Eberspacher AIRTRONIC D2 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Eberspacher AIRTRONIC D2 (37 pagina’s), behorend tot de categorie Verwarming. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 291 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over Eberspacher AIRTRONIC D2 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Eberspacher |
| Categorie: | Verwarming |
| Model: | AIRTRONIC D2 |
Handleiding Eberspacher AIRTRONIC D2 – volledige tekst
alsook niet voor het opwarmen resp.drogen van voorwerpen of levende wezens (mens of dier) door direct aanblazen met warme lucht resp.inblazen van warme lucht in desbetreffende ommantelingen.* Deze technische beschrijving / inbouwaanwijzing / gebruikershandleiding dient na de inbouw vande verwarming in het vaartuig, waarin de verwarming geplaatst is, te blijven.
2NLInhoudsopgave paginaToepassingsgebied AIRTRONIC. 2Wettelijke voorschriften voor de inbouw,veiligheidsaanwijzingen en belangrijkeaanwijzingen voor inbouw en reparatie. 3Leveringsomvang scheepssets. 4, 5Technische gegevens. 6Hoofdafmetingen. 7Montage van de AIRTRONIC,typeplaatje. 8Inbouwplaats, inbouwvoorbeeld. 9Toelaatbare inbouwstanden,Kabelboomaansluiting, rechts of links. 10Bevestiging. 11Verbrandingsluchttoevoer /uitlaatgasafvoer. 12, 13Toepassingsgebied van de AIRTRONICDe stand- en bijverwarmingen „AIRTRONIC“zijn, onder beachting van de capaciteit, bedoeldvoor inbouw en gebruik in alle soorten voertuigenen daartoe behorende aanhangwagens, inbouwmachines, machines in het agrarischebereik, in boten, schepen en jachten voor het doelvan voorverwarming, ontdooien van ramen,opwarmen en warm houden van bestuurders-resp.
arbeidscabines, laadruimten,scheepscabines, personen- en manschappen-transportruimtes, voertuigmotoren en aggregaten. De AIRTRONIC is geschikt en toegelaten voor deinbouw in door personen benutte voertuigruimten,mits zich in deze binnenruimte geen losmaakbareverbindingen van uitlaat- en brandstofsysteembevinden. De inbouw in de bestuurders- of passagiersruimtevan autobussen met meer als 9 zitplaatsen isdaarentegen niet toegestaan. Opgelet moet worden op de voor de inbouwrelevante en in deze inbouwaanwijzingweergegeven „wettelijke voorschriften“,„veiligheidsaanwijzingen“ en „belangrijkeaanwijzingen“ welke van belang zijn voor dekeuze van verwarmingstype, toepassing, inbouwen het gebruik van de AIRTRONIC. Op basis van het ontwerp van de AIRTRONIC isdeze voor andere toepassingen als hierweergegeven niet toegelaten, in het bijzonder nietvoor langdurig continu-gebruik, bijv.
3NL. Wettelijke voorschriften voor de inbouwvan de AIRTRONIC• Voor de inbouw van verwarmingen in motorvoertuigenis voor de verwarming door een desbetreffendeinstantie een „EG-typegoedkeuring “ afgegeven. Ditis door middel van een EG-goedkeuringsmerk -aangebracht op het fabrieksplaatje – weergegeven. AIRTRONIC e1 00 0025AIRTRONIC M e1 00 0026• De met deze goedkeuring verbonden inbouwvoorschriften zijn in de desbetreffende hoofdstukken van deze beschrijving afgedrukt. • Bij inbouw van de verwarmingen in speciale voertuigen (bijv. voertuigen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, ADR / VLG) moeten de voor deze voertuigen geldende voorschriften in acht worden genomen. • Het jaar van ingebruikname moet op het typeplaatje aangegeven worden. Van fabriekswege zijn 3 jaartallen op het typeplaatje afgedrukt.
Het geldige jaartal is, door de niet van toepassing zijnde jaartallen te verwijderen, kenbaar te maken. • De inbouw van de verwarming in een bestaand voertuig moet ook volgens de geldende inbouwvoorschriften en door een geautoriseerde werkplaats plaatsvinden. • Voor overige voer- en vaartuigen moet gelet worden op evt. geldende wettelijke voorschriften en aanwijzingen van de fabrikant van het voer- of vaartuig. • De verwarmingen moeten in een door de fabrikant toegelaten werkplaats volgens de bijgevoegde, of eventueel speciale inbouwvoorschriften ingebouwd,of bij een reparatie- of garantiegeval gerepareerd worden. • De in de leveringsomvang van het apparaat meegeleverde aanwijzingsstikker „Vor dem Tanken Heizgerät abstellen“ moet op een geschikte plaats ophet voertuig aangebracht worden (in de buurt van de brandstofvulopening).
• De warmtewisselaar is volgens de StVZO 10 jaar bruikbaar en moet daarna door de fabrikant of door een van zijn officiële dealers door een origineelvervangingsonderdeel vervangen worden. Hiervoor is de gebruiker / eigenaar verantwoordelijk.
De verwarming moet dan van een onuitwisbaar plaatje worden voorzien met daarop de verkoopdatum van de warmtewisselaar en het woord “Originalersatzteil”. Bij inbouw en reparatie mogen alleen originele- toebehorenen originele- reparatie onderdelen gebruikt worden. Veranderingen aan de AIRTRONIC of aan verwarmings-relevante onderdelen, gebruik van door Eberspächer nietvrijgegeven artikelen alsook inbouw of gebruik wat afwijktvan de wettelijke-, veiligheids- of functierelevanteaanwijzingen in deze inbouwaanwijzing en in degebruiksaanwijzing zijn niet toegestaan; dit geldt in hetbijzonder voor de elektrische bekabeling (elektrischeschema‘s), de brandstofverzorging, de ver-brandingsluchttoevoer en de uitlaatgasafvoer. Voor bediening van de AIRTRONIC mogen alleen de doorons voorgestelde resp. vrijgegeven bedienings-elementen toegepast worden, als losse bediening of in deaangegeven combinaties.
Gebruik van anderebedieningselementen kan tot functiestoringen van deverwarming of van het verwarmen leiden. Het niet opvolgen van de wettelijke-, veiligheids- offunctierelevante aanwijzingen in deze inbouwaanwijzingvoor de AIRTRONIC leidt tot het vervallen van deaansprakelijkheid en eventuele garantie-aanspraak voorde firma J. Eberspächer GmbH & Co. Gelieve opletten. Verdere „veiligheidsaanwijzingen voor de inbouw van enreparaties aan de AIRTRONIC“ alsook „Belangrijkeaanwijzingen voor de inbouw“ zijn direct in dedesbetreffende hoofdstukken van deze beschrijvingweergegeven. Verbrandings- en letselgevaar. Voor de aanvang van alle werkzaamheden aan deAIRTRONIC moet deze van de voer- of vaartuigaccu(‘s)losgekoppeld worden.
Gelieve opletten. Een elektronische temperatuurregelaar wordt als bedieningselement met de set meegeleverd. De keuze van een ander, ofextra bedieningselement moet aan de toepassing van de AIRTRONIC aangepast zijn;deze volgt naar onderscheid: eenvoudig AAN- / UIT-schakelen, voorprogrammeerbaar en / of bediening via afstand (tot 600m). De gebruiksaanwijzing wordt altijd met het desbetreffende bedieningselement meegeleverd; deze moet samen met deoverige beschrijvingen van de AIRTRONIC bij de gebruiker terecht komen.
8NLFabrieks-typeplaatjeHet fabrieks-typeplaatje van de AIRTRONIC is aande zijkant van het apparaat, aan de onderstemantelschaal bevestigd. Het fabrieksplaatje moet ook in ingebouwdetoestand goed zichtbaar zijn. Indien nodig kaneen 2e fabrieksplaatje (duplicaat), met degegevens van het originele plaatje, op een na deinbouw goed zichtbare plaats op de AIRTRONIC ofop een zich voor de AIRTRONIC bevindendeafdekking aangebracht worden. Een duplicaat isniet nodig als het origineel door verwijderen vande afdekking, zonder gebruik van gereedschap,zichtbaar wordt. Bestelnr. voor het 2e fabrieksplaatje (duplicaat):AIRTRONIC D2 25 2069 89 00 01AIRTRONIC D4 25 2113 89 00 01MontageDe AIRTRONIC is geschikt en toegelaten voor deinbouw in door personen gebruikte ruimten vanvoertuigen. De inbouw in de bestuurders- of passagiersruimtevan autobussen met meer als 9 zitplaatsen is niettoegestaan.
Bij inbouw in door personen gebruikte ruimtenmogen uitlaatgas-, verbrandingslucht- enbrandstofleidingen in deze ruimten geenlosmaakbare verbindingen hebben en moeten dedoorvoeren naar buiten spatwaterdicht uitgevoerdzijn. Daarom kan de AIRTRONIC met zijn montagevoet,met gebruik making van de aan deze voetgemonteerde montagevoetpakking, op de bodemof aan een buitenwand van het voertuiggemonteerd worden. De elektronische besturing is in de AIRTRONICgeïntegreerd, waardoor de bedrading bij deinbouw eenvoudig blijft. Bij de montage van de AIRTRONIC op voldoendevrije ruimte letten voor het aanzuigen van de teverwarmen lucht en voor de demontage vangloeistift en stuurapparaat. Montage van de AIRTRONIC D2 / D4 - 24 Volt invoertuigen voor het vervoer van gevaarlijkestoffen (VLG / ADR)Voor de inbouw van de AIRTRONIC in voertuigenvoor het vervoer van gevaarlijke stoffen moetenextra maatregelen (o.
9NLInbouwplaatsInbouwplaats in een pleziervaartuigDe verwarming kan in de motorruimte, of in eenbakskist worden gemonteerd. Het is niettoegestaan om de verwarming in te bouwen in eendoor personen benutte ruimte, als zich in dieruimte verbindingen van uitlaatgas- en brandstof-systeem bevinden.AIRTRONIC in een goedgeventileerde bakskistBedieningAansluitsteker AIRTRONICBrandstofdoseerpompVerbrandingsluchtdemperHuiddoorvoer uitlaatLuchtinlaatWarme lucht leidingAccu‘sInbouwvoorbeeld in een bakskistAIRTRONIC in een goedgeventileerde bakskistBedieningBrandstofdoseerpompVerbrandingsluchtdemperHuiddoorvoer uitlaatLuchtinlaatWarme lucht leidingAccu‘s
+15° in allerichtingen afwijken zonder dat daardoor dewerking van het apparaat wordt beïnvloed).Normale stand horizontaal (uitlaat naar onderen)met toelaatbare afwijkingenKabelboomaansluiting, rechts of linksIndien nodig kan de kabelboomaansluiting naarde tegenoverliggende zijde van de verwarmingomgebouwd worden, hiertoe moet hetstuurapparaat gedemonteerd worden en de zichdaaronderopbevindende half rondekabelafdekking er uit geklikt worden.De kabelboom kan dan in het stuurapparaatomgelegd worden.Aansluitend de kabelafdekking en hetstuurapparaat weer monteren, de bovenstemantelschaal er weer opzetten, waarbij de kabeldoorvoer en de blindstop in de desbetreffendeuitsparingen in de onderste mantelschaalgemonteerd moeten worden.schets 1Aanzuigopening (ventilatieblad)Stand van de gloeistiftStromingsrichting
11NL Vrije ruimte tussen AIRTRONIC engrondplaat is altijd noodzakelijk – vervolgens ventilatieblad op vrijloop controleren.Montageoppervlakte moet vlak zijn.Montageflenspakking moet gemonteerd zijn.Buitenwand moet vlak zijnVersterkingplaat (indien nodig, zie boven)VeerringenZeskant-moeren M6Aandraai-moment 5+1 NmBevestigingop een grondplaatBevestigingDe verwarming past precies in het gatenpatroonvan de meegeleverde, haakse bevestigingssteun.Deze steun kan aan een spant of tussenwandgemonteerd worden waarna de verwarming op desteun gemonteerd kan worden. Als optie kan desteun met trillingdempers gemonteerd worden aaneen spant of tussenwand.
Wordt niet van debijgeleverde steun gebruik gemaakt, moet eengatenpatroon volgens de schets geboord worden.GatenpatroonBevestiging van de AIRTRONICBevestiging aaneen wandWordt de verwarming aan een wand gemonteerd,moet als het materiaal voor de montage dunnerals 1,5 mm is, een extra versterkingsplaatgemonteerd worden.Bestelnr. – versterkingsplaat 20 1577 89 00 03
12NL2516435min. 0,2 – max. 2 mmin. 0,2 – max. 2 m7. 25 24Verbrandingsluchtslang, di = 25 mmVerbrandingsluchtdemper, naar keuzeUitlaatslang, di = 24 mmUitlaatdemperIn- resp. uitlaatopening – tegen rijwind,sneeuw, vuil en water beschermenEinddop verbrandingsluchtEinddop uitlaat Verbrandingsluchtpijpje UitlaatpijpjeUitlaatgas afvoerUitlaatleidingen moeten goed bevestigd worden,om schade door trillingen te voorkomen(aanbevolen waarde: iedere 50 cm een beugel). De uitlaatleiding mag niet buiten de zijdelingsebegrenzingen van het vaartuig uitsteken. De uitlaatleiding moet licht aflopend naar deuitmonding gemonteerd worden of op het laagstepunt van een condensafvoergaatje van ca. Ø 5mm worden voorzien. Het condensafvoergaatje ende aftapleiding bevinden zich bij deze set aan hetkoppelstuk voor de uitlaatleiding. De uitlaatdemper altijd toepassen; langereuitlaatleidingen altijd om de ca.
50 cm bevestigen. De uitmonding dusdanig monteren, dat uitlaatgasniet direct aangezogen kan worden. De uit-monding moet in de buitenlucht uitkomen. De uitlaatleiding moet zodanig gemonteerd zijn,dat de uitlaatgassen niet in het vaartuiginterieurkunnen komen resp. dat aanzuigen van uitlaatgasdoor een ventilator of verbrandingsset niet teverwachten is1) en dat belangrijke vaartuigdelenniet in hun functie worden beïnvloed (letten opvoldoende afstand). De uitlaatleiding zo monteren, dat deze niet doorvuil en sneeuw kan verstoppen en datbinnengedrongen water weg kan lopen (door heteindgedeelte in een zwanenhals-vorm te buigenof via de condensafvoer). 1) Aan deze eis is voldaan, als de uitmondingvan de uitlaatleiding naar boven, naar de zijkantof tot de achterste begrenzing van het vaartuig aangebracht is.
De complete uitlaatgasafvoer wordt daardoor zeerheet en moet daarom zodanig gelegd enbevestigd worden, dat altijd voldoende afstand totwarmtegevoelige onderdelen aanwezig is, in hetbijzonder moet daarbij op brandstofleidingen (vankunststof of metaal) en elektrische bekabeling vanhet vaartuig of de verwarming alsook op water- enhydrauliekslangen enz. gelet worden. Als optie kunnen isolatiekousen om de uitlaatgemonteerd worden. LET OP. Vergiftigings- en verbrandingsgevaar. Bij iedere verbranding ontstaat uitlaatgas, watgiftige bestanddelen bevat; daarom en vanwegede hoge optredende temperaturen moet deuitlaatgasafvoer altijd volgens de aanwijzingenvan deze inbouwaanwijzing uitgevoerd worden. Vermijdt tijdens in werking zijnde verwarmingwerkzaamheden in de buurt van de uitlaatgasafvoer. Schakel in deze gevallen de AIRTRONIC vooraf uiten wacht tot de delen volledig zijn afgekoeld.
13NL. 6734134235Luchtgeleiding (voorbeeld)BeschermroosterUitstroomkap, Ø 60 of 75 mm – AIRTRONIC D2Uitstroomkap, Ø 90 mm – AIRTRONIC D4SlangklemFlexible slang, Ø 60 of 75 mm – AIRTRONIC D2Flexible slang, Ø 90 mm – AIRTRONIC D4Uitstromer, draaibaarAansluitflensBeschermroosterVerbrandingslucht toevoerDe verbrandingslucht moet altijd uit de buitenlucht(niet uit de cabine of kofferruimte) aangezogenworden, of uit een goed met buitenlucht beluchteruimte, zonder over- en/of onderdruk. De verbrandingsluchtingang zo monteren, datuitlaatgassen niet direct aangezogen kunnenworden. De verbrandingsluchtslang zo monteren, dat dezeniet door vuil en sneeuw kan verstoppen en datbinnengedrongen water weer weg kan lopen. Gelieve opletten.
Ter onderscheiding van verbrandingslucht- enuitlaataansluiting aan de AIRTRONIC zijn kleinepijlen in de pijpjes ingegoten, die destromingsrichting weergeven (zie schets oppagina 12). Verbrandings- en ongevalgevaar. De slangen van de warme luchtgeleiding en ookde uitstroomopening moeten altijd zo gelegd engemonteerd worden, dat door hun geen gevaarlijkhoge temperatuur voor mens, dier of temperatuur-gevoelig materiaal door straling / aanraking ofdirect aanblazen ontstaat. Op de warme lucht-uitstroomzijde moet deuitstroomkap gemonteerd zijn. Aan de aanzuig- en uitstroomzijde moet – als ergeen slangen op gemonteerd is – een bescherm-rooster gemonteerd worden, om ongevallen doorhet ventilatieblad resp. verbranding door dewarmtewisselaar te voorkomen. Aan de warme luchtgeleiding treden tijdens en nogenige tijd na bedrijf hoge temperaturen op.
De aanzuigopening(en) moet(en) zo aangebrachtzijn, dat onder normale omstandigheden het aan-zuigen van uitlaatgassen van de voertuigmotor ofvan de AIRTRONIC niet te verwachten is en de teverwarmen lucht niet door stof, zoutwaternevelenz. kan worden verontreinigd. Bij omlooplucht de aanzuigopening zo monteren,dat de uitstromende warme lucht niet direct weeraangezogen kan worden. Bij de functiecontrole mag na ca. 10 minutenbedrijf de gemiddelde uitstroomtemperatuur,gemeten ca. 30 cm na de uitstroomkap, 110 °Cniet overschrijden (instroomtemperatuur ca. 20°). Bij eventuele storing door oververhitting kunnenkort voor de storingsuitschakeling plaatselijkwarme lucht temperaturen tot max. 180 °C resp. oppervlakte temperaturen tot max. 150 °Coptreden. Voor warme luchtgeleiding mogen daarom alleendoor de fabrikant toegelaten, temperatuurbesten-dige warme lucht geleidingsartikelen toegepastworden.
14NL. Afwijkingen van de hier gemaakte aanwijzingenzijn niet toegestaan, omdat anders functie-storingen op kunnen treden. Brandstofdoseerpomp altijd met de perszijde naarboven stijgend inbouwen – minimaal 15°. Bij kunststofleidingen en slangverbindingen altijdde juiste steunhulzen en slangklemmentoepassen. Een brandstof-aftakking na de voertuigmotor-eigenbrandstofpomp is niet toegestaan. Bij drukken in de brandstofleiding boven 0,2 bartot max. 2,0 bar moet een drukregelaar (bestelnr. 20 1645 89 30 00) of een aparte tankaansluiting(zie pagina 15) toegepast worden. Bij drukken in de brandstofleiding boven 2,0 barof bij een terugslagventiel in de retourleiding(in de tank) moet een aparte tankaansluitingtoegepast worden. Brandstofslangen en -leidingen alleen met eenscherp mes inkorten. De uiteinden mogen nietingedrukt of gerafeld zijn.
Voor de aansluiting van brandstof-t-stukkenaltijd rubber slang gebruiken, nooit kunststofleiding toepassen. Brandstofdoseerpomp en evt. filter (optie) tegenontoelaatbare verwarming beschermen, niet in debuurt van uitlaatdempers en -leidingen monteren. Brandstofleidingen moeten veilig bevestigdworden, om schade en / of optredende geluidendoor trillingen te vermijden (aanbevolen richt-waarde: vastzetten op afstanden van ca. 50 cm). Brandstofleidingen niet in de buurt van uitlaatafvoer van de AIRTRONIC of de vaartuigmotorBrandstofverzorgingBrand- en explosiegevaar. Giftige dampen. Voorzichtig bij de omgang met brandstof. Voor het tanken en bij werkzaanheden aan hetbrandstofsysteem van de vaartuigmotor en/of deAIRTRONIC de verwarming uitschakelen. Vermijdt bij omgang met brandstof open vuur.
Niet roken, dit geldt ook daar, waar zich debrandstof alleen door zijn karakteristieke geurkenbaar maakt. Brandstofdamp niet inademen. LET OP. wegleggen of bevestigen. Bij kruisen altijd op voldoende afstand letten,indien nodig warmtekerende schildenaanbrengen.
Voor de montage van brandstofleidingen en deinbouw van extra brandstoftanks moeten devolgende regels in acht worden genomen:• Belangrijk:Brandstofleidingen zo uitvoeren, dat vaartuig-eigenschappen zoals beweging van de vaar-tuigmotor en dergelijke, geen nadelige invloedop de kwaliteit uitoefenen. Ze moeten tegen mechanische beschadigingenbeschermd zijn. Brandstofvoerende delen moeten tegenbedrijfsstorende warmte beschermd zijn en zoweggelegd, dat druppelende of verdamptebrandstof zich niet ophopen kan noch aan hetedelen of aan elektrische systemen ontstekenkan. Indien de brandstofleidingen door demotorruimte lopen moeten de speciale,daarvoor geldende, CE eisen in acht wordengenomen. Toepassen BiodieselAIRTRONIC D2De AIRTRONIC D2 is niet voor gebruik met Biodieseltoegelaten. Bijmengen van Biodiesel tot ca. 10 %,zoals in sommige landen toegepast wordt, istoegestaan.
AIRTRONIC D4De AIRTRONIC D4 is toegelaten voor gebruik metBiodiesel (PME) volgens DIN V 51606 in vloeibaretoestand, als de verwarming in de „Normale standhorizontaal (uitlaatpijpje naar onder)“ ingebouwd is;bij afwijkende inbouwstanden is Biodiesel niettoegelaten. Bij gebruik met 100 % Biodiesel moet de verwarmingin de winterperiode 1 tot 2 maal per ca. 1 uur metzuivere Diesel gebruikt worden. Voor continu gebruik met Biodiesel worden Diesel /Biodiesel-mengsels met Biodiesel-aandeel tot 50 %aangeraden.
15NLjuistfoutBij montage van een T-stuk de in de schetsweergeven toegestane inbouwstandenaanhouden.Bij verbindingen van brandstofleidingen met eenrubber slang moeten de leidingen elkaar in deslang raken (zie schets).LET OP !Brandstofafname met een T-stukuit de brandstoftoevoerleidingEisen hierbij:De brandstofleidingen moeten dicht zijn, zodat debrandstofkolom bij stilstaande motor niet terugloopt.In de brandstofleidingen mag onder alle omstandig-heden een voordruk van max. 0,3 bar optreden eneen onderdruk van 0,1 bar.
17NLL –L ++–ElektrischElektrische bekabeling, schakel- en stuur-apparaten moeten in het vaartuig zo gemonteerdworden, dat hun juiste werking onder normaleomstandigheden niet beïnvloed kan worden(bijv. door hitte-inwerking, vocht enz. ). De controlelamp (in de bediening) moet in hetblikveld van de gebruiker gemonteerd worden ofin ieder geval zonder veel moeite herkenbaar zijn. De volgende kabeldoorsneden moetenaangehouden worden tussen accu(‚s) en deAIRTRONIC, om de max. toelaatbare spanningsvalin de bekabeling van 0,5 V bij 12 V resp. 1 V bij 24V nominale spanning niet te overschrijden:Lengte voedingskabel „Plus“ (L+ rood)en „Min“ (L– bruin) samen• < 5 m = kabeldoorsnede 2,5 mm2• 5 m – 8 m = kabeldoorsnede 4 mm2Is de aansluiting van de pluskabel aan dezekeringenkast (bijv.
Kl 30) voorzien, moet ook devaartuig-eigen kabel van de accu naar dezekeringenkast in de berekening van de gezame-lijke kabellengte meegenomen worden en indiennodig opnieuw gedimensioneerd worden. Bij elektrische bekabeling moet erop gelet wordendat de isolatie niet kan beschadigen ten gevolgevan doorschuren, afklemmen, mechanischbeschadigen of warmte-inwerking. Elektrische steker- en massaverbindingen moetencorrosievrij en vast gemonteerd zijn. Bij waterdichte stekers moeten de niet gebruiktestekerkamers met blindstopjes, stof- en waterdicht,afgedicht worden. Steker- en massaverbindingen buiten het interieurmet contactbeschermingsvet invetten. Tijdens het gebruik van de standverwarming wordtstroom uit de vaartuigaccu(‚s) verbruikt; dezewordt tijdens de daarop volgende vaart weeropgeladen door de dynamo.
18NLGeldig voor de regelschakelaar voor de AIRTRONIC:EA 0030 10 02 00 12/24 Volt zwart met ventilatiestandStap 1Stap 1Stap 1Stap 1Stap 1Kies een montage locatie, welke representatief isvoor juiste meting van de ruimtetemperatuur vande te verwarmen ruimte. Voorkom montagein de buurt van uitblaasopeningen, ramen, deuren,elektrische apparaten en plaatsenmet directe zonneninstraling.Stap 2Stap 2Stap 2Stap 2Stap 2Monteer de kabelboom vanaf de verwarming naarde montageplaats van de thermostaat.Verwijder de linkerdeksel van de thermostaat.Stap 3Stap 3Stap 3Stap 3Stap 3Monteer de thermostaat als in de figuur met goedpassende schroeven in de gaten welke daarvoorvoorzien zijn in de basisplaat. Trek dekabel door het daarvoor bestemde gat in debasisplaat.LET OPLET OPLET OPLET OPLET OP dat er geen koude of warme lucht uit eenandere ruimte via het kabeldoorvoergat in deregelschakelaar kan komen.
2 moet gewaarborgd zijn,dat bij het openen van de hoofdschakelaar (Nood-UIT-functie bij VLG / ADR) de schakelaar altijddirect (zonder te letten op de toestand van deverwarming) opent en alle stroomkringen naar deverwarming onderbreekt. Verklaring voor elektrische schema‘sAIRTRONIC / AIRTRONIC MBedrading van de verwarmingLet op. Veiligheidsaanwijzing. De verwarming dient volgens de EMV-richtlijnenelektrisch aangesloten te worden. Doorondeskundige ingrepen kan de EMV beïnvloedworden, daarom moet het volgende in achtworden genomen:• Bij de elektrische bekabeling moet erop gelet worden, dat hun isolatie niet beschadigd wordt. Vermijdt het volgende: Doorschuren, afknikken, inklemmen of warmte- inwerking. • Bij waterdichte stekers moeten de niet gebruikte aansluitingen met blindstopjes, vuil-en waterdicht afgesloten worden.
• Elektrische steker- en massaverbindingen moeten corrosievrij en vast gemonteerd zijn. • Steker- en massaverbindingen buiten het voertuiginterieur met contactbeschermings- middel invetten. Bij de elektrische bedrading van de verwarming,alsook van het bedieningselement moet hetvolgende in acht genomen worden:• Elektrische leidingen, schakel- en stuurapparaten moeten in het voertuig zo gemonteerd zijn, dat hun functie onder normale bedrijfsomstandigheden niet nadelig beïnvloed kan worden (bijv. door warmte- inwerking, vochtigheid e. d. ). • De volgende kabeldoorsneden, tussen accu(‚s) en verwarming dienen aangehouden te worden. Daardoor wordt de max. toelaatbare spanningsval over de bekabeling van 0,5 V bij 12 V resp. 1 V bij 24 V nominale spanning niet overschreden.
Kabeldoorsnede bij een kabellengte (Pluskabel +Minkabel) –tot 5 m = kabeldoorsnede 4 mm 2 –van 5 m tot 8 m = kabeldoorsnede 6 mm 2• Is de aansluiting van de pluskabel in de zekeringenkast van het voertuig, moet ook de voertuig-eigen kabellengte van de accu naar de zekeringenkast bij de totale lengte in de berekening worden meegenomen. Indien nodig moet deze opnieuw gedimensioneerd worden. • Niet benutte kabeluiteinden isoleren en terugbinden. Gelieve opletten.
30NLFunctieInschakelenNa het inschakelen lichten de rode en groenecontrolelamp in het bedieningselement op. De gloeistift wordt ingeschakeld en deverbrandingsset loopt met laag toerental aan. Gelieve opletten. Is door een vorige bedrijfstoestand nog te veelrestwarmte aanwezig in de warmtewisselaar, loopteerst alleen de verbrandingsset (koudblazen). Is de restwarmte afgevoerd, begint de start. StartAIRTRONIC D2Na ca. 60 sec. start de brandstoftoevoer en zal hetbrandstof-luchtmengsel in de verbrandingskamerontsteken. Nadat de combi-voeler (vlamvoeler)een vlam herkend heeft, wordt na ca. 60 sec. degloeistift uitgeschakeld. Na vervolgens 120seconden heeft de AIRTRONIC de Regelstand„POWER“ (maximale brandstofhoeveelheid enmaximaal toerental) bereikt. AIRTRONIC D4Na ca. 60 sec. start de brandstoftoevoer en zal hetbrandstof-luchtmengsel in de verbrandingskamerontsteken.
Nadat de combi-voeler (vlamvoeler)een vlam herkend heeft, wordt na ca. 80 sec. degloeistift uitgeschakeld, de AIRTRONIC bevindtzich in het regelbereik. Temperatuurinstelling met de bedieningMet de draaiknop wordt de gewenste ruimte-temperatuur ingesteld; deze kan, afhankelijk vanhet bedieningselement, in het bereik van ca. +10°C tot +30° C liggen. De te kiezen instellingvan de regelknop komt voort uit ervaringswaarden. Regeling tijdens bedrijfTijdens het bedrijf wordt de ruimtetemperatuurresp. de temperatuur van de aangezogen luchtcontinu gemeten. Wordt deze temperatuur hogerals deze, welke met het bedieningselement isingesteld, dan gaat de verwarming terugregelen. De verwarming heeft 4 verschillenderegelstanden, zodat een fijne aanpassing van dedoor de verwarming geleverde capaciteit aan dewarmtebehoefte mogelijk is.
Het toerental en debrandstofhoeveelheid worden precies aan dedesbetreffende regelstand aangepast. Als zelfs inde laagste regelstand de ingestelde temperatuuroverschreden wordt, gaat de AIRTRONIC in de„Uitregelstand” met een naloop van ca. 4 minutenvoor koudblazen.
Daarna loopt de verbrandingsset, met een zeerlaag toerental om bij omlooplucht te blijven meten,door tot er een nieuwe start nodig is door eendalende ruimtetemperatuur. Bij toepassen van eenexterne temperatuurvoeler vervalt dit langzame„meet toerental“. Ventilatiestand (optie bij sommige bedieningen)Bij enkele bedieningselementen kan direct deventilatiestand ingeschakeld worden, bij andere iseen (optionele) omschakelknop noodzakelijk. Bij de ventilatiestand moet eerst de omschakelaar„verwarmen / ventileren“ bediend worden endaarna de AIRTRONIC met de bedieningingeschakeld worden. UitschakelenBij het uitschakelen van de AIRTRONIC gaan decontrolelampen uit en wordt de brandstoftoevoergestopt. Voor voldoende afkoeling van hetapparaat volgt een naloop van de verbrandingssetvan ca. 4 minuten. Voor reinigen van de gloeistift wordt dezegedurende de eerste 40 sec. van de naloopingeschakeld.
Speciaal geval:Was de brandstoftoevoer tot het moment vanuitschakelen nog niet aangevangen, of bevindt deAIRTRONIC zich in de „Uitregelstand“, wordt deAIRTRONIC zonder naloop stilgezet. Uitvoering vor ADR / VLGDe AIRTRONIC is geschikt voor toepassing invoertuigen volgens ADR / VLG. Wordt de AIRTRONIC in zo een voertuigingebouwd, moet aan enkele specialevoorschriften worden voldaan. Verwarmen op grotere hoogten• tot 1500 m:onbeperkt gebruik van de verwarming mogelijk,• boven 1500 m:bij korte verblijven is verwarmen zonderaanpassingen mogelijk. Bij langer verblijf is hoogte-aanpassing van debrandstofopbrengstnoodzakelijk. Gelieve contact op te nemen met deverantwoordelijke firma in Uw omgeving. Gelieve opletten. De met het bedieningselement meegeleverdebeschrijving moet aan de gebruiker overhandigdworden.
31NLStuur- en veiligheidsvoorzieningen• Ontsteekt de AIRTRONIC binnen ca. 90 sec. nahet begin van de brandstoftoevoer niet, wordtautomatisch der start herhaald (zie pagina 22). Ontsteekt de AIRTRONIC na nogmaals ca. 90sec. brandstoftoevoer nog niet, volgt storings-uitschakeling, d. w. z. : brandstoftoevoer uit en eennaloop van ca. 4 minuten. • Gaat de vlam tijdens het bedrijf van zelf uit, wordtautomatisch een nieuwe start doorgevoerd. Ontsteekt de AIRTRONIC binnen ca. 90 sec. nahet opnieuw beginnen van de brandstoftoevoerniet of ontsteekt de AIRTRONIC wel, maar gaatbinnen 15 min. weer uit, volgt storingsuitscha-keling, d. w. z. : brandstoftoevoer uit en eennaloop van ca. 4 minuten. Door kort UIT- en weer IN-schakelen kan destoringsuitschakeling gereset worden. UIT- en weer IN-schakelen, niet meer als 2 maalherhalen.
• In geval van oververhitting wordt dit gemeld doorde combi-voeler, de brandstoftoevoer wordtonderbroken en er volgt storingsuitschakeling. Nadat de oververhittings oorzaak isweggenomen kan de AIRTRONIC door UIT- enweer IN-schakelen weer gestart worden. • Wordt de onder- of overspanningsgrens bereikt,volgt na 20 seconden storingsuitschakeling. • Bij defecte gloeistift, elektromotor of onder-broken elektrische kabel naar de doseerpompstart de AIRTRONIC niet. • Bij defecte combi-voeler - vlam / oververhitting -of onderbroken elektrische kabel start deAIRTRONIC en pas tijdens de startfase volgt destoringsuitschakeling. • Het toerental van de verbrandingsset wordtcontinu gecontroleerd. Loopt de motor niet aan of wijkt het toerentalmeer als 10 % af, volgt na ca. 30 sec. storings-uitschakeling. • Bij het uitschakelen van de AIRTRONIC wordt degloeistift gedurende de eerste 40 sec.
Start de AIRTRONIC dan nog niet, dan:• Voldoende brandstof in de tank. • Zekeringen in orde. AIRTRONIC 12 V – Hoofdzekering 20 AAIRTRONIC 24 V – Hoofdzekering 10 AAIRTRONIC 12 / 24 V – zekering, bediening 5 A• Elektrische kabels, verbindingen,aansluitingen in orde. • Luchtkanalen, verbrandingsluchttoevoer ofuitlaatgasafvoer verstopt. Zijn deze punten in orde, dan een diagnosetestmet het testklokje resp. met de moduulklokdoorvoeren, zoals in de storingsleutel enreparatiehandleiding voor deAIRTRONICbeschreven. Gelieve opletten. Bij elektrische laswerkzaamheden aan hetvaartuig moet ter bescherming van de elektrische/ elektronische onderdelen van de AIRTRONIC depluskabel van de accu losgekoppeld en aan demassa aangesloten worden.
32NLEnkele tips voor inbouw en gebruikEnkele tips voor inbouw en gebruikEnkele tips voor inbouw en gebruikEnkele tips voor inbouw en gebruikEnkele tips voor inbouw en gebruikVan Harte Gefeliciteerd met de aanschaf van Uw scheepsverwarmingsset, gebaseerd op een van demodernste typen uit de reeks van Eberspächer luchtverwarmingen, de “AIRTRONIC”. Deze Eberspächer verwarming is een “motor-onafhankelijke” verwarming welke het seizoen voor de water-sporter met enkele maanden kan verlengen. Deze verwarming is echter wel een “bij-verwarming” en isdaarom niet geschikt om bijvoorbeeld woonboten gedurende het gehele jaar continu te verwarmen, geziende levensduur van de bewegende delen in het apparaat wat zo’n 3000 à 3500 bedrijfsuren bedraagt. De verwarming moet ingebouwd worden volgens de voorschriften, welke door de fabrikant zijn weergege-ven.
Bij het niet opvolgen van deze voorschriften vervalt iedere aanspraak op garantie. De algemene inbouw-voorschriften zijn in het boekwerkje in de doos van de verwarming weergegeven. Een uittreksel daarvan in ditboekje. U bent nu in het bezit van een complete set, welke voor Uw schip het beste bleek te zijn en waarschijnlijkprecies de juiste onderdelen bevat voor een volledige inbouw. Mochten er nog meer toebehoren nodig zijnin verband met bijvoorbeeld een extra uitstroompunt, raadpleeg dan Uw leverancier van deze set. Montage tankaansluiting:Montage tankaansluiting:Montage tankaansluiting:Montage tankaansluiting:Montage tankaansluiting:De tankaansluiting mag alleen aan de bovenzijde van de tank gemonteerd worden. Hiertoe dient een gat vanø 24 mm geboord te worden. Moer, metalen ring en rubberring verwijderen. Stijgbuis op juiste lengte afzagen(ca. 5 cm boven tankbodem).
LuchtsysteemLuchtsysteemLuchtsysteemLuchtsysteemLuchtsysteemHet luchtsysteem van een verwarming kan op verschillende wijzen uitgevoerd worden. Enkele tips zijn hieron-der aangegeven. Aanzuiglucht:LET OP, dat de aangezogen lucht NIET uit de inbouwruimte van de verwarming komt: VERGIFTIGINGSGEVAAR. Er zijn verschillende mogelijkheden om de te verwarmen lucht aan te zuigen:• Aanzuigen van verse buitenlucht. Hierbij wordt de lucht welke zich in de te verwarmen ruimte bevindtcontinu ververst, waarmede tegelijkertijd de vochtigheid van die ruimte afgevoerd wordt. De te verwarmenruimte moet dan wel zijn voorzien van een ventilatie-opening naar buiten waardoor deze lucht naar buitenafgevoerd kan worden. In de zomer kan de verwarming dan ook als ventilator (luchtverversing) gebruiktworden. • Aanzuigen van lucht uit de te verwarmen ruimte (omlooplucht).
Hierbij vindt een snelle opwarming van deruimte plaats. Echter vervalt de drogende werking en de mogelijkheid voor luchtverversing. • Combinatie van bovenstaande aanzuigwijzen d. m. v. een omschakelklep of twee vaste aanzuigpunten(binnen en buiten) maakt de voordelen van beiden mogelijk. Geluiddemping:Mocht het ventilatorgeluid van de verwarming als hinderlijk worden ervaren kan in zowel de aanzuigzijde alsin de uitblaaszijde van de verwarming een ruisdemperslang (optie) worden opgenomen, waardoor het geluidin de te verwarmen ruimte gereduceerd kan worden. Weerstand in luchtsysteem:Een te hoog temperatuurverschil over de warmtewisselaar van de verwarming veroorzaakt storing(oververhitting) en beperkt de levensduur van het apparaat.
Bochten in Uw slangensysteem in aanzuig- enwarme zijde vergroten de weerstand voor de te verwarmen lucht, zoals ook warmeluchtslangen welke naareen laag punt lopen. Plaats daarom zo snel mogelijk na de verwarming een open uitstroompunt, voorkom tescherpe bochten en controleer na in bedrijfstelling of het voorgeschreven temperatuurverschil niet wordtoverschreden.
De contacten met vaseline of ander contact-beschermingsvet insmeren en de beide schuifklemmen in de twee-polige steker monteren (polariteitmaakt niet uit). De contacten van de doseerpomp met vaseline of ander contactbeschermingsvetinsmeren en twee-polige steker monteren. 3 Voeding: De lengte van de pluskabel wordt weergegeven met L+, en de lengte van de minkabel met L-. De bijgeleverde voedingskabel voldoet om een totale lengte van de steker van de kabelboom van deverwarming tot de accu ( L+ + L- = totale lengte ) van ca. 7 meter te overbruggen. Indien een grotereafstand noodzakelijk is, dan moet ook de kabeldikte aangepast worden. Raadpleeg hiervoor UwEberspächer dealer.
De20 A zekering is voor de verwarming, de 5 A voor de bediening. Deze zekeringen pas monteren tijdens de controles voor ingebruikname (pagina 34). 4 Bediening: Kabel voor de bediening naar de gewenste plaats voeren en naar behoefte inkorten;Bediening monteren en aansluiten volgens onderstaande tabel of schema op pagina 24 (3. 1. 20). Kabelkleuren: bruin/wit aan -VE grijs/rood aan MOD O/P2 rood aan +VE geel aan HEAT ON grijs aan TOverige kabels af-isoleren, deze worden gebruikt bij enkele opties. VVVVVerbrandingsluchtinlaat- en uitlaatsysteem. erbrandingsluchtinlaat- en uitlaatsysteem. erbrandingsluchtinlaat- en uitlaatsysteem. erbrandingsluchtinlaat- en uitlaatsysteem. erbrandingsluchtinlaat- en uitlaatsysteem. Verbrandingsluchttoevoer: De verbrandingslucht moet vanuit een goed beluchte ruimte metomgevingsdruk (niet uit de verblijfruimte) aangezogen worden.
Wordt vanuit de motorruimte aangezogen, dan moet er op gelet worden dat deze voldoende is belucht zodat tijdens lopende vaartuigmotor (bijv. door koelventilator) geen verandering in omgevingsdruk optreedt. De verbrandingsluchtleiding moet indien mogelijk aflopend naar beneden gemonteerd worden, zodat condenswater kanweglopen. Is dit niet mogelijk, dan moet ter plaatse van het laagste punt een kondensafvoeropeningaangebracht worden (ca. ø 5 mm). De aanzuigopening moet tegen vuil, vocht en sneeuw beschermdworden. Ook moeten geen uitlaatgassen van de verwarming of vaartuigmotor aangezogen kunnenworden. Uitlaatgasafvoer: De uitlaatleiding kan het beste naar de spiegel, de zijwand of het dek gevoerd worden. Daarbij moet deze leiding indien nodig geïsoleerd worden, zodat niets in de omgeving van dezeleiding te warm kan worden.
34NLControles voor ingebruikname. Controles voor ingebruikname. Controles voor ingebruikname. Controles voor ingebruikname. Controles voor ingebruikname. Deze controles moeten uitgevoerd worden voordat de verwarming voor de eerste maal wordt ingeschakeld:- controleer of de accu('s) geladen zijn. - controleer of de plus (=rood) en min (=bruin) op de juiste klemmen gemonteerd zijn. - controleer of de brandstoftank voldoende gevuld is. - controleer of alle verbindingen in het brandstofsysteem goed dicht zijn. - controleer of geen uitlaatgassen door de verbrandingsluchtslang of de verwaming aangezogen kunnen worden. - controleer of de bediening juist is aangesloten. - controleer of het uitlaatsysteem goed gasdicht gemonteerd is en of de uitlaatleiding geen andere componenten kan raken of overmatig opwarmen. - Indien alles goed aangesloten, kunnen de zekeringen geplaatst worden.
- Zet de verwarming eerst op ventileren en controleer of het ventilatieblad niet aanloopt- Zet het regelwieltje van de bediening in de hoogste stand. - Schakel de verwarming op verwarmen. De verwarming begint nu aan zijn startfase. Afhankelijk van de brandstofleidinglengte zal eventueel automatisch een startherhaling volgen, omdat hetbrandstofsysteem nog niet geheel ontlucht is. Stopt de verwarming na 7 à 8 minuten, dan was ook een tweede start niet voldoende om het brandstofsysteemontlucht te krijgen. Daarna de schakelaar op de bediening uit en weer aanzetten. Stopt de verwarming na 7 à 8 minuten weer, controleer dan het brandstofsysteem of raadpleeg UwEberspächer dealer. - Controleer als de verwarming werkt het temperatuurverschil over de verwarming, zie pagina 13. Onderhoud Eberspächer verwarmingen. Onderhoud Eberspächer verwarmingen. Onderhoud Eberspächer verwarmingen.
- Schakel de verwarming iedere maand minstens éénmaal gedurende enige tijd in om vastzitten van bewegende delen en veroudering van brandstof in het brandstofsysteem tegen te gaan. - Controleer voor de aanvang van het seizoen alle elektrische aansluitingen op juist contact, verwijder alle op de contacten aanwezige corrosie en smeer eventueel de verbindingen in met contactvet. - Controleer alle luchtleidingen op beschadigingen en controleer of de ventilator niet geblokkeerd is. - Controleer het in- en uitlaatsysteem op beschadigingen of losse verbindingen. - Controleer het brandstoffilter in de aanzuigzijde van de brandstofdoseerpomp en reinig dit door schoon te blazen. Indien nodig filter vervangen. - Controleer het brandstofsysteem op lekkage. - Als het apparaat onder water komt of water aangezogen heeft, waarschuw dan zo snel mogelijk de dichtst- bijzijnde Eberspächer dealer.
35NLBedieningsinstructiesElektronische regelschakelaarIn de elektronische regelschakelaar zijn deAAN / UIT schakelaar, het draairegelknop voor degewenste temperatuurinstelling en eenruimtetemperatuurvoeler ondergebracht.GebruiksaanwijzingGebruiksaanwijzingGebruiksaanwijzingGebruiksaanwijzingGebruiksaanwijzingSchakelaar naar links ( ): Verwarming AANSchakelaar in middelste stand (0): Verwarming UIT - na uitschakelen volgt automatisch een naloop voor koudblazen (ca. 3 à 4 minuten)Schakelaar naar rechts ( ): VentilerenTemperatuurinstelling: draairegelknop naar rechts geefthogere regeltemperatuur, draairegelknop naar linksgeeft lagere regeltemperatuur.Verlichting:Rode LED: inschakelcontrole verwarmenBlauwe LED: inschakelcontrole ventilerenMet de draairegelknop wordt de gewenste binnen-ruimtetemperatuur ingesteld; deze ligt in hetbereik van ca. +5°C tot +30° C.
36NLGarantieWij garanderen de juiste eigenschappen en storing-vrijheid volgens de desbetreffende stand van detechniek. Veranderingen in de constructie, welketijdens verder ontwikkeling kunnen plaatsvinden,berechtigen niet tot reclamaties. De garantie geldt voor een periode van 24 maandenvanaf de inbouw van de verwarming, bij seriematigeinbouw vanaf de datum van ingebruikname van het,van een verwarming voorziene, voer- of vaartuig. Voorwaarde is dat de garantiekaart direct na de inbouwvan de verwarming volledig ingevuld wordt. De garantie volgt naar keuze van de fabrikant doorreparatie of vervanging van het betreffende product ofonderdeel. Vervangen onderdelen worden eigendomvan de fabrikant en moeten via een officiële erkendewerkplaats met een garantieaanvraag opgestuurdworden.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Eberspacher AIRTRONIC D2 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Verwarming Eberspacher
Handleiding Verwarming
Nieuwste handleidingen voor Verwarming