u.Als een van de portieren of de achter‐klep openstaat, vindt geen automati‐sche centrale vergrendeling plaats.Dit wordt kenbaar gemaakt door hetgeluid van opnieuw ontgrendelendesloten, het oplichten van N op deinstrumentengroep, de weergave vaneen geluidssignaal en het verschijnenvan een waarschuwingsbericht.Deze functies is op ieder gewenstmoment te activeren of te deactive‐ren.
Druk, bij ingeschakeld contact,op - totdat een geluidssignaal klinkten het bijbehorende berichtverschijnt.De stand van het systeem wordt bijuitschakeling van het contact in hetgeheugen opgeslagen.
30 Sleutels, portieren en ruitenAutomatische hervergrendelingna ontgrendelingDeze functie vergrendelt automatischalle portieren, de bagageruimte en detankvulklep kort nadat u deze met dehandzender of elektronische sleutelheeft ontgrendeld, vooropgesteld dater geen portier openstaat.Kindersloten9 WaarschuwingGebruik de kindersloten wanneerkinderen op de achterste zitplaat‐sen worden vervoerd.Mechanische kinderslotenOm te activeren, het kinderslotomhoog draaien. De schuifdeur kanniet van binnenuit worden geopend.Om te deactiveren, het kinderslotomlaag draaien. De schuifdeur kanvan binnenuit worden geopend.Elektrische kinderslotenOp afstand bediend systeem omopenen van de schuifdeuren via debinnenhandgrepen te voorkomen.InschakelenDruk op >. Het lampje in de knopgaat branden en er verschijnt eenbevestigingsbericht. Het lampje blijftbranden totdat het kinderslot wordtuitgeschakeld.
32 Sleutels, portieren en ruitenSluitenU sluit de deur van buiten door aan dedeurhandgreep te trekken en de deurnaar voren te schuiven totdat dezevergrendelt.U sluit de deur van binnen door tegende handgreep te duwen en de deurnaar voren te schuiven totdat dezevergrendelt.VoorzichtigControleer vóór het wegrijden ofde zijschuifdeur geheel gesloten isen dicht zit.VoorzichtigOpen de zijschuifdeur nietwanneer de tankklep nog open is.9GevaarNiet met een geopende of op eenkier staande zijschuifdeur rijden,bijv. bij het vervoer van omvang‐rijke bagage, omdat er dan giftige,onzichtbare en reukloze uitlaat‐gassen de auto kunnen binnen‐dringen.
Hierdoor kunt u bewuste‐loos raken en zelfs sterven.Tanken 3 211.Elektrische schuifdeuren9 WaarschuwingWees voorzichtig wanneer u deelektrische schuifdeuren bedient.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Wees met name voorzichtigwanneer de auto op een hellinggeparkeerd staat: open of sluit dedeur volledig totdat deze in devergrendeling valt.
Zorg ervoor dat er nietsbeklemd raakt tijdens de bedie‐ning en dat er niemand in debewegingszone staat.U kunt de elektrische schuifdeurenals volgt bedienen:● door op N of M op de handzenderte drukken● door op N of M op de elektroni‐sche sleutel te drukken● door op P of O op het instru‐mentenpaneel te drukken● door op P of O op het portier‐frame te drukken● handsfree bediening met behulpvan de bewegingssensorenonder de achterbumper● door aan de betreffende deur‐handgreep te trekken.Bediening met de elektronischesleutelDruk iets langer op N of M om debetreffende elektrische schuifdeur teopenen of te sluiten.Handsfree bedieningAfhankelijk van de configuratie vande auto kan de auto één of tweehandsfree bediende schuifdeurenhebben.Om een schuifdeur te openen of tesluiten, de voet onder de achterbum‐per aan de betreffende zijde naarachteren en naar voren bewegen.
34 Sleutels, portieren en ruitenDe elektronische sleutel moet zichbinnen een bereik van ongeveer1 meter van de bewegingssensorenbuiten de auto bevinden. Afhankelijkvan de configuratie van de auto moetde elektronische sleutel zich in debetreffende zone bevinden. Houd uwvoet niet langer onder de bumper enbeweeg niet te langzaam.U kunt de handsfree bediening in- ofuitschakelen op het Info-Display3 123.BagageruimteAchterklepAchterklepruit 3 45.OpenenDruk, na ontgrendeling, op de achter‐klepknop en open de achterklep.Druk afhankelijk van de versie op' om de achterklep van binnen teontgrendelen.SluitenGebruik om de achterklep te sluitende binnenhandgreep. Duw van bovenop de achterklep totdat deze geheelgesloten is.Duw niet op de achterklepknoptijdens het sluiten, omdat de achter‐klep dan weer wordt ontgrendeld.
