Weishaupt WG30 Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van Weishaupt WG30 (52 pagina’s), behorend tot de categorie Verwarming. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 98 mensen en kreeg gemiddeld 4.9 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over Weishaupt WG30 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/52
Weishaupt gasbranders WG30 .../1-C en WG40.../1-A, uitvoering ZM-LN (LowNOx) 83048907 - 1/2004
Montage- en bedieningsrichtlijnen
manual
Een duitstalige versie van deze montage- en bedieningsrichtlijnen
is voorhanden en kan op eenvoudige aanvraag bekomen worden.

Beoordeel deze handleiding

4.9/5 (2 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Weishaupt
Categorie: Verwarming
Model: WG30

Handleiding Weishaupt WG30 – volledige tekst

Onderhoud 367.1 Veiligheidsaanwijzingen bij het onderhoud 367.2 Onderhoudsplan 367.3 Menginrichting uit- en inbouwen 377.4 Menginrichting instellen 377.5 Ontstekings- en voelerelektrode instellen 387.6 Servicepositie van het ventilator-huisdeksel 387.7 Ventilatorwiel en ventilatormotor uit- en inbouwen 397.8 Servomotor van de luchtklep uit- en inbouwen 397.9 Aandrijfmechanisme van de luchtklep uit- en inbouwen 407.10 Servomotor van de gassmoorklep uit- en inbouwen 407.11 Magneetspoel aan W-MF / DMV vervangen 417.12 Filterelement uit- en inbouwen 427.13 Veer aan het drukregeltoestel uit- en inbouwen 437.14 Verbrandingsmanager uit- en inbouwen 438 Technische gegevens 448.1 Branderuitrusting 448.2 Arbeidsveld 448.3 Toegelaten brandstoffen 458.4 Elektrische gegevens 458.5 Toegelaten omgevingscondities 458.6 Afmetingen 458.7 Armaturen 468.8 Gewichten 47Bijvoegsel 48Berekening van het gasdebiet 48Verbrandingscontrole 49Trefwoordenregister 503Fundamentele aanwijzingen 5Veiligheidsaanwijzingen 6Technische beschrijving 83.1 Doelgericht gebruik 83.2 Functie 83.3 Bedieningsinrichting 10Montage 114.1 Veiligheidsaanwijzingen bij de montage 114.2 Levering, transport, opslag 114.3 Voorbereidingen voor de montage 114.4 Montage van de brander 124.5 Montage van de armaturen 134.6 Dichtheidscontrole van de armaturen 164.7 Elektrische aansluiting 175 Inbedrijfname en werking 185.1 Veiligheidsaanwijzingen bij de eerste inbedrijfname 185.2 Maatregelen vóór de eerste inbedrijfname 185.3 Inbedrijfname en afregeling 205.4 Werkingscyclus en bedradings-schema 305.5 Aanwijs- en bedieningsmodi 325.6 Buiten werking zetten 33Oorzaken en oplossen van storingen 34Inhoud12A345678

5Dit montage- en bedieningsvoorschrift •is een vast onderdeel van het toestel en moet altijd bij de installatie bewaard worden. •is uitsluitend bestemd voor gekwalificeerde vakmen-sen. •bevat de belangrijkste aanwijzingen voor een veiligemontage, inbedrijfname en onderhoud van het toestel. •is door alle personen, die aan het toestel werken, inacht te nemen. Verklaring van symbolen en aanwijzingenDit symbool kenmerkt richtlijnen die, wanneerze niet in acht genomen worden, levensge-vaarlijke elektrische schokken tot gevolg kun-nen hebben. Dit symbool kenmerkt richtlijnen die, wanneerze niet in acht genomen worden, zware gezondheidsrisico’s of zelfs levensgevaarlijkeverwondingen tot gevolg kunnen hebben. Dit symbool kenmerkt richtlijnen die, wanneerze niet in acht genomen worden, een bescha-diging of vernieling van het toestel of milieu-schade tot gevolg kunnen hebben.

☞Dit symbool kenmerkt handelingen, die uitge-voerd moeten worden. 1. Een reeks handelingen, bestaande uit meer-dere stappen, is doorgenummerd. 2. 3. ❑Dit symbool vereist een controle. •Dit symbool kenmerkt opsommingen. Afkortingentab. tabelhfst. hoofdstukOpleverings- en bedieningsinstructiesDe leverancier van de verbrandingsinstallatie moet uiterlijkbij de oplevering van de installatie aan de gebruiker debedieningsinstructies overmaken, met de verwijzing dezein de opstellingsruimte van de warmtegenerator tebewaren. Op de bedieningsinstructie moet het adres entelefoonnummer van de dichtstbijzijnde servicedienstgenoteerd worden. De gebruiker van de installatie moet erop gewezen wordendat de installatie minstens éénmaal per jaar door eengevolmachtigde van de leverancier of door een anderevakkundige gecontroleerd moet worden.

Borg- en aansprakelijkheids-stelling bij persoons- en bedrijfsschade zijn uitgesloten,indien deze op één of meerdere van de onderstaandeoorzaken zijn terug te voeren :• geen doelmatig gebruik van het toestel• ondeskundige montage, inbedrijfname, bediening enonderhoud van het toestel• het in bedrijf hebben van het toestel bij defecteveiligheidsinrichtingen of niet volgens de regelsaangebrachte of niet functionerende veiligheden• het niet opvolgen van de aanwijzingen in de montage-en bedieningsrichtlijnen• eigenmachtige veranderingen aan de constructie vanhet toestel• inbouw van aanvullende componenten, die niettesamen met het toestel door de fabriek getest zijn• eigenmachtig veranderen van het toestel (b. v.

aandrijfverhoudingen : vermogen en toerental)• wijzigingen aan de verbrandingsruimte door hetinzetten van hulpstukken die de constructiefvastgelegde vlamvorming verhinderen• gebrekkige bewaking van onderdelen van het toesteldoor slijtage• ondeskundig uitgevoerde herstellingen• overmacht• schade ontstaan door verdere benutting, ondanks hetoptreden van gebreken• niet toegestane brandstoffen• gebreken in de toevoerleidingen• het niet gebruiken van originele -weishaupt- onderdelenGEVAARGEVAAROPGELET1 Fundamentele aanwijzingen 1.

6Gevaren bij de omgang met het toestelWeishaupt producten zijn overeenkomstig de geldendenormen, richtlijnen en de algemeen erkende veiligheids-technische regels gebouwd. Toch kan bij ondeskundig ge-bruik levensgevaar optreden voor de gebruiker of derdenen kan schade aan het toestel of aan andere goederen ontstaan. Om gevaar te vermijden mag het toestel alleen benutworden •voor doelgericht gebruik•in onberispelijke veiligheidstechnische staat•met inachtname van alle aanwijzingen in de montage-en bedieningsrichtlijnen•onder naleving van de inspectie- en onderhoudswerk-zaamhedenStoringen die afbreuk kunnen doen aan de veiligheid,dienen per omgaande opgelost te worden. Opleiding van het personeelAlleen gekwalificeerd personeel mag aan het toestel wer-ken.

Informele veiligheidsmaatregelen•Los van het montage- en bedieningsvoorschrift dienende landelijk geldende regels en voorschriften ter voor-koming van ongevallen te worden nageleefd. In het bij-zonder de desbetreffende veiligheidsvoorschriften(b. v. EN, DIN,VDE, enz…) in acht nemen. •Alle veiligheids- en gevaaraanduidingen op het toesteldienen leesbaar te blijven.

Veiligheidsmaatregelen gedurende normaal bedrijf•Het toestel alleen gebruiken, als alle veiligheidsvoor-zieningen goed functioneren. •Minstens eenmaal per jaar het toestel op uitwendigeherkenbare schade en het juist functioneren van de vei-ligheidsinrichtingen controleren. •Afhankelijk van de installatie-omstandigheden kan een frequentere controle noodzakelijk zijn. Veiligheidsmaatregelen bij gasreuk•Open vuur en vonkvorming verhinderen (b. v. in- en uitschakelen van verlichting en elektrische toestellen,mobiele telefoon inbegrepen). •Vensters en deuren openen. •Gasafsluitkraan sluiten. •Huisbewoners waarschuwen en gebouw verlaten. •Verwarmingsinstallateur en gasmaatschappij verwittigen.

Gevaar door elektrische energie•Vóór het begin van de werken de installatie uitschake-len, tegen herinschakelen beveiligen, controleren of destroom uitgeschakeld is, aarden en kortsluiten en allenabije, onder spanning staande delen beveiligen. •Werken aan de elektrische installatie door een vakmanlaten uitvoeren. •De elektrische delen van het toestel tijdens onder-houdswerken controleren. Losse verbindingen vastzet-ten en beschadigde kabels onmiddellijk vervangen. •Indien werkzaamheden aan spanningsvoerende delennoodzakelijk zijn, moeten de voorschriften om ongeval-len te vermijden UVV VBG4 en andere landsspecifiekevoorschriften in acht genomen worden en moetenwerktuigen volgens EN 60900 gebruikt worden. Eentweede persoon dient aanwezig te zijn om in noodge-vallen de hoofdschakelaar uit te zetten.

7Constructieve wijzigingen aan het toestel•Zonder toestemming van de leverancier geen ver-anderingen, aan- of ombouw aan het toestel uitvoeren. Voor alle ombouw-activiteiten is een schriftelijke toe-stemming van de firma Max Weishaupt GmbH nodig. •Toesteldelen in niet onberispelijke staat onmiddellijkvervangen. •Er mogen geen aanvullende componenten ingebouwdworden, die niet tezamen met het toestel gekeurd zijn. •Alleen originele -weishaupt- onderdelen als vervanginggebruiken. Bij onderdelen, door derden geleverd, is niet gewaar-borgd dat het geheel volgens de eisen en keuringen geconstrueerd en gemaakt is. Verandering van de verbrandingsruimte•Er mogen geen hulpstukken in de verbrandingsruimtengebruikt worden, welke de constructief vastgelegdevlamvorming hinderen.

Reiniging van het apparaat en het verwijderen van vuil•Gebruikte stoffen en materialen doelmatig en milieu-vriendelijk gebruiken en afvoeren. Lawaai van het toestel•Afhankelijk van de plaatselijke situatie kan een geluids-drukniveau ontstaan, welke lawaaidoofheid kan veroor-zaken. In dat geval moet het bedieningspersoneel voor-zien worden van overeenkomstige gehoorbescherming. Algemene informaties bij werking op gas•Bij de plaatsing van een gasstookinstallatie moeten allebetreffende installatie- en veiligheidsvoorschriften inacht genomen worden, daarbij o. m. de installatienor-men NBN D 30-001, D 30-002 en D 30-003; de normvoor gasvoorziening NBN D 51-001, D 51-003 (4deeditie 2004), D 51-004 en D 51-005; de norm voorstookplaatsen NBN B 61-001 (> 70 kW), normprojectNBN B 61-002 (< 70 kW) en het Algemeen Regle-ment voor Elektrische Installaties, afgekort A. R. E. I.

•Installatie-, wijzigings- en onderhoudswerkzaamhedenaan gasinstallaties in gebouwen en terreinen mogenbehalve door het gasbedrijf alleen door installateursworden doorgevoerd welke een overeenkomstige toe-lating hebben. •Voor het aanbrengen van eventuele dekmiddelen wordtde binneninstallatie (inbegrepen de tussengasmeters)tot aan de gesloten branderstopkraan, door de installa-teur aan een beproeving en nazicht onderworpen vol-gens de procedure beschreven in paragraaf 3. 6 van denorm NBN D 51-003. •De voor de controle gebruikte lucht of inerte gas moetuit de leidingen verdrongen zijn. GaseigenschappenLaat u zich door de gasleverancier informeren over:•Gassoort •Stookwaarde in normtoestand in MJ/m3resp. kWh/m3•Max. CO2-gehalte van de rookgassen•GasaansluitdrukSchroefdraadverbindingen•Er mogen alleen goedgekeurde dichtingsmaterialenworden gebruikt.

Altijd de gebruiksaanwijzingen in achtnemen. Dichtheidscontrole•Verbindingen, lassen, kranen… van de binneninstallatietijdens de beproeving onder een druk van 100 mbar afzepen met schuimvormende middelen die geen cor-rosie veroorzaken (zie NBN D 51-003, par. 3. 6). Verandering van gassoort•Bij omschakelen naar een andere gassoort is een om-bouwset en opnieuw inregelen noodzakelijk. 2.

83. 2 Functie3. 1 Geoorloofde toepassingenDe Weishaupt gasbranders WG30 en WG40 zijn geschiktvoor:•De montage op een warmtegenerator volgens EN303-3 resp. DIN4702-1 •Warmwaterinstallaties bij intermitterend- en continu- bedrijf (W-FM20 : verbrandingsmanager schakelt één-maal binnen de 24 h af)•Voor stoom- en heetwaterinstallaties en continu bedrijf(W-FM21 : verbrandingsmanager met eigen-controle)Een andere toepassing is alleen met schriftelijke toestem-ming van Max Weishaupt GmbH toegestaan. De onderhoudsintervallen verkorten bij moeilijkere bedrijfs-omstandigheden. •De brander mag alleen met de op de typeplaat aange-geven gassoort gebruikt worden. •De brander mag alleen bij de toegelaten omgevings-voorwaarden (zie hfst. 8. 5) gebruikt worden. •De brander mag niet onoverdekt gebruikt worden. Deze is alleen geschikt voor gebruik in gesloten ruimten.

•De brander mag niet buiten het werkingsgebied toege-past worden. (werkingsgebied zie hfst. 8. 2). •De gasaansluitdruk mag niet hoger zijn dan de op detypeplaat aangegeven gasdruk. 3 Technische beschrijving3Typesleutel :TypeWG 30 /1 -C uitv. ZM-LNZM = tweetraps modulerendLN = Low NoxConstructiestandVermogengrootteBouwgrootteG = gasWeishaupt brander typereeks WOpmerking De brander is niet vooringesteld. BranderconstructieGasventilatorbrander met tweetraps of modulerende be-drijfswijze. Voor de modulerende bedrijfswijze is een stappenregelaar(als accessoire verkrijgbaar) noodzakelijk. Verbrandingsmanager Kenmerken:•Microprocessor voor de besturing en controle van allebranderfuncties•LCD-display•Bediening via toetsen •Aansluiting Data BUS (eBUS)•Geïntegreerde dichtheidscontrole van de magneet-ventielenLCD-display en bedieningsveldHet LCD-display geeft de afzonderlijke programmastap-pen resp.

ServomotorenGassmoorklep en luchtklep worden door aparte servo-motoren aangestuurd. Dit zorgt over het totale vermogen-bereik voor een optimale indeling van de verbrandingsluchten de daarbijhorende gashoeveelheid. VlamvoelerBewaakt in iedere bedrijfsfase het vlamsignaal. Is het vlam-signaal niet overeenkomstig het programmaverloop, danwordt een veiligheidsafschakeling bewerkstelligd. Meervoudig regeltoestel (nominale diameter 3/4" tot 1 1/2")met volgende functies :•drukregeltoestelVereffent eventuele gasdrukschommelingen in het gas-verdeelnet, zorgt voor een constante gasdruk en eengelijkmatig gasdebiet. De regeldruk wordt ingesteldmet een instelschroef. •2 magneetventielen (klasse A)•gasfilter•gasdrukvoeler•Bij een te lage gasdruk wordt het gasgebrekpro-gramma opgestart. De gasdrukvoeler dient bovendienook voor de automatische dichtheidscontrole.

Drukregelaar FRS (nominale diameter 2" tot DN 80)Deze vereffent eventuele gasdrukschommelingen van hetgasnet, zorgt voor een constante gasdruk en een gelijkma-tige gasdoorlaat. Met dit apparaat stelt u de regeldruk in. Dubbelmagneetventiel DMV (nominale diameter 2" totDN 80)Automatisch vrijgeven of afsluiten van de gastoevoer. Viaeen instelschroef is een begrenzing van de ventielheffingen daarmee een verhoging van het drukverlies mogelijk. GasdrukvoelerBij te geringe gasdruk wordt het gasgebrekprogramma gestart. De gasdrukvoeler wordt tevens gebruikt voor deautomatische dichtheidscontrole. LuchtdrukvoelerBij het wegvallen van de verbrandingslucht wordt door deluchtdrukvoeler een veiligheidsafschakeling bewerk-stelligd.

Voldoende warmte aanwezig:•Magneetventielen sluiten na elkaar•Naventilatie van de vuurhaard•Ventilator uit•Dichtheidscontrole van de magneetventielen•Brander schakelt uit – standby34P1253Nominale diameter 3/4" tot 1 1/2"Nominale diameter 2" Nominale diameter DN 65 en DN 80 Aanlooptesten bij de branderstartBij elke branderstart wordt de functie van de servomotoren(initialisering) en de luchtdrukvoeler gecontroleerd. Wordteen afwijking van het beoogde programma vastgesteld,dan wordt de inbedrijfname afgebroken en volgt eennieuwe start. Er wordt tot 5 maal opnieuw gestart GasgebrekprogrammaDe gasdrukvoeler bewaakt de min. gasdruk tussen debeide ventielen van W-MF of DMV. Wordt de gasdrukvoe-ler op grond van een te lage gasdruk niet bekrachtigd, danwordt de branderstart afgebroken. Na een wachttijd vantwee minuten volgt een nieuwe startpoging.

Wordt nog steedsgasgebrek vastgesteld, dan wordt wederom na twee minuten wachttijd een derde startpoging gedaan. Na dederde vruchtloze startpoging wordt eerst na verloop vaneen uur met een nieuwe branderstart begonnen. Door het afzetten en opnieuw inschakelen van de stroom-toevoer kan het gasgebrekprogramma onderbroken wor-den. DichtheidscontroleNa een regelafschakeling van de brander volgt een auto-matische dichtheidscontrole.

De verbrandingsmanagercontroleert op foutieve drukstijging en drukverlies tussende magneetventielen. Wordt geen foutieve stijging van de gasdruk en geen druk-verlies vastgesteld, dan gaat de brander in “standby” metde weergave OFF. Wordt de brander door een storingsuitschakeling of doorspanningsval uitbedrijf geschakeld, dan wordt de dicht-heidscontrole bij de volgende branderstart uitgevoerd: •Brander schakelt tijdens de aanloopfase uit•Dichtheidscontrole•Automatische nieuwe startNetspanningscontroleTijdens de branderwerking wordt de netspanning door deverbrandingsmanager gecontroleerd. Wordt de onder-spanningsgrens - 15 % onderschreden, dan schakelt debrander af; op het display wordt OFF Uaangegeven.

114 Montage 44.1 Veiligheidsaanwijzing voor de montage4.2 Levering, transport en opslag4.3 Voorbereidingen voor de montageSpanning van de installatie uitschakelenVoor het aanvangen van de montagewerk-zaamheden, hoofd- en werkschakelaar uit-schakelen.-Negeren kan leiden tot een elektrische schok. Ernstige verwondingen of de dood kunnenhiervan het gevolg zijn.Alleen geldig voor Zwitserland :Voor de montage en inbedrijfname van -weishaupt-gasbranders in Zwitserland dienen de voorschriftenSVGW en VKF, alsook de plaatselijke reglementeringen inacht genomen te worden.Verder moet rekening gehouden worden met de richtlijnenEKAS (LPG-richtlijnen - deel 2).De levering controlerenControleer de levering op volledigheid en transport-schade. Indien de levering onvolledig of beschadigd is,gelieve dit aan uw leverancier te melden.TransportTransportgewicht van de brander en armaturen, ziehfst.

d1d5I1d4d30…30**d245°➄➃➂➁➀➅1244. 4 BrandermontageWarmtegenerator voorbereidenDe afbeelding geeft een voorbeeld van een bemetselingvoor een warmtegenerator zonder gekoeld front. De be-metseling mag niet zo dik zijn, dat deze voorbij de voorkantvan de vlamkop komt. De bemetseling mag echter conisch(≥60°) verlopen. Bij warmtegeneratoren met watergekoeldfront is, voor zover de ketelfabrikant geen andere voor-schriften hanteert, de bemetseling niet nodig. vlam- maten in mmkop d1d2d3d4d5l1WG30/1 127 M8 170 … 186 130 170 166WG40/1 154 M10 186 … 200 160 170 235* al naar gelang de constructie van de warmtegenerator, de opgaven van de fabrikant inachtnemen. luchtspleet met on-brandbaar elas-tisch isolatiemateri-aal opvullen (nietdichtmetselen)boormaten op de warmtegeneratorbemetselingflensafdichtingBemetseling en boormaten BrandermontageBrandermontage 180° gedraaidBrander monteren1.

vergrendeling9Testbrander0Manometer4.5 Montage van de armaturenExplosiegevaar!Door ongecontroleerde gasuitstromingen kanzich een explosief gas/luchtmengsel vormen.Door een ontstekingsbron kan het tot een ex-plosie komen.Om ongevallen te vermijden, dient men, voor de montagevan de armaturen, de volgende veiligheidsaanwijzingen inacht te nemen.☞Voor aanvang van de werkzaamheden, bijbehorende af- sluiters sluiten en tegen onbevoegd openen beveiligen ☞Op een onberispelijke montage en schone dichtings-vlakken letten.☞Flensafdichtingen op goede montage controleren.☞Schroeven gelijkmatig en kruislings aandraaien.☞Armaturen spanningsvrij monteren.Montagefouten mogen niet door met geweld aan-draaien van de flensbouten gecompenseerd worden.Het vastdraaien resp.

Torx-schroeven op de menginrichting aandraaien.Opmerking : voor het opsporen van lekken alleenschuimvormende middelen gebruiken, die geen corrosie veroorzaken (zie NBN D 51-003, par. 3.6).☞Na de dichtheidscontrole alle meetpunten afsluiten !Documentatie☞Het resultaat van de dichtheidscontrole in het meet- ofinterventierapport vermelden.MeetpuntenW-MF : bij de dichtheidscontrole moeten de meetpuntengeopend worden door het losdraaien van deschroeven in de meetnippel.DMV : voor de dichtheidscontrole moeten de afsluit-doppen op de overeenkomstige meetpunten doormeetnippels worden vervangen. Dichtheidscontrole1. testfase2. testfase3.

De uit het branderhuis komende kabelstekkers ➂en ➃aansluiten op gasdrukvoeler en magneetventiel (stekkers zijn gecodeerd) en de schroeven vastdraaien.Aansluiting op de voedingsspanning volgens het voor hettoestel geldende bedradingsschema uitvoeren. Elektrische aansluiting24143314-polige aansluitstekker voor de vermogenregeling27-polige aansluitstekker voor de ketelbesturing3aansluitstekker gasdrukvoeler4aansluitstekker meervoudig regeltoestel (W-MF) resp.dubbelmagneetventiel (DMV) OPGELETLet op bij WG40:De kabel naar de 7-polige aansluitstekkermoet met min. 10 A traag afgezekerd zijn.Bij ketelbesturingen, die met max. 6,3 A gezekerd mogen worden, moet de brander-motor via een separate kabel aangesloten worden (motorrelais als accesoire leverbaar).Zekering van de toevoerleiding: min. 10 A tr.max. 16 A tr.

185. 1 Veiligheidsaanwijzingen bij de eerste inbedrijfnameDe eerste inbedrijfname van de verbrandingsinstallatiemag alleen door de leverancier, fabrikant of een anderedoor deze benoemde vakkundige uitgevoerd worden. Daarbij moeten alle regel-, besturings- en veiligheidsinrich-tingen op hun functie – voor zover verstelling mogelijk – ophun juiste instelling gecontroleerd worden. Bovendien moet de voorgeschreven zekering van de stuurstroom, de maatregelen voor aanrakingsbeveiligingvan elektrische installaties en de totale bedrading gecontroleerd worden. * De brander is niet vooringesteld. 5. 2 Maatregelen voor de eerste inbedrijfnameOntluchten van de gasleidingenDe ontluchting van de gasleiding mag alleen door de be-voegde instanties uitgevoerd worden. De leidingen moe-ten zo lang met gas doorgeblazen worden tot de aanwe-zige lucht of het inerte gas uit de leiding verdrongen is. N. B.

Indien werkzaamheden aan de gasleiding uitgevoerdzijn, b. v. vervangen van leidingdelen, armaturen ofgasmeters, dan mag een nieuwe inbedrijfname vande brander pas geschieden als eerst een ontluchtingen een dichtheidscontrole van het betreffende lei-dingdeel door de bevoegde instantie is uitgevoerd. Gasaansluitdruk controlerenArmaturen ontluchtenFabr. -Nr. 4012087 Baujahr 199715NMax Weishaupt GmbH, 88475 SchwendiBrenner-TypAusführung ZM-LNCE-0085AP0385Kat. DE/I2ELL GasartAnschlußdruck min max 500 mbarLeistung kW kg/hHeizöl nach DIN 51603 BNNetz 230 V~50Hz 16 A glel. Leistung 0,9 kW kW0085Armaturen ontluchten❏Gasaansluitdruk moet correct zijn. 1. Op het meetpunt voor V1 van het magneetventiel eentot in de buitenlucht reikende ontluchtingsslang aan-sluiten. 2. Kogelkraan openen. Het gas in de armaturen stroomt via de ontluchtings-slang naar buiten.

Bij kleine gashoeveelheden kan het gas ook aan het eindevan de slang via een daarvoor bestemde testbrander ver-brand worden. Gasaansluitdruk controlerenExplosiegevaar. Een ontoelaatbaar hoge gasdruk kan de arma-turen vernielen.

De gasaansluitdruk mag niet hoger zijn dan deop de typeplaat aangegeven maximaal toelaat-bare druk van de armaturen. Voordat u de branderarmaturen ontlucht, con-troleer dan eerst de gasaansluitdruk:1. Drukmeter aansluiten op het meervoudig regeltoestel(bij DMV aan de filter). 2. Kogelkraan langzaam openen en daarbij de drukmeterin de gaten houden. 3. De kogelkraan onmiddellijk sluiten, indien de gasaan-sluitdruk hoger is dan de maximaal toelaatbare druk vande armaturen (500 mbar). Brander niet in bedrijf nemen. De bediener van de installatie informeren. GEVAAR5 Inbedrijfname en werking5.

19Aansluiting gasdrukmeterDrukmeter aansluitenVoor het meten van de gasinsteldruk tijdens de afregeling.5Checklijst voor de eerste inbedrijfname❑Warmtegenerator moet bedrijfsklaar gemonteerd zijn.❑Gebruiksaanwijzingen van de warmtegenerator moe-ten in acht genomen worden.❑De ganse installatie moet correct bedraad zijn.❑Warmtegenerator en verwarmingssysteem moetenvoldoende met opwarmmedium gevuld zijn.❑Rookgaskanalen moeten vrij zijn.❑Werkwijze van de ventilatoren bij luchtverhitters moetcorrect zijn.❑Verse luchttoevoer moet voldoende aanwezig zijn.❑Meetpunt voor rookgasmeting moet voorhanden zijn.❑Er op letten dat warmtegenerator en rookgasafvoertot aan de meetopening dicht zijn, zodat de meet-resultaten niet beïnvloed worden door vreemdelucht-toevoer.❑Laagwaterbeveiliging moet correct ingesteld zijn.❑Temperatuurregelaars, drukregelaars en veiligheids-begrenzers moeten in bedrijfspositie staan.❑Warmtevraag moet voldoende aanwezig zijn.❑Brandstofvoerende leidingen moeten ontlucht zijn(luchtvrij).❑Dichtheidscontrole van de armaturen moet doorge-voerd en gedocumenteerd zijn.❑Gasaansluitdruk moet correct zijn.❑Brandstofafsperorganen moeten gesloten zijn.Bemerking Verdere installatiegebonden controles kunnen noodzakelijk zijn.

50 100 150 200 250 300 550501015600350 400 450 500-4-3-2-1012345678010°30°40°50°60°0°80°20°205.3 Inbedrijfname en afregeling Waarden bepalen bij de voorinstelling1. Vereiste voorinstelling van de stuwschijf en de lucht-klep kiezen en instellen.2. Gasinsteldruk kiezen (de instelling gebeurt tijdens dewerking)3. Gasdebietberekening voor vollast en kleinlast door-voeren (zie bijvoegsel).Zie hiervoor de gegevens van de ketelfabrikant.De waarden in deze tabel werden opgetekend op proef-stookbuizen (EN 676) onder ideale atmosferische omstan-digheden en ideale vuurhaardafmetingen (maximale vuur-haardweerstand volgens EN 303). Bij de afregeling op debedrijfsomstandigheden van de installatie kunnen geringeafwijkingen ontstaan.Met deze waarden bekomt men een luchtgetal van λ=1,15.

Het insteldiagram is in twee bereiken onderverdeeld :•stuwschijfstand 0•luchtklepstand in functie van het gewenste vermogen •Luchtklepstand 80°•Stuwschijfstand in functie van het gewenstevermogenAnzeigebolzenEinstellschraube21Stuwschijf instellen☞Instelschroef draaien tot de schaal op de aanwijsstift op de waarde van de voorinstelling staat.Fabrieksvoorinstelling : 0N.B. Bij stuwschijfpositie 0 is de aanwijsstiftgelijk met het mengkamerhuis (schaal nietzichtbaar).Aanwijsstift voor stuwschijfinstelling5instelschroefaanwijsstift

Dezewaarden zijn bijgevolg richtwaarden voor een algemenevoorinstelling. Bij de afregeling kunnen geringe afwijkingenontstaan, afhankelijk van de plaatselijke bedrijfsomstandig-heden.Opmerking De vuurhaardweerstand in mbar moet bij devastgestelde insteldruk opgeteld worden.De min. aansluitdruk mag niet lager liggen dan 15 mbar.De gegevens voor de stookwaarde Hien de Wobbe-index Wizijn gebaseerd op 0°C en 1013,25 mbar

24Markering van debedrijfspuntenP0P1P9 P2P3P4P5P6P7P8bu*)Tussenlast-puntenworden door deverbrandingsmanagerin gelijke stappen ingedeeldStartlastVollastMin. lastFabrieksvoorinstellinggassmoorklep luchtklep11.0° 11.0°10.0° 10.0°80.0° 80.0°Opmerking Het totale vermogenbereik wordt steeds met10 bedrijfspunten (P0 … P9) beschreven. Elk bedrijfspunt is door een bepaalde gas-smoorklep- en luchtklepstand gedefiniëerd. *)bu =^Onderste bedrijfsgrens =^KleinlastKleinlastDe kleinst mogelijke warmtebelasting van de warmtegene-rator, waarbij de min. last van de brander niet mag wordenonderschreden.FRS (van 2" tot DN 80) :1. Afschermkap 1afschroeven.2.

255N. B. Indien tijdens de volgende instelwerkzaamhe-den een regeluitschakeling van de branderplaats vindt, dan:1. gelijktijdig drukken. 2. Door drukken van naar het laatst inge-regelde lastpunt gaan. Noteer van elk instelpunt de waarde op het display en de overeenkomstige vermogenswaarden (gashoeveelheid). Dit helpt u bij het instellen van de kleinlast. Ontploffingsgevaar. CO-vorming door foutieve branderinstelling. Bij elk bedrijfspunt CO-gehalte controleren. Bij CO-vorming de verbrandingswaarden opti-maliseren. Het CO-gehalte mag niet meer zijndan 50 ppm. Bediening Reactie van het toestel Weergave op displayVoorinstelling op de verbrandingsmanager1. Brugstekker 7 op de verbrandingsmanager uittrekken. 2. Voedingsspanning naar de brander inschakelen. Verbrandingsmanager loopt naarHoofd- en gevaarschakelaar IN ”standby”-positie. 3. gelijktijdig drukken.

startpoging moet de verbrandingsmanager op grond van gasgebrekin de wachtstand blijven staan (gasgebrekprogramma). Opgelet. Pas doorgaan, als de reactie van het toestel-en de weergave op het display overeen- komt met de hiernaast getoonde informatie. 3.

Indien de gewenste belasting niet bereikt wordt, de opmerking onderaan inachtnemen. Tussenliggende vermogenpunten inregelen1. drukken. Waarden voor P9 worden in het geheugen vastgelegd. Brander loopt naar P8. 2. ingedrukt houden en door drukken van ofde verbrandingswaarden optimaliseren. 3. drukken. Waarde voor P8 wordt in het geheugen vastgelegd. Brander loopt naar P7. 4. Voor de punten P7 tot P1 de instelling herhalen zoals beschreven bij P8. 5. Na de instelling van P1 indrukken, om de Brander loopt naar P2. waarden in het geheugen vast te leggen. PGL/APGL/APGL/APGL/APGL/APGL/AGGGGProblemen bij het aanpassen van het vermogen. De luchtklep en de gassmoorklep kunnen in de verschil-lende bedrijfspunten niet willekeurig gewijzigd worden. Indien derhalve een exacte vermogenaanpassing niet mogelijk is, dan moet de stuwschijfpositie gecorrigeerdworden.

275Bediening Reactie van het toestel Weergave op displayStartlast inregelen1. Brugstekker 7 op de verbrandingsmanager uittrekken. Brander schakelt uit. Verbrandingsmanager loopt naar “standby”. 2. gelijktijdig drukken. Verbrandingsmanager komt in de instelmodus. 3. Brugstekker 7 erin steken. Brander start en blijft in destartpositie P0 staan. 4. ingedrukt houden en door drukken van de toet- sen of de gassmoorklep zo instellen, dat in de rookgassen een O2-waarde van 4…5 % bereikt wordt. N. B. De ingestelde gasdruk mag niet gewijzigd worden. 5. 1 sec. ingedrukt houden om de waarden vast Brander loopt naar P1. te leggen. Kleinlast inregelen1. Door drukken op langs de afzonderlijke bedrijfs- punten t/m P9 gaan2. gelijktijdig drukken Brander loopt naar kleinlast (bu). 3. ingedrukt houden en door drukken van of de waarde voor kleinlast instellen. N. B. opgave van de ketelfabrikant inachtnemen.

4. gelijktijdig drukken. Waarden van het kleinlastpunt worden opgeslagen. Verbrandingsmanager wisselt van de instelmodus naar de bedrijfs-modus. De brander is ingeregeld. PPGL/APGL/APGL/APL/AGGGControlestart1. Stroomtoevoer naar de brander onderbreken en weer inschakelen (b. v. 7-polige aansluitstekker eruit trekken en weer erin steken). 2. Alle instelwaarden op de meegeleverde sticker invullen en deze sticker op het mengkamerhuis plakken. Brander • start in de bedrijfsmodus • breekt de startpoging af • voert dichtheidscontrole uit • start opnieuw • loopt naar klein- of vollast. Instellingen achteraf corrigeren1. De brander loopt naar de bedrijfsmodus. Brugstekker 7 op de verbrandingsmanager uittrekken. Brander in positie "standby". 2. gelijktijdig indrukken. Verbrandingsmanager gaat naar de instelmodus. 3. Brugstekker 7 insteken. De brander start en blijft in de startlaststand P0 staan.

Nieuwe instelwaarden op de sticker noteren en over deoude kleven. Opmerking Indien naderhand een verandering van de gasinsteldruk of van de stand van destuwschijf nodig is, moet de brander volledigopnieuw afgeregeld worden (met voorin-stelling). GGOpgelet Branderwerking pas mogelijk na het uitvoeren van stap 4.

285Gasdrukvoeler instellenFabrieksinstelling: 12 mbar.Het schakelpunt moet bij het inregelen gecontroleerd resp.nagesteld worden.1. Op het meetpunt tussen V1 en V2 van W-MF resp.DMV een drukmeter aansluiten.2. Brander in bedrijf nemen (vollast).3. Kogelkraan langzaam sluiten tot de gasdruk tot de halve waarde is gedaald. Let daarbij op de CO-waarde(< 1000 ppm) en de vlamstabiliteit. 4. Instelschijf langzaam naar rechts draaien, tot de ver-brandingsmanager het gasgebrekprogramma start.Minimale waarde: 12 mbar.5. Kogelkraan openen.6. 7-polige aansluitstekker eruit trekken en er weer inste-ken.Brander moet zonder gasgebrekprogramma starten.Luchtdrukvoeler instellenFabrieksinstelling : 5 mbar (WG30)6 mbar (WG40)Het schakelpunt moet bij het inregelen gecontroleerd resp.nagesteld worden. Hiervoor verschildrukmeting tussen depunten ➀en ➁uitvoeren:1. Drukmeter volgens tekening aansluiten.2.

Brander in bedrijf nemen.3. Het regelgebied van de brander doorlopen.Daarbij het drukverschil op de drukmeter in de gaten houden.4. De laagste verschildrukwaarde bepalen.5. 80% van de laagste verschildrukwaarde op de instel-schijf instellen.Voorbeeld:laagste verschildruk: _______________________ 7,4 mbarschakelpunt luchtdrukvoeler : _______ 7,4 x 0,8 = 6,0 mbarN.B. Installatiegebonden invloeden b.v. de con-structie van rookgasafvoer, warmtegenerator,opstelruimte of de luchttoevoer naar de lucht-drukvoeler, kunnen een afwijkende instellingnoodzakelijk maken.Gasdrukvoeler12345678910LGW10A2Luchtdrukvoeler➀ +➁ –VerschildrukmetingMeetpunt

29Ionisatiestroom metenAls de vlam aanwezig is, dan loopt er een ionisatiestroom.Min. afschakelstroom van de vlamvoeler : __________ 1 µAMin. aanbevolen ionisatiestroom : ________________ 5 µAMeettoestel :multimeter of stroommeterIn de servicemodus nr. 16 wordt de controlekwaliteit ophet display in 3 fasen aangegeven.Aansluiting :een in de ionisatieleiding aangebrachte stekkerkoppelingdient voor de aansluiting van het meettoestel.Ionisatiestroom metenAfsluitende werken1. Meetresultaten van de rookgasmeting op deinspectiekaart noteren.2. Instelwaarden op de sticker invullen.3. Meettoestel wegnemen en de branderafdekkapmonteren.4. Gebruiker over de bediening van de installatieinformeren.

van de verbrandingsmanager5Fabricagedatum van de software6Apparaat-nr.7Keuringsdatum van het apparaat8Actuele eBUS- adressen9Dichtheidscontrole ON / OFF10 Actueel eBus-adres van de regelaarNa info nr. 10 of na een wachttijd van 20 sec. keert men terug in het aanwijsveld van de bedrijfsmodus.Voorbeeld:verbruikte brandstof:72 m3l, m3ServicemodusDe servicemodus kan alleen gedurende de bedrijfsmodusbij elke positie van de brander opgeroepen worden. ☞ca. 2 sec. drukken.Eerst verschijnt in de symboollijst ca. 1,5 sec. een i,kort daarna . Om naar de volgende service informatie te gaan:☞ca. 0,2 sec. drukken.Nr.

335Parametermodus (alleen voor gekwalificeerde vakmensen))Oproepen alleen bij weergave OFF mogelijk. 1. Branderafdekkap verwijderen. 2. Brugstekker 7 eruit trekken. Brander gaat naar „stand by”, met de weergave OFF3. gelijktijdig gedurende ca. 2 sec. drukken. Op het display verschijnt Om de waarde te veranderen:☞of drukken. Om tot de volgende parameter te komen:☞drukken. Voorbeeld:naventilatietijd 28 secFoutaanwijzingDe verbrandingsmanager is voorzien van een stoormel-dingssysteem. De foutfunctie welke tot storingsafschake-ling heeft geleid, wordt weergegeven als foutcode. Om de brander te ontgrendelen:☞drukken (bij afstandsontgrendeling toets S2). Nr. Foutmelding01. 15 interne apparaatfout (RAM / ROM-test en tijdbewaking)28. 32 interne apparaatfout (in programma modulen)70. 79 interne apparaatfout (onderspanning- en Pin- kortsluittest e. d. )45.

5C interne apparaatfout (bij de berekening van de interne waarden)20 luchtdrukvoeler bij branderstart niet in rustpositie21 luchtdrukvoeler heeft niet geschakeld22 gasdrukvoeler heeft tijdens de veiligheidstijd niet geschakeld25 geen vlamsignaal na de veiligheidstijd26 vreemdlicht27 vlamuitval tijdens bedrijf42 afschakeling door stekker 743 ventiel 1 bij dichtheidscontrole ondicht of gas-drukvoeler valt niet af44 ventiel 2 bij dichtheidscontrole ondicht60 servomotor lucht loopt niet correct naar referen-tiepunt 0 61 servomotor gas loopt niet correct naar referen-tiepunt 063 looptijd van de luchtaandrijving is overschreden64 looptijd van de gassmoorklep is overschreden65 brandertype bij de start niet herkend66 stekkeraansluiting gassmoorklep niet correct;servomotor lucht resp.

aandrijfmechanisme67 algemene fout van de stappenmotorbesturing68 terugmelding servomotor lucht foutief69 terugmelding servomotor gas foutief6A tolerantiefout servomotor lucht6B tolerantiefout servomotor gas6C stapsgewijze aansturing servomotor lucht foutief6D stapsgewijze aansturing servomotor gas foutief 6E servomotoren verwisseld6F fout bij het herkennen van de brander resp. stekker servomotor niet correctVoorbeeld:gasdrukvoeler heeft niet geschakeld(weergave knippert. )5. 6 Buiten werking zettenBij korte bedrijfsonderbrekingen(b. v. schoorsteenreiniging e. d. ):☞Hoofd en gevaarschakelaar voor de brander uitschake-len. Bij langere bedrijfsonderbrekingen:1. Hoofd- en gevaarschakelaar voor de brander uit-schakelen. 2. Brandstof-afsluitorganen sluiten. Nr. Waarde03 Verwijzing naar parameterniveau(kan niet versteld worden)103H, 13H, 33H,73H, F3H Aanduiding eBUS adres20tot 25.

34De brander wordt buiten bedrijf- in stoorstand vergrendeldaangetroffen. Weergave met foutcode knippert. Bij storingen moeten eerst de basisvoorwaarden voor eennormale werking gecontroleerd worden. ❏Is de spanning aanwezig. ❏Is de druk in het gasnet correct en is de kogelkraangeopend. ❏Zijn alle regelorganen voor ruimte- en ketelwatertempe-ratuur, laagwaterbeveiliging, eindschakelaars e. d. cor-rect ingesteld. Wordt vastgesteld, dat de oorzaak van de storing niet aanbovengenoemde voorwaarden ligt, dan moeten de met debrander samenhangende functies individueel getest wor-den. ontgrendelen: indrukken (bij afstandsontgrendelingtoets S2). Om schade aan de installatie te voorkomen,niet meer dan 2 ontgrendelingen achtereenuitvoeren. Gaat de brander voor de 3. keer op storing: servicedienst raadplegen.

Het verhelpen van de storing mag alleen uitge-voerd worden door gekwalificeerd personeelmet de overeenkomstige vakkennis. N. B. De volgende tabel geeft alleen een opsom-ming van mogelijke storingen weer. Voor verdere foutcodes zie hoofdstuk 5. 5GEVAAROPGELETOorzaken en oplossen van storingen6Probleem Oorzaak OplossingDisplay zonder aanwijzingBrander functieloos geen voedingsspanning aanwezig voedingsspanning en zekering controlerenzekering defect zekering vervangen (10 A traag)veiligheidsbegrenzer voor L1 veiligheidsbegrenzer terugzettenop 7-polige aansluitstekker is afgeschakeldSpanning op de voeding L1 op onderbreking nulleider onderbreking verhelpen7-polige stekker aanwezig, deson- danks geen weergave op display 7-polige stekkerverbinding naar stekkerverbinding controlerenverbrandingsmanager niet correcterin gestokenverbrandingsmanager defect verbrandingsmanager vervangen(zie hfst. 7.

14)Brander werkt, stekkerverbinding op stekkerverbinding controlerenmaar geen weergave in het display verbrandingsmanager foutiefdisplay defect display vervangenDisplay geeft continu OFF regelkring niet gesloten controleren, waarom de regelaar tus-sen T1/T2 op 7-polige aansluitstek-ker geopend isbrugstekker 7 niet correct stekkerverbinding controlereningestoken* Display geeft OFFUPrprogrammering niet afgesloten programmering afsluitenIonisatiecontroleBrandermotor aan, ontsteking is ionisatiestroom schommelt, stand van de voelerelektrode veran-hoorbaar, normale vlamvorming, te laag deren; evtl. hoge overgangsweerstanddaarna storingsafschakeling in de ionisatieleiding en klemmen weg-werken (klemmen aandraaien)ionisatiestroom niet bij ongeaarde netten (stuurtransfo) aanwezig of te laag moet de als nulleider gebruikte pool geaard worden.

356Probleem Oorzaak OplossingBrandermotorBrandermotor loopt niet meer condensator defect condensator controleren en Foutcode: F 21H zonodig vervangenbrandermotor defect brandermotor controleren enzonodig vervangen (zie hfst. 7. 7)Brandermotor start niet. luchtdrukvoeler continu luchtdrukvoeler vervangenWeergave 2blijft telkens 30 sec. , geslotendan nieuwe start, na 5 startpogin- gen foutmeldingFoutcode: F 20HBrandermotor loopt continu, motorrelais defect motorrelais vervangenstoringsafschakelingFoutcode: F 20H verbrandingsmanager defect verbrandingsmanager vervangen (zie hfst. 7. 14)ServomotorenServomotoren worden meerdere bevestigingsschroeven van de stap- bevestigingsschroeven een beetjekeren op nulpositie gezet, daarna penmotoren te vast aangedraaid lossenstoringsafschakeling.

Foutcode: servomotor voor luchtklep of servomotor vervangenF 60H, F 61H, F 68H, F 69H, F 6fH gassmoorklep defect (zie hfst. 7. 8 en hfst. 7. 10)F 66H… aandrijfmechanisme loopt zwaar aandrijfmechanisme vervangen. Luchtgebrek5x vergeefse startpoging contact luchtdrukvoeler valt luchtdrukvoeler correct instellen Foutcode: F 21H door te geringe luchtdruk weer af zonodig vervangendruk- resp. onderdrukslang defect slang vervangenbranderventilator vervuild ventilator en luchtkanaal reinigen(zie hfst. 7. 6 en 7. 7)luchtdrukvoeler defect luchtdrukvoeler vervangenGasgebrekBranderstart wordt na het openen van geen gasdruk aanwezig brandstof afsluitorganen openen, het 1. magneetventiel afgebroken. b. v. kogelkraan gesloten bij langdurig gasgebrek, het gasbe- Gasgebrekprogramma start: drijf waarschuwenweergave: 16 01 59 om het gasgebrekprogramma te 2 min.

onderbreken:16 00 00 7-polige aansluitstekker eruit trekken Brander start opnieuw en er weer insteken. brander tracht opnieuw te starten. gasdrukvoeler schakelt niet gasdrukvoeler vervangenBranderstart wordt na het openen van daling van de gasdruk bij het openen filterdoek reinigen, zonodig vervan-het 2. magneetventiel afgebroken. van het 2.

magneetventiel door ver- gen (zie hfst. 7. 13)Gasgebrekprogramma start. vuilde filter. MagneetventielControlelamp op ventiel brandt: spoel van het ventiel heeft onderbreking spoel van ventiel vervangenVentiel opent niet (zie hfst. 7. 11)OntstekingOntsteking niet hoorbaar. afstand ontstekingselektrode te groot ontstekingselektrode afstellenStoringsafschakeling (zie hfst. 7. 5)Foutcode: F 25H ontstekingselektrode of ontstekings- massasluiting verhelpen door ver-kabel maken massasluiting vanging van de defecte onderdelenontstekingstrafo defect ontstekingstrafo vervangenGeen spanning op de stekker van verbrandingsmanager defect verbrandingsmanager vervangende verbrandingsmanager (zie hfst. 7. 14).

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Weishaupt WG30 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden