Yamaha TRACER 9 GT (2019) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Yamaha TRACER 9 GT (2019) (118 pagina’s), behorend tot de categorie Motor. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 18 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over Yamaha TRACER 9 GT (2019) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Yamaha |
| Categorie: | Motor |
| Model: | TRACER 9 GT (2019) |
Handleiding Yamaha TRACER 9 GT (2019) – volledige tekst
DAU81560Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij demachine te blijven als deze wordt verkocht.DAU81570Conformiteitsverklaring:Hierbij verklaart YAMAHA MOTOR ELECTRONICS Co., Ltd dat de radioapparatuur van het type STARTBLOKKERING,1RC-00 in overeenstemming is met Richtlijn 2014/53/EU.De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring kan worden geraadpleegd op het volgende internetadres:https://global.yamaha-motor.com/eu_doc/Frequentieband: 134.2 kHzMaximaal radiofrequentievermogen: 49.0 [dBμV/m]Fabrikant:YAMAHA MOTOR ELECTRONICS Co., Ltd1450-6 Mori, Mori-machi, Shuchi-Gun, Shizuoka, 437-0292 JapanImporteur:YAMAHA MOTOR EUROPE N.V.Koolhovenlaan 101, 1119 NC Schiphol-Rijk, 1117 ZN, Schiphol, NederlandUB1JD1D0.book Page 1 Friday, October 5, 2018 2:13 PM
InleidingDAU10103Welkom in de wereld van Yamaha!Als eigenaar van de MTT850D profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpenen fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw MTT850D. DeHandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de machine en beschrijft hoe u uzelf en anderen kuntbeschermen tegen persoonlijk letsel of schade.Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw machine in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzeldan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe.
En vergeet niet, veiligheid voor alles!Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn vankleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recenteproductinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.WAARSCHUWINGDWA10032Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze machine gaat gebruiken.UB1JD1D0.book Page 1 Friday, October 5, 2018 2:13 PM
Belangrijke informatie in de handleidingDAU10134Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:*Product en specificaties kunnen zonder voorafgaande aankondiging worden gewijzigd.Dit is het Safety Alert-symbool. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico’s op persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlijden te voorkomen.Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan re-sulteren in ernstig letsel of overlijden.De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om scha-de aan de machine of andere eigendommen te voorkomen.De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen.WAARSCHUWINGLET OPOPMERKINGUB1JD1D0.book Page 1 Friday, October 5, 2018 2:13 PM
3-41Gelijkstroom kabelstekker voor accessoires. 3-42Zijstandaard. 3-42Startspersysteem. 3-43Voor uw veiligheid – controles voor het rijden. 4-1Gebruik en belangrijke rij-informatie. 5-1De motor starten. 5-1Schakelen. 5-2Tips voor een zuinig brandstofverbruik. 5-3Inrijperiode. 5-4Parkeren. 5-4Periodiek onderhoud en afstelling. 6-1Gereedschapsset. 6-2Periodieke onderhoudsschema’s. 6-3Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem. 6-3Algemeen smeer- en onderhoudsschema. 6-5Het framepaneel verwijderen en aanbrengen. 6-9Controleren van de bougies. 6-10Filterbus. 6-11Motorolie. 6-11Waarom Yamalube. 6-14Koelvloeistof. 6-14Luchtfilterelement. 6-15Stationair toerental controleren. 6-16De vrije slag van de gasgreep controleren. 6-16Klepspeling. 6-16Banden. 6-17Gietwielen. 6-19Vrije slag van de koppelingshendel afstellen. 6-19Vrije slag van remhendel controleren.
1-11VeiligheidsinformatieDAU1028CWees een verantwoordelijke eigenaarAls eigenaar van de machine bent u verant-woordelijk voor de veilige en juiste bedie-ning ervan. Motorfietsen zijn tweewielige voertuigen. Voor een veilig gebruik zijn de toepassingvan de juiste rijtechnieken en de ervaringvan de bestuurder van belang. Elke be-stuurder moet bekend zijn met de volgendevereisten alvorens met deze motorfiets tegaan rijden. Hij of zij moet: Door een competente informatiebrongrondig zijn ingelicht over alle aspec-ten van het motorrijden. Zich houden aan de waarschuwingenen onderhoudseisen zoals vermeld indeze Gebruikershandleiding. Grondig getraind zijn in veilige en cor-recte rijtechnieken. Gebruikmaken van professioneletechnische service, zoals aangegevenin deze Gebruikershandleiding en/ofwanneer de mechanische conditiesdit vereisen.
Ga nooit rijden met een motorfietszonder passende rijopleiding of in-structies. Neem rijlessen. Beginnersmoeten les krijgen van een gediplo-meerd instructeur. Neem contact opmet een bevoegde motorfietsdealervoor informatie over rijlessen bij u inde buurt. Veilig rijdenVoer vóór elke rit de controles voor het rij-den uit om u ervan te verzekeren dat demachine in veilige staat verkeert. Onvol-doende inspectie of onderhoud van de ma-chine vergroot het risico op ongeval ofschade. Zie pagina 4-1 voor een lijst metcontroles voor het rijden. Deze motorfiets is gebouwd voor hetvervoer van de bestuurder plus eenpassagier. Het niet opmerken en herkennen vanmotorfietsen door andere weggebrui-kers vormt de belangrijkste oorzaakvan auto-/motorongevallen. Vaakworden ongevallen veroorzaakt door-dat een autobestuurder de motor nietheeft gezien.
Zorg dat u opvalt, datblijkt het meest effectief om het risicoop een dergelijk type ongeval te ver-minderen. Dus:• Draag een jack in felle kleuren. • Wees extra voorzichtig bij het nade-ren en passeren van kruisingen,daar doen ongelukken met motor-fietsen zich namelijk het meestvoor.
• Ga daar rijden waar andere wegge-bruikers u kunnen zien. Ga niet rij-den in de dode zichthoek van eenandere weggebruiker. • Pleeg nooit onderhoud aan eenmotorfiets zonder voldoende ken-nis. Neem contact op met een be-voegde motorfietsdealer voorinformatie over het basisonderhoudvan een motorfiets. Bepaalde on-derhoudswerkzaamheden kunnenalleen worden uitgevoerd door ge-diplomeerd personeel. Bij veel ongevallen zijn onervaren be-stuurders betrokken. Veelal zijn be-stuurders die bij een ongevalbetrokken waren zelfs niet in het bezitvan een geldig motorrijbewijs. • Zorg dat u bekwaam bent om te rij-den en leen uw motorfiets alleen uitaan ervaren motorrijders. • Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uwbeperkingen helpt u ongelukkenvoorkomen. UB1JD1D0. book Page 1 Friday, October 5, 2018 2:13 PM.
Veiligheidsinformatie1-21• We raden aan om het motorrijden teoefenen op plekken waar geen ver-keer is, totdat u grondig bekendbent met de motor en zijn bedie-ning. Ongelukken worden vaak veroorzaaktdoor een fout van de motorbestuur-der. Veel bestuurders houden bij hetingaan van een bocht een te hoge rij-snelheid aan of gaan onvoldoendeschuinliggen voor de rijsnelheid,waardoor ze wijd uit de bocht komen. • Neem altijd de maximumsnelheid inacht en rijd nooit sneller dan dewegcondities en het verkeer toe-staan. • Geef altijd richting aan voordat u af-slaat of van rijstrook wisselt. Zorgdat andere weggebruikers u kun-nen zien. De zithouding van de bestuurder ende passagier is belangrijk voor eengoede besturing. • De bestuurder moet tijdens het rij-den beide handen aan het stuurhouden en beide voeten op de be-stuurdersvoetsteunen, om zo demacht over het stuur te behouden.
• De passagier hoort steeds de be-stuurder, de zadelband of de hand-greep, indien aanwezig, met beidehanden vast te houden en beidevoeten op de passagiersvoetsteu-nen te houden. Neem nooit eenpassagier mee die niet in staat isom beide voeten stevig op de pas-sagiersvoetsteunen te zetten. Rijd nooit onder invloed van alcohol ofandere drugs. Deze motorfiets is uitsluitend ontwor-pen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-roadgebruik. Beschermende uitrustingMotorongelukken met dodelijke afloop be-treffen meestal hoofdletsel. Het dragen vaneen helm is de belangrijkste factor bij hetvoorkomen of reduceren van hoofdletsel. Draag altijd een goedgekeurde helm. Draag ook een vizier of een veilig-heidsbril. Zonder oogbeschermingkan uw zicht door de rijwind verslech-teren, waardoor u gevaren mogelijk telaat opmerkt.
Draag nooit loszittende kleding, dezekan blijven haken aan bedienings-handgrepen of door de wielen wordengegrepen en zo een ongeval of letselveroorzaken. Draag altijd beschermende kledingdie uw benen, enkels en voeten be-dekt. De motor en het uitlaatsysteemkunnen tijdens en na het rijden zeerheet zijn en brandwonden veroorza-ken. De hierboven vermelde voorzorgs-maatregelen gelden ook voor passa-giers. Voorkom koolmonoxidevergiftigingDe uitlaatgassen van verbrandingsmotorenbevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kan hoofd-pijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid,verwarring en uiteindelijk de dood veroor-zaken. Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos,smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijnals u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Hetkoolmonoxideniveau kan zeer snel oplo-pen, waardoor u het bewustzijn kunt verlie-zen en uzelf niet meer kunt redden.
Veiligheidsinformatie1-31symptomen van koolmonoxidevergiftigingervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk,ga naar de open lucht en ROEP MEDISCHEHULP IN. Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatorenof open ramen en deuren kan de hoe-veelheid koolmonoxide snel oplopentot gevaarlijke niveaus. Laat de motor niet draaien in slechtgeventileerde of deels afgeslotenruimtes zoals schuren of garages. Laat de motor niet buiten draaien opplaatsen waar de uitlaatgassen in eengebouw kunnen worden getrokken viaopeningen zoals ramen en deuren. BeladenHet monteren van accessoires of het ver-voer van bagage kan een negatief effecthebben op de rijstabiliteit en het wegge-drag als hierdoor de gewichtsverdeling vande motor verandert. Wees uiterst voorzich-tig bij het monteren van accessoires of hetbeladen van uw motor, om zo mogelijkeongevallen te vermijden.
Pas extra op wan-neer u op een motor rijdt die beladen is ofwaaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast de informatie overaccessoires enkele richtlijnen voor het be-laden van uw motorfiets:Het totale gewicht van de bestuurder, pas-sagier, accessoires en bagage mag demaximale gewichtslimiet niet overschrij-den. Rijden met een te zwaar belastemachine kan leiden tot een ongeval. Let op het volgende wanneer u tot deze ge-wichtslimiet belaadt: Het zwaartepunt van bagage en ac-cessoires moet zo laag mogelijk lig-gen en zo dicht mogelijk bij de motor. Bevestig zware goederen zo dichtmogelijk bij het midden van de machi-ne en verdeel het gewicht zo gelijkma-tig mogelijk over beide zijden omonbalans of instabiliteit te minimalise-ren. Als gewicht gaat schuiven kan zicheen plotselinge onbalans voordoen.
• Pas de vering aan de te vervoerenbagage aan (alleen voor modellenmet instelbare vering) en controleerde toestand en spanning van uwbanden. • Bevestig nooit omvangrijke of zwa-re goederen aan het stuur, de voor-vork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusiefbagage als slaapzakken, plunjezak-ken of tenten, kunnen een instabielweggedrag of een te trage reactieop het stuur veroorzaken. Deze machine is niet ontworpenvoor het trekken van een aanhangerof bevestiging van een zijspan. Originele Yamaha accessoiresDe keuze van accessoires voor uw machi-ne vormt een belangrijke beslissing. Origi-nele Yamaha accessoires, die alleenverkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijndoor Yamaha ontwikkeld, getest en goed-gekeurd voor gebruik op uw machine. Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aanYamaha produceren onderdelen en acces-soires of bieden aanpassingssets voorYamaha voertuigen.
Yamaha kan niet alleproducten testen die deze bedrijven produ-ceren. Om die reden kan Yamaha acces-soires die niet door Yamaha zijn verkocht ofwijzigingen die niet door zijn Yamaha zijnaangeraden niet goedkeuren of aanbeve-len, zelfs niet als deze zijn verkocht engeenstalleerd door een Yamaha dealer. Maximale belasting:179 kg (395 lb)UB1JD1D0. book Page 3 Friday, October 5, 2018 2:13 PM.
Veiligheidsinformatie1-41In de handel verkrijgbare onderdelen,accessoires en aanpassingssetsHoewel er producten verkrijgbaar zijn diequa ontwerp en kwaliteit sterk lijken op ori-ginele Yamaha accessoires, dient u te be-seffen dat sommige in de handelverkrijgbare accessoires of aanpassings-sets niet geschikt zijn vanwege mogelijkeveiligheidsrisico’s voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbareproducten of het verrichten van aanpassin-gen die de ontwerp- of bedieningskenmer-ken van uw machine wijzigen kan het risicoop ernstig letsel of overlijden van uzelf ofanderen vergroten. U bent verantwoordelijkvoor letsel dat voortvloeit uit wijzigingenaan de machine. Volg bij de montage van accessoires de on-derstaande richtlijnen en die vermeld onderhet kopje “Beladen”.
Monteer nooit accessoires en vervoernooit bagage als deze een nadelige in-vloed hebben op de prestaties van uwmotor. Inspecteer het accessoirezorgvuldig alvorens het te gebruikenom te waarborgen dat het de grond-speling of de hellinghoek op geen en-kele manier vermindert, de veerweg,de stuuruitslag of de bediening nietbeperkt en geen lampen of reflectorsafdekt. • Accessoires die aan of nabij hetstuur of de voorvork zijn gemon-teerd zullen mogelijk instabiliteitveroorzaken door een foutieve ge-wichtsverdeling of door aerodyna-mische effecten. Accessoires aanhet stuur of nabij de voorvork moe-ten zo licht mogelijk zijn en tot eenminimum worden beperkt. • Omvangrijke accessoires kunnendoor hun aerodynamisch effect vaninvloed zijn op de rijstabiliteit van demotor. De motor kan door rijwindworden opgetild of bij zijwind insta-biel worden.
Zulke accessoireskunnen ook instabiliteit veroorza-ken terwijl u grote voertuigen in-haalt of door deze wordt ingehaald. • Sommige accessoires dwingen debestuurder om een andere dan denormale zitpositie in te nemen.
Zo’nverkeerde zitpositie beperkt de be-wegingsvrijheid van de bestuurderen kan een comfortabele bedieninghinderen, zodat we dergelijke ac-cessoires sterk afraden. Wees voorzichtig bij het aanbrengenvan elektrische accessoires. Als elek-trische accessoires de capaciteit vanhet elektrisch systeem van de motor-fiets te boven gaan, kan zich een ge-vaarlijke elektrische storing voordoenwaardoor de verlichting of de motoruitvalt. In de handel verkrijgbare banden en vel-genDe banden en velgen die bij uw motorfietswerden geleverd, zijn ontworpen om demogelijkheden van de motorfiets te onder-steunen en bieden de beste combinatie vanrijprestaties, remvermogen en comfort. An-dere banden, velgen, maten of combinatieszijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-17voor de bandenspecificaties en informatieover het onderhouden en vervangen vanuw banden.
Veiligheidsinformatie1-51 Schakel een versnelling in (bij model-len met een handgeschakelde ver-snellingsbak). Zet de motorfiets vast met spanban-den of andere geschikte banden aanstevige delen van de motorfiets, zoalshet frame of de bovenste voorvork-klem (en niet aan, bijvoorbeeld, hetstuur, de richtingaanwijzers of onder-delen die kunnen afbreken). Kies deplaats voor de spanbanden zorgvuldigom te voorkomen dat deze tijdens hettransport schuurplekken op de lakveroorzaken. Zorg indien mogelijk dat de vering ietsdoor de spanbanden wordt ingedrukt,zodat de motorfiets tijdens het trans-port niet overmatig kan stuiteren.UB1JD1D0.book Page 5 Friday, October 5, 2018 2:13 PM
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-13DAU10979StartblokkeersysteemDit voertuig is voorzien van een startblok-keersysteem waarmee diefstal kan wordenbemoeilijkt door de codering van de stan-daardsleutels te wijzigen. Het systeem be-staat uit de volgende onderdelen: een codeersleutel twee standaardsleutels een transponder (in elke sleutel) een startblokkeereenheid (op hetvoertuig) een ECU (op het voertuig) een controlelampje voor het systeem(pagina 3-6)Over de sleutelsDe sleutel met het rode bovendeel wordtgebruikt om de twee standaardsleutels tecoderen. Bewaar de codeersleutel op eenveilige plaats. Ga als dat nodig is met demachine en alle drie sleutels naar eenYamaha dealer om de sleutels opnieuw telaten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeelniet om met het voertuig te rijden.
Dezesleutel dient uitsluitend te worden gebruiktvoor het opnieuw coderen van de stan-daardsleutels. Gebruik altijd een stan-daardsleutel om met het voertuig te rijden. OPMERKING Bewaar de standaardsleutels en desleutels van andere startblokkeersy-stemen altijd op een andere plek dande codeersleutel. Houd sleutels van andere startblok-keersystemen altijd uit de buurt vanhet contactslot, want anders kunnenze signaalstoring veroorzaken. LET OPDCA11823ZORG DAT U DE CODEERSLEUTELNIET VERLIEST. NEEM DIRECT CON-TACT OP MET UW DEALER ALS U HEMVERLOREN HEBT. Als u de codeersleu-tel bent verloren, kan de machine nogworden gestart met de bestaande stan-daardsleutels. Het is echter niet meermogelijk om een nieuwe standaardsleu-tel te registreren. Als alle sleutels zijnverloren of beschadigd, moet het volle-dige startblokkeersysteem worden ver-vangen. Ga daarom zorgvuldig met desleutels om.
Dompel ze niet onder in water. Stel ze niet bloot aan hoge tempe-raturen. Plaats ze niet in de buurt van mag-neten. Plaats ze niet in de buurt van appa-raten die elektrische signalen uit-zenden. Ga er niet ruw mee om.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-23DAU10474Contactslot/stuurslotVia het contactslot/stuurslot worden hetontstekingssysteem en de verlichtingssy-stemen bediend en wordt het stuur ver-grendeld. De diverse standen wordenhierna beschreven.OPMERKINGGebruik de standaardsleutel (zwarte greep)voor regelmatig gebruik van de machine.Bewaar de codeersleutel (rode greep) opeen veilige plaats en gebruik deze uitslui-tend voor hercodering om het risico op ver-lies te minimaliseren.DAU84031ONAlle elektrische circuits worden voorzienvan stroom en de voertuigverlichting wordtingeschakeld. De motor kan worden ge-start. De sleutel kan niet worden uitgeno-men.OPMERKING De koplamp(en) gaan branden als demotor wordt gestart. Laat om ontladen raken van de accute voorkomen het contactslot niet in-geschakeld zonder dat de motordraait.DAU10662OFFAlle elektrische systemen zijn uitgescha-keld.
De sleutel kan worden uitgenomen.WAARSCHUWINGDWA10062Draai nooit de sleutel naar “OFF” of“LOCK” terwijl de machine rijdt. Hier-door worden de elektrische systemenuitgeschakeld, wat mogelijk kan leidentot verlies van de controle of een onge-val.DAU1068BLOCKHet stuur is vergrendeld en alle elektrischesystemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kanworden uitgenomen.Om het stuur te vergrendelen1. Draai het stuur helemaal naar links.2. Druk de sleutel in de “OFF”-stand inen draai deze dan naar “LOCK”.3. Neem de sleutel uit.OPMERKINGAls het stuur niet wordt vergrendeld, pro-beer het dan iets terug naar rechts te draai-en.PONOFFLOCK1. Drukken.2. Draaien.12UB1JD1D0.book Page 2 Friday, October 5, 2018 2:13 PM
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-33Om het stuur te ontgrendelenDruk de sleutel in de stand “LOCK” in endraai deze dan naar “OFF”.DAU59680 (Parkeren)De alarmverlichting en richtingaanwijzerskunnen worden ingeschakeld, maar alle an-dere elektrische systemen zijn uit. De sleu-tel kan worden uitgenomen.Het stuur moet zijn vergrendeld om desleutel naar “ ” te kunnen draaien.LET OPDCA20760Als u de alarmverlichting of de richting-aanwijzers langdurig gebruikt, kan dit deaccu ontladen.DAU66055StuurschakelaarsLinksRechtsDAU73924Dimlichtschakelaar/lichtsignaalschakelaar “ / /PASS”Zet deze schakelaar op “ ” voor groot-licht en op “ ” voor dimlicht.Als u een grootlichtsignaal wilt geven, druktu de schakelaar omlaag naar “PASS” terwijlde koplampen op dimlicht staan.OPMERKINGAls de schakelaar op dimlicht wordt inge-steld, gaat alleen de linker koplamp bran-den.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-43DAU66040Richtingaanwijzerschakelaar “ / ”Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaannaar rechts aan te geven. Druk deze scha-kelaar naar “ ” om afslaan naar links aante geven. Na loslaten keert de schakelaarterug naar de middenstand. Om de rich-tingaanwijzers uit te schakelen wordt deschakelaar ingedrukt nadat hij is terugge-keerd in de middenstand. DAU66030Claxonschakelaar “ ”Druk deze schakelaar in om een claxonsig-naal te geven. DAU84240TCS-schakelaar “ / ”Zie pagina 3-27 voor uitleg over de werkingvan de tractieregeling. DAU66060Stop/Run/Start-schakelaar “ / / ”Om de motor te starten met de startmotor,zet u deze schakelaar op “ ” en drukt u deschakelaar vervolgens omlaag naar “ ”. Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordatu de motor start.
Zet deze schakelaar op “ ” om de motordirect uit te schakelen in een noodgeval,zoals wanneer de machine omslaat of alsde gaskabel blijft hangen. DAU66010Schakelaar alarmverlichting “” Met de sleutel in de stand “ON” of “ ”kan deze schakelaar worden gebruikt voorhet inschakelen van de alarmverlichting(gelijktijdig knipperen van alle richtingaan-wijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in eennoodgeval of om andere verkeersdeelne-mers te waarschuwen als uw machine stil-staat in een mogelijk gevaarlijkeverkeerssituatie. LET OPDCA10062Gebruik de alarmverlichting niet gedu-rende langere tijd als de motor nietdraait omdat hierdoor de accu kan ont-laden. DAU84250Cruise-controlschakelaarsZie pagina 3-8 voor uitleg over de werkingvan cruise control. DAU84260Rijmodusschakelaar “MODE”Zie pagina 3-24 voor uitleg over de rijmo-dus.
DAU84271Wielschakelaar “ ”Gebruik als het hoofdscherm op het displaywordt weergegeven het wiel om de items inde informatieweergave te schuiven en te-rug te stellen en om de handvatverwarmingin te stellen.
Wanneer de weergave is gewijzigd naar hetscherm MENU, gebruik dan de wielschake-laar om naar de instellingsmodulen te navi-geren en instellingen te wijzigen. Bedien de wielschakelaar als volgt. Omhoogdraaien - draai het wiel omhoogom naar boven te schuiven of een instel-lingswaarde te verhogen. Omlaagdraaien - draai het wiel omlaag omnaar beneden te schuiven of een instel-lingswaarde te verlagen. Kort indrukken - druk de schakelaar kortin om te selecteren en te bevestigen. Lang indrukken - druk de schakelaar eenseconde in om een item op een informatie-weergave terug te stellen of om het schermMENU te openen of af te sluiten. OPMERKING Het scherm MENU kan worden ge-opend door het wiel lang ingedrukt tehouden, tenzij het scherm van dehandvatverwarming is geselecteerd ofde brandstofreserve-ritteller (F-TRIP)wordt weergegeven. UB1JD1D0. book Page 4 Friday, October 5, 2018 2:13 PM.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-53 Zie pagina 3-10 voor meer informatieover het hoofdscherm en de bijbeho-rende functies. Zie pagina 3-14 voor meer informatieover het scherm MENU en de wijzewaarop instellingswijzigingen kunnenworden aangebracht.DAU4939GControlelampjes en waarschu-wingslampjesDAU11032Controlelampjes richtingaanwijzers“” en“”Elk controlelampje gaat knipperen wanneerde bijbehorende richtingaanwijzer knippert.DAU11061Vrijstandcontrolelampje “ ”Dit controlelampje brandt terwijl de versnel-lingsbak in de vrijstand staat.DAU11081Controlelampje grootlicht “ ”Dit controlelampje brandt terwijl de kop-lamp is ingeschakeld voor grootlicht.DAU58402Controlelampjes cruise control “ ” en “SET”Deze controlelampjes gaan branden wan-neer de cruise control wordt geactiveerd.(Zie pagina 3-8.)OPMERKINGAls de machine wordt ingeschakeld, moe-ten deze lampjes enkele seconden oplich-ten en dan uitgaan.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-63DAU79310Waarschuwingslampje motorstoring“”Dit waarschuwingslampje gaat branden alseen storing wordt gedetecteerd in de mo-tor. Vraag in dat geval een Yamaha dealerhet boorddiagnosesysteem te controleren. Het elektrische circuit van het waarschu-wingslampje kan worden gecontroleerddoor de machinevoeding in te schakelen. Het waarschuwingslampje moet enkele se-conden oplichten en dan uitgaan. Als het waarschuwingslampje helemaalniet gaat branden, of permanent aan blijft,laat de machine dan nakijken door eenYamaha dealer. DAU58532ABS-waarschuwingslampje “ ”Onder normale omstandigheden gaat hetABS-waarschuwingslampje branden als demachine wordt ingeschakeld en uit als meteen snelheid van 10 km/h (6 mi/h) of hogerwordt gereden.
Als het ABS-waarschuwingslampje: niet gaat branden als de machinewordt ingeschakeld niet uitgaat bij een rijsnelheid van 10 km/h (6 mi/h) gaat branden of knipperen tijdens hetrijdendan werkt het ABS-systeem (3-26) mogelijkniet goed. Vraag als een van de boven-staande gevallen zich voordoet zo snel mo-gelijk een Yamaha-dealer het voertuig tecontroleren. WAARSCHUWINGDWA16041Als het ABS-waarschuwingslampje nietuitgaat zodra met een snelheid van 10km/h (6 mi/h) of hoger wordt gereden, ofals het waarschuwingslampje tijdenshet rijden gaat branden of knipperen,keert het remsysteem terug naar con-ventioneel remmen. Als een van de bo-venstaande gevallen zich voordoet, ofals het waarschuwingslampje helemaalniet gaat branden, rij dan extra voorzich-tig om te voorkomen dat de remmen innoodsituaties blokkeren.
Laat het rem-systeem en de elektrische circuits zosnel mogelijk door een Yamaha dealercontroleren. DAU78591Controlelampje tractieregeling “TCS”Dit controlelampje knippert als de tractiere-geling is ingeschakeld. Als de tractieregeling wordt uitgeschakeld,gaat dit controlelampje branden. (Zie pagi-na 3-27.
)OPMERKINGAls de machine wordt ingeschakeld, moetdit lampje enkele seconden oplichten endan uitgaan. Als het lampje niet gaat bran-den of blijft branden, vraag dan uw Yamahadealer om de machine te controleren. DAU67432SchakelcontrolelampjeDit controlelampje gaat branden als het tijdis om naar een hogere versnelling te scha-kelen. De motortoerentallen waarbij hetlampje aan- of uitgaat kunnen worden aan-gepast. (Zie pagina 3-17. )Bij wijze van zelfcontrole gaat het lampjekort branden wanneer de machinevoedingwordt ingeschakeld. DAU73120Controlelampje startblokkering “”Als de sleutel naar “OFF” wordt gedraaid,begint het controlelampje na 30 secondencontinu te knipperen om aan te geven dathet startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur metknipperen, maar het startblokkeersysteemblijft ingeschakeld. ABSUB1JD1D0. book Page 6 Friday, October 5, 2018 2:13 PM.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-73Het elektrisch circuit voor het controle-lampje kan worden gecontroleerd door desleutel naar “ON” te draaien. Het controle-lampje moet enkele seconden oplichten endan uitgaan. Als het controlelampje niet gaat brandenwanneer de sleutel naar “ON” wordt ge-draaid, blijft branden of in een patroonknippert, laat de machine dan nazien dooreen Yamaha dealer. (Als er een probleemwordt gedetecteerd in het startblokkeersy-steem, gaat het controlelampje startblok-kering in een patroon knipperen. )OPMERKINGAls het controlelampje startblokkeringknippert in het patroon 5 keer langzaam ge-volgd door 2 keer snel, betreft dit mogelijkeen storing in het transpondersignaal. Alsdeze fout zich voordoet, probeer dan hetvolgende. 1. Houd andere startblokkeersleutels uitde buurt van het contactslot.
Anderestartblokkeersleutels kunnen signaal-storing veroorzaken, waardoor de mo-tor weigert te starten. 2. Start de motor met behulp van de co-deersleutel. 3. Als de motor start, zet deze dan weeruit en probeer hem opnieuw te startenmet de standaardsleutels. 4. Als de motor niet kan worden gestartmet een of beide standaardsleutels,breng dan de machine en alle 3 sleu-tels naar een Yamaha dealer en laatde standaardsleutels opnieuw code-ren. DAU84281Waarschuwingslampje motorolie en koelvloeistof “ ”Dit waarschuwingslampje gaat branden alshet motorolieniveau laag is of de koelvloei-stoftemperatuur hoog is. Zet als dit gebeurtonmiddellijk de motor uit. Als de machine wordt ingeschakeld, moethet waarschuwingslampje enkele secon-den oplichten en dan uitgaan. Als het waar-schuwingslampje niet gaat branden, vraagdan een Yamaha dealer de machine te con-troleren.
LET OPDCA26391Als het waarschuwingslampje motorolieen koelvloeistof gaat branden terwijl demotor draait, moet u onmiddellijk de mo-tor afzetten en de machine stoppen. Als de motor oververhit raakt,wordt het waarschuwingspicto-gram koelvloeistoftemperatuurweergegeven.
Laat de motor afkoe-len. Controleer het koelvloeistofni-veau (zie pagina 6-38). Als het motorolieniveau laag is,wordt het waarschuwingspicto-gram motorolie weergegeven. Con-troleer het olieniveau (zie pagina6-11). Als het waarschuwingslampje blijftbranden nadat de motor is afge-koeld en het olieniveau in orde isbevonden, laat dan een Yamahadealer de machine controleren. Rijdniet verder met de machine. UB1JD1D0. book Page 7 Friday, October 5, 2018 2:13 PM.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-83DAU84291Cruise controlDit model is uitgerust met cruise control,dat een ingestelde kruissnelheid handhaaft.De cruise control werkt alleen bij het rijdenin de 4e, 5e of 6e versnelling met snelhedentussen ongeveer 50 km/h (31 mi/h) en 160km/h (100 mi/h).WAARSCHUWINGDWA16341 Onjuist gebruik van de cruise con-trol kan leiden tot verlies van decontrole over de machine met mo-gelijk een ongeval tot gevolg. Ge-bruik geen cruise control in drukverkeer, slechte weersomstandig-heden of op bochtige, gladde, heu-velachtige of slechte wegen ofgrindwegen. Wanneer u heuvelopwaarts of heu-velafwaarts rijdt, kan de cruise con-trol de ingestelde kruissnelheidmogelijk niet aanhouden. Wanneer u de cruise control nietgebruikt, moet u deze uitschakelenom te voorkomen dat u deze perongeluk inschakelt.
Controleer ofhet controlelampje voor cruisecontrol “ ” uit is.Cruise control activeren en instellen1. Druk op de aan-uitschakelaar van decruise control “ ” links op het stuur.Het controlelampje van de cruisecontrol “ ” gaat branden.2. Druk op de “SET–”-zijde van de instel-schakelaar voor cruise control om decruise control te activeren. De huidigerijsnelheid wordt ingesteld als dekruissnelheid. Het controlelampjevoor de cruise-controlinstelling “SET”gaat aan.1. Controlelampje cruise-controlinstelling “SET”2. Controlelampje cruise control “ ”1. Instelschakelaar cruise control “RES+/SET–”2. Aan-uitschakelaar cruise control “ ”12121. Aan-uitschakelaar cruise control “ ”2. Controlelampje cruise control “ ”21UB1JD1D0.book Page 8 Friday, October 5, 2018 2:13 PM
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-93De ingestelde kruissnelheid aanpassenTerwijl de cruise control in werking is, druktu op de “RES+”-zijde van de instelschake-laar voor cruise control om de ingesteldekruissnelheid te verhogen of op de “SET–”-zijde om de ingestelde kruissnelheid te ver-lagen. OPMERKINGWanneer u de instelschakelaar eenmaal in-drukt, wordt de snelheid in stappen van on-geveer 2. 0 km/h (1. 2 mi/h) verhoogd. Wanneer u de “RES+”- of “SET–”-zijde vande instelschakelaar voor cruise control in-gedrukt houdt, wordt de snelheid continuverhoogd of verlaagd totdat u de schake-laar weer loslaat. U kunt de rijsnelheid ook handmatig verho-gen met de gasgreep. Nadat u gas hebt ge-geven, kunt u een nieuwe kruissnelheidinstellen door op de “SET–”-zijde van de in-stelschakelaar te drukken.
Als u geen nieu-we kruissnelheid instelt en gas terugneemt,remt de machine af tot de eerder ingesteldekruissnelheid. Cruise control uitschakelenVoer een van de volgende handelingen uitom de ingestelde kruissnelheid te annule-ren. Het controlelampje “SET” gaat uit. Draai de gasgreep voorbij de geslotenstand in de deceleratierichting. Bekrachtig de voor- of achterrem. Trek de koppelingshendel in. Bedien het schakelpedaal. Druk op de aan-uitschakelaar om de cruisecontrol uit te zetten. Hetcontrolelampje “ ” en controlelampje“SET” gaan uit. OPMERKINGDe rijsnelheid gaat dalen zodra cruise con-trol wordt uitgeschakeld, als tenminste nietaan de gasgreep wordt gedraaid. De hervattingsfunctie gebruikenDruk op de “RES+”-zijde van de instelscha-kelaar voor cruise control om de cruisecontrol opnieuw te activeren. De rijsnelheidkeert dan terug naar de eerder ingesteldekruissnelheid.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-103wordt de eerder ingestelde kruissnelheidgewist. U kunt de hervattingsfunctie pasweer gebruiken nadat u een nieuwe kruis-snelheid hebt ingesteld. Automatische uitschakeling van cruisecontrolDe cruise control voor dit model wordtelektronisch geregeld en is gekoppeld aande andere regelsystemen. De cruise controlwordt onder de volgende omstandighedenautomatisch uitgeschakeld: De cruise control kan de ingesteldekruissnelheid niet aanhouden. Er is een wielslip of wielspin gedetec-teerd. (Als de tractieregeling niet is uit-geschakeld, werkt de tractieregelingnog. ) De startschakelaar/noodstopschake-laar wordt in de stand “ ” gezet. De motor slaat af. De zijstandaard wordt omlaag gezet.
Als u rijdt met een ingestelde kruissnelheiden de cruise control onder de bovenstaan-de omstandigheden wordt uitgeschakeld,gaat het controlelampje “ ” uit en knip-pert het controlelampje “SET” gedurende 4seconden, waarna het uitgaat. Als u niet rijdt met een ingestelde kruissnel-heid en de startschakelaar/noodstopscha-kelaar in de stand “ ” wordt gezet, demotor afslaat of de zijstandaard omlaagwordt gezet, gaat het controlelampje “ ”uit (het controlelampje “SET” knippert niet). Als de cruise control automatisch wordt uit-geschakeld, moet u stoppen en controlerenof de machine in goede staat verkeert. Voordat u de cruise control opnieuw ge-bruikt, moet u deze inschakelen met deaan-uitschakelaar. OPMERKINGIn bepaalde gevallen kan de cruise controlde ingestelde kruissnelheid mogelijk nietaanhouden wanneer u heuvelopwaarts ofheuvelafwaarts rijdt met de machine.
Als dit gebeurt, kunt ude instelschakelaar niet gebruiken omde ingestelde kruissnelheid aan tepassen. Als u de rijsnelheid wilt verla-gen, gebruikt u de remmen. Wanneeru de remmen gebruikt, wordt decruise control uitgeschakeld. DAU84301WeergaveDe volgende items kunnen op de weergaveworden gevonden. Snelheidsmeter Toerenteller Brandstofniveaumeter Informatieweergave Aanduiding ingeschakelde versnelling Rijmodusweergave TCS-weergave Luchttemperatuurweergave Scherm handvatverwarming QS-indicator Klok Hold-indicator voor toerenpiek Eco-controlelampje Waarschuwingspictogram brandstof-niveau Waarschuwingspictogram motorolie Waarschuwingspictogram koelvloei-stoftemperatuurOPMERKINGDit model is voorzien van een TFT-LCD(thin film transistor liquid crystal display)voor een goede contrastwerking en lees-baarheid onder uiteenlopende omstandig-heden.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-113WAARSCHUWINGDWA18210Zet de machine stil alvorens instellingente wijzigen. Het aanbrengen van wijzi-gingen tijdens het rijden kan u afleidenen vergroot het risico op een ongeval. SnelheidsmeterDe snelheidsmeter geeft de rijsnelheid vanhet voertuig aan. OPMERKINGDe weergave kan worden ingesteld op kilo-meters of mijlen. Gebruik daarvoor de mo-dule “Unit” op het scherm MENU. ToerentellerDe toerenteller geeft het motortoerentalaan op basis van meting van de draaisnel-heid van de krukas in omwentelingen perminuut (tpm). Wanneer de machine wordtgestart, schiet de toerenteller door het vol-ledige tpm-bereik en keert vervolgens terugnaar nul. OPMERKINGDe toerenteller biedt een uitschakelbarehold-indicator voor toerenpiek en de kleu-ren ervan kunnen worden aangepast.
LET OPDCA10032Laat de motor niet draaien terwijl de toe-renteller in de rode zone wijst. Rode zone: 11250 tpm en hogerBrandstofniveaumeterDe brandstofniveaumeter geeft aan hoe-veel brandstof in de tank aanwezig is. Dedisplaysegmenten van de brandstofniveau-meter verdwijnen van “F” (vol) naar “E”(leeg) naarmate het brandstofniveau verderdaalt. Als het laatste segment gaat knipperen enhet waarschuwingspictogram brandstofni-veau oplicht, moet u zo snel mogelijk tan-ken. OPMERKINGAls alle displaysegmenten van de brand-stofniveaumeter knipperen, laat dan eenYamaha dealer de bijbehorende circuitsnazien. KlokDe klok maakt gebruik van een 12-uursy-steem. InformatieweergaveDit gedeelte van het hoofdscherm wordtgebruikt om informatie weer te geven die isgerelateerd aan het rijden, zoals lucht- enkoelvloeistoftemperaturen, rittellers en sta-tistieken voor brandstofverbruik.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-123De items op de informatieweergave zijn:A. TEMP: luchttemperatuurC. TEMP: koelvloeistoftemperatuurTRIP-1: ritteller 1TRIP-2: ritteller 2F-TRIP: brandstofreserve-rittellerODO: kilometertellerFUEL CON: de hoeveelheid verbruiktebrandstofFUEL AVG: gemiddeld brandstofverbruikCRNT FUEL: huidig brandstofverbruikOPMERKING De kilometerteller wordt vergrendeldbij 999999. TRIP-1 en TRIP-2 worden terugge-steld nadat 9999. 9 is bereikt en gaanvervolgens door met tellen. Wanneer het reservepeil in de brand-stoftank wordt bereikt, wordt automa-tisch F-TRIP weergegeven en wordtde afgelegde afstand vanaf dat puntgeregistreerd. Na het tanken en een bepaalde af-stand te hebben gereden, zal F-TRIPweer automatisch verdwijnen.
Zie “Unit” op pagina 3-15 voor het wij-zigen van de eenheden voor brand-stofverbruik, het instellen van de klok,wisselen tussen kilometers en mijlenetc. De items TRIP-1, TRIP-2, F-TRIP, FUELCON en FUEL AVG kunnen individueelworden teruggesteld. Items op de informatieweergave terugstel-len1. Gebruik de wielschakelaar om doorde items op de weergave heen teschuiven tot het item dat u wilt terug-stellen wordt weergegeven. 2. Druk kort op de wielschakelaar, waar-na het item voor vijf seconden zalknipperen. Als beide items terugstel-baar zijn, zal het bovenste item eerstknipperen. Schuif omlaag om het on-derste item te selecteren. 3. Terwijl het item knippert, houdt u dewielschakelaar gedurende een secon-de ingedrukt. Aanduiding ingeschakelde versnellingGeeft weer welke versnelling is ingescha-keld. Dit model heeft 6 versnellingen en eenvrijstand.
De vrijstand wordt aangegevendoor het vrijstandcontrolelampje “ ” endoor de aanduiding voor de ingeschakeldeversnelling “ ”. Hold-indicator voor toerenpiekDeze kleine balk wordt kort weergegevenop de toerenteller om de meest recentetpm-piek van de motor weer te geven.
OPMERKINGDe indicator wordt alleen kort weergegevenals de toerenpiek 7000 tpm of hoger is. QS-indicatorAls de sleutel naar “ON” wordt gedraaid,wordt het snelschakelsysteem (pagina3-25) ingeschakeld en gaat deze indicatorbranden. OPMERKINGAls een storing wordt gedetecteerd in hetsnelschakelsysteem, gaat deze indicatoruit en is het snelschakelsysteem niet be-schikbaar. Vraag een Yamaha dealer demachine te controleren. Eco-controlelampjeDit controlelampje gaat aan wanneer demachine wordt gebruikt op een milieuvrien-delijke, energiezuinige manier. Het contro-lelampje gaat uit als u de machine stopt. OPMERKINGHierna volgen enkele tips om het brand-stofverbruik te verlagen:UB1JD1D0. book Page 12 Friday, October 5, 2018 2:13 PM.
Functies van instrumenten en bedieningselementen3-133 Voer het motortoerental tijdens acce-lereren niet te hoog op. Rijd met een constante snelheid. Selecteer de versnelling die geschiktis voor de snelheid van de machine. RijmodusweergaveDeze weergave geeft aan welke rijmodus isgeselecteerd: “STD”, “A” of “B”. (Zie pagi-na 3-24. )TCS-weergaveDeze weergave geeft aan welke instellingvan de tractieregeling is geselecteerd: “1”,“2” of “OFF”. (Zie pagina 3-27. )LuchttemperatuurweergaveDeze weergave toont de luchttemperatuurvan –9 °C tot 50 °C in stappen van 1 °C. OPMERKING Ook als de luchttemperatuur lager dan–9 °C is, wordt –9 °C weergegeven. Ook als de luchttemperatuur hogerdan 50 °C is, wordt 50 °C weergege-ven. De weergegeven temperatuur kan af-wijken van de werkelijke omgevings-temperatuur.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Yamaha TRACER 9 GT (2019) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Motor Yamaha
Handleiding Motor
Nieuwste handleidingen voor Motor