Sleutels, portieren en ruiten 35Druk met de elektronische sleutelbuiten de auto en binnen een bereikvan ongeveer 1 m van de achterklepop de rechterachterklepknop om deauto te vergrendelen.Centrale vergrendeling 3 25.Algemene tips voor deachterklepbediening9 GevaarNiet met een geopende of op eenkier staande achterklep rijden,bijv. bij het vervoer van omvang‐rijke bagage, omdat er dan giftige,onzichtbare en reukloze uitlaat‐gassen de auto kunnen binnen‐dringen. Hierdoor kunt u bewuste‐loos raken en zelfs sterven.VoorzichtigVoordat u de achterklep opent,moet u belemmeringgen in dehoogte controleren, zoals eengaragedeur, om schade aan deachterklep te voorkomen.
Contro‐leer altijd het bewegingsgebiedboven en achter de achterklep.Let opAfhankelijk van het gewicht vaneventueel gemonteerde accessoi‐res blijft de achterklep mogelijk nietin geopende stand staan.Let opBij lage buitentemperaturen gaat deachterklep wellicht niet vanzelfgeheel open. Til de achterklep in datgeval met de hand tot in de normaleeindstand.Achterklep in noodsituaties vanbinnenuit openenVia een toegangsopening tussen hetportier en de vloer kan de achterklep‐grendel met een geschikt gereed‐schap worden ontgrendeld. Druk opde hendel links om de achterklep teontgrendelen en te openen.ScharnierdeurenOntgrendel de scharnierdeuren metde bediening op afstand of door aande sleutel in het achterdeurcilinder‐slot te draaien.Centrale vergrendeling 3 25.
36 Sleutels, portieren en ruitenOm de scharnierdeuren te openen,aan de buitenkruk trekken.Om de scharnierdeur rechts teontgrendelen, aan de hendel trekken.Om het portier van binnen in de autote openen, aan de binnenhandgreeptrekken.9 WaarschuwingWanneer de auto langs de kantvan de weg geparkeerd is en deachterportieren openstaan, zijn deachterlichten mogelijk niet te zien.Medeweggebruikers attent makenop de auto door een gevarendrie‐hoek te gebruiken of andere appa‐ratuur zoals aanbevolen door hetverkeersreglement in uw land.De deuren worden met deurvangersonder een hoek van 90° gehouden.Open de deuren 180° door op de klinkte drukken en deze in de gewenstestand te openen.
Sleutels, portieren en ruiten 37Centrale vergrendeling 3 25.AntidiefstalbeveiligingVergrendelingssysteem9 WaarschuwingNiet inschakelen als er zich perso‐nen in de auto bevinden! Ontgren‐delen van de binnenzijde is nietmogelijk.Alle deuren worden tegen openenbeveiligd. Voor activering van hetsysteem moeten alle portieren geslo‐ten zijn.Bij het ontgrendelen van de autowordt de mechanische diefstalbevei‐liging uitgeschakeld. Dit is niet moge‐lijk met de centrale vergrendelings‐knop.InschakelenFysieke sleutel: Steek de sleutel erinen draai deze twee keer binnen 5seconden rechtsom.Afstandsbediening: Druk binnen vijfseconden tweemaal op - van dehandzender.Elektronische sleutel: Druk binnen vijfseconden tweemaal op een van deportierkrukkenDiefstalalarmsysteem9 WaarschuwingNiet inschakelen als er zich perso‐nen in de auto bevinden!
Ontgren‐delen van de binnenzijde is nietmogelijk.Het diefstalalarmsysteem is bedoeldom de auto te beschermen tegen dief‐stal en inbraken.Het alarmsysteem is gecombineerdmet het vergrendelingssysteem.Het systeem bewaakt portieren/deuren, achterklep, motorkap en hetinterieur.Afhankelijk van de versie van de autobewaakt het mogelijk niet de naast‐gelegen bagageruimte.
38 Sleutels, portieren en ruitenInschakelenContact moet uitgeschakeld zijn. Alleportieren moeten gesloten zijn en deelektronische sleutel mag niet in deauto blijven. Anders kan het systeemniet worden geactiveerd.● Handzender: De bewaking vande deuren, achterklep en motor‐kap wordt geactiveerd wanneerer 5 seconden zijn verstreken navergrendeling van de auto doorop e te drukken. De bewakingvan het interieur wordt geacti‐veerd wanneer er 45 secondenzijn verstreken na vergrendelingvan de auto door op e te drukken.● Elektronisch sleutelsysteem: Debewaking van de deuren, achter‐klep en motorkap wordt geacti‐veerd wanneer er 5 secondenzijn verstreken na vergrendelingvan de auto door met een vingerof duim het gemarkeerde gebiedvan een van de voorportiergre‐pen aan te raken.
De bewakingvan het interieur wordt geacti‐veerd wanneer er 45 secondenzijn verstreken na vergrendelingvan de auto door met een vingerof duim het gemarkeerde gebiedvan een van de voorportiergre‐pen aan te raken.De activering wordt bevestigd doorhet knipperen van de status-led enhet kort oplichten van de richtingaan‐wijzers.Als een deur of de achterklep nietcorrect is gesloten en de auto isvergrendeld via de bediening opafstand of het elektronische sleutel‐systeem, blijft de auto ontgrendeld.Echter, het diefstalalarmsysteemwordt na 45 seconden geactiveerd.Let opBij wijzigingen in het interieur, zoalshet gebruik van stoelhoezen en bijopen ruiten, werkt de bewaking vanhet interieur wellicht minder goed.Inschakelen zonder bewakingvan passagiersruimteSchakel de bewaking van het interi‐eur uit als u dieren in de auto achter‐laat, om te voorkomen dat hoge ultra‐sone tonen of bewegingen het alarmactiveren.
Sleutels, portieren en ruiten 393. Stap uit de auto.4. Vergrendel de auto onmiddellijkmet behulp van de bediening opafstand, door op een van deportierkrukken of op de achter‐klepknop te drukken.De activering wordt aangegeven doorhet knipperen van de status-led.MeldingHet led-lampje in de knop voorcentrale vergrendeling knippert, alshet diefstalalarmsysteem geactiveerdis.Bij storingen de hulp van een werk‐plaats inroepen.UitschakelenHandzender: Bij het ontgrendelenvan de auto door indrukken van
voor onderhouds‐werkzaamheden), moet de alarmsi‐rene als volgt worden gedeactiveerd:schakel het contact in en uit enontkoppel de accu van de auto binnen15 seconden.Als de accu weer is aangesloten, 10minuten wachten om de motor weerte starten.Auto vergrendelen zonder hetdiefstalalarm te activerenVergrendel de auto door de geïnte‐greerde sleutel van de bediening opafstand of het elektronische sleutel‐systeem in het cilinderslot van hetbestuurdersportier te steken en tedraaien.Bediening op afstand defectOntgrendel de auto door de geïnte‐greerde sleutel van de bediening opafstand of het elektronische sleutel‐systeem in het cilinderslot van hetbestuurdersportier te steken en tedraaien.Open het bestuurdersportier.De claxon van het diefstalalarmsys‐teem klinkt.Contact inschakelen.De claxon klinkt niet meer en destatus-led dooft.StartbeveiligingHet systeem is onderdeel van hetcontactslot en het controleert of deauto met de gebruikte sleutel magworden gestart.De startbeveiliging activeert zichzelfautomatisch nadat u de sleutel uit decontactschakelaar hebt gehaald.Let opRFiD-tags (Radio Frequency Identi‐fication) kunnen de werking van desleutel storen.
Beide buitenspiegels klap‐pen nu in.Druk de spiegelknop nogmaals naarachteren om de buitenspiegels weerin hun oorspronkelijke stand tezetten.Als u een elektrisch ingeklapte spie‐gel met de hand uitklapt, wordt bij hetnaar achteren trekken van de spie‐gelknop alleen de andere spiegelelektrisch uitgeklapt.Automatisch uit-/inklappenBij het vergrendelen van de auto klap‐pen beide spiegels in.Bij het ontgrendelen van de auto gaande spiegels terug naar hun normalestand.De functie kan worden uitgeschakeldin de Persoonlijke instellingen3 127.Verwarmde spiegelsAfhankelijk van de versie werkt deverwarming door op è of m tedrukken.
42 Sleutels, portieren en ruitenDe verwarming werkt bij een draai‐ende motor en wordt na korte tijdautomatisch uitgeschakeld.Verwarmbare achterruit 3 46.BinnenspiegelHandmatige dimfunctieOm verblinding te verminderen, dehendel aan de onderkant van de spie‐gelbehuizing verstellen.Automatische dimfunctieVerblinding 's nachts door achterop‐komend verkeer wordt automatischverminderd.
Sleutels, portieren en ruiten 43KindertoezichtspiegelVia de kindertoezichtspiegel kunt ude zitplaatsen achterin in de gatenhouden. De spiegel is verstelbaar.RuitenVoorruitStickers op de voorruitPlak rondom de achteruitkijkspiegelgeen stickers, zoals tolvignetten ofsoortgelijke stickers, op de voorruit.Anders kunnen de detectiezone vande sensor en het zichtveld van decamera in de spiegelbehuizing kleinerworden.Vervanging van voorruitVoorzichtigAls de auto met een vooruitzicht‐camera voor de bestuurderson‐dersteuningssystemen uitgevoerdis, is het zeer belangrijk dat eeneventuele vervanging van de voor‐ruit precies volgens de specifica‐ties van Opel plaatsvindt.
Anderswerken deze systemen wellichtniet goed en bestaat het risico vanonverwacht gedrag en / of berich‐ten van deze systemen.Elektrisch bediende ruiten9 WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan de elektrische ruitbediening.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Als er achterin kinderen zitten,moet u de kinderbeveiliging vande elektrische ruitbedieninginschakelen.Ruiten tijdens het sluiten goed inde gaten houden. Ervoor zorgendat niets of niemand bekneldraakt.Schakel het contact in om de elek‐trisch bediende ruiten te bedienen.
44 Sleutels, portieren en ruitenDruk G van de betreffende ruit in omde ruit te openen of trek eraan om deruit te sluiten.Knop een stukje indrukken of uittrek‐ken: ruit gaat omhoog of omlaagzolang u de schakelaar bedient.Knop zover mogelijk indrukken ofuittrekken en loslaten: ruit gaat auto‐matisch omhoog of omlaag met geac‐tiveerde beveiligingsfunctie. U stoptde ruit door de schakelaar nogmaalsin dezelfde richting te bedienen.BeveiligingsfunctieDeze functie is versiespecifiek. Stuitde ruit tijdens het automatisch sluitenboven de middelste stand op weer‐stand, dan stopt het sluiten onmiddel‐lijk en beweegt de ruit weer omlaag.Beveiligingsfunctie negerenBij een stroeve werking door ijsvor‐ming e.d. het contact inschakelen envervolgens de schakelaar tot aan deeerste vergrendeling trekken en vast‐houden. De ruit gaat omhoog zondergeactiveerde beveiligingsfunctie.
Omde beweging te stoppen, laat u deschakelaar los.Ruiten van de buitenzijdebedienenDe ruiten zijn met de handzender vande buitenzijde te sluiten.Houd - ingedrukt om de ruiten te slui‐ten.Laat de knop los om de ruit te stop‐pen.OverbelastingWorden de ruiten in korte tijd meer‐maals bediend, dan wordt de ruitbe‐diening enige tijd gedeactiveerd.Elektrisch bediende ruiteninitialiserenAls u de ruiten niet automatisch kuntsluiten (bijv. na het loskoppelen vande accu), verschijnt er een waarschu‐wingstekst op het Driver InformationCenter.Boordinformatie 3 126.Activeer de ruitelektronica als volgt:1. Portieren sluiten.2. Contact inschakelen.3. Duw op de schakelaar totdat deruit geheel open is.4. Trek aan de schakelaar totdat deruit geheel gesloten is en blijf nogtwee seconden eraan trekken.5. Deze handeling uitvoeren vooralle ruiten.
Sleutels, portieren en ruiten 45Achterste zijruitenOm de achterste zijruiten te openenen te sluiten, tegen de hendel duwenen de ruiten naar achteren of naarvoren schuiven.Mechanisch kinderslot voorachterste zijruitenOm te activeren, het kinderslot met desleutel omhoog draaien. De schuifruitkan niet van binnenuit wordengeopend.Om te deactiveren, het kinderslot metde sleutel omlaag draaien. De schuif‐ruit kan van binnenuit wordengeopend.AchterklepruitDe achterklepruit kan wordengeopend voor toegang tot de baga‐geruimte zonder de achterklep teopenen.De achterklep en de achterklepruitkunnen niet tegelijkertijd wordengeopend.OpenenDruk na ontgrendelen op de knop enopen de ruit totdat deze vollediggeopend is.
46 Sleutels, portieren en ruitenSluitenDruk op het midden van de ruit totdatdeze volledig gesloten is.AchterruitverwarmingOm in te schakelen è indrukken.Afhankelijk van de versie werkt deachterruitverwarming samen met deverwarmbare buitenspiegels.De verwarming werkt bij een draai‐ende motor en wordt na korte tijdautomatisch uitgeschakeld.Afhankelijk van de klimaatregeling zitè mogelijk op een andere plek.VoorruitverwarmingDeze functie verwarmt de voorruitlangs de onderkant ervan en langsbeide zijden van de voorruit.Zo komen eventueel aan de voorruitvastgevroren ruitenwisserbladen metdeze functie snel los van de voorruit.De functie gaat tevens sneeuwopho‐ping tegen bij gebruik van de voorrui‐twissers.De verwarming werkt door op 9 tedrukken. De led in de toets licht op.De verwarming werkt bij een draai‐ende motor en wordt afhankelijk vande omgevingstemperatuur uitgescha‐keld.
Sleutels, portieren en ruiten 47Als u weer op 9 drukt, stopt deverwarming met werken. De led in detoets dooft.ZonnekleppenOm verblinding te vermijden kunnende zonnekleppen worden neerge‐klapt en opzij worden gedraaid.Onderweg moeten de spiegelkappengesloten zijn.Aan de achterkant van de zonneklepzit een kaartjeshouder.RolschermenOm het zonlicht op de tweede zitrij teverminderen, trekt u het scherm aande handgreep omhoog en haakt u hetvast aan de bovenkant van de portier‐opening.DakPanoramadakZonnekleppenDe zonnekleppen zijn handbediend.Schuif de betreffende zonneklep in degewenste stand.
Stoelen, veiligheidssystemen 49MonterenPlaats de hoofdsteunstangen in deopeningen en duw deze omlaag.VoorstoelenStoelpositie9 WaarschuwingAlleen met een correct ingesteldestoel rijden.9 WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijdenverstellen, omdat ze ongecontro‐leerd kunnen bewegen.9 GevaarAltijd op minstens 25 cm afstandvan het stuurwiel zitten zodat deairbag veilig in werking kan treden.9 WaarschuwingNooit voorwerpen onder de stoe‐len plaatsen.● Met zitvlak zo ver mogelijk tegende rugleuning zitten. De afstandtot de pedalen zo instellen dat debenen bij het intrappen van depedalen licht gebogen zijn. Depassagiersstoel voor zo vermogelijk naar achteren schuiven.● Zithoogte zo instellen, dat urondom een goed zicht hebt enalle instrumenten goed kunt afle‐zen. Tussen hoofd en dakframemoet minstens een handbreedtussenruimte zitten.
50 Stoelen, veiligheidssystemen● Met schouders zo ver mogelijktegen de rugleuning zitten. Stelde hoek van de rugleuning zo indat u het stuurwiel gemakkelijkmet licht gebogen armen kuntvastpakken. Bij het verdraaienvan het stuurwiel, contact blijvenhouden tussen schouders enrugleuning. De rugleuning magniet te ver achteroverhellen. Deaanbevolen hellingshoekbedraagt maximaal ca. 25°.● Stel de stoel en het stuur zodanigop elkaar af dat wanneer uw polsbovenop het stuur rust, uw armvolledig is gestrekt en uw schou‐ders de rugleuning raken.● Stuurwiel instellen 3 96.● Hoofdsteun instellen 3 48.● Lendensteun zo instellen datdeze de natuurlijke vorm van dewervelkolom ondersteunt.Handmatige stoelverstellingZorg bij het rijden dat de stoelen enrugleuningen altijd vastgeklikt zijn.Verstelling in de lengterichtingTrek aan de hendel, verschuif destoel en laat de hendel los.
Probeerde stoel heen en weer te bewegen omna te gaan of deze op zijn plaats zit.Hoek van rugleuningZithoek met het handwiel aanpassen.Bij het verstellen de rugleuning nietbelasten.
52 Stoelen, veiligheidssystemenZithoogteDuw de schakelaar omhoog/omlaag.Hoek van rugleuningKantel de schakelaar naar voren/achteren.LendensteunDruk op J om de persoonlijke voor‐keur in te stellen.Rugleuning neerklappenAfhankelijk van de versie kunnen devoorstoelen in de tafelstand wordenneergeklapt.Rugleuning voorstoelenInklappenSchuif de voorstoel voor zo ver moge‐lijk naar achteren, opdat deze tijdenshet neerklappen het instrumentenpa‐neel niet raakt.Duw de hoofdsteun omlaag of verwij‐der deze voordat u de rugleuningneerklapt.Hoofdsteunen 3 48.Klap indien aanwezig de armsteunomhoog.Armsteun 3 53.
Stoelen, veiligheidssystemen 53Trek aan de hendel, klap de rugleu‐ning geheel naar voren en laat dehendel los.9 WaarschuwingWanneer de passagiersstoel voorin de opgeklapte stand is, moet hetairbagsysteem voor de passagiervoor worden gedeactiveerd.Airbag deactiveren 3 68.OpklappenOm de stoel weer rechtop te zetten,aan de hendel trekken en de rugleu‐ning geheel omhoog zetten. Laat dande hendel los.Bijrijdersbank passagierszijdevoorinInklappenTrek om de zitting omhoog te brengenaan de lus en breng de zitting omhoogtegen de rugleuning.FlexOrganizer 3 84.9 WaarschuwingBij het inklappen van de stoel nooitde hand onder de stoel houden.Kans op letsel.OpklappenZet de zitting weer in de oorspronke‐lijke stand door de zitting neer te latentotdat deze vastklikt.ArmsteunDe armsteun heeft diverse afstelop‐ties.1. Klap deze geheel omhoog.2. Klap deze geheel omlaag.3.
54 Stoelen, veiligheidssystemenVerwarmingHet kartelwieltje van de stoelverwar‐ming kan op de stoel of op het instru‐mentenpaneel zitten.Schakel de stoelverwarming in dooraan het kartelwieltje " voor de betref‐fende voorstoel te draaien. Deverwarming heeft drie intensiteitsni‐veaus.U schakelt de stoelverwarming uitdoor het kartelwieltje " op 0 tedraaien.Langdurig gebruik van de hoogsteinstelling wordt afgeraden voor perso‐nen met een gevoelige huid.De stoelverwarming werkt bij eendraaiende motor en tijdens een Auto‐stop.Stop-startsysteem 3 160.MassageU schakelt de rugmassagefunctie indoor op K te drukken. De LED in deknop brandt om activering aan tegeven.De massagefunctie werkt gedurendeéén uur. Hierbij masseert het systeemin zes cycli met tussentijdse onder‐brekingen.Om de intensiteit van de massageaan te passen, op L drukken.
Stoelen, veiligheidssystemen 55De massagefunctie werkt bij eendraaiende motor en tijdens een Auto‐stop.Stop-startsysteem 3 160.AchterbankZitplaatsen achterin9 WaarschuwingWanneer stoelen worden versteldof ingeklapt, handen en voeten uithet bewegingsgebied houden.Kans op letsel.Ga na of er geen voorwerpen opde verankeringspunten of railsliggen.Nooit onder het rijden de stoelenverstellen, omdat dit oncontroleer‐bare bewegingen kan veroorza‐ken.Rij alleen als stoelen en rugleunin‐gen vast staan.Afhankelijk van de versie kunnen dehendels van de stoelen op verschil‐lende plekken zitten. Op de afbeel‐dingen ziet u voorbeelden.RugleuningRugleuning neerklappen in tafelstand1. Duw de hoofdsteun omlaag ofverwijder deze voordat u derugleuning neerklapt.Hoofdsteunen 3 48.2. Klap indien aanwezig dearmsteun omhoog.Armsteun 3 53.3.
56 Stoelen, veiligheidssystemenDe rugleuning opklappen1. Trek aan de voorste hendel ofduw op de achterste hendel.2. Zet de rugleuning geheel omhoogtotdat deze vastklikt.Vaste zitplaatsen achterinInstapfunctieVoor eenvoudig instappen in de stoe‐len op de derde zitrij, kunnen de stoe‐len op de tweede zitrij worden gekan‐teld.Trek aan de ontgrendelingshendel enkantel de stoel naar voren.Zet de stoel weer in de oorspronke‐lijke stand door de rugleuning terug tekantelen totdat deze vastklikt.Gekantelde stand1. Klap de rugleuning neer in detafelstand.2. Trek aan de ontgrendelingshen‐del en kantel de stoel naar voren.DemonterenAfhankelijk van de versie kunnen destoelen worden verwijderd.1. Klap de rugleuning neer in detafelstand.2. Zet de stoel in de gekanteldestand.3. Maak elke voorste bevestiging losdoor aan de betreffende hendel tetrekken.4. Verwijder de stoel.
58 Stoelen, veiligheidssystemenOntgrendel en verplaats de stoel dooraan de lus op de achterkant trekkenzonder voorbij het weerstandspunt tegaan.Het pijltje moet binnen de markeringstaan.Zet de rugleuning geheel omhoog.Demonteren1. Klap de rugleuning neer in detafelstand.2. Trek de lus aan de achterkant totvoorbij het weerstandspunt enkantel de stoel naar voren.3. Verwijder de stoel.VoorzichtigTil de stoel niet aan de lus op.Plaatsen1. De lus op de achterkant moet inde ontgrendelingsstand staan.2. Zet de voorkant van de stoel op derails en kiep dan de achterkantomlaag.VoorzichtigTil de stoel niet aan de lus op.3. Verschuif de stoel totdat dezevastklikt.4. Zet de rugleuning geheelomhoog.LoungestandDe enkele stoelen op rails kunnen inde rijrichting of ertegenin wordengeplaatst.
Stoelen, veiligheidssystemen 59VoorzichtigVoorkom dat twee stoelen elkaarraken. Hierdoor zouden de elkaarrakende delen aanzienlijk kunnenslijten.1. Klap de rugleuning neer in detafelstand.2. Trek de lus aan de achterkant totvoorbij het weerstandspunt.3. Til de stoel iets op en draai deze180° totdat deze vastklikt.4. Zet de rugleuning geheelomhoog.VeiligheidsgordelsDe veiligheidsgordels worden bijstevig optrekken of krachtig remmengeblokkeerd om de inzittenden ophun stoel te houden.
Daarom neemthet gevaar voor letsel aanzienlijk af.9 WaarschuwingVeiligheidsgordel vóór elke ritomdoen.Inzittenden die geen gebruikmaken van de veiligheidsgordelbrengen bij eventuele aanrijdin‐gen medepassagiers en zichzelf ingevaar.Veiligheidsgordels zijn bedoeld voorgebruik door slechts één persoontegelijk.Kinderveiligheidssysteem 3 69.Alle onderdelen van het gordelsys‐teem regelmatig op schade, veront‐reiniging en juiste werking controle‐ren.Beschadigde onderdelen latenvervangen. Na een aanrijding deveiligheidsgordels en de gordelspan‐ners door een werkplaats latenvervangen.
60 Stoelen, veiligheidssystemenLet opZorg dat de veiligheidsgordels nietdoor schoenen of voorwerpen metscherpe randen beschadigd rakenklem komen te zitten. Oprolautoma‐ten vrijhouden van vuil.GordelwaarschuwingElke stoel is voorzien van een gordel‐verklikker, aangeduid met een contro‐lelamp a voor de betreffende stoel opde instrumentengroep en in dedakconsole.Gordelverklikker 3 112.GordelkrachtbegrenzersDe kracht die inwerkt op de carrosse‐rie wordt beperkt doordat de gordelstijdens een botsing geleidelijk wordenontspannen.GordelspannersDe veiligheidsgordels van de voor- enachterstoelen worden bij eenvoldoende zware frontale botsing, ofeen aanrijding van achteren of tegende zijkant strakgetrokken. De gordelsvan de voorstoelen worden bij iederestoel met twee voorspanners strakgetrokken.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Opel Zafira Life (2020) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Opel
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto