Citroën Jumper (2020) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Citroën Jumper (2020) (156 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 58 mensen. Heb je een vraag over Citroën Jumper (2020) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Citroën |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Jumper (2020) |
Handleiding Citroën Jumper (2020) – volledige tekst
Toegang tot het instructieboekjeMOBIELE APPInstalleer de app Scan MyCitroën(inhoudisoinebeschikbaar).ONLINEGa naar de website en ga naar het hoofdstuk CITROËN"MyCITROËN" voor het inzien of downloaden van het instructieboekje of ga naar het volgende adres:http://service.citroen.com/ACddb/Scan deze QR-code voor directe toegang.Met dit symbool wordt de meest recente informatie aangeduid.Selecteer vervolgens: – het model van uw voertuig, – de uitgifteperiode die overeenkomt met de datum van de eerste tenaamstelling van de auto.Selecteer: – de taal, – het model van uw auto en de carrosserievariant, – de uitgifteperiode van het instructieboekje die overeenkomt met de datum van de eerste tenaamstelling van de auto.
We raden u aan om dit document en het garantie- en onderhoudsboekje goed te lezen.Uw auto kan, afhankelijk van het uitrustingsniveau, het type, de uitvoering en de specieke kenmerken voor het land waar uw auto verkocht is, slechts van een deel van de uitrusting in dit boekje zijn voorzien.Aan de beschrijvingen en afbeeldingen kunnen geen rechten worden ontleend.Automobiles CITROËN behoudt zich het recht voor om de technische kenmerken, uitrusting en accessoires te wijzigen zonder verplicht te zijn dit boekje aan te passen.Overhandig dit bij verkoop van de auto aan de nieuwe instructieboekjeeigenaar.LegendaVeiligheidswaarschuwingAanvullende informatieMilieubeschermingsfunctieAuto's met stuur linksAuto's met stuur rechtsLocatie van de beschreven uitrusting/toets, aangeduid met een zwart gebied.LegendaDeze legenda geeft de specieke kenmerken van uw type voertuig aan: Bestelwagen Cabine met dieplader Combi, minibus Dubbele cabineVolledige bus met dubbele cabineKiepwagenCabine met chassis
3Inhoudsopgave 7Praktische informatie Brandstof 96Compatibiliteit van brandstoen 97Sneeuwkettingen 97Trekken van een aanhanger 98Trekhaak met afneembare kogel 98Op het dak gemonteerd draagsysteem 100Onder de motorkap 101Dieselmotoren 102Niveaus controleren 102Controles 105AdBlue® (BlueHDi-motoren) 108 8In geval van pech Bandenreparatieset 111Reservewiel 112Een lamp vervangen 118Een zekering vervangen 12312V-accu 127Slepen 130 9Technische gegevensTechnische gegevens motoren en aanhangergewichten 132Dieselmotoren 132Gewicht 133Afmetingen 136Identicatie 140Teksten op de stickers 141 10Specifieke kenmerken Volledige bus met dubbele cabine 144Cabine met chassis / cabine met dieplader 144Dubbele cabine 149Laadklep 153 11Audiosysteem De eerste stappen 159Stuurkolomschakelaars 159Radio 160Media 161Telefoon 162Conguratie 163Gesproken commando's 163 12 Audio- en telematicasysteem op het touchscreen De eerste stappen 167Stuurkolomschakelaars 168Menu's 168Radio 169Digitale radio (DAB, Digital Audio Broadcasting) 170Media 170Navigatie 173Telefoon 175Gegevens auto 177Conguratie 178Gesproken commando's 179 13ALPINE® X902D-systeem De eerste stappen 183Menu's 184 ■Trefwoordenregister
5Eco-rijdenEco-rijdenEco-rijden staat voor een aantal dagelijkse gewoontes voor verlaging van het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van de auto. Maak optimaal gebruik van de versnellingsbakAls uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak, rijd dan rustig weg en schakel zo snel mogelijk naar de tweede versnelling. Schakel bij het accelereren bij voorkeur snel over naar een hogere versnelling. De schakelindicator adviseert u de versnelling in te schakelen die het best geschikt is voor de rijomstandigheden: volg het op het instrumentenpaneel weergegeven schakeladvies zo snel mogelijk op. Kies voor een soepele rijstijlHoud een veilige afstand tot de auto's voor u aan, rem bij voorkeur af op de motor in plaats van het rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk in. Zo bespaart u brandstof, verlaagt u de CO2 en maakt de auto minder geluid.
Als uw auto is voorzien van een snelheidsregelaar, gebruik deze dan vanaf een snelheid van 30 km/h als het verkeer goed doorstroomt. Gebruik de elektrische voorzieningen op de juiste manierAls bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto hoog is opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatieroosters voordat u de airconditioning inschakelt. Sluit de ruiten bij snelheden boven 50 km/u, maar laat de ventilatieroosters geopend. Maak gebruik van alle voorzieningen die de temperatuur in de auto kunnen verlagen. Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste temperatuur is bereikt (behalve bij auto's met een automatische airconditioning). Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn als deze niet automatisch worden geregeld. Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit.
Schakel de koplampen en de mistlampen vóór uit als het zicht voldoende is. Laat de motor vooral 's winters na het starten niet stationair warmdraaien: uw auto warmt sneller op als u rijdt. Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur (DVD-speler, MP3-speler, spelcomputer enz.
) op de auto aan om het elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofverbruik, te beperken. Koppel alle draagbare apparatuur los als u de auto verlaat. Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruikVerdeel het gewicht gelijkmatig over de auto. Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal, etsendrager, aanhanger, enz. ) van uw auto. Gebruik bij voorkeur een dakkoer. Verwijder de dakdragers en het imperiaal na gebruik. Vervang de winterbanden na de winter zo snel mogelijk door zomerbanden. Houd u aan de onderhoudsvoorschriftenControleer de bandenspanning regelmatig (bij koude banden) en houd u daarbij aan de bandenspanning die staat vermeld op de sticker op de sponning van het bestuurdersportier. Controleer de bandenspanning met name: – voorafgaand aan een lange rit; – bij de wisseling van de seizoenen; – als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.
Vergeet daarbij het reservewiel en de wielen van een aanhanger of caravan (indien van toepassing) niet. Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, olielter, luchtlter en interieurlter vervangen enz. ) en houd u daarbij aan het onderhoudsschema van de fabrikant. Bij uitvoeringen met een BlueHDi-dieselmotor: bij een storing in het SCR-systeem stoot de auto te veel schadelijke stoen uit. Ga in dat geval zo snel mogelijk naar een CITROËN-dealer of een gekwaliceerde werkplaats om ervoor te zorgen dat de uitstoot van stikstofoxiden van uw auto weer aan de norm voldoet. Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer afslaan; zo voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt. U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 3000 km het gemiddelde brandstofverbruik zich stabiliseert.
Toerenteller (rpm x 1.000)Displayscherm niveau 1In het onderste deel:– Tijd– Buitentemperatuur – Afgelegd aantal mijl / kilometer – Boordcomputer (actieradius, verbruik etc.) – Hoogte van de koplampen – Geprogrammeerde waarschuwing bij te hoog toerental – Snelheidsbegrenzer of -regelaar– Schakelindicator – Stop & Start.In het bovenste deel: – Datum – Onderhoudsindicator– Waarschuwingsmeldingen – Meldingen over de status van functies – Conguratie van het voertuig.Displayscherm niveau 2Links:– Tijd– Buitentemperatuur – Waarschuwings- of statuslampjes – Snelheidsbegrenzer of -regelaar.Rechts: – Datum – Onderhoudsindicator – Boordcomputer (actieradius, verbruik etc.)– Waarschuwingsmeldingen – Meldingen over de status van functies – Conguratie van het voertuig – Hoogte van de koplampen – Afgelegd aantal mijl / kilometerLichtsterkte van de dashboardverlichtingDe lichtsterkte van de dashboardverlichting kan worden aangepast met de toets MODE, met de parkeerlichten aan.Zie het betreende hoofdstuk voor meer informatie over de conguratie van het voertuig (MODE).Waarschuwings- en verklikkerlampjesDe waarschuwings- en verklikkerlampjes (weergegeven als symbolen) informeren de bestuurder over een storing (waarschuwingslampjes) of de werking van een systeem (verklikkerlampjes ingeschakelde of uitgeschakelde functie).
Bepaalde lampjes kunnen op twee manieren (permanent of knipperend) en/of in verschillende kleuren branden.Bijbehorende waarschuwingenEen lampje kan branden in combinatie met een geluidssignaal en/of een melding op het display.Door de weergegeven waarschuwingen te relateren aan de werkingstoestand van de auto kan worden bepaald of er sprake is van een normale situatie of van een storing; zie de beschrijving van ieder lampje voor meer informatie.
7Instrumentenpaneel1Bij het aanzetten van het contactAls het contact wordt aangezet, gaan bepaalde rode of oranje waarschuwingslampjes enkele seconden branden. Deze lampjes moeten doven als de motor draait. Raadpleeg de desbetreende rubriek voor meer informatie over een systeem of een functie. Continu brandend waarschuwingslampjeAls een rood of oranje waarschuwingslampje blijft branden, duidt dit op een storing die verder moet worden onderzocht. Wanneer een waarschuwingslampje blijft brandenDe aanduidingen , (1) (2) (3) en in het overzicht van de waarschuwings- en verklikkerlampjes geven aan of u naast de onmiddellijk aanbevolen acties contact met een gekwaliceerde professional moet opnemen. (1) Zet de auto stil: Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats en zet het contact af. (2): Neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwaliceerde werkplaats.
(3): Ga naar het CITROËN-netwerk of een gekwaliceerde werkplaats. Lijst met waarschuwingslampjesRode waarschuwingslampjesKoelvloeistoftemperatuurBij H in de rode zone of permanent met de naald in de rode zone. De koelvloeistoftemperatuur is te hoog en/of is te snel gestegen. Zie (1) en wacht totdat de motor is afgekoeld voordat u koelvloeistof bijvult. Zie (2) als het probleem niet verdwijnt. MotoroliedrukKnipperend, enkele seconden, samen met een melding op het display. De kwaliteit van de motorolie is afgenomen. Ververs de olie zo snel mogelijk. Na een tweede waarschuwing wordt het motorvermogen beperkt. Tijdelijk of permanent branden, bij draaiende motor. Te laag oliepeil of grote storing. Zie (1) en controleer het peil handmatig. Vul waar nodig bij. Zie (2) als het peil in orde is. Laadstroom accuPermanent. Een storing in het laadcircuit of de accu. Controleer de accupolen.
Permanent of knipperend, ondanks de controles. Storing in het ontstekings- of injectiesysteem. Zie (2). Portier, achterklep of motorkap geopendPermanent. Een van de te openen carrosseriedelen is niet goed gesloten.
Controleer of de portieren, de achterdeuren, de schuifdeuren en de motorkap goed zijn gesloten. StuurbekrachtigingBrandt permanent, in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Er is een storing in de stuurbekrachtiging. Rijd voorzichtig met matige snelheid en zie (3). AirbagsPermanent of knipperend. Een van de airbags of pyrotechnische gordelspanners is defect. Zie (3). Veiligheidsgordel niet vastgemaaktBrandt permanent en knippert vervolgens. De bestuurder zijn veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt. Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting. In combinatie met een geluidssignaal, blijft vervolgens branden. Tijdens het rijden dat de veiligheidsgordel van de bestuurder niet is vastgemaakt. Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door even aan de riem te trekken.
8InstrumentenpaneelPneumatische ophangingPermanent. Er is een storing in het systeem. Zie (3). ParkeerremPermanent. De parkeerrem is aangetrokken of niet goed vrijgezet. Zet de parkeerrem vrij zodat het lampje uitgaat; trap het rempedaal in. RemmenPermanent. Het remvloeistofniveau is te laag. Voer (1) uit en vul het reservoir bij met door de fabrikant aanbevolen remvloeistof. Zie (2) als het probleem niet verdwijnt. Permanent. Een storing in het systeem van de elektronische remdrukregelaar (EBD). Zie (1) en dan (2). Oranje waarschuwingslampjesServiceBrandt tijdelijk. Er zijn één of meer kleine storingen gedetecteerd waarbij geen speciek waarschuwingslampje gaat branden. Zie (2). Brandt permanent, in combinatie met de weergave van een melding. Er zijn één of meerdere grote storingen gedetecteerd waarbij geen speciek waarschuwingslampje gaat branden.
Identiceer de oorzaak van de storing met behulp van de melding op het instrumentenpaneel en zie (3). Antiblokkeersysteem (ABS)Brandt permanent. EStoring in het antiblokkeersysteem. De normale remwerking blijft behouden. Rijd voorzichtig en met lage snelheid en voer (3) uit. Distance Alert / Active Safety BrakeBrandt permanent, in combinatie met de weergave van een melding. Het systeem is uitgeschakeld via het conguratiemenu van de auto. Distance Alert/Active Safety BrakeKnippert. Het systeem grijpt in en remt de auto kort af om de snelheid van de aanrijding met de voorligger te beperken. Brandt permanent, in combinatie met een melding en een geluidssignaal. Storing in het systeem. Voer (3) uit. Distance Alert / Active Safety BrakePermanent. Er is een storing in het systeem. Als deze waarschuwingslampjes gaan branden nadat de motor is uitgeschakeld en opnieuw is gestart, zie (3).
RemblokkenPermanent. De remblokken voor zijn versleten. Zie (3) om de remblokken te vervangen. ESP/ASRKnippert. Het systeem is in werking. Het systeem verbetert de tractie en zorgt ervoor dat het voertuig beter bestuurbaar blijft.
Brandt permanent, in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Storing in het DSC-/ASR-systeem of de Hill Start Assist. Zie (2). Permanent. Er is een storing in de Intelligent Traction Control. Zie (2). Roetlter (diesel)Permanent. Het roetlter wordt automatisch geregenereerd. Laat de motor draaien totdat het waarschuwingslampje uit gaat, zodat de regeneratie kan worden voltooid. Zelfdiagnose motorPermanent. Er is een storing in de motor of het EOBD-emissieregelsysteem waargenomen. EOBD (European On Board Diagnosis) is een Europees diagnosesysteem dat de emissieregeling bewaakt en ervoor zorgt dat het voertuig voldoet aan de normen voor de uitstoot van:.
9Instrumentenpaneel1 – CO (koolmonoxide), – HC (koolwaterstoen), – NOx (stikstofoxide); gedetecteerd door de lambdasondes achter de katalysatoren en – jnstof. Voer snel (3) uit. BandenspanningscontrolesysteemPermanent. Een band met een te lage bandenspanning of een lekke band. Zie (1). Verwissel het wiel of repareer de band. Permanent. Een van de sensoren is defect. Zie (3). Lane Departure Warning SystemKnippert in combinatie met een geluidssignaal. Het systeem heeft waargenomen dat het voertuig onbedoeld links of rechts over de streep is gedaan. Stuur de andere kant op om het voertuig weer op de juiste baan te brengen. Brandt permanent in combinatie met een geluidssignaal. Het Lane Departure Warning System is defect. Reinig de voorruit. Zie (3) als het probleem niet verdwijnt. Elektronische startblokkeringPermanent. De ingestoken contactsleutel wordt niet herkend.
De motor kan niet starten. Gebruik een andere sleutel en zie (3) om de defecte sleutel na te laten kijken. Brandt ongeveer 10 seconden als het contact wordt aangezet. Het alarm is geactiveerd. Zie (3) om de sloten te laten controleren. Water in dieselbrandstolter(Diesel)Permanent. Het brandstolter bevat water. Voer meteen (2) uit - kans op schade aan het injectiesysteem. AdBlueBrandt en knippert daarna, in combinatie met een melding op het display. De actieradius neemt af. U moet AdBlue snel bijvullen. Laag brandstofniveauPermanent, met de naald in gebied E. De reservehoeveelheid brandstof wordt gebruikt. Wacht niet met tanken. Knippert. Er is een storing in het systeem. Zie (2). Voorverwarming dieselbrandstofPermanent. Vanwege klimaatomstandigheden is voorverwarming van dieselbrandstof vereist. Wacht met starten tot het verklikkerlampje uitgaat. Mistlampen achterPermanent.
De toets op het MODE-bedieningspaneel is ingeschakeld. De lampen werken alleen als het dimlicht is ingeschakeld. Bij normaal, goed zicht moet u ze uitschakelen.
10InstrumentenpaneelAutom. inschakelen groot-/dimlichtPermanent. De functie is via het menu MODE ingeschakeld. Het in- en uitschakelen van het groot licht wordt automatisch geregeld op basis van het verkeer en de rijomstandigheden. Zwarte/witte waarschuwingslampjesTemperatuur/gladheidBrandt permanent in combinatie met een melding op het display. De weg kan glad worden door de weersomstandigheden. Let extra goed op en probeer plotseling remmen te vermijden. Datum/tijdPermanent. Dit wordt in het menu MODE ingesteld. Hoogte van de lichtstraalPermanent. De koplampen kunnen in stand 0 tot en met 3 worden gezet, afhankelijk van de belading van het voertuig. Stel ze af met de toetsen op de MODE-bedieningsmodule. OnderhoudssleutelPermanent. Onderhoud nodig. Zie het overzicht van controles in het onderhoudsschema van de fabrikant en laat vervolgens de onderhoudsbeurt uitvoeren.
Stop & StartPermanent. Als het voertuig stilstaat (bijvoorbeeld bij een verkeerslicht of stopbord, of door le), dan zet het Stop & Start-systeem de motor in de STOP-stand. Het controlelampje gaat uit en de motor wordt automatisch weer gestart (START-stand) als u wilt wegrijden. Knippert enkele seconden en gaat vervolgens uit. De STOP-stand is tijdelijk niet beschikbaar. SchakelindicatorPermanent. Er kan worden opgeschakeld. SnelheidsbegrenzerPermanent. De begrenzer is ingeschakeld. Brandt permanent met "OFF". De snelheidsbegrenzer is geselecteerd en niet actief. MetersOnderhoudsinformatieNa het aanzetten van het contact brandt het lampje (een sleutel die onderhoudsinformatie symboliseert) gedurende enkele seconden: het display geeft de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt aan volgens het onderhoudsschema van de fabrikant.
Deze informatie wordt bepaald op basis van de afgelegde afstand sinds de vorige onderhoudsbeurt. MotorolieniveauAfhankelijk van de motoruitvoering wordt vervolgens het motorolieniveau weergegeven in een schaalverdeling van 1 (min. ) tot 5 (max. ) segmenten.
Als er geen enkel segment wordt weergegeven, is het motorolieniveau te laag. Vul in dat geval altijd motorolie bij om motorschade te voorkomen. De controle van het motorolieniveau is alleen betrouwbaar als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor minstens 30 minuten niet heeft gedraaid. Controleer bij twijfel het motorolieniveau met de peilstok. Raadpleeg de desbetreende rubriek voor meer informatie over het controleren van de niveaus.
11Instrumentenpaneel1Na enkele seconden schakelt het display weer over naar de normale weergave. MotoroliekwaliteitDit verklikkerlampje knippert bij het starten van de motor en er verschijnt, volgens uitvoering, een melding op het instrumentenpaneel: het systeem heeft een verslechtering van de kwaliteit van de motorolie gedetecteerd. De motorolie moet zo snel mogelijk worden ververst. Dit tweede verklikkerlampje gaat samen met het eerste verklikkerlampje branden als de olie niet is ververst en de kwaliteit van de olie een nieuwe grenswaarde heeft overschreden. Als dit verklikkerlampje met regelmatige intervallen gaat branden, vul dan zo snel mogelijk motorolie bij. Voor de 3,0 l HDi-motoren zal het toerental beperkt worden tot 3000 t/min en vervolgens tot 1500 t/min zolang de olie niet is ververst. Laat de motorolie verversen om te voorkomen dat er schade aan de motor ontstaat.
De onderhoudsindicator resettenIn een bevoegde werkplaats met diagnosegereedschap kan het permanent knipperen van het waarschuwingslampje na elke servicebeurt worden uitgeschakeld. Als u zelf onderhoud aan het voertuig uitvoert, reset de onderhoudsindicator dan als volgt. ► Steek de sleutel in het contactslot. ► Draai deze in de stand MAR - ON. ► Druk tegelijkertijd het rem- en koppelingspedaal langer dan 15 seconden in. Zie de controlelijst in het onderhoudsschema van de fabrikant die bij aevering van het voertuig wordt meegeleverd. Herinnering onderhoudsinformatieDruk kort op de toets MODE voor toegang tot de onderhoudsindicaties. Gebruik de pijlen omhoog/omlaag om de service-intervallen en de kwaliteit van de motorolie te bekijken. Wanneer u nog een keer op de toets MODEdrukt, gaat u terug naar de verschillende menu's op het display.
12InstrumentenpaneelKoelvloeistoftemperatuurAls de wijzer tussen C (Cold) en H (Hot) staat: normale werking. Onder zware gebruiksomstandigheden of bij warm weer kan de wijzer in de buurt van het rode gebied komen. Als de wijzer in het rode gebied komt of het waarschuwingslampje gaat branden: ► stop onmiddellijk en zet het contact uit. De koelventilator blijft mogelijk nog korte tijd draaien, dat kan tot 10 minuten duren. ► wacht totdat de motor is afgekoeld en controleer dan het niveau. Vul waar nodig bij. Bij bijvullenWees voorzichtig, het koelcircuit staat onder druk. Voorkom brandwonden door de dop met een doek twee slagen los te draaien om de druk te ontlasten. Wanneer de druk is gedaald, controleer het niveau en verwijder de dop om bij te vullen. Als de wijzer in het rode gebied blijft, neem contact op met een CITROËN-dealer of een gekwaliceerde werkplaats.
Controleer het koelvloeistofniveau van de motor regelmatig. Zie het betreende hoofdstuk voor meer informatie over het controleren van de niveaus. AdBlue®-actieradiusindicatorenZodra de reservevoorraad van het AdBlue ®-reservoir is aangesproken of een storing in het SCR-systeem is gedetecteerd, verschijnt bij het aanzetten van het contact een indicator die aangeeft hoeveel kilometer u nog ongeveer kunt rijden voordat het opnieuw starten van de motor automatisch wordt geblokkeerd. Als gelijktijdig een storing wordt gedetecteerd en het AdBlue ®-niveau laag is, wordt de laagste actieradius weergegeven. Niet starten van de motor bij een te laag AdBlue®-niveauHet wettelijk verplichte startblokkeringssysteem wordt automatisch geactiveerd zodra het AdBlue ®-reservoir leeg is.
Actieradius groter dan 2400 kmAls het contact wordt aangezet, wordt er geen informatie over de actieradius weergegeven op het instrumentenpaneel. Actieradius tussen 2. 400 en 600 kmWanneer de drempelwaarde van 2.
400 km is bereikt, gaat dit lampje knipperen en wordt er tijdelijk een melding weergegeven met de actieradius in mijl of kilometer voordat het starten van de motor wordt geblokkeerd. Telkens wanneer het contact wordt ingeschakeld, wordt deze waarschuwing samen met een geluidssignaal gegeven. Het minimumniveau is bereikt; vul zo snel mogelijk bij. Actieradius minder dan 600 kmWanneer de drempelwaarde van 600 km is bereikt, gaat dit lampje knipperen en wordt er een melding weergegeven met de actieradius in mijl of kilometer voordat het starten van de motor wordt geblokkeerd. De waarschuwing wordt herhaald met de nieuwe actieradius in stappen van 50 km. Telkens wanneer het contact wordt ingeschakeld, wordt deze waarschuwing samen met een geluidssignaal gegeven. U moet zo snel mogelijk bijvullen, anders is het reservoir straks helemaal leeg. Dan kan de motor niet meer worden gestart.
Storing in verband met een te laag AdBlue®-niveauActieradius bereikt van 0 km: het AdBlue®-reservoir is leeg: het wettelijk verplichte startblokkeringssysteem voorkomt dat de motor opnieuw wordt gestart. Als er geen AdBlue® wordt bijgevuld in het specieke reservoir, kan de motor niet meer worden gestart.
13Instrumentenpaneel1Om de motor te kunnen starten, moet het reservoir met minimaal 4 liter AdBlue® worden gevuld: neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwaliceerde werkplaats of vul zelf het reservoir bij. Raadpleeg de desbetreende rubriek voor meer informatie over AdBlue® (BlueHDi-motoren), in het bijzonder met betrekking tot het bijvullen. Als een storing in het SCR-emissieregelsysteem wordt gedetecteerdDetectieHet verklikkerlampje Zelfdiagnose motor gaat branden. Elke keer dat het contact wordt aangezet, klinkt een geluidssignaal en wordt een melding weergegeven om aan te geven dat er sprake is van een storing in het emissieregelsysteem. Als het een tijdelijke storing betreft, verdwijnt de waarschuwing zodra de uitstoot van schadelijke stoen weer aan de normen voldoet.
Als echter 50 km (30 mijl) zijn afgelegd met permanent brandend verklikkerlampje, wordt de storing bevestigd. Als na deze bevestiging meer dan 400 km (250 mijl) zijn afgelegd, wordt automatisch de startblokkering van de motor geactiveerd. Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een gekwaliceerde werkplaats. Bevestigde storingNaast de hierboven vermelde waarschuwingen wordt de toegestane actieradius in kilometers (mijlen) weergegeven op het instrumentenpaneel. De waarschuwing wordt elke 30 seconden herhaald, waarbij de actieradius wordt bijgewerkt. Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een gekwaliceerde werkplaats. De kans bestaat dat de motor niet meer kan worden gestart. Starten geblokkeerd na 400 km (250 mijl))Bij elke startpoging wordt de waarschuwing geactiveerd en wordt de melding "Starten geblokkeerd" weergegeven.
Om de motor weer te kunnen starten, is het noodzakelijk dat u contact opneemt met het CITROËN-netwerk of een gekwaliceerde werkplaats. Conguratie van het voertuig (MODE)Dit bedieningspaneel biedt toegang tot menu's waarmee bepaalde functies kunnen worden aangepast.
14InstrumentenpaneelBeschikbare talen: Italiaans, Engels, Duits, Frans, Spaans, Portugees, Nederlands, Braziliaans Portugees, Pools, Russisch, Turks en Arabisch.Alle menu's kunnen worden bekeken als het voertuig een audiosysteem heeft.Als het voertuig is uitgerust met een audio- en telematicasysteem op het touchscreen, zijn sommige menu's alleen beschikbaar via het bedieningspaneel van het audiosysteem. Vanwege de veiligheid kunnen sommige menu's alleen worden geopend als het contact is uitgeschakeld. Met de toets MODE kunt u het volgende: – Menu's en submenu's openen; – Uw keuzes binnen een menu bevestigen; – Menu's afsluiten.Als u lang op de toets drukt, gaat u terug naar het beginscherm.Met de toets kunt u het volgende: – Omhoog bladeren binnen een menu; – Een waarde verhogen.Met de toets kunt u het volgende: – Omlaag bladeren binnen een menu; – Een waarde verlagen.Men u ...Druk op...
Submenu... Druk op... Select... Bevestigen en afsluitenHiermee kunt u ...1 Brightness (helderheid) Verhogen De helderheid van het instrumentenpaneel, instrumenten en bedieningen aanpassen (met ingeschakelde parkeerlichten).Verlagen2 Speed beep (snelheidspiep)AAN Verhogen Het geluidssignaal op het moment dat de ingestelde snelheid wordt overschreden activeren/deactiveren en de snelheid instellen.VerlagenOFF3 Headlamp sensor (koplampsensor)Verhogen De gevoeligheid van de helderheidssensor aanpassen (1 tot en met 3), die ook op de koplampen werktVerlagen
16InstrumentenpaneelMen u …Druk op... Submenu... Druk op... Select... Bevestigen en afsluitenHiermee kunt u ...9 Unit (eenheid) Afstand km De eenheid voor weergave van de afstand kiezen.mijlVerbruik km/l De eenheid voor weergave van het gebruik kiezen.l/100kmTemperatuur °C De eenheid voor weergave van de temperatuur kiezen.°FBandenspanning. psi De eenheden voor de weergave van de bandenspanning selecteren.barkPa10 Languages (talen)Lijst met beschikbare talenDe taal voor het display selecteren.11 Volume of announcements (Buzz) (Volume van meldingen (zoemer)) Verhogen Het volume van meldingen of het geluidssignalen voor waarschuwingen verhogen/verlagen.Verlagen
18InstrumentenpaneelMen u …Druk op... Submenu... Druk op... Select... Bevestigen en afsluitenHiermee kunt u ...16 Blind spot (dode hoek)OFF De parameters van het dodehoekbewakingssysteem instellen.VisueelVisueel en geluidssignaalMaxAuto17Active Safety BrakeAAN De functie in-/uitschakelen.OFF18 Exit menu (menu afsluiten)Het menu afsluiten.Met de pijl omlaag gaat u terug naar het eerste menu.
19Instrumentenpaneel1Audio- en telematicasysteem op het touchscreenMet het bedieningspaneel voor het audiosysteem op het midden van het dashboard kunnen menu's worden geopend om bepaalde uitrusting aan te passen. De bijbehorende informatie wordt op het display op het touchscreen weergegeven. De informatie is beschikbaar in 9 talen: Duits, Engels, Spaans, Frans, Italiaans, Nederlands, Pools, Portugees en Turks. Vanwege de veiligheid kunnen sommige menu's alleen worden geopend als het contact is uitgeschakeld. Biedt toegang tot het menu "Settings" (Instellingen). Hiermee kunt u omhoog in een menu bladeren of een waarde verhogen. Hiermee kunt u omlaag in een menu bladeren of een waarde verlagen. Menu "Instellingen" 1. "Weergave" 2. "Gesproken commando's" 3. "Tijd en datum" 4. "Veiligheid/Assistentie" 5. "Verlichting" 6. "Portieren & vergrendeling" 7. "Audio" 8. "Telefoon/Bluetooth" 9.
"Radio-instelling" 10. "Herstel instellingen" om de fabrieksinstellingen te herstellen. 11. "Delete pers. data" (persoonsgegevens wissen) om al uw persoonlijke gegevens met betrekking tot de Bluetooth-apparatuur uit het audiosysteem te wissen. Zie de betreende hoofdstukken voor meer informatie over de audio, telefoon, radio en navigatie. De instellingen in de submenu's , 4 5 6 en zijn afhankelijk van de uitrusting in het voertuig. In het submenu "Display" (Display) kunt u het volgende doen: – "Languages" (Talen) selecteren en een van de hierboven genoemde talen kiezen, – "Unit of Measurement" (Maateenheid) selecteren en het verbruik (mijl/gallon, l/100 km), afstanden (mijl, km) en temperatuur (°F, °C) instellen, – "Trip B display" (Weergave traject B) selecteren om traject B van de boordcomputer in of uit te schakelen (aan, uit).
In het submenu "Safety/Assistance" (Veiligheid/Assistentie) kunt u het volgende doen: – "Parkview Camera" (Parkview-camera) en daarna de "Reversing camera" (Achteruitrijcamera) selecteren om deze in of uit te schakelen (On, O), – "Parkview camera" (Parkview-camera), daarna "Vertraging camera" (Camera delay) selecteren om het display 10 seconden vast te houden of tot 18 km/u in of uit te schakelen) (aan, uit), – "Trac Sign" (Verkeersbord) selecteren om deze in of uit te schakelen (aan, uit), – "Passenger airbag" (Passagiersairbag) selecteren om deze in of uit te schakelen (aan, uit). In het submenu "Lights" (Verlichting) kunt u het volgende doen: – "Daytime running lamps" (Dagrijverlichting) selecteren om deze in of uit te schakelen (aan, uit), – "Auto. main beam headlamps" (Automatisch groot licht) om deze functie in of uit te schakelen (aan, uit),.
20Instrumentenpaneel – "Headlamp sensor" (Koplampsensor) selecteren om de gevoeligheid aan te passen (1, 2, 3). In het submenu "Doors & locking" (Portieren & vergrendeling) kunt u het volgende doen: – "Autoclose" (Automatische sluiten) selecteren om deze functie in of uit te schakelen (aan, uit). Datum en tijd instellenMet het bedieningspaneel MODE ► Druk op de toets "MODE". ► Selecteer het menu "Time setting" (Tijd instellen) om het formaat voor de tijd en datum (24 uur of 12 uur) in te stellen of het menu "Date setting" (Datum instellen) om de dag, maand en jaar in te stellen. Zie het betreende hoofdstuk voor meer informatie over de conguratie van het voertuig (MODE).
Het audio- en telematicasysteem op het touchscreen gebruikenIn het submenu "Clock and Date" (Klok en datum) kunt u: ► "Time setting and format" (Tijd en formaat instellen) selecteren om de uren, minuten en seconden in te stellen en het formaat (24 uur, 12 uur met am of pm) te kiezen. ► "Date setting" (Datum instellen) selecteren om dag, maand en jaar in te stellen. Als u de tijd handmatig wilt instellen, moet "Time Synchro" (Tijd synchroniseren) worden uitgeschakeld (uit). BoordcomputerGeeft informatie over de actuele rit (actieradius, actueel brandstofverbruik, gemiddeld brandstofverbruik enz. ). ► Druk op de toets TRIP op het uiteinde van de ruitenwisserhendel voor toegang tot de informatie van de boordcomputer. ActieradiusDit is de afstand die u nog met de resterende hoeveelheid brandstof kunt aeggen, afhankelijk van het gemiddelde verbruik over de laatste afgelegde kilometers.
Gemiddelde snelheid ADit is de gemiddelde snelheid sinds de laatste keer dat de waarde in de boordcomputer op nul is gezet (met het contact ingeschakeld). Duur rit A Dit is de totale tijd sinds de laatste keer dat de waarde in de boordcomputer op nul is gezet. Als TRIP B is geactiveerd in het menu MODE: – Afstand B – Gemiddeld verbruik B – Gemiddelde snelheid B – Duur rit B TachograafAls uw voertuig is voorzien van dit systeem, dan worden alle gegevens over het voertuig op dit apparaat en op een geplaatste geheugenkaart opgeslagen. Bijvoorbeeld aan het begin van elke rit of schakelen.
21Instrumentenpaneel1Wanneer er een geheugenkaart is geplaatst, dan kunnen alle gegevens: – Op het scherm van de tachograaf worden weergegeven; – Worden afgedrukt; – Via een interface naar externe opslagmedia worden overgebracht. Zie voor meer informatie de documentatie van de fabrikant van de tachograaf.Als uw voertuig is voorzien van een tachograaf, dan raden wij u aan om de minklem (-) van de accu (onder de vloer links in de cabine) los te koppelen wanneer het voertuig langer dan 5 dagen stilstaat.
22Toegang tot de autoLegendaMet de sleutel kunt u de sloten van de auto vergrendelen en ontgrendelen, de tankdop openen en sluiten en de motor starten en afzetten.Afstandsbediening met 2 knoppenCentrale ontgrendelingDruk op deze knop om gelijktijdig alle portieren en deuren van de auto te ontgrendelen.De plafonnier gaat kort branden en de richtingaanwijzers knipperen twee keer.Als u op deze knop drukt, wordt het alarm (indien aanwezig) uitgeschakeld.Het verklikkerlampje van de knop van de centrale vergrendeling op het dashboard gaat uit.Centrale vergrendelingWanneer u op deze knop drukt, kunt u alle portieren/deuren van het voertuig tegelijkertijd vergrendelen.
Als een van de portieren/deuren open is of niet goed is gesloten, dan werkt de centrale vergrendeling niet.De richtingaanwijzers knipperen één keer.Als uw voertuig met een alarm is uitgerust, dan kunt u het alarm inschakelen door op deze knop te drukken.Het controlelampje van de centrale vergrendeling gaat branden en daarna knipperen.Afstandsbediening met 3 knoppenOntgrendelen van de cabineDruk op deze knop om de cabine van uw auto te ontgrendelen.De plafonnier gaat kort branden en de richtingaanwijzers knipperen twee keer.Het verklikkerlampje van de knop van de centrale vergrendeling op het dashboard gaat uit.Ontgrendelen van de laadruimteDruk op deze knop om de schuifdeur en de achterdeuren van de laadruimte te ontgrendelen.De richtingaanwijzers knipperen twee keer.Als u op deze knop drukt, wordt het alarm (indien aanwezig) uitgeschakeld.
23Toegang tot de auto2Centrale vergrendelingWanneer u op de knop drukt, kunt u alle portieren/deuren van uw voertuig, cabine en laadruimte vergrendelen.Als een van de portieren/deuren open is of niet goed is gesloten, dan werkt de centrale vergrendeling niet.De richtingaanwijzers knipperen één keer.Als uw voertuig met een alarm is uitgerust, dan kunt u het alarm inschakelen door op deze knop te drukken.Het controlelampje van de centrale vergrendeling gaat branden en daarna knipperen.De sleutel in-/uitklappen ► Druk op deze knop om de sleutel uit of in te klappen.Wanneer u deze knop niet indrukt, kan de afstandsbediening beschadigd raken.SupervergrendelingDruk twee keer achter elkaar op deze knop om de supervergrendeling in te schakelen.Het is dan niet mogelijk de portieren en deuren van binnenuit of buitenaf te openen.De richtingaanwijzers knipperen drie keer.Schakel nooit de supervergrendeling in als er zich iemand in de auto bevindt.De batterij vervangenReferentie: CR 2032/3 volt.
► Druk op de knop om de sleutel uit te klappen. ► Draai de schroef ( ) met een kleine 1schroevendraaier van het gesloten naar het open hangslot. ► Wrik met de schroevendraaier om de batterijhouder ( ) eruit te halen.2 ► Verwijder de eenheid; vervang de batterij ( ) 3en let daarbij op de polariteit. ► Sluit de batterijhouder ( ) in de sleutel weer 2en vergrendel deze door de schroef ( ) te 1draaien.Wanneer er geen voorgeschreven batterij wordt gebruikt, kan de afstandsbediening beschadigd raken.Gebruik uitsluitend identieke batterijen of batterijen met gelijkwaardige eigenschappen als die van de batterijen die door de CITROËN-dealer worden voorgeschreven. Lever gebruikte batterijen in bij een inzamelpunt.
24Toegang tot de autoOverzicht van de belangrijkste functies van de sleutel Type sleutel De cabine ontgrendelen De portieren vergrendelen De achterdeuren vergrendelen Basissleutel Draai linksom (bestuurderszijde). Draai rechtsom (bestuurderszijde). -Sleutel met afstandsbedieningSignalering Richtingaanwijzers 2 keer knipperen. 1 keer knipperen. 2 keer knipperen.Controlelampje centrale vergrendeling op het dashboard Uit. Vast branden gedurende ongeveer 3 seconden, daarna knipperen.Knippert.Wanneer u de sleutel in het slot van het bestuurdersportier gebruikt, wordt het alarm niet in-/uitgeschakeld.
Vergrendelen/ontgrendelen van binnenuitCabine en laadruimte ► Druk op deze toets om de portieren/deuren en de laadruimte te vergrendelen/ontgrendelen.De deuren kunnen altijd van binnenuit worden geopend.Als een van de portieren/deuren open is of niet goed is gesloten, dan werkt de centrale vergrendeling niet.Het controlelampje: – brandt als de portieren en deuren zijn vergrendeld en het contact is aangezet; – knippert daarna wanneer de portieren en deuren zijn vergrendeld, het voertuig stilstaat en de motor is afgezet.Deze toets werkt niet als het voertuig vanaf de buitenkant is vergrendeld of supervergrendeld (afhankelijk van uitrustingsniveau, met de sleutel of afstandsbediening). Wanneer u rijdt met de portieren/deuren gesloten, is het voor hulpdiensten in een noodgeval lastig om in het voertuig te komen.
25Toegang tot de auto2Laadruimte ► Druk op deze toets om de zijdeur en achterdeuren vanuit de cabine te vergrendelen/ontgrendelen. Het controlelampje blijft branden bij vergrendeling. CarjackbeveiligingNa het wegrijden worden de portieren van de cabine en de deuren van de laadruimte automatisch vergrendeld zodra sneller wordt gereden dan 20 km/h.Zolang er gedurende de rit geen portier wordt geopend, blijven de portieren vergrendeld.De functie inschakelen/uitschakelenDe functie kan worden ingesteld met de toets : kies "AAN"of "UIT" in het MODEmenu "Automatisch sluiten".Zie het betreende hoofdstuk voor meer informatie over de conguratie van het voertuig (MODE).Voorportieren ► Gebruik de betreende toets op de afstandsbediening of gebruik de sleutel in het slot van het bestuurdersportier om te ontgrendelen.
26Toegang tot de auto ► Duw de hendel naar de achterkant om te ontgrendelen en te openen.Open de deur volledig zodat hij open blijft staan; hij wordt dan geblokkeerd door het blokkeersysteem (aan de onderzijde van de deur).Ga niet rijden als de schuifdeur is geopend.SluitenVan buitenaf ► Trek de hendel naar u toe en daarna naar voren.Van binnenuit ► Trek aan de hendel terwijl u de deur open schuift om te ontgrendelen en te sluiten. AchterdeurenAls de auto stilstaat en de achterdeuren worden geopend, wordt de camera geactiveerd en stuurt deze zijn beelden naar het scherm in de cabine.OpenenVan buitenaf ► Trek de hendel naar u toe en trek daarna aan de hendel om de linkerdeur te openen.De twee deuren openen tot 96°.Van binnenuit ► Trek de hendel op het deurpaneel naar u toe en duw er daarna op om de rechterdeur te open.
► Duw op de handgreep om de linkerdeur te openen.Ga niet rijden als de achterdeur is geopend.Openen tot 180°Als uw voertuig is voorzien van een deurvangersysteem, dan kan de opening worden vergroot van 96° naar 180°.
27Toegang tot de auto2 ► Druk op de toets op het deurpaneel om de hoek van de deur te vergroten. Bij het sluiten komt de deurvanger automatisch in zijn oorspronkelijke stand terug. Sluiten ► Bij het sluiten moet eerst de linkerdeur en vervolgens de rechterdeur worden gesloten. AlarmDit systeem (afhankelijk van de uitvoering) beveiligt uw auto tegen inbraak en diefstal. Het systeem bestaat uit de volgende typen beveiliging:- Uitwendige beveiligingDit systeem biedt een omtrekbeveiliging, dankzij sensoren op de portieren, deuren en motorkap en op de elektrische voeding,- WegsleepbeveiligingDit systeem treedt in werking als er veranderingen in de positie van de auto worden waargenomen. Activering ► Zet het contact af en verlaat het voertuig. ► Druk op deze toets van de afstandsbediening. De beveiliging is na een paar seconden actief.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Citroën Jumper (2020) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Citroën
Alle Citroën Auto handleidingen