Opel Rocks (2023) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Opel Rocks (2023) (38 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 46 mensen en kreeg gemiddeld 4.6 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Opel Rocks (2023) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Opel |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Rocks (2023) |
Handleiding Opel Rocks (2023) – volledige tekst
1InleidingIn deze gebruikershandleiding vindt ualle informatie die u nodig hebt om uwauto veilig en efficiënt te kunnenbedienen.Sommige functies werken alleenwanneer het contact wordt ingescha‐keld of wanneer de elektromotorgereed is.Zorg ervoor dat uw passagier ervanop de hoogte is dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel.Houd u altijd aan de specifieke wetge‐ving van het land waarin u zichbevindt. Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding.Als u de beschrijving in deze handlei‐ding negeert, kan dit van invloed zijnop de garantie.Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan.Elke Opel Service Partner biedt ueersteklas service tegen redelijke prij‐zen.
Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel.Deze handleiding geeft een omschrij‐ving van alle voor dit model beschik‐bare opties en functies. Bepaaldebeschrijvingen gelden vanwege demodelvariant, landspecifiekeuitvoeringen, speciale uitrusting ofaccessoires mogelijk niet voor uwauto.Gevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9GevaarTeksten met de vermelding9Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9WaarschuwingTeksten met de vermelding9Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan totverwondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kanraken.
2Sleutels1 : Sleutel voor het vergrendelen/ontgrendelen van portieren2 : Sleutel voor het in-/uitschakelenvan de motorVoorportierenVoorzichtigOpen het portier niet tijdens hetrijden.Ontgrendelen/vergrendelenOm de auto te ontgrendelen/vergren‐delen, steekt u de sleutel in het slot endraai deze rechtsom/linksom.Let opDe auto kan alleen van buitenafworden ontgrendeld of vergrendeld.OpenenDruk na het ontgrendelen op hetportierslot om het portier te openen.
3Om het portier van binnenuit teopenen, trekt u aan de openings‐band.SluitenOm de portieren van binnenuit te slui‐ten, trekt u aan de sluitband van hetbetreffende portier.SpiegelsDe buitenspiegels worden handmatigafgesteld en ingeklapt.Beweeg de buitenspiegels in verschil‐lende richtingen om het beste zicht tekrijgen.RuitenDe ruiten bestaan uit een vastebovenste deel en een beweegbareonderste deel.OpenenVoorzichtigWanneer de ruit opent, moet uervoor zorgen dat deze goedvergrendeld is voordat u wegrijdtomdat deze tijdens het rijden kanontgrendelen of omlaag vallen.
4Druk eerst op de vergrendelhendelom de ruit (1) te ontgrendelen.Til daarna de ruit zo ver mogelijk opom deze volledig open (2) te houden.Sluiten9WaarschuwingWees voorzichtig bij sluiten van deruiten. Kans op letsel.Om de ruit te ontgrendelen, trekt u deruit vanaf de buitenkant en laat u hemzakken totdat deze op zijn plaatswordt vergrendeld.Duw tegen de ruit om te controlerenof hij vergrendeld is.StoelverstellingLet opAlleen de bestuurdersstoel isverstelbaar.Aan handgreep trekken, stoelverschuiven, handgreep loslaten.Probeer de stoel heen en weer teschuiven om er zeker van te zijn datde stoel vergrendeld is.VeiligheidsgordelsDe veiligheidsgordels worden bijstevig optrekken of krachtig remmengeblokkeerd om de inzittenden ophun stoel te houden.
Daarom neemthet gevaar voor letsel aanzienlijk af.9WaarschuwingVeiligheidsgordel vóór elke ritomdoen.Inzittenden die geen gebruikmaken van de veiligheidsgordelbrengen bij eventuele aanrijdin‐gen medepassagiers en zichzelf ingevaar.Veiligheidsgordels zijn bedoeld voorgebruik door slechts één persoontegelijk.Alle onderdelen van het veiligheids‐gordelsysteem regelmatig op schade,verontreiniging en juiste werkingcontroleren.Beschadigde onderdelen latenvervangen. Laat na een ongeval deveiligheidsgordels door een werk‐plaats vervangen.
6Gebruik van veiligheidsgordelstijdens de zwangerschap9WaarschuwingDe heupgordel moet zo laagmogelijk over het bekken lopenom druk op de buik te voorkomen.Kinderveiligheidssystemen9GevaarZorg ervoor dat kinderen ondereen bepaald(e) lengte en gewichtworden beschermd door middelvan een geschikt kinderveilig‐heidssystemen. Zet een kind opuw schoot.Wanneer u een kinderveiligheidssys‐teem gebruikt, moet u de gebruikers-en montagehandleiding én de instruc‐ties bij het kinderveiligheidssysteemopvolgen. De beperkingen in de tabelhebben betrekking op een testopstel‐ling, de maximale omvang van allebestaande kinderveiligheidssyste‐men.Houd u altijd aan de plaatselijke oflandelijke voorschriften. In sommigelanden is het gebruik van kindervei‐ligheidssystemen op bepaaldezitplaatsen verboden.Juiste systeem selecterenKinderen zo lang mogelijk tegen derijrichting in vervoeren.
Hierdoorwordt de nog erg zwakke ruggengraatvan het kind bij een ongeval minderbelast. Gebruik geen voorwaartsgericht kinderveiligheidssysteem opalle zitplaatsen wanneer het kindminder dan 13 kg weegt.Geschikt zijn kinderveiligheidssyste‐men die voldoen aan de geldendeUN ECE-regelgeving.
Raadpleeg deplaatselijke wetgeving en richtlijnenvoor het verplichte gebruik vankinderveiligheidssystemen.Het kinderveiligheidssysteem dat ugaat monteren, moet geschikt zijnvoor het autotype.Volg de instructies van de fabrikantvan het kinderveiligheidssysteemvoor het installeren van het bijbeho‐rende kinderveiligheidssysteem inhet voertuig.Wanneer het kinderveiligheidssys‐teem niet wordt gebruikt, moet u vast‐zetten met een veiligheidsgordel ofverwijderen.Let opKinderveiligheidssystemen nietbeplakken of met andere materialenafdekken.Een kinderveiligheidssysteem dattijdens een aanrijding werd belastmoet worden vervangen.
7Inbouwposities kinderveiligheidssystemenConform de Europese richtlijnen, vermeldt deze tabel de opties voor het bevestigen van kinderveiligheidssystemen diemet behulp van de veiligheidsgordel worden vastgezet en universeel zijn goedgekeurd op basis van het gewicht van hetkind.Gewicht van het kind / leeftijd bij benaderingKinderveiligheidssysteemcategorieënTot 13 kg (groepen 01)en0+): ongeveer 1 jaar oudVan 9 tot 18 kg(groep 1): vanongeveer 1 tot 3jaar oudVan 15 tot 25 kg(groep 2): vanongeveer 3 tot 6jaar oudVan 22 tot 36 kg(groep 3): vanongeveer 6 tot10 jaar oudUniverseel kinderveiligheidssysteemvoor met veiligheidsgordel 2)U UF UF UF1)Groep 0: geboorte tot 10 kg.
Reiswiegen en kinderzitjes kunnen niet op de voorpassagiersstoel worden bevestigd.2)Universeel kinderzitje: kinderzitje dat met behulp van de veiligheidsgordel in alle auto's kan worden gemonteerd.U : Zitplaats geschikt voor het bevestigen van een kinderveiligheidssysteem dat is vastgezet met behulp van de veilig‐heidsgordel en universeel is goedgekeurd voor naar achteren gericht en / of naar voren gericht gebruik.UF : Zitplaats geschikt voor het bevestigen van een kinderveiligheidssysteem dat is vastgezet met behulp van de veilig‐heidsgordel en universeel is goedgekeurd voor naar voren gericht gebruik.
109WaarschuwingRij niet wanneer de beweegbareplank opgeklapt is. Kans op vallenvan de beweegbare plank enslecht zicht.U verwijdert de beweegbare plankdoor deze omhoog te trekken.Na het verwijderen kan de beweeg‐bare plank verticaal naast de bestuur‐dersstoel worden bewaard.Inklapbare plankPlatte voorwerpen met een lengtevan max. 1,2 m kunnen op de inklap‐bare plank worden bewaard.Zet de lading in het midden van deinklapbare plank met geschiktebevestigingsmiddelen vast.Voor een grotere capaciteit van delaadruimte kan de inklapbare plankomhoog worden geklapt.Gesloten opbergvak
13Driver Information Center1 oplaadniveau van de tractieaccu2snelheidsmeter3geselecteerde rijmodus4kilometerteller5actieradius of resterendeoplaadtijdDe connectiviteitsbox op de boorddi‐agnosestekker (OBD-II) onder hetstuurwiel verzendt boordgegevensvia Bluetooth. Daarna kunt u dezegegevens bijv. op een smartphoneweergeven en analyseren.De overzichtstabel geeft aan wat umoet doen wanneer er een controle‐lamp brandt of knippert.Sommige controlelampjes wordenvergezeld door een geluidssignaal.
14Waarschuwingslampen, meters en controlelampen+STOPPEN De auto moet worden gestopt. Er is een ernstige storing gedetecteerd. Schakel hetcontact uit en roep de hulp van een werkplaats in.jHandrem De handrem is aangetrokken of niet goed losgezet.jAHandrem De oplaadkabel is aangesloten en de handrem is losgezet. Opladen of starten vande auto is niet mogelijk. Trek de handrem aan en koppel de oplaadkabel los.hRemmen De auto moet worden gestopt. Het remvloeistofpeil is aanzienlijk gedaald. Schakelhet contact uit, controleer op eventuele lekkage en roep de hulp van een werkplaatsin.CService Een of meer grote storingen zijn gedetecteerd. De hulp van een werkplaats inroepen.NTractieaccu De tractieaccu heeft de drempelwaarde voor de eerste waarschuwing bereikt. Laadde auto zo snel mogelijk op.NcTractieaccu De tractieaccu heeft de drempelwaarde voor de tweede waarschuwing bereikt.
Hetvermogen van de auto neemt snel af. De auto moet worden opgeladen.MBeperkt vermogen Minder goed werkende aandrijflijn vanwege een lage temperatuur van de tractieaccu.a+Tractieaccu De temperatuur van de tractieaccu is te hoog. De hulp van een werkplaats inroepen.; : / Richtingaanwijzers De linker of rechter richtingaanwijzers zijn ingeschakeld.; : Alarmknipperlichten De alarmknipperlichten zijn ingeschakeld.bRempedaal Onvoldoende druk of geen druk gedetecteerd op het rempedaal voor het veranderenvan de rijrichting. Trap het rempedaal in de rijrichting te selecteren of te veranderen.
16Automatische verlichtingWanneer het contact wordt ingescha‐keld, gaan alle lampen aan (zijmarke‐ringslichten, dimlicht en kentekenver‐lichting).Wanneer het contact wordt uitge‐schakeld, gaan alle lampen uit.AlarmknipperlichtenOm in te schakelen indrukken.cRichtingaanwijzersomhoog : richtingaanwijzer rechtsomlaag : richtingaanwijzer rechtsBij het verplaatsen van de rich‐tingaanwijzerhendel voelt u eenweerstandspunt.De richtingaanwijzer knippert onon‐derbroken wanneer de richtingaan‐wijzerhendel tot voorbij het weer‐standspunt wordt verplaatst.
Hetknipperen stopt wanneer de rich‐tingaanwijzerhendel met de hand inde neutraalstand wordt teruggezet.Druk kort op de richtingaanwijzerhen‐del zonder het weerstandspunt tepasseren om drie knippersignalen tegeven.Verwarmings- enventilatiesysteemOm de verwarming/ontwaseming inof uit te schakelen, drukt u op .hHet ontwasemingssysteem vermin‐dert condensvorming op de voorruit.Als de zijruiten zijn beslagen, veegt udeze af met een schone, zachte doek.Het ontwasemen van de voorruit kanzo'n 15 minuten of meer duren.
17Om de ventilatie in of uit te schakelen,drukt u op .ERijden op natte wegenVoorzichtigRijd niet op ondergelopen wegenomdat dit de motor en het elektri‐sche systeem van de auto ernstigkan beschadigen.Als rijden op een ondergelopenweg niet kan worden vermeden:● Controleer of het water nietdieper is dan 10 cm, rekening‐houdend met golven die moge‐lijk door andere auto's wordenveroorzaakt.● Rijd zo langzaam mogelijkzonder te stoppen. Overschrijdin geen geval 10 km/u.● Stop niet en schakel de motorniet uit.Na het verlaten van de ondergelo‐pen weg, voert u zodra dit veiligkan enkele lichte rembedieningenuit om de remschijven en -blokkente drogen. Bij enige twijfel over destaat van de auto, neemt u contactop met een dealer of erkendewerkplaats.Motor starten1.
Steek de sleutel in het contact endraai de sleutel naar stand 2 omhet contact in te schakelen.Wanneer het contact wordt inge‐schakeld, wordt het Driver Infor‐mation Center verlicht, gaan allelampen aan en wordt de stuurko‐lom ontgrendeld.2. Trap het rempedaal in.Bedien het gaspedaal niet.3. Draai de sleutel naar stand 3.N is ingeschakeld en READYbrandt op het Driver InformationCenter.
18Als er gedurende vijf secondenzonder enige druk op de pedalen eenrijstand is geselecteerd, klinkt er eengeluidssignaal.Druk op D of R op de rijmodusselec‐tor, en accelereer of rem daarna.Let opOm de aandrijflijn te beschermen,kan een lichte afname van de pres‐taties worden opgemerkt bij lagetemperaturen of tijdens langduriggebruik op maximaal vermogen.Uitschakelen1. Trap het rempedaal in.2. Trek de handrem aan.3. Draai de sleutel naar stand 1.4.
Laat het rempedaal los.Enkele seconden nadat het contact isuitgeschakeld, gaat het Driver Infor‐mation Center uit, gaan alle lampenuit en wordt de stuurkolom automa‐tisch vergrendeld.Elektrische aandrijfeenheidDe auto heeft een elektrische aandrij‐ving met 1 versnelling.D : rijmodusN: neutrale standR: achteruitversnelling, alleeninschakelen wanneer de autostilstaatRijmodus DOm naar D te schakelen moet de autostilstaan en moet het rempedaal inge‐trapt zijn.VoorzichtigAls de auto langzaam lijkt te acce‐lereren of niet reageert wanneer usneller wilt rijden, rijd dan nietverder. De elektrische aandrijvingkan beschadigd zijn. Neem zosnel mogelijk contact op met eenwerkplaats.Neutrale stand NIn deze stand brengt het aandrijvings‐systeem geen koppel over op dewielen.Achteruitversnelling ROm naar en uit R te schakelen moetde auto stilstaan en moet het rempe‐daal ingetrapt zijn.
19VoorzichtigBij overschakelen naar R terwijl uvooruit rijdt, kan de elektrischeaandrijving beschadigd raken.Schakel alleen over naar R als deauto stilstaat.Handrem9WaarschuwingControleer de status van de hand‐rem, voordat u uit de auto stapt.De controlelamp moet continujbranden.9WaarschuwingHandrem altijd zonder indrukkenvan de ontgrendelingsknop stevigaantrekken, op op- of aflopendehellingen altijd zo stevig mogelijk.Draai bij parkeren op een hellingde voorwielen naar de stoeprandtoe.Om de handrem los te zetten, dehandremhendel iets optillen, deontgrendelingsknop indrukken ende hendel helemaal omlaagzet‐ten.Om minder kracht te hoeven uitoe‐fenen bij het aantrekken van dehandrem, tegelijkertijd het rempe‐daal intrappen.OpladenDe tractieaccu slaat de energie op dienodig is voor de werking van de elek‐tromotor en de elektrische onderde‐len in de cabine van de auto.
Hij raaktontladen tijdens gebruik en moetdaarom regelmatig worden opgela‐den. Het is niet nodig om te wachtentot de tractieaccu terugvalt op hetreserveniveau alvorens deze op teladen.De actieradius kan variëren afhanke‐lijk van het gebruik van de elektrischeonderdelen in de cabine, de rijstijl, deroute en de leeftijd van de onderde‐len.In reguliere situaties duurt volledigopladen vier uur en 20 minuten.De oplaadtijd kan afhankelijk van detemperatuur en de leeftijd van de trac‐tieaccu, het aantal uitgevoerdeoplaadcycli en de versie van de trac‐tieaccu afwijken.
20Wanneer de temperatuur van de trac‐tieaccu lager is dan 5 °C, kan hetopladen wel zes uur duren.VoorzichtigOpladen is niet mogelijk als detemperatuur van de tractieacculager is dan -5 °C.Het oplaadniveau van de tractieaccuen de resterende actieradius wordenaangegeven op het Driver Informa‐tion Center.Voorafgaand aan het opladenparkeert u de auto zo dicht mogelijkbij een huishoudstopcontact, trekt ude handrem aan en zet u de motor uit.VoorzichtigGebruik geen verlengkabel,connector met meerdere stekkers,omvormeradapter of beschadigdeelektrische aansluiting.De oplaadkabel is permanent aange‐sloten op de auto. Deze zit in hetportierframe van het portier rechts.Let opAfhankelijk van de landspecifiekeversie ziet de stekker er anders uit.Om de tractieaccu op te laden, trekt ude oplaadkabel volledig uit.
21Sluit het portier rechts en zorg ervoordat de oplaadkabel door het gelei‐dingsgat in het portierframe naar deuitsparing van de handgreep loopt.VoorzichtigDe stekker is spatwaterdichtconform IPX6. Gebruik de stekkerniet na onderdompeling in wateren neem contact op met een werk‐plaats.Sluit de oplaadkabel aan op een huis‐houdstopcontact.Versie met stekker met randaardebe‐veiliging● Druk op RESET om het opladente starten. De led licht rood op omaan te geven dat de accu wordtopgeladen.● Druk voor het onderbreken vanhet opladen op TEST. De leddooft.Start en onderbreek het opladen tweeof drie keer om te controleren of destekker het randaardebeveiliginggoed werkt.De oplaadprocedure stopt automa‐tisch wanneer de tractieaccu volledigis opgeladen.De oplaadprocedure kan op elkmoment worden onderbroken.De resterende oplaadtijd wordt weer‐gegeven op het Driver InformationCenter.
Nadat de oplaadprocedurevoltooid is, wordt 0:00 weergegevenop het Driver Information Center ofwordt het Driver Information Centeruitgeschakeld.Koppel na het opladen de oplaadka‐bel los, open het portier rechts enberg de kabel op in de behuizing.
22Auto stallenVoorzichtigParkeer om de auto meer dan eenmaand te stallen de auto op eenweersbestendige locatie waar eentemperatuur tussen 0 °C en40 °C heerst.Het oplaadniveau van de tractie‐accu moet zo'n 50% zijn.Ontkoppel het connectiviteitskas‐tje.Trek zekering F7 in zekeringen‐kast 1 eruit.Ontkoppel de accu.Accu 25.3Zekeringen 28.3Werkzaamheden uitvoeren9WaarschuwingAlvorens enige werkzaamhedenuitte voeren, schakel het contactuit, trek de handrem aan, contro‐leer of het Driver InformationCenter uit is en dat de oplaadkabelniet aangesloten is.De voor- of achterbumperverwijderenVoordat de achterbumper kanworden verwijderd, moet de kente‐kenverlichting worden verwijderdzoals onderstaand beschreven.1. Verplaats de opgehangen kabel‐boom van de kentekenverlichtingnaar achter de achterbumper.2. Verwijder de twee onderstebevestigingsschroeven uit hetframe.3.
24Om de kentekenverlichting weer temonteren, sluit u de lamp weer aan opde los hangende kabelboom enplaatst u de lamp terug in zijn behui‐zing door ertegen te drukken totdat hijop zijn plaats vastklemt.SproeiervloeistofHet sproeiervloeistofreservoir bevindtzich achter de stoelen.Draai beide bevestigingsschroeveneen kwartslag en verwijder de afdek‐kap.Verwijder de dop vanaf het reservoirom bij te vullen.Schoon water vermengd met eenpassende hoeveelheid goedge‐keurde sproeiervloeistof en antivriesbijvullen.VoorzichtigAlleen sproeiervloeistof metvoldoende antivries biedtvoldoende bescherming bij lagetemperaturen of een plotselingedaling van de temperatuur.Sproeiervloeistof 31.3Remvloeistof9WaarschuwingRemvloeistof is giftig en bijtend.Contact met ogen, huid, textiel enlakwerk vermijden.Voor toegang tot het remvloeistofre‐servoir moet de voorbumper wordenverwijderd 22.3VoorzichtigAlvorens bij te vullen is het nodigom de elektrische motor tebeschermen om elk risico tevermijden dat er remvloeistof opspettert.
25De remvloeistof moet tussen demerktekens MIN en MAX staan.Roep de hulp in van een werkplaatsals het vloeistofpeil lager dan MIN is.Remvloeistof 3 31.AccuDe accu van de auto is onderhouds‐vrij als het rijgedrag zodanig is datdeze voldoende wordt opgeladen.Vermijd het gebruik van onnodigeelektrische verbruikers.Batterijen horen niet in het huisvuilthuis. Ze moeten via speciale inza‐melpunten gerecycled worden.Wanneer de auto meer dan vierweken achtereen stilstaat, kan deaccu ontladen raken.
Poolklem vande minpool van de accu loskoppelen.Verzeker u ervan dat het contact isuitgeschakeld voordat u de accuaansluit of loskoppelt.De accu uit de auto verwijderen9WaarschuwingAlvorens enige werkzaamhedenuitte voeren, schakel het contactuit, trek de handrem aan, contro‐leer of het Driver InformationCenter uit is en dat de oplaadkabelniet aangesloten is.Voor toegang tot de accu moet deachterbumper worden verwijderd3 22.Ontkoppel eerst de minuspool.Nadat de minuspool is ontkoppeld,ontkoppelt u de pluspool.Koppel een pool als volgt los:1. Draai de bout (1) los en verwijderdeze uit de klem (2).2. Verwijder de klem (2) vanaf depool.
Steek de bout (1) in de pool enmoer en draai hem vast.Starten met behulp van eenandere accuAls de accu leeg is, kan de elektro‐motor worden gestart met behulp vaneen reserveaccu (een losse accu ofde accu van een andere auto) enstartkabels, of met behulp van eenstartbooster.9Waarschuwing● Nooit de elektrische motor star‐ten door een acculader aan tesluiten.● Gebruik nooit een startboostervan 24 V of hoger.● Controleer van tevoren of dereserveaccu een nominalespanning heeft van 12 V en eencapaciteit die ten minste gelijkis aan die van de lege accu.● De twee auto's mogen elkaarniet raken.● Koppel alle elektrische appara‐tuur in beide auto's los of scha‐kel deze uit (draagbare appa‐raten, ruitenwissers, lampen,enz.).● Koppel de pluspool niet losterwijl de elektrische motor isingeschakeld.
271. Rode kabel op de pluspool van dehulpstartaccu (1) aansluiten.2. Het andere uiteinde van de rodekabel op de pluspool van de ontla‐den accu (2) aansluiten.3. Zwarte kabel op de minpool vande hulpstartaccu (3) aansluiten.4. Het andere uiteinde van de zwartekabel op de minpool van de ontla‐den accu (4) aansluiten.5. Indien aangesloten op een hulp‐auto, start u de motor om de hulp‐auto en laat deze enkele minutendraaien.6. Draai de contactsleutel van degestrande auto.De tractieaccu geeft de voedingdoor aan het 12V-circuit.7. Wacht tot de hulpauto weer stati‐onair draait.8. Koppel de startkabels in omge‐keerde volgorde los.9.
Laat de auto gedurende tenminste 30 minuten ingeschakeldom de tractieaccu de tijd te gevenom de accu op te laden.Als het oplaadniveau van de trac‐tieaccu te laag is, sluit u deoplaadkabel van de auto aan.De accu opladen met behulp vaneen acculaderVoor een optimale levensduur van deaccu is het essentieel om eenvoldoende ladingniveau te handha‐ven.In sommige gevallen kan het noodza‐kelijk zijn om de accu op te laden:● Wanneer de auto voornamelijkwordt gebruikt voor korte ritten.● Wanneer de auto gedurendemeerdere weken niet wordtgebruikt.9Waarschuwing● Gebruik alleen een oplader diecompatibel is met loodzuurac‐cu's en met een nominale span‐ning van 12 V.● Ga te werk volgens de instruc‐ties van de fabrikant van deoplader.● Nooit de polen verwisselen.● Koppel de accu los van de auto.● Zorg ervoor dat de oplaadkabelvan de auto niet tegelijkertijdaangesloten is.
28Voordat u de accu oplaadt met behulpvan een acculader, moet de accuworden losgekoppeld van de auto.Om de accu op te laden met behulpvan een acculader, gaat u als volgt tewerk:1. Schakelaar de oplader uit voordatu de kabels aansluit op de accuom gevaarlijke vonken te voorko‐men.2. Verzeker u ervan dat de kabelsvan de oplader in goede staatverkeren.3. Sluit de rode kabel aan op de plus‐pool van de accu.4. Sluit de zwarte kabel aan op deminpool van de accu.Aan het einde van het opladen, scha‐kelt u de oplader uit voordat u dekabels loskoppelt van de accu.Wisserblad vervangenVoorzichtig● Let erop dat u de armen nietbeetpakt op de plaats van desproeiermond.● Ontgrendel ze niet tijdens hetbewegen. Kans op schade aande voorruit.1. Pak het wisserblad vast aan hetonbuigzame deel ervan en trek ditzo ver mogelijk naar u toe.2.
Terwijl u de wisserarm omhooghoudt, maakt u de klem van hetversleten wisserblad (1) los enverwijdert u het (2).3. Terwijl u de wisserarm omhooghoudt, monteert u het nieuwewisserblad en klemt u het op zijnplaats.4. Laat de ruitenwisserarm voorzich‐tig zakken en ondersteun hem tothij op de voorruit staat.Gloeilamp vervangenAlle lampen zijn uitgevoerd met led-lampen en kunnen niet wordenvervangen.Laat lichten bij eventuele storingendoor een werkplaats vervangen.ZekeringenControleren of het opschrift op devervangende zekering overeenkomtmet dat op de defecte zekering.
Stroomkring9 USB-voedingsaansluiting /verlichting van knoppen voorventilatie/verwarming/ontwa‐semen / rijmodusselector10 –11 Diagnoseaansluiting12 Ruitenwissermotor13 Toerentalsensor wiel linksachter14 Zijmarkeringslicht linksvoor enrechtsachter / kentekenverlich‐ting15 Zijmarkeringslicht linksachter enrechtsvoor16 Dimlicht rechts17 Dimlicht links18 RuitenwissermotorBandenspanningDe bandenspanningen wordenaangegeven op een sticker op hetonderstel van de bestuurdersstoel.Een onjuiste bandenspanning beïn‐vloedt de veiligheid, het weggedragen het rijcomfort negatief en verhoogtde bandenslijtage.Voor de voor uw auto goedgekeurdebanden kunt u de conformiteitsverkla‐ring die bij uw auto is geleverd, ofandere landelijke registratiedocu‐menten raadplegen.De bestuurder is verantwoordelijkvoor het gebruik van de bandenspan‐ning.Afhankelijkheid van temperatuurDe bandenspanning hangt af van detemperatuur van de band.
31Wiel verwisselenDe auto niet is uitgerust met boord‐gereedschappen, zoals een krik ofeen kruissleutel.Roep bij een lekke band de hulp vaneen werkplaats in.Om winterbanden te monteren of debanden te vervangen, neemt ucontact op met een dealer of erkendewerkplaats.VoorzichtigGebruik geen sneeuwkettingen.Auto slepenVervoer de auto met pech alleen opeen platform.Gebruik het sleepoog alleen om deauto te bergen of om deze voorvervoer vast te zetten.Verzorging exterieurVoorzichtigGebruik geen automatischewasstraat of hogedrukreinigings‐apparatuur.Sluit de portieren en de ruiten voordatu de auto reinigt.Was de auto niet in de volle zon of bijextreem lage temperaturen.Gebruik een tuinslang of een sponsmet water en zeep om de auto te reini‐gen.Gebruik alleen pH-neutrale zeep.Service-informatieHet is voor de bedrijfs- en verkeers‐veiligheid en voor het behoud van dewaarde van uw auto belangrijk datalle servicewerkzaamheden met devoorgeschreven intervallen wordenuitgevoerd.Neem voor het gedetailleerde, bijge‐werkte onderhoudsschema contactop met uw werkplaats.Het onderhoudsinterval is om de tweejaar of 20.000 km, wat het eerst komt.Aanbevolen vloeistoffen ensmeermiddelenGebruik uitsluitend producten die aande aanbevolen specificaties voldoen.
329WaarschuwingBedrijfsvloeistoffen zijn gevaarlijken mogelijk giftig. Voorzichtighanteren. Informatie op de verpak‐king in acht nemen.SproeiervloeistofGebruik uitsluitend voor de autogoedgekeurde sproeiervloeistof omschade aan wisserbladen, lakwerk,kunststof en rubberen onderdelen tevoorkomen. De hulp van een werk‐plaats inroepen.RemvloeistofRemvloeistof absorbeert na verloopvan tijd vocht waardoor de remmenminder efficiënt werken. De remvloei‐stof moet daarom na het aangegeveninterval worden ververst.Gebruik uitsluitend DOT4-remvloei‐stof uit een ongeopende fles.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Opel Rocks (2023) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Opel
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto