Simrad NSS 4 Handleiding
Pagina's 31 Engels Niet gecategoriseerd
Bekijk de handleiding van Simrad NSS 4 gratis online of download de PDF. 38 mensen vonden deze handleiding nuttig. Vraag over dit model? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Simrad |
| Categorie: | Niet gecategoriseerd |
| Model: | NSS 4 |
Handleiding Simrad NSS 4 – volledige tekst
Copyright©2025 Navico Group. Alle rechten voorbehouden. Navico Group is een divisie van Brunswick Corporation. Handelsmerken®Reg. U. S. Pat. & Tm. O en ™ algemene wettelijke markeringen. Ga naar www. navico. com/intellectual-property om de wereldwijde handelsmerkrechten van Navico Group en andere entiteiten te bekijken. • Navico® is een handelsmerk van Navico Group. • Simrad® is een handelsmerk van Kongsberg Maritime AS, in licentie gegeven aan Navico Group. • CZone® is een handelsmerk van Navico Group. • NSS® is een handelsmerk van Navico Group. • Active Imaging™ is een handelsmerk van Navico Group. • StructureScan® is een handelsmerk van Navico Group. • Totalscan® is een handelsmerk van Navico Group. • XSonic® is een handelsmerk van Navico Group. • ABYC® is een handelsmerk van de American Boat & Yacht Council. • ExFAT® is een handelsmerk van Microsoft Corporation.
• FAT® 32 is een handelsmerk van Microsoft Corporation. • NMEA® en NMEA 2000® zijn handelsmerken van de National Marine Electronics Association. • NTFS® is een handelsmerk van Microsoft Corporation. • SD®, microSD®, SDHC® en SDXC® zijn handelsmerken van SD-3C, LLC. • Wi-Fi® een handelsmerk van de Wi-Fi Alliance. GarantieDe garantie van dit product wordt als afzonderlijk document meegeleverd. Veiligheid, disclaimer en nalevingDe veiligheids-, disclaimer- en nalevingsverklaringen van dit product worden als afzonderlijk document geleverd. InternetgebruikSommige functies van dit product hebben een internetverbinding nodig om gegevens te kunnen uploaden en downloaden. Bij gebruik van een internetverbinding via een mobiele telefoon of een verbinding die per MB wordt betaald dient u er rekening mee te houden dat het dataverbruik hoog kan zijn.
6CONNECTOREN10-inch unitABDE F HIG12-inch en 16-inch unitsA B C D E F H IGA Ethernet (5-polige, gele connector)B Ethernet (X-gecodeerde M12-connector)C USB-aansluiting, video-uitgangD Video-ingangE NMEA® 2000 (micro-C-connector)F Voeding en andere bedieningselementen (4-polige connector)G Aardingspunt (M4 x 0,7)H Sonar (9-polige XSonic-connector) I Beeldvorming (9-polige XSonic-connector) ¼ Opmerkingen: • Het model NSS 4 No sonar heeft geen connectoren voor sonar (H) of beeldvorming (I).• De video-ingang- en USB-connectorafdekkingen moeten worden geplaatst wanneer de connectoren niet in gebruik zijn.• Om mogelijke interferentie, corrosie en elektrolyse te voorkomen, gebruikt u een geleidende draad om het aardingspunt (G) aan te sluiten op een punt op de romp die elektrisch contact maakt met het water.
7GeheugenkaartlezerU kunt een microSD®-kaart gebruiken voor het volgende:• Gedetailleerde kaarten weergeven• Software bijwerken• Gebruikersgegevens overdragen (waypoints, routes, tracks en screenshots) ¼ Opmerkingen: • Als een microSD®-kaart en een USB-opslagapparaat beide zijn geplaatst, worden standaard gegevens en screenshots opgeslagen op het USB-opslagapparaat.• Zorg dat u geen bestanden downloadt, overdraagt of kopieert naar een geheugenkaart met cartogra-sche producten, omdat u hiermee de cartograsche informatie op de geheugenkaart kunt beschadigen.• MicroSD®-kaarten van maximaal 256 GB worden ondersteund in FAT® 32-, ExFAT®- of NTFS®-bestands-systemen.• Sluit het beschermende klepje altijd goed na het plaatsen of verwijderen van een microSD® kaart om de sleuf waterdicht te houden.
8INSTALLATIEAlgemene montagerichtlijnenKies een montagelocatie waar de eenheid niet wordt blootgesteld aan omstandigheden die niet aan de technische specicaties voldoen. ⚠ WAARSCHUWING: Installeer de eenheid niet in een gevaarlijke/ontvlambare omgeving. Draag tijdens het boren, zagen of schuren altijd adequate oogbescherming, gehoorbescherming en een stofmasker. Vergeet niet om tijdens het boren of zagen de achterkant van een oppervlak te controleren. MontagelocatieDit product genereert warmte waarmee rekening moet worden gehouden bij het kiezen van de montageplaats. Zorg dat op de gekozen plaats het volgende mogelijk is:• kabelgeleiding, kabelaansluiting en kabelondersteuning• Aansluiting en gebruik van USB-opslagapparaten.
Houd ook rekening met:• de vrije ruimte rondom de eenheid om oververhitting te voorkomen• de constructie en sterkte van het montageoppervlak in verhouding tot het gewicht van de apparatuur• trillingen in het montageoppervlak waardoor de apparatuur zou kunnen worden beschadigd• verborgen elektrische draden die beschadigd kunnen raken bij het boren van gatenZonneschermHet zonnescherm is niet bedoeld voor gebruik wanneer het vaartuig in beweging is of wordt gesleept. Het zonnescherm kan bij hoge snelheden losraken. Verwijder het zonnescherm altijd voordat u op reis gaat. VentilatieBij onvoldoende ventilatie en daaropvolgende oververhitting van de eenheid kunnen de werking en levensduur afnemen. Voor alle eenheden die niet met een beugel zijn bevestigd, wordt ventilatie achter de eenheid aanbevolen. Zorg ervoor dat de luchtstroom niet wordt belemmerd door kabels.
Voorbeelden van ventilatieopties voor de behuizing zijn, in volgorde van voorkeur:• lucht met een positieve druk uit het aircosysteem van het vaartuig. • lucht met een positieve druk uit lokale koelventilatoren (ventilator vereist bij ingang, ventilator optioneel bij uitlaat). • passieve luchtstroom uit ventilatieopeningen.
Elektromagnetische interferentie en radiofrequentie-interferentieDit apparaat voldoet aan de toepasselijke EMC-voorschriften (elektromagnetische compatibiliteit). Om ervoor te zorgen dat de EMC-prestaties niet worden aangetast, gelden de volgende richtlijnen:• Gebruik een aparte accu voor de scheepsmotor. • minimaal 1 m tussen het apparaat, de kabels van het apparaat en zendapparatuur of kabels die radiosignalen doorgeven• minimaal 2 m tussen het apparaat, de kabels van het apparaat en de SSB-radio• meer dan 2 m tussen het apparaat, de kabels van het apparaat en de radarstraal.
9Veilige kompasafstandDe eenheid zendt elektromagnetische interferentie uit die tot onnauwkeurige metingen op een kompas in de buurt kunnen leiden. Om onnauwkeurigheid van het kompas te voorkomen, moet de eenheid ver genoeg worden gemonteerd, zodat de interferentie geen invloed heeft op de kompaswaarden. Zie de tabel met technische specicaties voor de minimale veilige afstand tot het kompas. Wi-Fi®Het is belangrijk dat u de Wi-Fi® prestaties op de door u gekozen locatie test voordat u het apparaat installeert. Het is belangrijk dat u uw landinstelling up-to-date houdt. Ga naar Instellingen > Voorkeuren > Land om de landinstelling van het apparaat te wijzigen. Bouwmateriaal (staal, aluminium of koolstof) en zware constructies zullen de Wi-Fi® prestaties beïnvloeden.
De volgende richtlijnen zijn van toepassing:• Selecteer een plaats met onbelemmerd vrij zicht tussen eenheden die via Wi-Fi® zijn verbonden. • zorg dat de afstand tussen de Wi-Fi®-eenheden zo klein mogelijk is• Monteer het apparaat op een afstand van ten minste 1 m van apparatuur die interferentie kan veroorzaken. GPSHet is belangrijk dat u de GPS-prestaties op de door u gekozen locatie test voordat u het apparaat installeert. Bouwmateriaal (staal, aluminium of koolstof) en zware constructies zullen de GPS-prestaties beïnvloeden. Vermijd een montageplek waar metalen obstakels het vrije zicht belemmeren. Slechte prestaties kunnen worden verholpen door een goed geplaatste externe GPS-module toe te voegen. ABCA Optimale locatie (boven dek)B Minder eectieve locatieC Niet aanbevolen locatie ¼ Opmerking: Houd rekening met zijwaarts zwenken als u de GPS-sensor hoog boven zeeniveau monteert.
Door rollen en stampen kunnen onjuiste posities worden verkregen en kan de feitelijke koers afwijken. TouchscreenDe werking van het touchscreen kan worden beïnvloed door de locatie van het apparaat. Vermijd locaties waar het scherm wordt blootgesteld aan direct zonlicht of langdurige regen.
10Steun achterzijde1 Breng de meegeleverde pakking (A) aan op het pakkingkanaal op de displayeenheid.2 Draai de vier (meegeleverde) schroefbouten (B) met de hand in de messing inzetstukken op de achterbehuizing en gebruik de meegeleverde inbussleutel (C) om deze vast te draaien.3 Plaats de displayeenheid in de uitsparing in het dashboard, breng de achtersteunen (D) over de bouten aan en draai ze rechtsom vast met twee vleugelmoeren (E) per bout. ⚠ WAARSCHUWING: Draai deze uitsluitend met de hand aan. Gebruik geen gereedschap om de achtersteunen in het schermframe vast te zetten. Als u te veel kracht uitoefent, kan de achterkant van de schermeenheid beschadigd raken. ACBBBBDEEDEEGimbalsteun1 Plaats de steun met voldoende hoogte om de eenheid te kantelen en zorg dat er aan beide zijden ruimte is voor knopaanpassingen.
Markeer de schroeocaties door de steun als sjabloon te gebruiken.2 Boor de geleidegaten.3 Schroef de steun vast met bevestigingsmateriaal dat geschikt is voor het materiaal waarop u de steun monteert. 4 Bevestig de eenheid met behulp de knoppen aan de steun. Draai deze uitsluitend met de hand vast. ¼ Opmerking: De 4 onderstaande schroeven zijn uitsluitend bedoeld ter illustratie. Gebruik geschikte bevestigingsmiddelen voor het montageoppervlak. Gebruik zoveel bevestigingsmiddelen als nodig voor een stevige installatie.1 2431 2 3
11BEDRADINGRichtlijnen voor de bekabelinggebruiken, controleer dan of deze de geschikte kwaliteit, lengte en dikte heeft voor het beoogde doel. Doe dit niet:• Maak geen scherpe knikken in de kabels. • • Plaats de kabels niet direct naast de radar, de zender of naast grote of hoogspanningskabels en kabels met een hoog frequentiesignaal.
• • Doe dit wel:• • r = 100 mm3 in• • Uitstekende kabels moeten worden voorzien van een passende krimpconnector of dicht worden onderdompeling in water te minimaliseren. • maken.
• ⚠ WAARSCHUWING: Schakel de stroom uit voor u met installeren begint. Als de stroom ingeschakeld blijft tijdens de installatie bestaat het risico van brand, elektrische schokken of andere ernstige verwondingen. Zorg dat het voltage van de stroomvoorziening compatibel is met dat van de eenheid. ⚠ WAARSCHUWING: De positieve voedingsdraad (rood) moet altijd met (+) DC worden verbonden met een zekering of een stroomonderbreker (die zo dicht mogelijk bij de stroomsterkte van de zekering komt). Raadpleeg het gedeelte Technische specicaties in dit document voor de aanbevolen stroomsterkte van de zekering.
12Voeding en andere bedieningselementenDe voedingsconnector dient voor voeding, voedingsregeling en een extern alarm of ping-synchronisatie voor de sonar.Details voedingsconnectorBCADA DC negatiefB Power ControlC 12 of 24 V DCD Extern alarm of ping-synchronisatie voor sonarVoedingsaansluitingDe eenheid is geschikt voor voeding door een systeem van 12 of 24 V DC.De eenheid is beveiligd tegen verwisseling van de polen, onderspanning en overspanning (voor een beperkte tijd).Op de positieve toevoer moet een zekering of stroomonderbreker worden geplaatst.
Raadpleeg het gedeelte met technische specicaties van dit document voor de stroomsterkte van de zekering.C A B A 12 of 24 V DC (rood)B DC negatief (zwart)C Zekering (raadpleeg het gedeelte Technische specicaties in dit document voor de aanbevolen stroomsterkte)In-/uitschakelen via schakeldraadDe gele draad in de voedingskabel kan worden gebruikt om te regelen hoe de eenheid wordt in- en uitgeschakeld.Aan/uit-knopDe eenheid wordt in- of uitgeschakeld door de aan/uit-knop op de eenheid in te drukken. Sluit de gele schakeldraad niet aan en dek het uiteinde af met tape of smelt het dicht om kortsluiting te voorkomen.In-/uitschakelen via voedingDe eenheid wordt in- of uitgeschakeld zonder de aan/uit-knop te gebruiken als stroom wordt toegevoerd/gestopt. Sluit de gele draad aan op de rode draad na de zekering.
¼ Opmerking: De eenheid kan niet worden uitgeschakeld met de aan/uit-knop, maar kan wel in de stand-bymodus worden gezet (achtergrondverlichting van het scherm gaat uit).AA Voeding (geel)
13In-/uitschakelen via contactschakelaarDe eenheid wordt ingeschakeld wanneer de contactschakelaar wordt omgedraaid om de motoren te starten. ¼ Opmerking: De startaccu's van de motor en de serviceaccu's dienen dezelfde aardaansluiting te hebben.ABA Voeding (geel)B ContactschakelaarVoeding bediend met voedingsbusDe gele schakeldraad kan worden gebruikt als invoer om de eenheid in te schakelen als stroom wordt toegevoerd, of als uitvoer om andere apparaten in te schakelen als de eenheid wordt ingeschakeld. Deze kan worden gecongureerd om de stroomvoorziening van schermen en compatibele apparaten te regelen. Ga hiervoor naar: Instellingen > Scheepsnetwerk > Apparaten > Dit apparaat > MFD > Toon details > Voedingsregeling.De eenheid kan worden ingesteld als een primaire of secundaire voedingsregeling.
Als de eenheid als primaire regeling is gecongureerd en met de contactsleutel wordt ingeschakeld, wordt er spanning op de voedingsbus gezet. Hierdoor worden andere primaire en secundaire eenheden ingeschakeld. Als de eenheid als secundaire voedingsregeling is ingesteld, kan deze niet worden uitgeschakeld met de eigen aan/uit-knop als een primaire voedingsregeling is ingeschakeld. Als alle primaire voedingsregelingen zijn uitgeschakeld, kunnen secundaire voedingsregelingen met hun eigen aan/uit-knop worden in- en uitgeschakeld. Hierdoor worden echter geen andere op de schakelbus aangesloten units ingeschakeld. BAAA Voedingsdraad (geel)B Voedingsregelingsbus
14Ping-synchronisatie voor sonar of extern alarmPing-synchronisatie voor sonarVerbind de blauwe draad van de voedingskabel met de ping-synchronisatiedraad van compatibele apparaten waarop sonar- of beeldvormingstransducers zijn aangesloten om interferentie te verminderen. Congureer het apparaat voor gebruik van de blauwe ping-synchronisatiedraad. Ga hiervoor naar: Instellingen > Scheepsnetwerk > Apparaten > Dit apparaat > MFD > Toon details > Ping-sync.BAAA Ping-synchronisatiedraad (blauw)B Ping-synchronisatiebus ¼ Opmerking: Als de blauwe draad wordt gebruikt voor ping-synchronisatie, kan er geen extern alarm worden geactiveerd.Extern AlarmSluit de blauwe draad van de voedingskabel aan op een externe zoemer of sirene om een extern alarm te activeren.
De instelling van ping-synchronisatie voor sonar moet zijn UITGESCHAKELD om de uitgang met blauwe draad van het externe alarm te kunnen gebruiken. Congureer het apparaat voor gebruik van de blauwe draad voor een extern alarm. Ga hiervoor naar: Instellingen > Scheepsnetwerk > Apparaten > Dit apparaat > MFD > Toon details > Ping-sync. A A B C A Uitgang externe alarm (blauw)B Sirene en relaisC Zoemer ¼ Opmerking: Gebruik een relais voor sirenes die meer dan 1 A afnemen.
15NMEA 2000®Via de NMEA 2000® datapoort kunt u gegevens uit verschillende bronnen ontvangen en delen, zoals opdrachten en statussen.Details connectorBACDEA AfschermingB NET-S (12 V DC)C NET-C (DC negatief)D NET-HE NET-LUSB De USB-poort kan worden gebruikt om het volgende aan te sluiten:• Opslagapparaat • Kaartlezer• Video-uitgang via een optionele adapter ¼ Opmerkingen: • USB-apparaten moeten standaard pc-compatibele hardware zijn.• Als u de functie voor video-uitvoer gebruikt, raden we u aan een externe GPS-module te gebruiken. Video-ingangDe eenheid moet worden uitgeschakeld voordat u een videokabel aansluit of losmaakt. ¼ Opmerking: Met HDCP versleutelde inhoud wordt niet ondersteund.Vereisten voor video-ingangskabelDe kwaliteit van het video-ingangssignaal kan afnemen bij een lange kabel. Gebruik alleen kabels van Navico Group of andere videokabels van hoge kwaliteit.
Kabels van externe partijen moeten worden getest voordat u deze gebruikt. Bij kabellengtes van meer dan 10 meter moet u mogelijk een videoversterker toevoegen of adapters voor video naar Cat6 gebruiken.EthernetDe Ethernet-poort(en) kan/kunnen worden gebruikt voor gegevensoverdracht en synchronisatie van door de gebruiker gemaakte gegevens. Er is geen speciale installatie vereist voor het opzetten van een Ethernet-netwerk. Het apparaat ondersteunt netwerksnelheden tot 1 Gbps op de X-gecodeerde M12 Gigabit Ethernet-connector (GbE). Dit maakt het gebruik van hoge bandbreedtes en geavanceerdere sensoren en apparaten mogelijk. De X-gecodeerde M12 GbE-connector is compatibel met gele 5-polige Ethernet-apparaten via een optionele adapter. In dat geval verzendt de X-gecodeerde M12 GbE-connector gegevens met een lagere snelheid.
17Gebruik niet meer dan één X-gecodeerde M12 GbE-connector naar een gele 5-polige Ethernet-adapter bij het aansluiten van apparaten.ABCADBCABBCCDA Gele 5-polige Ethernet-connectorB X-gecodeerde M12 GbE-connectorC M12 GbE naar gele 5-polige adapterD Gele 5-polige Ethernet-kabelGegevens Ethernet-connector (geel, 5-polig)ABCDEA Positief verzenden TX+B Negatief verzenden TX-C Positief ontvangen RX+D Negatief ontvangen RX-E AfschermingEthernet-hubSluit een Ethernet-hub aan als u verbinding wilt maken met meerdere netwerkapparaten. U kunt extra Ethernet-hubs toevoegen om het gewenste aantal poorten te bieden.
18Echosounder ¼ Opmerking: Het model NSS 4 No Sonar heeft geen echosounderpoorten. De echosounderfunctie kan worden toegevoegd met een optionele externe echosoundermodule. SonarOndersteunt:• Sonar / CHIRP sonar • DownScan / CHIRP DownScan ¼ Opmerking: Een 7-pins transducerkabel kan op een 9-pins poort worden aangesloten met een 7-pins naar 9-pins adapterkabel (artikelnummer 000-13313-001).
Als de transducer een sensor heeft voor de snelheid van het schoepenwiel, geeft de eenheid geen gegevens over de watersnelheid weer.Details van de sonarconnectorFGIACDEBHA Afvoer/aardeB Niet van toepassingC Niet van toepassingD Transducer -E Transducer +F Niet van toepassingG Niet van toepassingH Temp +I Transducer IDimagingOndersteunt:• Sonar / CHIRP sonar • DownScan / CHIRP DownScan• SideScan / CHIRP SideScan• Active Imaging/Active Imaging HD 3-in-1/TotalScan/StructureScan ¼ Opmerking: Een 7-pins transducerkabel kan op een 9-pins poort worden aangesloten met een 7-pins naar 9-pins adapterkabel (artikelnummer 000-13313-001).
19NMEA 2000® PLANNEN EN INSTALLERENEen NMEA 2000® netwerk bestaat uit een backbone-voedingskabel van waaruit netwerkkabels verbinding maken met NMEA 2000® apparaten. De backbone loopt gewoonlijk van de boeg naar de achtersteven, binnen 6 meter van de locaties van de aan te sluiten producten. De volgende richtlijnen zijn van toepassing:• De voedingsspanning moet 12 V DC (9 - 16 V DC) zijn. • De voedingsstroom mag niet hoger zijn dan 3 A. • Het spanningsverlies mag niet groter zijn dan 3% bij het aansluitpunt van de stroombron op de backbone (ABYC®E-11). • De totale lengte van de backbone mag niet meer zijn dan 100 meter. • Een netwerkkabel heeft een maximale lengte van 6 m (20 ft). De totale lengte van alle netwerkkabels samen mag niet meer zijn dan 78 m. • Aan elk uiteinde van de backbone moet een afsluitweerstand worden geïnstalleerd.
Dit kan een eindplug of een eenheid met een ingebouwde terminator zijn. AAAACCDBBBBEA NMEA 2000®-apparaatB NetwerkkabelC TerminatorD 12 V DC-voedingE BackboneNMEA 2000® netwerkvoedingVoor een NMEA 2000® netwerk is een eigen voeding van 12 V DC vereist die wordt beveiligd door een zekering van 3 A. ¼ Opmerking: Sluit de NMEA 2000® voedingskabel niet aan op de startaccu van de motor, de stuurautomaatcomputer, de boogschroenstallatie of andere hoogspanningsapparaten. Netwerkapparaten kunnen communicatiefouten ondervinden als ze minder dan 9,5 V DC ontvangen. Gebruik voor een betrouwbare en veilige werking een aangepaste accu- of voedingswaarde om het spanningsverlies in het netwerk te berekenen. Raadpleeg de documentatie van de fabrikant van de accu of voeding voor de correctiefactor. De berekening van het spanningsverlies is gebaseerd op de wet van Ohm.
1 LEN staat gelijk aan 50 mA (0,050 A). Raadpleeg de fabrikant van het netwerkapparaat voor de LEN-waarde. • Als de kabellengte wordt gemeten in voet, vermenigvuldigt u de kabellengte met 0,3. • Kabelweerstand (Z) voor elk type netwerkkabel:• Kabel voor licht gebruik = 0,057 ohm/meter• Kabel voor middelzwaar gebruik = 0,015 ohm/meter• Kabel voor zwaar gebruik = 0,012 ohm/meter.
21Geschat spanningsverliesLinks RechtsMinimale voedingsspanning (verlaagde toevoer)11 V DC 11 V DC3% verlies bij het aansluitpunt-0,33 V DC -0,33 V DCSpanningsverlies-0,688 V DC -0,439 V DCSpanning op het eindpunt9,982 V DC 10,231 V DCAls de spanning aan het eindpunt minder dan 9,5 V DC is, kunt u het volgende doen: • Verplaats het aansluitpunt van de voeding.• Gebruik NMEA 2000® kabels voor middelzwaar gebruik van Navico Group.• Voeg een CZone® Network Bridge Interface (NBI) toe op het midden van de NMEA 2000® bus. Sluit vervolgens de voeding aan in het midden van elke kant.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Simrad NSS 4 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden