HAIBIKE 2020 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van HAIBIKE 2020 (286 pagina’s), behorend tot de categorie Fiets E-bike. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 71 mensen en kreeg gemiddeld 4.7 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over HAIBIKE 2020 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag
Product specificaties
| Merk: | HAIBIKE |
| Categorie: | Fiets E-bike |
| Model: | 2020 |
Handleiding HAIBIKE 2020 – volledige tekst
8WegwijzerVerdere informatie8 Verdere informatieU ontvangt samen met een voertuig alle belangrijke documenten en noodzakelijke informatie van uw handelaar: – Het ingevulde document voertuigpas en het overdrachtsprotocol, dat u vindt op het einde van de gedrukte basisversie van de originele gebruiksaanwijzing. – Een basisversie van de originele gebruiksaanwijzing in een printversie over uw voertuig. Meer informatie vindt u op het internet op de homepage van het desbetreffende merk (zie de lijst in het hoofdstuk “Informatie online”). – Eventuele handleidingen van de fabrikant over componenten. – Bij de aankoop van een Pedelec krijgt u ook een snelstarthandleiding voor het Pedelec-aandrijfsysteem. Een complete, originele gebruiksaanwijzing voor uw elektrische fiets is te vinden op het internet op de homepage van het betreffende merk (zie de lijst in het hoofdstuk “Informatie online”).
– Bij de aankoop van een S-Pedelec krijgt u ook een volledige originele gebruiksaanwijzing voor uw S-Pedelec-aandrijfsysteem. – Op uw voertuig vindt u: – Het voertuigcategorienummer van uw voertuig – Het maximaal toegestane totaal gewicht – Gewicht van de fiets (afgerond) – Het typeplaatje met typeaanduiding xVergelijk de gegevens in uw voertuigpas en het voertuigcategorienummer op uw voertuig met de gegevens in hoofdstuk “Structuur van de gebruiksaanwijzingen”, om alle informatie over uw voertuigmodel te vinden.9 Opmerking over onderhoudswerkzaamheden en reparatiesVerricht de handelingen die in de gebruiksaanwijzing zijn beschreven slechts wanneer u beschikt over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen.
In het andere geval laat u de werkzaamheden uitvoeren door een specialist.10 Opmerking over de technische gegevensInformatie over de technische gegevens en uitrusting van uw fietsmodel kunt u schriftelijk opvragen bij uw dealer of op de homepage van het desbetreffende merk (zie de lijst in het hoofdstuk “Online informatie”).
Voertuig Inhoud1 Grondslagen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � �11�1 Gebruiksaanwijzing lezen en bewaren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 11�2 Regulier gebruik � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 11�3 Voertuigcategorieën � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 21�4 Maximaal toegestane totaal gewicht � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 51�5 Zitpositie � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 71�6 Framehoogte� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 81�7 Helm � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 81�8 Bagagedrager � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 91�8�1 Bagagedrager met klembeugel� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 111�8�2 Bagagedrager zonder klembeugel met spanriem� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 121�8�3 Low rider-bagagedragers voor fietstassen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 121�8�4 Systeembagagedrager � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 121�9 Standaardvarianten� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 131�9�1 Zijstandaards en achtervorkstandaards � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 131�9�2 Tweebenige standaard � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 141�10 Roltrainer � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 141�11 Aero-stuur bij racefietsen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 152 Voor de fietsrit � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 162�1 Voor elke rit � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 162�2 Voor de eerste rit � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 183 Veiligheid � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 193�1 Algemene veiligheidsinstructies � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 193�2 Instructies voor het wegverkeer � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 243�3 Instructies voor het meenemen van kinderen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 253�3�1 Kinderstoel � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 283�3�2 Fietskar � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 293�4 Instructies over het transport � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 303�4�1 Instructies over de bagage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 303�4�2 Instructies voor de montage van aanhangers � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 313�4�3 Instructies over aanhangers voor lasten en honden � � � � � � � � � � � � � � � � � � 323�4�4 Instructies over het transport van het voertuig met de wagen � � � � � � � � � � � 333�5 Instructies over draaimomenten� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 353�6 Instructies voor de draairichting van schroeven � � � � � � � � � � � � � � � � � � 37.
VoertuigNaafversnellingen787.1.2 Traploze versnelling (NuVinci)Dit hoofdstuk is geldig voor modellen met optionele traploze versnelling “NuVinci” (zie fiche met de technische gegevens die u hebt gekregen van uw handelaar).De achterste wielnaaf is uitgerust met een traploze versnelling. Als u draait aan de draaischakelaar wordt de versnelling traploos ingesteld.NuVinci versnellingen zijn zowel verkrijgbaar met vrijloop alsook met een terugtraprem.
Raadpleeg de door uw handelaar ingevulde fiche om te zien welke variant werd geïnstalleerd.7.1.3 Traploze automatische versnelling (NuVinci Harmony)Dit hoofdstuk is geldig voor modellen met optionele traploze automatische versnelling “NuVinci Harmony” (zie fiche met de technische gegevens die u hebt gekregen van uw handelaar).De achterste wielnaaf is uitgerust met een traploze automatische versnelling die niet manueel wordt bediend maar zich automatisch aan de snelheid en trapfrequentie aanpast.7.1.4 Elektronische naafversnellingDe elektronische naafversnelling vereist specifieke bedieningselementen met toetsen aan het stuur. De toetsen voor de versnelling kunnen snel achter elkaar worden ingedrukt. De schakeling registreert hoe vaak u heeft gedrukt en verandert vervolgens van versnelling.7.2 BedieningWAARSCHUWINGOnoplettendheid in het wegverkeer.Risico op ongevallen en verwondingen!
xLeer voor de eerste rit de functies van de versnelling kennen. xGebruik de versnelling alleen wanneer uw aandacht voor het wegverkeer niet wordt beperkt. xStop wanneer u de versnelling niet veilig kunt bedienen, bijvoorbeeld bij storingen.
Voertuig Naafversnellingen79LET OPVerhoogde slijtage en beschadiging door een verkeerde bediening van de versnelling.Beschadigingsgevaar! xTrap bij het schakelen niet krachtig op de pedalen. xTrap bij het schakelen niet achterwaarts. xSchakel voor hellingen tijdig naar een lagere versnelling. xStart steeds in een lage versnelling (onderste derde van de beschikbare versnellingen) bijv. maximaal in versnelling 1–3 bij 9 versnellingen.Afhankelijk van uw voertuigmodel is een draaischakelaar of versnellingshendel met weergave van de versnelling gemonteerd. Doorgaans zijn naafversnellingen met draaischakelaars met weergave van de versnelling gemonteerd en ze worden hier bij wijze van voorbeeld beschreven.Naafversnellingen hebben ofwel een aantal schakelstanden of zijn traploos.
VoertuigNaafversnellingen807.2.2 Traploze naafversnellingen xOm traploos naar een hogere of lagere versnelling te schakelen, draait u aan de draaischakelaar (zie “Afb.: Draaischakelaar traploos”).7.2.3 Derailleur/naafversnelling (dual drive) xZet de versnellingshendel bij een hellend rijvlak naar links (zie “Afb.: Gecombineerde draai- en versnellingshendelschakelaar dual drive”). xZet de versnellingshendel bij een effen rijweg in het midden. xZet de versnellingshendel op een rijweg met hellingen naar rechts. xOm naar een hogere of lagere versnelling te schakelen, draait u aan de draaischakelaar.Afb.: Draaischakelaar traploos (bij wijze van voorbeeld)1 Indicator2 Vlak3 Stijging2 31Afb.: Gecombineerde draaigreep- en versnellingshendelschakelaar dual drive (bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Naafversnellingen817.3 InstellingenWAARSCHUWINGDoorglijden van de versnellingen en tevergeefs trappen door een verkeerd ingestelde versnelling.Risico op ongevallen en verwondingen! xStel de versnelling in. xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis of gereedschappen, richt u dan tot uw handelaar.LET OPEen verkeerd ingestelde versnelling kan leiden tot beschadiging van de versnelling.Beschadigingsgevaar! xStel de versnelling in. xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis of gereedschappen, richt u dan tot uw handelaar.De naafversnellingen mogen uitsluitend worden ingesteld door uw handelaar.7.3.1 Versnellingskabelspanning instellenDe instelling van de versnellingskabelspanning hangt af van het model van uw naafversnelling. xGa na welke naafversnelling in uw voertuig is gemonteerd (zie fiche met de technische gegevens die u hebt gekregen van uw handelaar).
VoertuigNaafversnellingen821. Stel de draaischakelaar of vernsellingshendel in op de middelste versnelling. Bij een versnelling met 7 of 8 versnellingen beantwoordt dit aan de 4e versnelling (zie Afb. “Stelschroef aan de draaischakelaar”).2. Verstel de stelschroef (zie Afb.: “Stelschroef aan de draaischakelaar”) aan de draaischakelaar zodanig dat de beide in kleur gemarkeerde aanduidingen op de achterwielnaaf overeenstemmen (zie “Afb. Instellingsmarkering”).3. Controleer de instellingen met een proefrit. xHebt u de storingen niet kunnen verhelpen, laat de versnellingskabelspanning dan door uw handelaar instellen.Afhankelijk van het voertuigmodel kan een naafversnelling met schakelbox ingebouwd zijn. xControleer aan de achteras van het voertuig of een schakelbox is gemonteerd.1. Stel de draaischakelaar of vernsellingshendel in op de middelste versnelling.
VoertuigPinion-aandrijving848 Pinion-aandrijvingDe Pinion-aandrijving is een trapas versnelling. De Pinion-aandrijving kan met een ketting- of een riemaandrijving (zonder afb.) worden gebruikt. De Pinion-aandrijving wordt geschakeld met een draaischakelaar die aan het stuur is bevestigd. De ketting wordt bij een Pinion-aandrijving door een kettingspanner (zie “Afb.: Pinion-aandrijving met kettingaandrijving”) of door verschuifbare uitvaleinden (zonder afb.) gespannen. Voor de spanning van een riem zie hoofdstuk “Riemaandrijving / Spanning van de riem controleren”. De Pinion-aandrijving is een oliebadaandrijving (zie hoofdstuk “Pinion-aandrijving / Vervanging van olie”). Het is niet mogelijk een terugtraprem te gebruiken bij een Pinion-aandrijving.8.1 Voor elke ritWAARSCHUWINGUitvallen van de werking van componenten.Risico op ongevallen en verwondingen!
xNeem het maximaal toegelaten bestuurdersgewicht van 110 kg (inclusief bagage en/of rugzak) in acht. xGebruik uw voertuig met een Pinion-aandrijving uitsluitend bij een omgevingstemperatuur van -15 °C tot 40 °C.1234Afb.: Pinion-aandrijving met kettingaandrijving (bij wijze van voorbeeld)1 Rondsel2 Ketting3 Kettingwiel4 Pinion-aandrijving5 Kettingspanner5
Voertuig Pinion-aandrijving85WAARSCHUWINGMeelopen van de ketting of de riem bij een inactieve crank.Risico op ongevallen en verwondingen! xZorg er voor elke rit voor dat de vrijloop van het rondsel en de achterwielnaaf probleemloos werken. xDraai de crank naar achteren. De vrijloop van het rondsel en de achterwielnaaf mag de ketting niet meenemen. xStop wanneer er schade aan de Pinion-aandrijving is of wanneer ongewone geluiden optreden.8.2 Pinion-aandrijving schakelenHoud er rekening mee dat het schakelgedrag van een Pinion-aandrijving zowel met ketting- alsook met riemaandrijving zich onderscheidt van deze van een derailleur. Leer op een plaats buiten het wegverkeer de Pinion-aandrijving en het gewijzigde schakelgedrag aan.De markering (“>>”) op het vaststaande deel van de draaischakelaar toont de gekozen versnelling, bij voorbeeld van 01 tot 18.
xOm te schakelen naar een hogere of lagere versnelling, beweegt u de draaischakelaar eerst zachtjes naar de gewenste schakelrichting en dan schakelt u vlotjes naar de gewenste schakelrichting. – Het schakelen van meerdere versnellingen in een handeling is mogelijk, bijvoorbeeld van 02 naar 06. – Het schakelen bij stilstand en een inactieve of achterwaarts draaiende crank is mogelijk. – Het schakelen naar een lagere versnelling onder belasting, bijvoorbeeld van 18 naar 17, is beperkt mogelijk. – Om de Pinion-aandrijving te sparen, wordt het schakelproces niet uitgevoerd zolang de druk op de crank of op het pedaal te sterk is, bijvoorbeeld wanneer u trapt en niet op het zadel zit. xSchakel slechts naar een lagere versnelling wanneer de crank of het pedaal niet te sterk wordt belast.
VoertuigPinion-aandrijving86 – Het schakelen naar een hogere versnelling onder belasting, bijvoorbeeld van 02 naar 03, is mogelijk. – Uitzonderingen hierop zijn de verandering van versnelling van 06 naar 07 en van 12 naar 13, omdat de aandrijving bij deze veranderingen twee schakelingen moet verrichten. xSchakel slechts van 06 naar 07 of van 12 naar 13 wanneer de crank of het pedaal niet te sterk wordt belast. – Het is niet mogelijk direct te schakelen van de laagste naar de hoogste versnelling en van de hoogste naar de laagste versnelling. xWanneer de versnellingen na het inrijden of na een langer gebruik niet meer precies kunnen worden geschakeld, dient u zich tot uw handelaar te wenden.8.3 Oplossing van storingenIn het algemeen draait de Pinion-aandrijving zachtjes en zonder storende geluiden.
Wanneer geluiden optreden en de aandrijving probleemloos schakelt, hebben de geluiden een andere oorzaak.Oplossing van storingen bij het gebruik van een Pinion-aandrijvingStoring Mogelijke oorzaak OplossingBij een riemaandrijvingmalende geluiden Riem Spanning van de riem wijzigenRiem tijdens een omwenteling verschillend gespannenvoorste schijf is niet in het midden gemonteerd, kettingwielschroeven houden de voorste schijf niet in het middenGebruik kettingwielschroeven met een buitendiameter van 10 mmZowel bij een riem- alsook bij een kettingaandrijvingknarsende geluiden Pedaal, zadel, stuur alle componenten controleren of door uw handelaar laten nakijkenkrakende geluiden losgekomen schroefverbindingen van aandrijvingsonderdelenSchroefverbindingen van aandrijvingsonderdelen controleren en eventueel door uw handelaar met de draaimomentsleutel laten vastdraaien
Voertuig Pinion-aandrijving87Oplossing van storingen bij het gebruik van een Pinion-aandrijvingStoring Mogelijke oorzaak OplossingKlikgeluid in de 7e en 13e versnellingBij beide versnellingsstanden is er een bedieningsklink in de vrijlooptoestand (tot modeljaar 2014)Geluid is geen defect.
Naar wens: upgrade tegen betaling naar de nieuwe aandrijfversieBrommend of zoemend geluid Schuinloop van ketting of riem Ketting of riem recht oriënterenAandrijving schakelt moeizaam versleten of verkeerde versnellingskabels, omhulsels of afsluitdoppenuitsluitend versnellingskabels met een maximale diameter van 1,2 mm gebruiken; uitsluitend versnellingskabelomhulsels gebruiken; uitsluitend afsluitdoppen van kunststof gebruiken; versleten versnellingskabels absoluut vervangenDoorglijden bij het trappen Vrijloopklink klikt niet vast bij het verder trappen klikt de aandrijving in de volgende tand vastBij een kettingaandrijvingKetting slaat op de liggende achtervorkKettingspanning te laag Kettingspanning door uw handelaar laten instellenondanks een werkende achter-wiel-vrijloop lopen ketting of crank bij het schuiven meeKettingspanning te hoog
VoertuigPinion-aandrijving888.4 Pinion-aandrijving reinigenLET OPBeschadiging van de Pinion-aandrijving door reiniging met scherpe of agressieve reinigingsmiddelen.Beschadigingsgevaar! xReinig de Pinion-aandrijving uitsluitend met water, detergent en een schone, zachte borstel. xReinig de Pinion-aandrijving niet met een harde waterstraal of hogedrukapparaten.8.5 Pinion-aandrijving onderhoudenLET OPVerlies van dichtheid van de Pinion-aandrijving.Beschadigingsgevaar! xDraai zeker niet de schroeven van het behuizingsdeksel van de Pinion-aandrijving vast of eruit.
xZorg ervoor dat er geen olie in de riolering of het grondwater belandt. xVerwijder verbruikte olie op een milieuvriendelijke manier volgens de geldende nationale en regionale voorschriften.Om de 10.000 km of een keer per jaar moet de olie van de Pinion-aandrijving worden vervangen, naargelang van wat er het eerst van toepassing is. xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen, laat dan de olie door uw handelaar vervangen.1. Zet een opvangreservoir klaar.2. Draai de vier schroeven van het in de rijrichting aanwezige linker aandrijvingsdeksel met een geschikt werktuig eruit.3. Draai de olieafvoerschroef er aan de onderste rand van de aandrijving uit met een geschikt werktuig.
VoertuigPinion-aandrijving904. Leg het voertuig op de in rijrichting wijzende linker zijde over het opvangreservoir en laat de olie in het opvangreservoir lopen.5. Zet het voertuig recht of leg het op de in rijrichting wijzende rechter kant.6. Giet er nieuwe originele Pinion-aandrijfolie bij.7. Draai de olieafvoerschroef vast met een geschikte draaimomentsleutel. Respecteer daarbij het draaimoment van de olieafvoerschroef.8. Draai de vier schroeven van het aandrijvingsdeksel met een geschikte draaimomentsleutel vast. Respecteer daarbij het draaimoment van de schroeven van het aandrijvingsdeksel.
Voertuig Riemaandrijving919 RiemaandrijvingNaast de wijd verspreide aandrijving via een ketting staat voor voertuigen de aandrijving via een riem ter beschikking. xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen om de riemaandrijving in te stellen of te onderhouden, laat dan de riemaandrijving door uw handelaar nakijken en instellen.9.1 Samenstelling van de riemaandrijvingEen riemaandrijving bestaat telkens uit een voorste en achterste schijf en ook uit een riem die afhankelijk van het model van de riem bestaat uit verschillende kunststoffen. Om te verhinderen dat de riem van de schijven afloopt zijn de schijven telkens van een randschijf voorzien. Bij de voorste schijf bevindt zich de randschijf vanbuiten. Bij de achterste schijf bevindt zich de randschijf vanbinnen.
Een riemaandrijving is compatibel met naafversnellingen en terugtrapremmen, echter niet met derailleurs.9.2 Gebruik van de riemaandrijvingLET OPSchade aan de riem door verkeerde hantering. Beschadigingsgevaar! xZorg ervoor dat de riem niet wordt geplooid, verdraaid, naar achteren gebogen, naar buiten gedraaid, verstrengeld of als sleutel wordt gebruikt. xBij de montage mag de riem niet met het kettingwiel van de voorste schijf worden opgerold of met een hendel zoals bijv. een schroevendraaier worden geplaatst.1 2 3 4Afb.: Riemaandrijving (bij wijze van voorbeeld)1 Achterste schijf2 Achterste randschijf3 Riem4 Voorste schijf (randschijf verborgen)
VoertuigRiemaandrijving92Bij de riemaandrijving wordt de kracht van de bestuurder via een riem overgedragen. Het voertuig met riemaandrijving kan worden gebruikt bij alle weersomstandigheden waarin kan worden gefietst.9.3 Spanning van de riem controlerenVoor een storingsvrije werking van de riemaandrijving is het noodzakelijk dat de riem correct gespannen is. Zorg ervoor dat de riemspanning regelmatig wordt gecontroleerd door uw handelaar.9.4 Slijtage van de riemaandrijvingOm de slijtage bij een riemaandrijving te minimaliseren, is het afhankelijk van het model van de riemaandrijving belangrijk dat de riem parallel tussen de randschijven loopt – met een maximale afwijking van 3 mm gemeten aan het midden van het riemloopvlak – en/of dat er een maximale hoekfout van 0,5° tussen de schijven optreedt.
xWanneer u slijtage vaststelt op de riemaandrijving en niet beschikt over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen om deze te vervangen, dient u de riemaandrijving of versleten onderdelen door uw handelaar te laten vervangen.9.4.1 Slijtage van de riem optisch controlerenAfhankelijk van het rijvermogen en de rij-omstandigheden is de riem onderhevig aan een zekere slijtage. xControleer de riem regelmatig optisch op slijtage.Wanneer u bijv. puntige tanden, barsten of ontbrekende tanden vaststelt (zie “Afb.: Slijtage van de riem”), bestaat er slijtage aan de riem.Afb.: Riemspanning (bij wijze van voorbeeld)Afb.: Slijtage van de riem (bij wijze van voorbeeld)
VoertuigRiemaandrijving949.4.3 Slijtage van kettingwiel optisch controlerenWanneer u bijv. haaientanden op het kettingwiel vaststelt (zie “Afb.: Kettingwielslijtage”), bestaat er slijtage aan het kettingwiel.9.5 Riemaandrijving reinigenLET OPBeschadiging van de riemaandrijving door reiniging met scherpe of agressieve reinigingsmiddelen.Beschadigingsgevaar! xReinig de riemaandrijving uitsluitend met water en een zachte borstel.Afb.: Kettingwielslijtage (bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Wielen en banden9510 Wielen en bandenHet wiel bestaat uit naaf, tandwielcassette, rondsel of riemschijf, event. remschijf, spaken en velg. De band is gemonteerd op de velg van het wiel. Afhankelijk van het voertuigmodel is in de band een binnenband geplaatst. Het voorste wiel en de band ervan vormen het voorwiel; het achterste wiel en de band ervan vormen het achterwiel. – Wordt een binnenband gebruikt, dan ligt op de velg een velglint, om de binnenband tegen de velgbodem en de spaaknippels te beschermen. – Wanneer er geen binnenband wordt gebruikt, worden zogenaamde tubular banden voor racefietsen of UST-banden (UST = Universal System Tubeless) voor MTB’s gebruikt.Door het gewicht van de bestuurder en de bagage en de oneffenheden van het wegdek worden de wielen blootgesteld aan aanzienlijke belastingen.
xZorg ervoor dat de wielen na het inrijden van het voertuig (uiterlijk na het bereiken van een afgelegde weg van 300 km of na 15 bedrijfsuren of na 3 maanden – naargelang van wat als eerste van toepassing is) door uw handelaar controleren en opnieuw centreren. xControleer regelmatig de wielen na het inrijden. xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen, laat dan de wielen door uw handelaar controleren en eventueel centreren.123456Afb.: Wieldwarssnede met band (bij wijze van voorbeeld)1 Velg2 Velglint3 Remflank4 Binnenband5 Buitenband6 Loopvlak
VoertuigWielen en banden9610.1 Banden en ventielenGEVAARSlechte zichtbaarheid voor andere weggebruikers.Risico op ongevallen en verwondingen! xZorg ervoor dat reflectoren schoon en goed zichtbaar zijn.VOORZICHTIGBarsten van de binnenband door indringen van vreemde voorwerpen.Risico op ongevallen en verwondingen! xControleer regelmatig de banden op schade en slijtage. xVervang meteen beschadigde of versleten banden. xZorg ervoor dat beschadigde of versleten banden door uw handelaar worden vervangen wanneer u niet beschikt over de noodzakelijke vakkennis en de benodigde gereedschappen.LET OPSchade door montage van een band met andere grootte dan de originele grootte. Beschadigingsgevaar! xRicht u tot uw handelaar als u vragen heeft over de bandenmaat.
Voertuig Wielen en banden97De banden zijn ervoor bedoeld het voertuig houvast te bieden op de rijweg, de aandrijf- en remkrachten op de rijweg over te dragen en oneffenheden van het wegdek op te vangen. Afhankelijk van het gebruik van het voertuig worden verschillende soorten banden gebruikt.De grootte van de banden is vermeld op de respectieve zijkant van de band. Hierop kunnen verschillende gegevens zijn aangebracht, bijvoorbeeld: – De ETRTO-informatie wordt vermeld in millimeter. Wordt op de band 52-559 vermeld, dan is de band in opgepompte toestand 52 mm breed en heeft een binnendiameter van 559 mm. (ETRTO (European Tyre and Rim Technical Organisation) staat voor Europese Organisatie van Experts voor Banden en Velgen). – De vermelding in inch.
Wordt op de band 6 x 2,35 vermeld, dan is de band in opgepompte toestand 2,35“ breed en heeft een binnendiameter van 26“.Behalve bij tubular banden en UST-banden zijn band en velg alleen niet luchtdicht. Om de lucht binnenin de band te behouden, wordt een binnenband gebruikt die door een ventiel wordt gevuld.10.1.1 Soorten ventielenDe voertuigen zijn uitgerust met een van de volgende soorten ventielen (zie “Afb.: Soorten ventielen”): – Sclaverandventiel (SV): afgedicht door een stop in het ventiel, velgopening 6,5 mm. – Standaard Hollands ventiel (Dunlop, DV): afgedicht door een dopmoer, velgopening 8,5 mm.
– Autoventiel (SV): afgedicht door een stop in het ventiel, velgopening 8,5 mm.Alle drie soorten ventielen beschikken over een ventieldop zodat het ventiel niet vuil wordt.1243SV DV AVAfb.: Soorten ventielen (bij wijze van voorbeeld)1 Kartelschroef2 Ventielstop3 Onderste kartelmoer4 Bovenste kartelmoer
VoertuigWielen en banden9810.1.2 BandenspanningWAARSCHUWINGBarsten van de binnenband of springen van de band van de velg door een te hoge bandenspanning.Risico op ongevallen en verwondingen! xRespecteer de bandenspanning. xGebruik een luchtpomp met drukweergave als u de band oppompt.LET OPBeschadiging van de binnenband door een te lage bandenspanning. Beschadigingsgevaar! xRijd niet over scherpe randen als de bandenspanning te laag is. xRespecteer de bandenspanning. xGebruik een luchtpomp met drukweergave als u de band oppompt.Op de zijkant van de band is de bandenspanning vermeld. De bandenspanning wordt vermeld in bar of psi (pound per square inch), zie tabel met omrekening van de bandenspanning.De ondergrens van de bandenspanning is geschikt voor lichte bestuurders, voor een oneffen ondergrond en zorgt voor een hoger veringscomfort bij een hogere rolweerstand.
De bovengrens van de bandenspanning is geschikt voor zwaardere bestuurders, voor een effen ondergrond en zorgt voor een geringe rolweerstand bij een geringer veringscomfort.Als er naast de informatie op de zijwand van de band ook een indicatie is van de bandenspanning op de velg, bepaalt de laagste van de twee waarden de maximale bandenspanning. xFiets steeds met de voorgeschreven bandenspanning. xControleer regelmatig de bandenspanning. xVul de band ten minste tot aan de ondergrens en maximaal tot aan de bovengrens van de bandenspanning met lucht. xGebruik een luchtpomp met drukweergave als u de band oppompt.
Voertuig Wielen en banden99Omrekening van de bandenspanningpsi bar psi bar12 0,8 80 5,515 1,0 90 6,230 2,1 100 6,940 2,8 110 7,650 3,5 120 8,360 4,1 130 9,070 4,8 140 9,710.2 Velgen en spakenEen gelijkmatige spanning van de spaken is een voorwaarde voor de rondloop van het wiel. De spanning van de afzonderlijke spaken kan worden gewijzigd wanneer over hindernissen zoals een rand te snel wordt gefietst of een spaaknippel los komt. De rondloop van het wiel en de stabiliteit van de velg verminderen wanneer afzonderlijke spaken niet meer gespannen of beschadigd zijn. WAARSCHUWINGValgevaar door blokkerende velgremmen of door slingerende wielen bij velgen die zijlings uitslaan.Risico op ongevallen en verwondingen! xGebruik uitsluitend wielen die rondlopen. xZorg ervoor dat losse spaken door uw handelaar worden gespannen. xLaat niet rond lopende wielen meteen centreren door uw handelaar.
VoertuigWielen en banden10010.3 Voor-/achterwiel monteren en demonterenWAARSCHUWINGValgevaar bij niet gesloten snelspanassen door het loskomen van wielen.Risico op ongevallen en verwondingen! xGa voor elke rit het na of de wielen veilig in de uitvaleinden zijn geplaatst.WAARSCHUWINGUitvallen van het wiel door los gekomen bevestigingen.Risico op ongevallen en verwondingen! xControleer de wielbevestigingen voor elke rit.VOORZICHTIGVerbrandingsgevaar door hete schijfrem rotoren!Risico op verwondingen! xZorg ervoor dat de schijfrem rotoren steeds eerst afkoelen alvorens de snelspanner of de wielbevestiging te openen.LET OPBeschadiging van de rem door demontage van het voor- of achterwiel. Beschadigingsgevaar! xZorg ervoor dat het voor- of achterwiel uitsluitend door uw handelaar wordt gedemonteerd wanneer u niet beschikt over de noodzakelijke vakkennis en de benodigde gereedschappen.
Voertuig Wielen en banden101Afhankelijk van het voertuigmodel worden de wielen met snelspanassen, steekassen of conventionele assen bevestigd in de uitvaleinden met asmoeren. xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen voor de instelling van de snelspanassen, richt u dan tot uw handelaar.Afhankelijk van het voertuigmodel is het voertuig uitgerust met conventionele steekassen, steekas met hendel of snelspanassen. De assen kunnen worden vervangen door assen met diefstalbeveiliging.De assen worden geleid door het wiel en bevestigd tussen de uitvaleinden van het voertuig. Afhankelijk van het model van de voorvork zijn de uitvaleinden open of gesloten. De montage en demontage gebeuren hier op verschillende wijze.Er zijn heel wat verschillende bevestigingssystemen op de markt.
Zorg ervoor dat de werking van de bevestigingsystemen op uw voertuig door een handelaar wordt getoond en uitgelegdSteekassen en snelspanassen kunnen worden voorzien van antidiefstalsystemen of worden vervangen door assen met geïntegreerde diefstalbeveiliging. Afhankelijk van het model gebeurt de fixering van de wielen op verschillende wijze: – Een aantal modellen kan niet worden geopend zolang het voertuig rechtop staat. – Bij een aantal modellen heeft men speciaal gereedschap nodig om de naafasmoeren los te maken. xInformeer u bij uw handelaar over de mogelijkheden van steekassen en snelspanassen met diefstalbeveiliging. xNeem de informatie van de fabrikant in acht over de montage van de assen.
VoertuigWielen en banden10210.3.1 Voor-/achterwiel met snelspanassen10.3.1.1 Montage1. Steek de snelspanas door de wielnaaf en draai de asmoer met een tot twee omwentelingen op de snelspanas.2. Plaats het voor-/ achterwiel met de snelspanner in de uitvaleinden. xRespecteer de gegevens over de looprichting van het voor-/ achterwiel, indien aanwezig. Deze informatie heeft doorgaans betrekking op het bandprofiel en is op de zijkant van de band te vinden.3. Leg de snelspan hevel tot aan de aanslag om (zie Afb. “Wiel met snelspanas”). Plaats de snelspan hevel zodanig dat deze niet ongewild geopend kan worden, bijv. naar boven. xWanneer de snelspanas of het voor-/ achterwiel niet vastzit of wanneer u de snelspanner kunt aanleggen zonder kracht te gebruiken, dient u de spanning opnieuw in te stellen (zie hoofdstuk “Basisinstellingen / Snelspanner”).10.3.1.2 Demontage1.
Voertuig Wielen en banden10310.3.2 Voor-/achterwiel met steekassen10.3.2.1 Montage1. Oriënteer het voor-/ achterwiel zodanig tussen de uitvaleinden dat de uitvaleinden en wielnaaf een lijn vormen. xRespecteer de gegevens over de looprichting van het voor-/ achterwiel, indien aanwezig. Deze informatie heeft doorgaans betrekking op het bandprofiel en is op de zijkant van de band te vinden.2. Steek de steekas door de uitvaleinden en de wielnaaf.3. Bevestig de steekas. Afhankelijk van het model van de steekas kan dit door vastdraaien met of zonder gereedschap, via een snelspan hevel of een combinatie van beide gebeuren, houd event. rekening met de gebruiksaanwijzing van de steekas.10.3.2.2 Demontage1. Maak de steekas los of open ze.
Afhankelijk van het model van de steekas kan dit door vastdraaien met of zonder gereedschap, via een snelspan hevel of een combinatie van beide gebeuren, houd event. rekening met de gebruiksaanwijzing van de steekas.2. Fixeer het voor-/achterwiel.3. Trek de steekas uit de uitvaleinden en de wielnaaf.4. Verwijder het voor-/achterwiel.12Afb.: Wiel met steekas (bij wijze van voorbeeld)1 Naafasmoer2 Steekas
VoertuigWielen en banden10410.3.3 Voor-/achterwiel met schroeven10.3.3.1 Montage1. Draai de asmoeren van de as los en haal de sluitringen van de as.2. Plaats het voor-/ achterwiel in de uitvaleinden. xRespecteer de gegevens over de looprichting van het voor-/ achterwiel, indien aanwezig. Deze informatie heeft doorgaans betrekking op het bandprofiel en is op de zijkant van de band te vinden.3. Steek de sluitringen op de as.4. Positioneer het achterwiel zodanig dat het op een lijn staat met het frame.5. Draai de asmoeren vast met inachtneming van de draaimomenten (zie Afb. “Wiel met schroefas”). xAls het voor-/achterwiel niet vast zit, rijdt u niet verder met het voertuig. Zorg ervoor dat de as wordt gecontroleerd of ingesteld door uw handelaar.10.3.3.2 Demontage1. Draai de asmoeren van de as los en haal de sluitringen van de as.2.
Neem het voor-/achterwiel uit de uitvaleinden.10.3.4 CarbonwielenCarbonwielen bestaan uit koolstofvezelversterkte kunststof en onderscheiden zich door een hoge stijfheid en een gering gewicht. Velgen met hogere flanken hebben ook nog bijzondere aerodynamische kwaliteiten.Wanneer uw voertuig uitgerust is met carbonwielen dient u het maximaal toegestane totaal gewicht van het voertuig te respecteren dat op het frame is vermeld of u te informeren bij uw handelaar.Afb.: Wiel met schroefas (bij wijze van voorbeeld)1 Naafasmoer2 Sluitring12
Voertuig Wielen en banden105WAARSCHUWINGAfgenomen remwerking van velgremmen door vochtige carbonvelgen.Risico op ongevallen en verwondingen! xGebruik carbonwielen in combinatie met velgremmen niet op een natte ondergrond.LET OPVervorming van de velg of springen van de band door hittevorming bij het remmen met velgremmen, bijv. ritten bergaf in het gebergte. Beschadigingsgevaar! xGebruik beide remmen bij langere remacties. xLos de remmen steeds weer gedurende enige tijd zodat de remblokken en velgen opnieuw kunnen afkoelen. xGebruik uitsluitend remblokken die geschikt zijn voor carbonwielen. xLeer remmen met carbonwielen op een plaats buiten het wegverkeer. xHoud er rekening mee dat remblokken voor carbonwielen sneller verslijten dan andere remblokken.
VoertuigTelescopische zadelpen10611 Telescopische zadelpenIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de grondslagen, instellingen en de bediening van telescopische zadelpennen.11.1 GrondslagenWAARSCHUWINGOnoplettendheid in het wegverkeer.Risico op ongevallen en verwondingen! xLees voor de eerste rit de functies van de telescopische zadelpen kennen. xGebruik de telescopische zadelpen alleen wanneer uw aandacht voor het wegverkeer en het terrein niet wordt beperkt. xStop wanneer u de telescopische zadelpen niet veilig kunt bedienen.WAARSCHUWINGVerlies van het zicht bij contact met hydraulische vloeistof.Risico op ongevallen en verwondingen! xSpoel het oog meteen uit met helder water indien de hydraulische vloeistof met het oog in contact komt.
xRicht u meteen tot een arts als u in contact bent gekomen met de hydraulische vloeistof.Afhankelijk van het voertuigmodel kan een telescopische zadelpen ingebouwd zijn. Met de telescopische zadelpen kan de hoogte van het zadel bij stilstand en tijdens het fietsen via de bediening van een hendel onder het zadel of via een afstandsbediening aan het stuur worden ingesteld. Afhankelijk van het model van de telescopische zadelpen gebeurt de instelling van de hoogte trapsgewijs of traploos. De bediening van de afstandsbediening aan het stuur wordt mechanisch, hydraulisch of draadloos op de telescopische zadelpen overgedragen.
Voertuig Telescopische zadelpen107 xNeem de informatie van de fabrikant van de telescopische zadelpen in acht. xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis of gereedschappen om de telescopische zadelpen in te stellen, te onderhouden of te bedienen, richt u dan tot uw handelaar.11.2 BedieningAfhankelijk van de uitvoering van de telescopische zadelpen is de afstandsbediening uitgerust met een of twee hendels. Bij twee hendels is doorgaans aan elke hendel een positie tussen de bovenste en onderste positie van het zadel toegewezen. xOm het zadel naar de beneden te bewegen, belast u het zadel en gebruikt de hendel. Zodra het zadel zich in de gewenste positie bevindt, laat u de hendel los. xOm het zadel naar de boven te bewegen, ontlast u het zadel en gebruikt de hendel. Zodra het zadel zich in de gewenste positie bevindt, laat u de hendel los.
VoertuigTelescopische zadelpen10811.3 Instellingen11.3.1 Kabelspanning instellenAls uw voertuig beschikt over een mechanische afstandsbediening:De kabelspanning van de afstandsbediening van de telescopische zadelpen moet bij een storing worden ingesteld. Wanneer bijvoorbeeld de hoogte van het zadel niet kan worden ingesteld of wanneer de hoogte van het zadel verandert, hoewel de hendel of knop niet werd gebruikt. xNeem de informatie van de fabrikant in acht over de instelling van de kabelspanning.11.3.2 Uitschuifsnelheid instellenDe uitschuifsnelheid van de telescopische zadelpen wordt doorgaans ingesteld met de stelschroef voor snelheid op de afstandsbediening. Afhankelijk van de draairichting wordt de uitschuifsnelheid verkleind of vergroot.
xNeem de informatie van de fabrikant in acht over de instelling van de uitschuifsnelheid.11.3.3 Positie van de afstandsbediening van de telescopische zadelpenDe positie van de afstandsbediening van de telescopische zadelpen moet individueel worden ingesteld zodat de hendel of knop gemakkelijk en veilig kan worden bediend (zie “Afb. Positie van de afstandsbediening”). xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen, zorg er dan voor dat uw handelaar de positie van de afstandsbediening afstemt op uw behoeften.1. Draai de schroef van de afstandsbediening eruit tegen de wijzers van de klok. 2. Positioneer de afstandsbediening zodanig dat u de hendel of knop tijdens het fietsen gemakkelijk bereikt.3. Draai de schroef van de afstandsbediening er rechtsom in. Afb.: Positie van de afstandsbediening (bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Telescopische zadelpen10911.3.4 Pneumatische telescopische zadelpen instellenDe luchtdruk beïnvloedt o.a. de uitschuifsnelheid en de kracht die moet worden gebruikt om de telescopische zadelpen in een onderste positie te brengen. De luchtdruk binnenin de pneumatische telescopische zadelpen is vooraf ingesteld door de fabrikant en moet uitsluitend worden ingesteld bij storingen. xZorg ervoor dat de telescopische zadelpen wordt ingesteld door uw handelaar.11.3.5 Hydraulische telescopische zadelpen ontluchtenDe hydraulische telescopische zadelpen moet worden ontlucht zodra ze niet meer volledig wordt uitgeschoven en het zadel na het loslaten van de hendel terug naar beneden zakt. xZorg ervoor dat de telescopische zadelpen wordt ontlucht door uw handelaar.
VoertuigVering11012 VeringIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de grondslagen, instellingen en de bediening van veerelementen.Zijn de veerelementen te zacht ingesteld, dan vangt het veerelement een oneffenheid niet meer op en dan slaat de vering door.Veerelementen moeten zodanig worden ingesteld of afgestemd dat ze niet doorslaan. Slaat een veerelement vaak door, dan worden dit element en vaak ook het frame op termijn beschadigd. xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen voor de instelling, laat dan de veerelementen door uw handelaar instellen.12.1 Geveerde zadelpenAfhankelijk van het voertuigmodel is het voertuig eventueel uitgerust met een geveerde zadelpen.Geveerde zadelpennen verhogen het comfort en de rijveiligheid bij het fietsen op een oneffen ondergrond. De geveerde zadelpen moet worden afgesteld op het lichaamsgewicht van de bestuurder.
Voertuig Vering11112.2 Geveerde voorvork en achtervering12.2.1 GrondslagenAfhankelijk van het model is het voertuig uitgerust met een geveerde voorvork en/of met een achtervering.Geveerde voorvorken vangen schokken aan het voorwiel op en ze verhogen het rijcomfort en de rijveiligheid bij het fietsen op een oneffen ondergrond. De geveerde voorvork moet worden afgestemd op het gebruiksdoel en het gewicht van de bestuurder.De achtervering, die centraal tussen voor- en achterframe is ingebouwd, vangt schokken aan het achterwiel op en verhoogt het rijcomfort en ook de rijveiligheid bij het fietsen op een oneffen ondergrond. De achtervering moet worden afgestemd op het gebruiksdoel en het gewicht van de bestuurder. Achterveringen verhogen het rijcomfort bij het fietsen op een oneffen ondergrond.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met HAIBIKE 2020 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Fiets E-bike HAIBIKE
Handleiding Fiets E-bike
Nieuwste handleidingen voor Fiets E-bike