Bosch AGS 50 Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van Bosch AGS 50 (28 pagina’s), behorend tot de categorie Verwarming. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 50 mensen en kreeg gemiddeld 4.4 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Bosch AGS 50 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/28
7747006489.00-1.SD
Zonnestation
AGS 5 ... AGS 50
nlInstallatie- en onderhoudshandleiding
voor de installateur
6 720 615 260 NL (2008/02) OSW

Beoordeel deze handleiding

4.4/5 (4 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Bosch
Categorie: Verwarming
Model: AGS 50

Handleiding Bosch AGS 50 – volledige tekst

3 Voordruk van het expansievat aanpassen 125. 6 Leidingen en overloopleiding op het zonnestation aansluiten 135. 7 Temperatuursensor monteren 135. 7. 1 Collectortemperatuursensor 135. 7. 2 Boilertemperatuursensor 136 Inbedrijfstelling 146. 1 Gebruik van solarvloeistof 146. 2 Spoelen en vullen met de solar-vulpomp (persvulling) 146. 2. 1 Technische gegevens 156. 2. 2 Speciale hydraulica 156. 2. 3 Filter monteren (accessoire) 156. 2. 4 Solarvulpomp op het zonnesysteem aansluiten 166. 2. 5 Voorbereidende werkzaamheden uitvoeren 166. 2. 6 Zonnesysteem luchtvrij spoelen 176. 2. 7 Het vullen afsluiten en bedrijfsdruk instellen 176. 2. 8 Controleer of het zonnesysteem vrij is van lucht 186. 2. 9 Solarvulpomp demonteren 186. 2. 10 Solarvulpomp reinigen 196. 3 Spoelen en vullen met handpomp (ontluchting op het dak) 196. 3. 1 Leidingen spoelen 196. 3. 2 Drukproef met water uitvoeren 206. 3.

Veiligheidsaanwijzingen en toelichting van de symbolen | 3NL6 720 615 260 (2008/02)Copyright (optional information)1 Veiligheidsaanwijzingen en toelichting van de symbolen1. 1 Algemene veiligheidsinstructiesMet betrekking tot deze handleidingDit voorschrift bevat belangrijke informatie betreffende een veilige en vakkundige montage en onderhoud van het zonnestation. Deze handleiding is bestemd voor de vakman. De afbeeldingen in dit voorschrift tonen een 2-weg zon-nestation met externe regelaar. BDeze handleiding aan de klant geven. Geef de klant de nodige uitleg over de werking en bediening van het apparaat. Neem deze aanwijzingen in achtBLees deze handleiding zorgvuldig door. BHoudt de veiligheidsinstructies aan om persoonlijk letsel en materiële schade te voorkomen.

BAlle werkzaamheden, waarvoor het zonnestation moet worden geopend, mogen uitsluitend door een erkend installateur worden uitgevoerd. BDe elektrische aansluiting mag uitsluitend door een erkende installateur worden uitgevoerd. BMaak het Zonnestation spanningsloos door de netvoe-dings-stekker uit de wandcontactdoos te nemen. BOm de taptemperatuur tot max. 60 °C te kunnen begrenzen: thermostatisch mengventiel inbouwen. BVoer geen veranderingen uit aan de constructie. BGebruik alleen materialen, die tegen de mogelijke temperaturen tot maximaal 150 °C bestand zijn. BSpoel en vul het zonnesysteem alleen dan, wanneer de zon niet op de collectoren schijnt en er geen vorst (bij spoelen met water) wordt verwacht. 1. 2 Verklaring symbolenSignaalwoorden geven de ernst aan van het gevaar dat kan optreden als de voorschriften niet worden opge-volgd.

Aanwijzingen: betekent belangrijke informatie welke in die gevallen geen gevaar voor mens of toestel oplevert. Veiligheidsaanwijzingen in de tekst worden door middel van een grijs vlak en een geva-rendriehoek aangeduid. Aanwijzingen in de tekst met hiernaast aan-gegeven symbool worden begrensd met een lijn boven en onder de tekst.

4 | Gegevens betreffende het toestel NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)2 Gegevens betreffende het toestel2.1 EG-conformiteitsverklaringDit product voldoet qua constructie en werking aan de van toepassing zijnde Europese richtlijnen alsmede aan eventueel aanvullende nationale eisen. De overeenstem-ming is aangetoond. 2.2 Voorgeschreven toepassingDe zonnestations AGS mogen alleen voor bedrijf van zonnesystemen in combinatie met geschikte regelaars van de leverancier worden gebruikt. De zonnestations AGS mogen uitsluitend worden gebruikt bij zonnesystemen met propyleenglycol-meng-sel (Tyfocor L of Tyfocor LS). Er mag geen andere medium gebruikt worden.2.3 LeveringsomvangAfb.

1 Verpakkingseenheid - zonnestation met regelaar1Zonnestation (1- of 2-weg zonnestation met/zonder rege-laar)2Veiligheidsgroep (veiligheidsventiel, manometer, vul- en aftapkraan)bovendienBevestigingsmateriaal (niet weergegeven)2.4 ProductbeschrijvingAfb. 2 Zonnestations zonder isolatiedeel op het front en zonder geïntegreerde regelaar1Kogelkraan met thermometer (rood = aanvoer1), blauw = retour) en geïntegreerde terugslagklep:- 0°=terugslagklep bedrijfsgereed,- 45°=terugslagklep handmatig open2Knelkoppeling3Veiligheidsklep4Manometer5Aansluiting voor expansievat6Vul- en aftapkraan7Zonnepomp8Doorstromingsindicatie9Luchtafscheider1)10 Regel-/afsluitklep7747006489.04-1.SD12Bij het gebruik van de AGS 50 is naast de ontluchting in het station een automatische ontluchting per collectorveld nodig.1) Niet bij 1-weg zonnestations7747006489.01-1.SD1222345676829113456728261010

8 | Leidingen installeren NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)4 Leidingen installeren4.1 Algemeen over het leidingwerkDe collectoren, het zonnestation en de zonneboiler wor-den met elkaar verbonden door leidingen.BLeg de leidingen stijgend van de boiler naar de collec-tor om luchtinsluitingen te voorkomen.Afb. 4 Leidingwerk van het zonnesysteem1Leiding naar collectortemperatuursensor2Collectoren3Zonnestation4ZonneboilerVerbinding van de leidingenBDe koperen leidingen bij zonnesystemen alleen hard-solderen.Als alternatief voor het solderen, kunt u ook met knel-koppelingen of met persfittingen werken, mits die gly-col- en temperatuurbestendig (150 °C) zijn.Voorzichtig: Schade aan de installatie door gebruik kunststof leidingen (bijv. PE-buis)!BGebruik alleen materialen die bestand zijn tegen de temperaturen, max.

150 °C die optreden in zonnesystemen.7747006489-05.1SD2314Voorzichtig: Schade aan de installatie door hitteontwikkeling bij het hard solderen.BSoldeer nooit in de buurt van vacüum-buiscollectoren.Het verdient aanbeveling de leidingen via een leidingnetberekening te dimensioneren. Tabel 4 maakt een geschatte dimensione-ring mogelijk. BIn het geval dat er veel extra weerstanden zijn (bochten, armaturen enz.) moet eventueel een leiding met een grote dia-meter worden gekozen.enkelvou-dige lei-dinglengteAantal collectorenmax. 5 max. 10 max. 15 max. 20 max. 6 m Dubbele pijp 15 Ø 15 mm (DN12)Ø 18 mm (DN15)Ø 22 mm (DN20)Ø 22 mm (DN20)max. 10 m Dubbele pijp 15 Ø 15 mm (DN12)Ø 22 mm (DN20)Ø 22 mm (DN20)Ø 28 mm (DN25)max. 15 m Dubbele pijp 15 Ø 15 mm (DN12)Ø 22 mm (DN20)Ø 28 mm (DN25)Ø 28 mm (DN25)max. 20 m Ø 18 mm (DN15)Ø 22 mm (DN20)Ø 28 mm (DN25)Ø 28 mm (DN25)max.

Leidingen installeren | 9NL6 720 615 260 (2008/02)Copyright (optional information)4.2 Leiding leggenLeidingen aardenDe werkzaamheden moeten door een erkende installa-teur worden uitgevoerd.BBreng een aardklem aan op de aanvoer- en retourlei-ding (willekeurige positie).BAardklemmen via potentiaalvereffeningskabel (mini-maal 6 mm2) op de potentiaalvereffening van het gebouw aansluiten.Leidingen leggen bij gebruik van een automatische ont-luchting op het dak (accessoire)BLeidingen stijgend naar de ontluchting leggen. Bij iedere richtingsverandering naar beneden toe is een extra ontluchting nodig (temperatuurbestendig-heid (150 °C).Afb.

10 | Zonnestation installeren NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)5 Zonnestation installeren5.1 Plaatsing in opstellingsruimteBOm de temperatuursensor gemakkelijker te kunnen aansluiten moet het zonnestation (2) in de directe nabijheid van de zonneboiler (1) worden gemonteerd.BZorg voor voldoende ruimte voor het expansievat (3) en het opvangvat (4).Afb. 6 Aanbevolen opstelling (maten in mm)1Zonneboiler2Zonnestation3Expansievat4Opvangvat5.2 Zonnestation bevestigen1-weg zonnestation BGat (2) boren en zonnestation met meegeleverde plug en schroef bevestigen. 2-weg zonnestation BOp een afstand van 60 mm gaten (1) boren en zonne-station met meegeleverde pluggen en schroeven bevestigen. Afb.

7 Montage station1Bevestiging bij 2-weg zonnestation2Bevestiging bij 1-weg zonnestation5.3 Elektrische aansluitingDe elektrische aansluiting moet door een erkende instal-lateur worden uitgevoerd rekening houdend met de lokale voorschriften.BDe kabels van de pompen en temperatuursensorn conform de montagehandleiding van de regelaar op de regelaar aansluiten. Voorzichtig: Beschadiging van het zonne-station door warmtestuwing!BZorg ervoor, dat de ventilatiegleuven bo-venaan en onderaan in de isolatie geo-pend zijn. 7747006489.07.1.SDVoorzichtig: Schade aan de pomp!BLet erop dat de pomp pas in bedrijf wordt genomen, wanneer het leidingsys-teem is gevuld. Anders kan de pomp be-schadigd raken.10 mm8 mm10 mm7747006489.08-1.SD7747006489.08-1.SD260 mm

8 Veiligheidsgroep monteren1Afdichting (21×30×2)5.5 Expansievat en voorschakelvat aan-sluiten5.5.1 Voorschakelvat bij vacuümcollectoren monte-ren (accessoire)Bij vacuümcollectoren is een voorschakelvat nodig, wan-neer:•de installatie voor verwarmingsondersteuning is bedoeld.•bij installaties voor drinkwateropwarming de dek-kingsgraad meer dan 60 % bedraagt.Het voorschakelvat beschermt het expansievat voor ontoelaatbaar hoge temperaturen.Bij 1-weg zonnestation BVeiligheidsgroep links monteren.17747006489.13-1.SDHet voorschakelvat (indien aanwezig) en het expansievat evenals de aangesloten leidin-gen tot aan de veiligheidsgroep mogen niet geïsoleerd worden.5 liter 12 literHoogte 270 mm 270 mmDiameter 160 mm 270 mmAansluiting 2 x R ¾" 2 x R ¾"Max. bedrijfsdruk 10 bar 10 barTabel 5 Technische gegevens voorschakelvat

12 | Zonnestation installeren NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)Voorschakelvat aansluitenWanneer de leiding naar het expansievat stijgend moet worden gelegd, dan moet een extra ontluchting worden ingebouwd.BTer bescherming van het veiligheidsventiel tegen te hoge temperaturen: voorschakel- en expansievat met een T-stuk (G¾ A buiten met vlakke pakking) 20 tot 30 cm boven het zonnestation in de retour installeren.BBevestig de leidingen van en naar het voorschakelvat met leidingbeugels (4). Het voorschakelvat moet in verticale positie gemonteerd worden.BExpansievat (5) met een koperen leiding op het voor-schakelvat aansluiten.BAansluiting op veiligheidsventiel met dop ¾" (2) lokaal afsluiten.Afb.

9 Montage van het voorschakelvat1RVS-ribbelslang uit aansluitset voor het expansievat (acces-soire)2Blindstop op aansluiting van de veiligheidsgroep (niet mee-geleverd)3Voorschakelvat4Leidingbeugel5Expansievat5.5.2 Expansievat (accessoire) monterenBExpansievat met bijbehorend bevestigingsmateriaal monteren.BExpansievat (3) in de retour op de veiligheidsgroep van het zonnestation aansluiten.Afb.

10 Expansievat aansluiten1Veiligheidsklep2RVS-ribbelslang uit aansluitset voor het expansievat (acces-soire)3Expansievat5.5.3 Voordruk van het expansievat aanpassenBStel de voordruk in wanneer het vat onbelast is (zon-der vloeistofdruk), om het maximum bruikbare volume ter beschikking te stellen.BWanneer de berekende voordruk hoger of lager is dan de in de fabriek ingestelde voordruk moet u de voor-druk overeenkomstig corrigeren.1234520-30 cm20-30 cm7747006489.14-1.SD7747006489.14-1.SDDe voordruk van het expansievat wordt be-rekend op basis van de statische installatie-hoogte plus 0,4 bar (1 meter hoogteverschil komt overeen met 0,1 bar). 7747006489.16-1.SD123

Zonnestation installeren | 13NL6 720 615 260 (2008/02)Copyright (optional information)5.6 Leidingen en overloopleiding op het zonnestation aansluiten BKort de leidingen zodanig in, dat deze tot aan de aan-slag in de klemringkoppeling (1) kunnen worden geschoven.BOverstortleiding (2) zichtbaar in het opvangvat (4) laten uitmonden en vastzetten met een leidingbeugel (3).Afb. 11 Aansluiting op het zonnestation1Knelkoppeling2Overstortleiding (niet meegeleverd)3Leidingbeugel4Leeg vat (opvangvat)Monteer de vul- en aftapkraan.BMonteer in de retourleiding op het laagste punt van het zonnesysteem een inrichting voor het aftappen van het zonnesysteem (T-stuk met vul- en aftapkraan Æ afb. 12, (4)).5.7 Temperatuursensor monterenDe elektrische aansluiting moet uitgevoerd worden door een geautoriseerde vakman.De temperatuursensoren zijn beveiligd tegen ompolen.

5.7.1 CollectortemperatuursensorGebruik een waterdichte aansluitdoos wanneer de kabel van de collectortemperatuursensor op een vochtgevaar-lijke locatie moet worden aangesloten. BVerleng de sensorkabel met een tweeaderige kabel (3).BBescherm de verbindingen (2) boven en onder even-tueel met een aansluitdoos. Afb. 12 Collector- en boilertemperatuursensor op zonne-station met geïntegreerde regelaar1Collectortemperatuursensor2Verbinding3Tweeaderige kabel (2 x 0,75 mm2 tot max.

lengte 50 m, niet meegeleverd)4Vul- en aftapkraan voor aftappen (niet meegeleverd)5Boilertemperatuursensor5.7.2 BoilertemperatuursensorDe montageinstructies en -gegevens kunt u in de instal-latiehandleidingen voor boiler en regelaar vinden.Gevaar: Persoonlijke letsel en schade aan de installatie door verkeerd gemonteerde overstortleiding!BVoer de overstortleiding uit in de afmetin-gen van de uitlaat van het overstort (max. lengte = 2 m en max. 2 bochten).7747006489.17-1.SD7747006489.17-1.SD1311 4127747006489-19.1SD1325 24

14 | Inbedrijfstelling NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)6 Inbedrijfstelling6. 1 Gebruik van solarvloeistofDe solarvloeistof is gebruiksklaar gemengd. Zo wordt er een veilige werking gegarandeerd binnen het aangege-ven temperatuurbereik, is de installatie beschermd tegen vorst en wordt er een hoge bescherming tegen ver-damping geboden. De vloeistof is biologisch afbreekbaar. Een veiligheids-specificatieblad met meer informatie over de solarvloei-stof kan bij de leverancier worden aangevraagd. De collectoren mogen enkel met solarvloeistof gevuld worden. 6. 2 Spoelen en vullen met de solar-vul-pomp (persvulling)De solarvulpomp genereert tijdens het vullen met solar-vloeistof een zo hoge stroomsnelheid, dat de lucht die zich in de installatie bevindt in het vat wordt gedrukt (geen ontluchter op het dak nodig).

Restlucht, die zich nog in de solarvloeistof bevindt, wordt via de ontluchting van het solarstation afgeschei-den. Afb. 13 Solarvulpomp1Aansluiting 1"2Inhoudsindicatie (6-25 liter)3Uitneembaar vat4Kogelkraan in aanzuigleiding5Aansluiting (¾") voor persslang6Solarvulpomp7Bedrijfsschakelaar solarvulpomp8Vul- en aftapkraan voor legen van de pomp9Opvangbak10 Retourslang ¾"11 Perslang ½"12 AanzuigslangVoorzichtig: Schade aan de installatie door bevroren water of door verdamping in de zonnecircuit. BSpoel en vul het zonnesysteem alleen dan, wanneer de zon niet op de collecto-ren schijnt en er geen vorst (bij spoelen met water) wordt verwacht. Houdt bij het vullen van de solarvloeistof re-kening met het extra volume van het voor-schakelvat (mits geïnstalleerd). Het voorschakelvat en het expansievat moe-ten voldoende worden ontlucht.

Inbedrijfstelling | 15NL6 720 615 260 (2008/02)Copyright (optional information)6.2.1 Technische gegevens6.2.2 Speciale hydraulica•Bij parallel geschakelde collectorvelden moet ieder afzonderlijk collectorveld worden gespoeld. Hiervoor in de aanvoerleidingen glycol- en temperatuurbesten-dige afsluitarmaturen monteren.•Bij installaties met twee collectorvelden (b.v. oost/west) moet ieder afzonderlijk veld via de eigen retour worden gespoeld.•Bij installaties met twee boilers, die via twee pompen worden bediend, moet iedere afzonderlijke verbruiker via de eigen retour worden gespoeld. •Bij installaties met twee boilers, die via één pomp en één omschakelventiel worden bediend, moet iedere afzonderlijke verbruiker opeenvolgend worden gespoeld.

Hiervoor het omschakelventiel overeen-komstig schakelen6.2.3 Filter monteren (accessoire)Om nog beter te waarborgen dat er geen grove vuildeel-tjes in de solarvulpomp terecht komen, kan een filter worden gemonteerd. BBuisklem (2) op het gat van de solarvulpomp bevesti-gen.BFilter (1) op de buisklem monteren. Daarbij moet de bediening van de kogelkraan aan de voorzijde moge-lijk zijn. BMeegeleverde slang (3) tussen het filter en de boven-ste containeraansluiting monteren.BRetourslang ¾" (4) tussen het filter en de door-stroombegrenzer van het zonnestation monteren.Afb. 14 Filter op de solarvulpomp monteren.1Filter2leidingklem3Slang naar filter4Retourslang ¾"5Perslang ½"Solarvulpomp Netspanning V 230Frequentie Hz 50 - 60Max. vermogensopname W 775Toegestane mediumtempera-tuur voor pomp°C 0 - 55Toegestaan bedrijfsmedium Water, propyleen-glycol-watermeng-sel max.

16 | Inbedrijfstelling NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)6.2.4 Solarvulpomp op het zonnesysteem aansluiten BSluit de persslang ½" met het T-stuk (1) op de vul- en aftapkraan van de veiligheidsgroep en op de pomp (4) aan.BSluit de retourslang ¾" met kogelkraan tussen door-stroombegrenzer (2) en container boven (3) aan.Afb. 15 Pers- en retourslang aansluiten1Persslang2Retourslang3Container boven4Aansluiting op pomp6.2.5 Voorbereidende werkzaamheden uitvoerenBVul- en aftapkraan (2) op de pomp sluitenBVoldoende solarvloeistof in de container van de solar-vulpomp vullen.Naast het installatievolume is hier ca. 10 liter nodig voor de pomp, de slangen, enz.

BOm de pomp met solarvloeistof te vullen: open de kogelkraan op de aanzuigslang (3) van de pomp en de vul- en aftapkraan (1) in de aftakking van het T-stuk.BSluit de vul- en aftapkraan (1) op het T-stuk, wanneer de pomp is volgelopen.Afb. 161Vul- en aftapkraan op de aftakking van het T-stuk van de pers-slang2Vul- en aftapkraan op de pomp3Vul- en aftapkraan op de aanzuigslangBSluit de rechter kogelkraan (5) van het zonnestation en open de linker kogelkraan (6) helemaal. BDoorstroombegrenzer (3) met inbussleutel SW4 geheel openen.BOpen de vul- en aftapkraan op de veiligheidsgroep (1), op het uiteinde van de persslang (2) en op de doorstroombegrenzer (4).Afb.

Inbedrijfstelling | 17NL6 720 615 260 (2008/02)Copyright (optional information)6. 2. 6 Zonnesysteem luchtvrij spoelenBPomp inschakelen (Æ afb. 18, (3)). BSpoel de leidingen ca. 10 minuten, tot de solarvloei-stof (2) in de slangen en in de container vrij is van luchtbellen. BTijdens het spoelen de vul- en aftapkraan meerdere malen kortstondig smoren en daarna snel geheel ope-nen, om opgehoopte lucht in de leiding los te maken. BHet bypass-traject via de doorstroombegrenzer door tijdelijk schuin draaien van de rechter kogelkraan (45°, terugslagklep handmatig open) luchtvrij spoelen (1). BDrukproef uitvoeren - daarbij moet er rekening gehou-den worden met de toegestane druk voor alle compo-nenten. Afb. 18 Pomp inschakelen en de afwezigheid van lucht controleren1Rechter kogelkraan en terugslagklep op rechter thermome-ter geopend (45°-stand)2Solarvloeistof3Pomp ingeschakeld6. 2.

7 Het vullen afsluiten en bedrijfsdruk instellenBij de inbedrijfstelling moet de bedrijfsdruk 0,7 bar hoger liggen dan de statische druk (1 meter hoogtever-schil komt overeen met 0,1 bar). Voorbeeld: 10 m statische hoogte komt overeen met 1,0 bar plus 0,7 bar = 1,7 bar bedrijfsdruk. BSluit de vul- en aftapkraan op de veiligheidsgroep (2), op de doorstroombegrenzer (4) en op de retourslang (3). BNa het inschakelen van de pomp: vul- en aftapkraan (2) op de veiligheidsgroep langzaam openen, tot de benodigde bedrijfsdruk is bereikt. BPomp uitschakelen. BKogelkraan (1) op de thermometer op 0° instellen (terugslagklep bedrijfsgereed). BZonnepomp op de hoogste snelheid instellen en mini-maal 15 minuten laten draaien, zodat de nog reste-rende lucht zich in de luchtafscheider kan verzamelen. BLuchtafscheider (5) ontluchten en evt. de bedrijfs-druk corrigeren. Afb.

18 | Inbedrijfstelling NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)6.2.8 Controleer of het zonnesysteem vrij is van luchtBZonnepomp(en) handmatig in- en uitschakelen. BControleer tijdens het schakelen de zwarte wijzer van de manometer (1) op de veiligheidsgroep.Afb. 20 Manometeraanwijzing controleren1Manometer6.2.9 Solarvulpomp demonterenBVul- en aftapkraan (2) op de aftakking van het T-stuk van de persslang openen. BVoor het legen van de solarvulpomp de kogelkraan (4) op de aanzuigslang sluiten. BVul- en aftapkraan (5) van de pomp openen en de persslang leeg laten lopen (in opvangbak).BVul- en aftapkraan (5) sluitenBSluit beide vul- en aftapkranen (1, 2) op het T-stuk van de persslang en demonteer de persslang.BSluit de vul- en aftapkraan (6) op de doorstroombe-grenzer en maak de retourslang los. BRetourslang (3) leeg laten lopen en van de container afschroeven. Afb.

21 Slang legen en solarvulpomp demonteren1Vul- en aftapkraan op de persslang2Vul- en aftapkraan op de aftakking van het T-stuk van de pers-slang3Retourslang4Kogelkraan op aanzuigslang5Vul- en aftapkraan van de pomp6Vul- en aftapkraan op de doorstroombegrenzerBResterende solarvloeistof in het vat opvangen. BDe lege container weer in de solarvulpomp plaatsen en de retour- en persslang monteren.Wanneer de zwarte wijzer van de manometer (1) bij het in- en uitschakelen van de zonne-pomp drukvariaties aangeeft, dan moet het zonnesysteem verder worden ontlucht.7747006489.33-1.SD1Laat de solarvloeistof in een opvangbak lo-pen, om deze daarna in de container van de solarvulpomp of in een vat op te slaan.7747006489.34-1.SD213456

Inbedrijfstelling | 19NL6 720 615 260 (2008/02)Copyright (optional information)6.2.10 Solarvulpomp reinigenOm de pomp, slangen en container tegen slijtage te beschermen, moeten deze worden gereinigd.BRetourslang op waterkraan aansluiten en de container vullen met ca 25 liter water.BPersslang uit laten lopen in een afvoer.BOpen de kogelkraan op de aanzuigslang (Æafb. 22, (1)) en wacht tot de pomp is volgelopen. BSchakel de pomp in om de onderdelen te reinigen.BSchakel de pomp uit, wanneer het niveau "Min." is bereikt. BNetstekker losmaken en de pomp via de vul- en aftap-kraan (2) leeg laten lopen.Afb.

22 Pomp en container reinigen1Kogelkraan op aanzuigslang2Vul- en aftapkraan van de pompBContainer afzonderlijk reinigen.6.3 Spoelen en vullen met handpomp (ont-luchting op het dak)6.3.1 Leidingen spoelenBSluit op de vul- en aftapkraan van de veiligheidsgroep een slang (1) aan, die verbonden is met het waterlei-dingnet.BOp de vul- en aftapkraan van de doorstroombegrenzer een slang (2) aansluiten, die het water afvoert.Afb. 23 Solarstation met kogelkranen en terugslagkleppen in de thermometers 1Slang voor watertoevoer2Slang voor waterafvoerBAlle afsluiters openen. BSluit de rechter kogelkraan (2) op het solarstation en de kogelkraan op de ontluchter (Æ fig. 25, (3)).

BSpoel het leidingsysteem en waarborg daarbij, dat de maximale bedrijfsdruk hierbij niet wordt overschre-den.BWatertoevoer sluiten.Voorzichtig: Vorstschade!BLet erop dat er geen water in de pomp achterblijft.7747006489.35-1.SD12Voorzichtig: Schade aan de collector!BBij vacuümbuiscollectoren uitsluitend met persvulling (par. 6.2) werken, omdat de collectoren niet met water gevuld mo-gen worden.Wanneer een voorschakelvat is gemonteerd:Bvoorschakelvat tijdens de spoeling van het zonnecircuit losgekoppelen, zodat het eventueel in het voorschakelvat resteren-de water zich niet met de solarvloeistof kan vermengen.7747006489-21.1SD21

20 | Inbedrijfstelling NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)BVul- en aftapkraan (3) in het zonnestation sluiten.Afb. 241Linker kogelkraan geheel geopend (0°)2Rechter kogelkraan gesloten (90°)3Vul- en aftapkraan in het zonnestation6.3.2 Drukproef met water uitvoerenHet zonnesysteem wordt ontlucht via de geopende afsluitschroef (2) van de automatische ontluchting. Om te waarborgen dat tijdens normaal bedrijf geen vocht de ontluchting binnen kan dringen, moet de weerbescherm-kap (1) altijd op de afsluitschroef zijn geplaatst.BKogelkraan (3) openen.BAfsluitschroef (2) een slag uitdraaien.Afb. 25 Ontluchting openen1Beschermkapje (weersomstandigheden)2Afsluitschroef3KogelkraanBKogelkraan (1) op de thermometers op 45° instellen en de doorstroombegrenzer (2) en andere afsluitin-richtingen openen.Afb.

26 Geopende afsluitinrichtingen1Kogelkraan en terugslagklep op thermometer geopend(45°-stand)2Doorstroombegrenzer geopendBDrukproef uitvoeren - daarbij moet er rekening gehou-den worden met de toegestane druk voor alle compo-nenten.BNa de drukproef het water aflaten en de automatische ontluchting reinigen.6.3.3 Water vervangen door solarvloeistofVoor het vullen kunt u gebruik maken van elektrische pompen, handpompen of boormachinepompen, die ten-minste een druk van 2 bar kunnen genereren.BVul het zonnesysteem met behulp van een pomp via een van de vul- en aftapkranen (1) in het zonnestation.Afb. 27 Vullen via vul- en aftapkraan1Vul- en aftapkranen7747006489.20-1.SD7747006489.20-1.SD332004060°C 80100120122004060°C 801001207747006489-22.1SD213De leidingen moeten volledig worden ge-leegd, omdat er anders vermenging met de solarvloeistof optreedt.

Inbedrijfstelling | 21NL6 720 615 260 (2008/02)Copyright (optional information)BKogelkraan (Æ fig. 26, (1)) op de thermometers op 45° instellen en de doorstroombegrenzer (Æ fig. 26, (2)) en andere afsluitinrichtingen openen. BZorg ervoor, dat het zonnesysteem langzaam gevuld wordt, zodat er zich geen luchtbellen kunnen vormen. BDaarna de kogelkranen op de thermometers zodanig instellen, dat de terugslagkleppen bedrijfsgereed zijn (0°-stand). 6. 3. 4 Controleer of het zonnesysteem vrij is van luchtBZonnepomp(en) handmatig in- en uitschakelen. BControleer tijdens het schakelen de zwarte wijzer van de manometer (1) op de veiligheidsgroep. Afb. 28 Manometeraanwijzing controleren1Manometer6. 3. 5 Bedrijfsdruk bepalenBij de inbedrijfstelling moet de bedrijfsdruk 0,7 bar hoger liggen dan de statische druk (1 meter hoogtever-schil komt overeen met 0,1 bar).

Voorbeeld: 10 m statische hoogte komt overeen met 1,0 bar plus 0,7 bar = 1,7 bar bedrijfsdruk. BBij ontbrekende druk solarvloeistof bijpompen. BNa het beëindigen van de ontluchting moet de kogel-kraan van de ontluchter gesloten worden. Alleen bij een gesloten ontluchting zal bij de verdamping van solarvloeistof in de collector de druk via het expan-sievat gecompenseerd worden. 6. 3. 6 Vorstbeschermingstemperatuur bepalenOm de vorstbeschermingstemperatuur te bepalen, ver-dient het aanbeveling bij de eerste inbedrijfname de vorstbeveiliging van de solarvloeistof te controleren met een vorstbeveiligingsmeetinstrument (Glykomat of refractometer). De meting moet met regelmatige tussen-pozen worden herhaald (minimaal iedere twee jaar). De gewone uitvoeringen voor de CFK-koelvloeistof zijn hiervoor niet geschikt. Een geschikt instrument kan afzonderlijk besteld worden.

Bij gebruik van de installatie met Tyfocor LSWanneer het zonnesysteem met Tyfocor LS wordt gebruikt, moet de waarde aan de hand van tabel 7 wor-den omgerekend. 6. 3.

7 Vorstbescherming corrigerenWanneer de minimale vorstbescherming niet wordt gehaald, dan moet solarvloeistofconcentraat worden bij-gevuld. BBepaal het installatievolume met behulp van de tabel 8, om het precieze volume te bepalen (komt overeen met de hoeveelheid vloeistof die eerst moet worden afgetapt). Wanneer de zwarte wijzer van de manometer (1) bij het in- en uitschakelen van de zonne-pomp drukvariaties aangeeft, dan moet het zonnesysteem verder worden ontlucht. 7747006489. 33-1.

•Wanneer de zonnepomp toerentalgeregeld wordt gebruikt, bepaalt de regelaar afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden de doorstroomhoeveelheid. •Wanneer de regelaar niet met een toerentalregeling is uitgerust of wanneer deze is uitgeschakeld, dan moet de doorstroomhoeveelheid op een vaste volu-mestroom worden ingesteld. BKogelkraan (1) op 0° instellen (terugslagklep bedrijfs-gereed). BDoorstroombegrenzer (2) met inbussleutel SW4 geheel openen. BOp de regelaar de bedrijfsstand "handbedrijf AAN" kiezen (Æ handleiding regelaar). Afb. 301Terugslagklep bedrijfsgereed2Instelschroef op de doorstroombegrenzer3Afleeszijde voor de doorstroomhoeveelheid4Pompschakelaar op de zonnepompBBenodigde doorstroomhoeveelheid uit tabel 9 afle-zen. BIn het venster van de doorstroombegrenzer de door-stroomhoeveelheid controleren (Æ fig. 30, (3)).

Inbedrijfstelling | 23NL6 720 615 260 (2008/02)Copyright (optional information)BStel als voorinstelling van de doorstroomhoeveelheid de stappenschakelaar van de zonnepomp (Æfig. 30, (4)) zodanig in, dat de benodigde doorstroomhoe-veelheid bij de zo laag mogelijke pompstand wordt bereikt.Toerentalgeregelde zonnepompBKies op de regelaar de bedrijfsstand "Auto". De door-stroomhoeveelheid wordt afhankelijk van de bedrijf-stoestand via het toerental van de zonnepomp geregeld. Niet toerentalgeregelde zonnepompBSluit de instelschroef van de doorstroombegrenzer (Æ fig. 30, (2)) zover tot in het venster de rand van de vlotter (Æ fig. 30, (3)) de aanbevolen doorstroomhoe-veelheid aanwijst.Na de inbedrijfnameDoor de viscositeit van de solarvloeistof wordt de lucht wezenlijk sterker vastgehouden dan in schoon water.

BZonnesysteem via luchtafscheider in het zonnestation en via de ontluchter op het dak (indien aanwezig) na een aantal uren bedrijf van de zonnepomp ontluchten.

24 | Inbedrijfname-, inspectie- en onderhoudsprotocol NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)7 Inbedrijfname-, inspectie- en onderhoudsprotocolHet verdient aanbeveling na ca. 500 bedrijfsuren de eer-ste inspectie of onderhoud uit te voeren, daarna met een interval van 2 – 3 jaar. BProtocol invullen en de uitgevoerde werkzaamheden afvinken. Gebruiker: Plaats:Tabel 10Inbedrijfname-, inspectie- en onderhoudswerkzaamheden PaginaInbedrijf-stellingInspectie/Onderhoud1. 2. 3. Datum:Algemene inbedrijfstelling1. Aanvoer- en retourleidingen geïnstalleerd en geaard. 9– – –2. Druktest uitgevoerd. 17, 20 – – –3. Ontluchter gesloten. 21 – – –4. Voordruk van het expansievat gecontroleerd. 12 ______ bar – – –5. Luchtophopingen in het zonnesysteem gecheckt. 18 – – –6. pH-waarde van de solarvloeistof gecontroleerd.

26 | Storingen NLCopyright (optional information)6 720 615 260 (2008/02)8 StoringenInformatie over storingen vindt u ook in de installatiehandleidingen van de regelaar. Soort storingEffect Mogelijke oorzaken OplossingDe pomp draait niet, hoewel aan de inschakelvoorwaarden is voldaan. De zonneboiler wordt niet opgewarmd door de zonne-energie. De pomp is defect. Pomp controleren, eventueel vervangen. De pomp zit vast als gevolg van een mecha-nische blokkade. De gleufschroef op de pompkop losdraaien en de pompas met een schroevendraaier los-draaien. Niet tegen de pompas slaan. De pomp wordt via de regelaar niet direct aangestuurd. Zie handleiding regelaar. Pomp schakelt constant aan en uit. Opbrengst zonne-energie te laag Te klein verschil bij in- en uitschakeltempe-ratuur regelaar. Instellingen regelaar controleren. Volumestroom te hoog. Doorstroomhoeveelheid controleren en instel-len.

Positie temperatuursensor of -aansluiting onjuist. Controleer de positie van de temperatuursen-sor. Pomp schakelt niet uit. Warmte wordt uit de boiler getranspor-teerd. Temperatuursensor defect of op verkeerde positie. Positie, montage en karakteristiek van de tem-peratuursensor controleren. Regelaar defect. Opmerking: toerentalgeregelde pompen scha-kelen niet direct af, maar pas na het bereiken van het laagste toerental. Te heet tapwater. Gevaar voor brand-wondenDe begrenzing van de boilertemperatuur en de mengkraan is te hoog ingesteld. De begrenzing van de boilertemperatuur en de tapmengkraan lager instellen. Te koud tapwater (of te geringe hoeveelheid warm tapwater). De temperatuurregelaar voor warm water op de ketel, de thermostaat of de meng-kraan is te laag ingesteld. Stel de temperatuur in conform de bijbeho-rende handleiding (max. 60 °C). Werking van de naverwarming controleren.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Bosch AGS 50 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden