REMKO VRS 170 Handleiding

REMKO Heater VRS 170

Bekijk gratis de handleiding van REMKO VRS 170 (24 pagina’s), behorend tot de categorie Heater. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 20 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over REMKO VRS 170 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/24
REMKO – sterk als een beer.
REMKO VRS INOX
Compacte olie/gasstookautomaten
Uitgave NL – P12
Bediening
Techniek
Vervangingsonderdelen

Beoordeel deze handleiding

4.1/5 (8 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Heater
Model: VRS 170

Handleiding REMKO VRS 170 – volledige tekst

3 * Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden! * pagina Veiligheidsinstructies 4 Beschrijving van de apparaten 4 Veiligheidsinrichting 5 Voorwaarden voor de opstelling 6 Afvoergasinstallatie 9 Opstelling en montage 10 Ingebruikname 11 Buitenbedrijfstelling 12 Verzorging en onderhoud 13 pagina Technische gegevens 14 Voorstelling van het apparaat 16 Lijst van vervangingsonderdelen 17 Schakelschema 230 V 18 Schakelschema 400V directe start 19 Schakelschema 400V Y/∆ start 20 Schakelschema 400V ventilatormotor 21 Eliminering van storingen 22 Onderhouds- en verzorgingsprotocol 23 Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz.

4 Bij de inzet van het apparaat moeten in principe altijd de plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften en de voorschriften van de beroepsvereniging in acht genomen worden. ◊ Voor onderhouds- of reparatiewerkzaamheden moe-ten de apparaten in principe van het stroomnet geï-soleerd worden. Zekeringen eruit draaien resp. de hoofdschakelaar op de plaats van installatie uitschakelen. * Het is niet voldoende om de apparaten uit te scha-kelen via de bedrijfsschakelaar. ◊ De apparaten mogen alleen bediend worden door personen die geïnstrueerd zijn in de bediening van de apparaten. ◊ De apparaten moeten zo worden opgesteld en wer-ken, dat personen niet in gevaar kunnen worden ge-bracht door stralingswarmte en er geen brand kan ontstaan.

◊ De apparaten mogen in gesloten ruimtes alleen worden opgesteld en werken, als de apparaten een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd. Als dit niet gegarandeerd kan worden, dan moet voor de brander een aparte aanzuiging van frisse lucht uit de open lucht geïnstalleerd worden. ◊ De apparaten mogen alleen op een niet-brandbare ondergrond worden opgesteld. ◊ De apparaten mogen alleen bevestigd worden aan stabiele constructies van niet-brandbare materialen met voldoende draagvermogen. ◊ De bevestiging moet worden uitgevoerd met draag-krachtige ankers, die aan het apparaat bevestigd moeten worden. ◊ De apparaten mogen niet in een omgeving worden opgesteld en werken waar brand- of explosiegevaar bestaat. ◊ De apparaten moeten buiten verkeerszones, b. v. ook van kranen, worden opgesteld. ◊ Er moet een veiligheidszone van 1 m worden vrijge-houden.

◊ De aanzuigbeschermroosters moeten altijd vrij van vuil en losse voorwerpen zijn. ◊ Nooit vreemde voorwerpen in de apparaten steken. ◊ De apparaten mogen niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal. ◊ Nooit water laten binnendringen in het inwendige van de apparaten.

◊ Alle elektrische kabels van de apparaten moeten te-gen beschadigingen (ook door dieren) beschermd worden. * De apparaten zijn niet bedoeld voor de verwarming van woonruimtes en dergelijke. * Veiligheidsinrichtingen mogen tijdens het bedrijf niet overbrugd noch geblokkeerd worden. Werking en opbouw De apparaten (warmeluchtgenerators) zijn geconcipi-eerd voor een universeel, volautomatisch en probleem-loos bedrijf. Ze worden direct gestookt met stookolie EL of aard-/vloeibaar gas. De apparaten zijn geconcipieerd voor het bedrijf met een aparte ventilatorbrander in het 1-traps bedrijf. Bran-ders voor een 2-traps bedrijf mogen ter vermijding van condensaatvorming alleen tijdens het startproces in het deellastbereik werken. De aansluiting van de apparaten aan een door de bou-winspectie toegelaten gasafvoerinstallatie is absoluut vereist.

De apparaten zijn uitgerust met 1-traps, geluids- en on-derhoudsarme radiale ventilators met aandrijfmotor en aangebouwde schakel- en regelapparatuur. De fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de geldende EU-voorschriften worden door de appara-ten volledig vervuld. Ze zijn bedrijfsveilig en eenvoudig te bedienen. Garanties voor een langdurig, foutloos bedrijf zijn de ro-buuste constructie en de schone verwerking van de uit hoogwaardige materialen vervaardigde apparaten. An-dere pluspunten zijn de eenvoudige, snelle en voordeli-ge montage en de onderhoudsvriendelijkheid van de apparaten. Doelmatig gebruik De apparaten zijn omwille van hun conceptie en uitrus-ting uitsluitend geconcipieerd voor verwarmings- en ventilatiedoeleinden in de industrie of de nijverheid.

5 Werkwijze Na het inschakelen van het apparaat door activering van de bedrijfsschakelaar in de stand „Verwarmen” resp. „I” schakelt de ventilatorbrander zich in. Bij de 400 V uitvoering licht ter controle de bedrijfs-lamp „Brander” aan de schakelkast op. De brandkamer met warmtewisselaar wordt nu opgewarmd. Na het bereiken van de vast ingestelde gewenste tem-peratuur schakelt de luchttoevoerventilator zich auto-matisch in. Bij de 400 V uitvoering licht bovendien ter controle de bedrijfslamp „Ventilator” aan de schakelkast op. Er wordt warme lucht uitgeblazen. Afhankelijk van de warmtebehoefte wordt het beschre-ven proces herhaald. Bij een verwarmingsbedrijf via ruimtethermostaat (bedrijfsschakelaar in de stand „Verwarmen” resp. „I”) geschiedt het proces, zoals hiervoor beschreven, volau-tomatisch al naargelang de betreffende warmtebehoefte.

Door de drievoudige combinatieregelaar en de brander-automaat (bestanddeel van de ventilatorbrander) wor-den alle functies van het apparaat volautomatisch uitge-voerd en veilig bewaakt. Na het uitschakelen van het apparaat via de bedrijfs-schakelaar of door de ruimtethermostaat loopt de lucht-toevoerventilator nog een bepaalde tijd na tot de brand-kamer resp. de warmtewisselaar zijn afgekoeld, en schakelt dan automatisch uit. Drievoudige combinatieregelaar volgens DIN 3440 Bij olie- of gasgestookte warmeluchtgenerators moeten conform DIN 3440 een temperatuurbewaker (brander-thermostaat) en een veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB) bij het overschrijden van een bepaalde uitblaas-temperatuur (grenswaarde) de brandstoftoevoer zelf-standig uitschakelen en vergrendelen. De 3 functies van de combinatieregelaar 1.

Ventilatorregelaar (TR) Regelt het in- en uitschakelen van de circulatie-luchtventilator. Het schakelpunt wordt ingesteld via de „Stelhefboom TR”. Gewenste waarde ca. 40 °C. 2. Temperatuurbewaker voor de brander (TB) De temperatuurbewaker begrenst de apparaat-/uitblaastemperatuur.

Het schakelpunt wordt inge-steld via de „Stelhefboom TW”. Gewenste waarde ca. 80 – 85 °C. 3. Veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB) Zorgt voor de controlefunctie van de temperatuurbe-waker. Schakelpunt vast ingesteld op 100 °C. Een herinschakelblokkering verhindert na reactie een nieuwe start van de brander. De reset-knop (RESET) moet van buiten, bij geslo-ten behuizingsdeksel, manueel geactiveerd worden. * Het apparaat mag nooit, behalve in noodsituaties, voor het aflopen van de hele nakoelfase van het stroomnet geïsoleerd worden. Bij eventuele onregelmatigheden of het doven van de vlam wordt de brander uitgeschakeld door de brander-automaat. De stoorlamp van de automaat en de rode stoorlamp „Brander” (alleen 400 V uitvoering) aan de schakelkast lichten op. Een nieuwe start kan pas geschieden na manuele ontgrendeling van de branderautomaat.

De veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB) onderbreekt de branderfunctie bij oververhitting. De manuele ont-grendeling van de VTB kan pas geschieden na afkoe-ling van het apparaat. De ventilatormotor (400 V uitvoering) wordt bewaakt door een thermisch overstroomrelais. Bij overbelasting van de motor wordt het bedrijf onder-broken door het relais en de rode stoorlamp „Ventilator” aan de schakelkast licht op. Een ontgrendeling is pas mogelijk na het openen van de schakelkast. * Voor het terugzetten van de VTB moeten de bedrijfs-voorwaarden van het apparaat gecontroleerd worden om te vermijden dat de VTB-temperatuur opnieuw wordt overschreden. * Voor de ontgrendeling van het overstroomrelais moeten de mogelijke oorzaken voor de stooruit-schakeling onderzocht worden. REMKO drievoudige combinatieregelaar TB TR VTB Afb. zonder behuizingsdeksel.

6 Belangrijke informatie over de combinatieregelaar De drievoudige combinatieregelaar heeft een voeler-zelfbewaking en is koudebestendig tot -20°C. Onder -20°C schakelt het apparaat uit, bij temperatuurstijging echter weer in. Het apparaat is weer volledig operatio-neel. Bij beschadiging van de voeler of van de capillaire buis en bij het bereiken van een temperatuur van ca. 220 °C loopt het vulmedium weg en de combinatieregelaar schakelt naar de veiligheidskant toe uit. De combinatie-regelaar is niet meer operationeel en moet vervangen worden. Neem de volgende instructies voor de vervanging van de drievoudige combinatieregelaar in acht. ◊ De capillaire buizen mogen bij de inbouw niet be-schadigd of scherphoekig geknikt worden. ◊ Er mag alleen worden gebogen aan de capillaire buis en niet aan de voeler.

◊ Voor een betrouwbare werking van het apparaat moe-ten de voelers altijd vrij in de warmeluchtstroom liggen. ◊ De voelers moeten altijd vrij van stof en vuil zijn. ◊ Capillaire buizen en voel n enkele be-ers mogen geeschadiging vertonen. ◊ De voelers mogen niet tegen de brandkamer of an-dere metalen delen aan liggen. * Bij een vervanging van de drievoudige combinatie-regelaar mag uitsluitend een origineel REMKO ver-vangingsonderdeel gebruikt worden. * Een zorgvuldige en deskundige installatie resp. montage moet absoluut gegarandeerd worden. Bij de opstelling van de apparaten moeten in principe de richtlijnen van de bouwverordening en de stookin-stallatieverordening van de betreffende deelstaat wor-den nageleefd. De Eerste verordeningen voor de uitvoering van de (Duitse) immissiebeschermingswet (1.

BImSchG) en de daarna uitgevaardigde wetgeving van de verordening over kleine stookinstallaties (1. BImSchV) moeten even-eens toegepast worden. Hierbij zijn warmeluchtgenerators echter speciaal uitge-zonderd van sommige punten. * De veiligheidsinrichtingen mogen tijdens het bedrijf van het apparaat niet overbrugd noch geblokkeerd worden.

* Er mogen uitsluitend bouwmodelgecontroleerde oliebranders (volgens DIN EN 267) in WLG uitvoering of gasbranders (volgens DIN EN 676) gebruikt wor-den. * Bij levering van de apparaten vanuit de fabriek met een olie- of gasventilatorbrander is een aparte ge-bruiksaanwijzing voor de brander bijgevoegd. Keuze van de opstellingsplaats Bij de keuze van de opstellingsplaats moeten de eisen worden afgestemd met het oog op: 1. brandveiligheid en bedrijfsgevaren 2. werking ruimteverwarming, vrijblazend of kanaalsysteem, (rekening houden met de drukverhouding in de op-stellingsruimte) 3. Bedrijfsvoorwaarden warmtebehoefte, nominale luchtvolumestroom, be-hoefte aan omgevings- of buitenlucht, luchtvochtig-heid, luchtverdeling, ruimtetemperatuur, plaatsbe-hoefte 4.

aansluitmogelijkheid aan een gasafvoerinstallatie Olie- en gasgestookte warmeluchtgenerators (ook met een nominale warmtecapaciteit van meer dan 50 kW) mogen in de regel met inachtneming van de stookin-stallatieverordening buiten verwarmingsruimtes worden opgesteld. De richtlijn van de bouwinspectie voor de „Opstelling en installatie van stookplaatsen“ moet in acht worden ge-nomen. Voor ruimtes waarin licht ontvlambare stoffen of meng-sels in zulke hoeveelheden verwerkt, opgeslagen of ge-produceerd worden, dat door een ontsteking gevaren ontstaan, mogen uitzonderingen gemaakt worden, als door adequate maatregelen gegarandeerd is, dat de stoffen of mengsels niet door de stookplaats kunnen ontbranden. * De apparaten moeten zo opgesteld en gemonteerd worden, dat ze gemakkelijk toegankelijk zijn voor be-wakings-, reparatie- en onderhoudswerkzaamheden.

) (1) Voor van de ruimtelucht afhankelijke stookplaatsen met een totale nominale warmtecapaciteit van maxi-maal 35 kW geldt de verbrandingsluchttoevoer als aangetoond als de stookplaatsen zijn opgericht in een ruimte die: 1. minstens één deur naar de open lucht of een raam dat kan worden geopend (ruimtes met verbinding naar de open lucht), en een ruimte-inhoud van min-stens 4 m3 per kW totale warmtecapaciteit heeft, of 2. een naar de open lucht leidende opening met een binnenwerks diameter van minstens 150 cm 2 of twee openingen van elk 75 cm2 of leidingen naar de open lucht met stromingstechnisch equivalente diameters heeft.

7 (3) Voor van de ruimtelucht afhankelijke stookplaatsen met een totale nominale warmtecapaciteit van meer dan 50 kW geldt de verbrandingsluchttoevoer als aangetoond als de stookplaatsen zijn opgericht in ruimtes die een naar de open lucht leidende opening of leiding hebben. De diameter van de opening moet minstens 150 cm2 en voor elke boven 50 kW nominale warmtecapaci-teit uit gaande kW nominale warmtecapaciteit 2 cm2 meer bedragen. De leidingen moeten stromingstechnisch equivalen-te afmetingen hebben. De vereiste diameter mag ten hoogste verdeeld zijn over twee openingen resp. leidingen. (4) Verbrandingsluchtopeningen en -leidingen mogen niet afgesloten of dichtgezet worden, voorzover niet door speciale veiligheidsinrichtingen gegarandeerd is dat de stookplaats alleen kan werken bij geopen-de afsluiting. De vereiste diameter mag door de afsluiting of tra-lies niet vernauwd worden.

(5) Afwijkend van de paragrafen 1 tot 3 kan voor van de ruimtelucht afhankelijke stookplaatsen een toerei-kende verbrandingsluchttoevoer op een andere ma-nier worden aangetoond. Bijvoorbeeld door: Een aan de brander of de bekleding ervan aangeslo-ten doorlopende leiding met een toereikende diame-ter naar de open lucht. Deze moet zijn aangepast aan de beschikbare zuigcapaciteit van de brander en de leidingweerstanden (inclusief die van het aan-zuigbeschermrooster), zodat een foutloze verbran-ding gegarandeerd is. Opstelling Gelieve de volgende punten in acht te nemen. ◊ De apparaten mogen in ruimtes alleen dan worden opgesteld en werken als de apparaten een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd en de afvoergassen via een gasafvoerin-stallatie naar de open lucht worden geleid.

een gelijktijdig bedrijf van de apparaten en de luchtafzuigende installatie(s) door veiligheidsin-richtingen verhinderd wordt, 2. de gasafvoer door speciale veiligheidsinrichtingen bewaakt wordt, 3. de afvoergassen van de apparaten via de luchtaf-zuigende installatie(s) afgevoerd worden of 4. door de constructie of de afmetingen van de in-stallatie gegarandeerd is dat er geen gevaarlijke onderdruk kan ontstaan. ◊ De apparaten moeten stabiel op een geschikte, niet-brandbare ondergrond en buiten verkeerszones, b. v. ook van kranen, opgesteld worden. ◊ De apparaten moeten zo worden opgesteld en werken, dat personen niet in gevaar worden gebracht door afvoergassen en stralingswarmte en er geen brand kan ontstaan. ◊ De apparaten moeten zo worden opgesteld, dat er geen gevaren of ontoelaatbare belastingen, b. v. schokken, slingeringen of geluiden, van uitgaan.

◊ De apparaten moeten zo opgesteld en gemonteerd worden, dat ze gemakkelijk toegankelijk zijn voor reparatie- en onderhoudswerkzaamheden. ◊ Bedieningselementen die als ze ondeskundig geactiveerd worden, tot gevaarlijke bedrijfstoestan-den kunnen leiden, moeten, voorzover ze algemeen toegankelijk zijn, tegen onbevoegde activering beschermd worden. ◊ Een directe aanzuiging van de buitenlucht is met de standaard brandkamer niet aanbevelenswaardig. Bij de montage van mengluchtkleppen (toebehoren) moeten deze contraroterend gekoppeld zijn. Het aandeel toegevoerde frisse lucht mag 30 % niet overschrijden. ◊ De apparaten mogen niet worden opgesteld en werken in ruimtes en omgevingen waar brand- of explosiegevaar bestaat. * De apparaten zijn geschikt voor het gebruik van toebehoren aan aanzuig- en uitblaaskant.

* De apparaten zijn niet geschikt voor de uitsluitende inzet als luchttoevoerapparaten. Montage op de vloer De apparaten moeten stabiel, op een niet-brandbare ondergrond en buiten verkeerszones, b. v. van kranen, worden opgesteld.

Om de apparaten te beschermen tegen beschadigingen in industriële ruimtes, voor het ongehinderde onderhoud en reparatie aan het apparaat en de brander en evt. voor het ongehinderde aanzuigen en uitblazen van de lucht moet er een veiligheidszone van 1 m rond de apparaten vrijgehouden worden. De veiligheidszone moet door een informatiebord met het volgende opschrift worden aangeduid: Een vaste afgrenzing voor vaak bereden zones wordt aanbevolen. „Veiligheidszone, 1 m afstand vrijhouden. ”.

8 Montage aan de muur De voor de montage voorziene muur moet uit niet-brandbare materialen bestaan. De belastbaarheid er-van moet gecontroleerd worden, eventueel moeten er versterkingen worden aangebracht. De consoles moeten voldoende aan de muur verankerd en de apparaten er veilig op bevestigd zijn. Er moet voldoende vrije ruimte voor onderhoudsmoge-lijkheden voorzien worden voor warmtewisselaar, bran-der, ventilator en gasafvoerinstallatie. Neem absoluut de volgende instructies in acht. ◊ Bedieningsinrichtingen voor apparaat en brandstof-toevoer moeten van op de grond geactiveerd kun-nen worden. ◊ Als er hulpmiddelen nodig zijn voor bewakings-, on-derhouds- en reparatiewerkzaamheden, dan moeten deze door de exploitant beschikbaar worden ge-steld.

Montage van hangende apparaten De apparaten mogen alleen aan draagkrachtige con-structies of plafonds van niet-brandbare materialen met voldoende draagvermogen bevestigd worden. De bevestiging moet worden uitgevoerd met draag-krachtige ankers, die aan het apparaat bevestigd moe-ten worden. Bovendien moeten de in de paragraaf „Montage aan de muur” opgesomde eisen in acht worden genomen. Brandstoftoevoer De brandstoftoevoer moet geïnstalleerd worden met in-achtneming van DIN 4755 voor oliegestookte WLG, van DIN 4756 resp. van het DVGW werkblad G 600 voor gasgestookte WLG en van de TRF voor vloeibaar gas. Met name bij stookolieleidingen moet men ervoor zor-gen dat de diameter ervan voldoende groot wordt geko-zen. Bij de vastlegging ervan moet men rekening hou-den met de zuighoogte, de totale leidingweerstanden en verhoogde viscositeit bij lagere temperaturen.

Ruimteverwarming De apparaten mogen in gesloten ruimtes of hallen al-leen werken met een ruimtethermostaat. Elektrische installatie Voor de volgens DIN EN 60335-1 en VDE 0116 uit te voeren elektrische installatie moet gecontroleerd wor-den of een ontoelaatbare onderspanning als gevolg van ook maar kortstondige netoverbelasting mogelijk is. Voor de aansluiting van de apparaten moeten leidingdi-ameters gelegd worden, die ook bij het starten van de ventilator geen ontoelaatbare daling van de spanning tot gevolg hebben. Bij de aansluiting van de apparaten in 400 V uitvoering moet op de correcte fasevolgorde van het draaiveld gelet worden. Een niet correct uitgevoerde aansluiting kan een verkeerde draairichting van de ventilator tot ge-volg hebben.

Bij apparaten met een nominale warmtecapaciteit van meer dan 50 kW moet er een noodschakelaar worden aangebracht op een goed toegankelijke plaats in de op-stellingsruimte. * Alle schakelaars moeten, indien algemeen toegankelijk, tegen beschadiging en onbevoegd gebruik beschermd worden. Jaarlijkse controle en onderhoud De apparaten moeten al naargelang de inzetvoorwaar-den indien nodig, minstens echter eenmaal per jaar, door een deskundige op werkveilige toestand gecontro-leerd worden. De exploitant moet de installatie omwille van de operati-onaliteit, bedrijfsveiligheid, zuinigheid en de naleving van de emissiegrenzen minstens eenmaal per jaar door iemand die daar van de fabrikant opdracht toe heeft ge-kregen, of door een andere deskundige laten controle-ren. Voor de meting van de verbrandingswaarden moet te werk worden gegaan volgens de wetgeving van de BImSchV.

Bij geconstateerde gebreken moet de exploitant erop gewezen worden dat hij een onmiddellijke reparatie resp. een vervanging van modules laat uitvoeren.

Hiervoor geldt: Reparatiewerkzaamheden aan begrenzingsinrichtin-gen, zelfinstelorganen en vlambewakingsinrichtin-gen en aan andere veiligheidsinrichtingen mogen alleen door de betreffende fabrikant of diegene die hij daar opdracht toe heeft gegeven, aan de betref-fende inrichting worden uitgevoerd. * De apparaten worden uitsluitend industrieel en ambachtelijk gebruikt. Ze zijn niet bedoeld voor de verwarming van woonruimtes en dergelijke.

9 WS-1000-E WS-ÜGI-D AS-ME-D AS-1000-D AS-T90-D AS-RT-D AS-GI-D AS-WK-D Staande montage AS-500-E AS-ÜGI-D AS-ME-D AS-1000-D AS-T90-D AS-RT-D AS-GI-D AS-WK-D AS-RB90-E Liggende montage wandconsole Gasafvoerinstallaties zijn constructies in of aan gebou-wen, die er uitsluitend voor bestemd zijn om afvoergas-sen van stookplaatsen veilig af te voeren boven het dak. Voor de planning en installatie van gasafvoersystemen zijn van bijzonder belang: ◊ de betreffende stookinstallatieverordening (FeuVo) ◊ de betreffende bouwverordening ◊ DIN 18160 deel 1, planning en uitvoering ◊ DIN 4705 Teil 1, stooktechnische berekening ◊ Technische regels voor gasinstallatie DVGW-TRGI 1996 * Voor de installatie van het gasafvoersysteem moet in elk geval een vergunning worden aangevraagd. Het apparaat moet in de regel worden aangesloten aan een geschikte en qua constructie toegelaten gasafvoer-installatie.

Houd bij de planning van de gasafvoerinstallatie reke-ning met de volgende punten: ◊ De installatie en montage van de gasafvoerinstalltie moet worden uitgevoerd volgens de geldende voor-schriften. ◊ Elke stookplaats moet een eigen schoorsteen heb-ben. Het samenstellen van schoorstenen uit staal-plaat is niet toegelaten. ◊ De afmetingen van de gasafvoerleiding moeten zijn aangepast aan de capaciteit en de bouwhoogte van de apparaten. ◊ Gasafvoerinstallaties moeten wat betreft binnen-werks diameter en hoogte zulke afmetingen hebben, dat de afvoergassen bij alle doelmatige bedrijfstoe-standen naar de open lucht worden afgevoerd en er tegenover ruimtes geen gevaarlijke positieve druk kan optreden. Daarvoor moet, voorzover vereist, ook rekening worden gehouden met de weerstand tegen warmtedoorgang en het inwendig oppervlak.

door valwinden of van aan-grenzende gebouwen, te verwachten zijn, dan moet de schoorsteenkop dienovereenkomstig ontworpen worden. ◊ In dakconstructies moet de gasafvoerinstallatie door een mantelbuis of een schacht geleid worden om een vrije uitzetting van de gasafvoerleiding bij ver-warming mogelijk te maken. ◊ De aansluiting van de apparaten moet dicht uitge-voerd en door een klinknagel resp. schroef tegen on-opzettelijk loskomen beveiligd worden. ◊ Er moet bij voorkeur een zo kort mogelijk horizontaal gasafvoertraject voorzien worden. ◊ Er moet een herafsluitbare meetopening op een af-stand van 2 x ∅ gasafvoerbuis achter de aansluiting van de apparaten voorzien worden. Onder bepaalde omstandigheden is ook een meting aan de monding van de gasafvoer mogelijk.

10 Thermostaataansluiting De ruimtethermostaat (toebehoren) moet worden aan-gebracht op een voor de temperatuurregeling gunstige plaats. De thermostaatvoeler mag niet rechtstreeks zijn bloot-gesteld aan een bijzondere koude of warme lucht-stroom. Bij de installatie van een automatische dag / nacht tem-peratuurregeling (toebehoren) moet eveneens zo te werk worden gegaan. 400 V / 3~ uitvoeringen De aansluiting van een ruimtethermostaat of een dag / nacht temperatuurregeling gebeurt bij deze uitvoerin-gen aan de betreffende contactstrips. Voer de aansluiting als volgt uit: Verwijder de brug en bezet de klemmen met de bijho-rende draden van de regeling. Aansluiting van de ventilatormotor De apparaten zijn in de fabriek volledig bedraad. Bij evt. veranderingen aan of vervanging van de ventila-tormotoren moet op de juiste motoraansluiting gelet worden.

Opstelling van het apparaat Bij de opstelling van het apparaat moeten in principe de voor de betreffende deelstaat geldende voorschriften en verordeningen in acht worden genomen. Neem bovendien de volgende punten in acht. ◊ Verwijder in principe het transportpalet resp. het hout voor de opstelling. ◊ Stel de apparaten stabiel op. ◊ Stel de apparaten bij een montage op de vloer veilig en spanningsvrij op, bij voorkeur op een aparte sokkel. ◊ Zorg ervoor dat de ventilatorcapaciteit (nominale druk) wordt aangepast aan de betreffende weer-standen aan luchtkant. Nominale stroom meten. ◊ Zorg voor een vrije luchtaanzuiging en -uitblazing. ◊ Zorg voor een toereikende toevoer van verbran-dingslucht. ◊ Installeer een frisseluchtaanzuiging voor de brander, indien in de opstellingsruimte over- of onderdruk resp. sterke luchtverontreinigingen optreden.

Er moet rekening worden gehouden met de weer-stand aan zuigkant en de ventilatorcapaciteit moet dienovereenkomstig worden aangepast. Trek de brugstekker eraf en verbind de thermostaatstekker 2 met de thermo-staatcontactdoos 1 aan de schakelkast. Bij gebruik van regelapparaten zonder standaard thermostaatstekker is deze verkrijgbaar als toebehoren (EDV-nr. 1101020). 2 1 Gasafvoeraansluiting De uitvoering moet overeenkomen met DIN 18160 deel 1, de afmetingen met DIN 4705 deel 1. ◊ Een reglementaire afvoergasgeleiding moet gega-randeerd zijn. ◊ De gasafvoeraansluiting moet deskundig volgens de geldende voorschriften worden uitgevoerd. ◊ De gasafvoeraansluiting mag alleen gebeuren aan een reeds goedgekeurde gasafvoerinstallatie. * De lucht mag uitsluitend worden aangezogen via de voorziene aanzuigopeningen.

Als de bodem van het apparaat niet is ontworpen als aanzuigvariant, dan moet deze in principe ter vermijding van de aanzuiging van valse lucht afgesloten zijn. Elektrische installatie De elektrische aansluiting van de apparaten moet wor-den uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel vol-gens DIN EN 60335-1 en VDE 0116. ◊ Er moet een noodschakelaar worden aangebracht op een goed toegankelijke plaats bij apparaten met een nominale warmtecapaciteit van meer dan 50 kW. ◊ De noodschakelaar moet beschermd worden tegen onbevoegde activering. 230 V / 1~ uitvoering De aansluiting van een ruimtethermostaat of een dag / nacht temperatuurregeling gebeurt bij de schakelkasten van de 230 V / 1~ uitvoering aan de standaard voorhan-den thermostaatcontactdoos. Voer de aansluiting als volgt uit: 1 brug 2 contactstrip X2 400 V / 3~ directe start 400 V / 3~ Y / ∆ start 1 brug 2 contactstrip X2.

11 Gasaansluiting Al naargelang de capaciteit van het apparaat moet tij-dens het bedrijf van het apparaat een toereikende hoe-veelheid gas en de vereiste gasdruk voortdurend be-schikbaar zijn. ◊ De installatie van de gasaansluiting moet worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel. ◊ DIN 4756 resp. het DVGW-werkblad G 600 voor gasgestookte warmeluchtgenerators en de TRF voor vloeibaar gas moeten in acht worden genomen. ◊ Gasdrukregelapparaten en afsluitkranen moeten in principe op de plaats van installatie beschikbaar worden gesteld. ◊ De leidingdiameter moet gekozen worden met het oog op de aansluitwaarde van het apparaat, de tota-le leidingweerstand en de hoogte van de gasvoordruk. Ingebruikname van de ventilatormotor Controle van de aandrijving 1. Controleer de goede bevestiging van de bevesti-gingsschroeven van de hele aandrijving. 2.

Controleer de voorspanning van de aandrijfriem. 3. Controleer de draairichting van de ventilator. Meten van de nominale stroom en van de krachtont-neming 1. Open ter vermijding van foutieve metingen de roos-ters in het luchtkanaal resp. de uitblaaskap en mon-teer alle voorziene aanzuig- resp. blinde platen aan het apparaat. 2. Controleer de netspanning. 3. Voer de vereiste metingen en instellingen uit. – Directe start De gemeten nominale stroom mag de op het type-plaatje van de motor opgegeven waarde niet over-schrijden. Het thermische overstroomrelais instellen over-eenkomstig de nominale stroom van de aandrijf-motor. – Y / ∆ start De gemeten nominale stroom mag de op het type-plaatje van de motor opgegeven waarde niet over-schrijden. De nominale stroom vermenigvuldigen met de fac-tor 0,58 en het thermische overstroomrelais instel-len op de berekende waarde.

* Voor de eerste ingebruikname moet de gastoevoer-leiding grondig gereinigd en op dichtheid gecontro-leerd worden. Stookolieaansluiting Er moet worden gezorgd voor voldoende brandstoftoe-voer.

◊ De zuigleiding moet in de tank in principe van een voetklep voorzien worden. ◊ Ook bij lage buitentemperaturen moet een toerei-kende hoeveelheid vloeiende stookolie beschikbaar zijn. Paraffinevorming kan reeds (al naargelang de stookoliekwaliteit) optreden vanaf ca. 5 °C. Om dit te vermijden moeten er adequate maatrege-len worden getroffen. Installatie van de brander De vanuit de fabriek geleverde ventilator-oliebrander wordt aan de voorkant van het apparaat gemonteerd met een klemflens. Neem absoluut de volgende instructies in acht: ◊ Er mogen uitsluitend bouwmodelgecontroleerde olie-branders (volgens DIN EN 267) in WLG-uitvoering of gasbranders (volgens DIN EN 676) gebruikt worden. ◊ Een capaciteitsbegrenzing in het 1-traps branderbe-drijf voor warmeluchtgenerators (WLG) is niet vereist. ◊ De brander moet absoluut worden ingesteld op de volle warmtecapaciteit van het apparaat.

◊ De brandkamer mag niet onderbelast worden. ◊ De afvoergastemperatuur moet ca. 160 Kelvin bo-ven de ruimtetemperatuur liggen. Er bestaat het gevaar van condensaatvorming. ◊ Neem de gebruiksaanwijzing van de vanuit de fa-briek geleverde brander in acht. ◊ Bij de inzet van branders van andere fabrikaten moet absoluut gegarandeerd zijn dat ze bruikbaar zijn voor het apparaat. Thermisch overstroomrelais Door een zekering eruit te nemen kan de werking van het overstroomrelais resp. de instelwaarde ervan ge-controleerd worden. Bij goede werking resp. instelling moet het relais na ca. 30 seconden reageren. Opgelet, belangrijke aanwijzing. Het thermisch overstroomrelais mag alleen in hand-stand (H) bediend worden. Het relais mag na afkoeling niet automatisch weer inschakelen. In de automatische stand (A) kan motorschade het ge-volg zijn. Er bestaat geen recht op garantie.

12 Eerste ingebruikname De eerste ingebruikname van het apparaat en zijn ven-tilatorbrander moet gebeuren door de fabrikant of een andere door deze aangewezen geautoriseerde deskun-dige. Daarbij moeten alle regel-, besturings- en veilig-heidsinrichtingen op hun werking en juiste instel-ling gecontroleerd worden. ◊ De ingebruikname van olie- en gasgestookte ap-paraten moet altijd gebeuren door geautoriseerd vakpersoneel. ◊ Controleer de goede bevestiging van alle schroe-ven en moeren van de ventilator- en branderbe-vestiging. ◊ Open evt. de uitblaasroosterlamellen en stel deze in conform de eisen. ◊ Controleer de instellingen aan de drievoudige combinatieregelaar. ◊ Schakel de hoofdschakelaar op de plaats van in-stallatie resp. de zekering in. ◊ Stel de ruimtethermostaat hoger in dan de ruim-tetemperatuur. ◊ Open de brandstoftoevoer en zet de bedrijfsscha-kelaar in de stand „Verwarmen“.

Bij een vanuit de fabriek geleverde oliebrander start de brander, door de standaard olievoorver-warming (tot VRS 50), met een vertraging. ◊ Stel het stookolie- resp. gasdebiet in conform de warmtebelasting van het apparaat. Zie typeplaatje van het apparaat. ◊ Stel de brander conform de opgaven van de fa-brikant in op optimale waarden, minstens echter op die van de (Duitse) immissiebeschermingswet. ◊ Meet de schoorsteentrek in koude en warme toe-stand. ◊ Stel een meetprotocol op en overhandig het de exploitant ter bewaring en maak de exploitant vertrouwd met de installatie. ◊ Leg de bevoegde autoriteiten de verklaring van het vakbedrijf en het ondernemerattest van de betreffende installatievakbedrijven voor. De luchttoevoerventilator loopt voor de afkoeling van de warmtewisselaar verder en kan tot aan het definitie-ve uitschakelen meermaals starten.

Verwarmingsbedrijf Het apparaat werkt volautomatisch, overeenkomstig de gewenste ruimtetemperatuur. Breng het apparaat als volgt in het verwarmingsbedrijf. 1.

Schakel de hoofdschakelaar op de plaats van installatie resp. de zekering in. 2. Open de brandstoftoevoer. Bij langere bedrijfsonderbrekin-gen moet de hoofdschakelaar op de plaats van installatie resp. de zekering na de buitenbedrijfstel-ling uitgeschakeld en de brand-stoftoevoer afgesloten worden. 5. Houd er rekening mee dat de ventilatorbrander bij warmtebehoefte automatisch inschakelt, de luchttoe-voerventilator echter pas na het bereiken van de ge-wenste temperatuur ingeschakeld wordt. Hierdoor wordt het ongewenste uitblazen van koude lucht vermeden. 3. Schakel de bedrijfsschake-laar aan de schakelkast in stand „Verwarmen“, resp. „I“. 4. Stel de ruimtethermostaat in op de gewenste ruimtetemperatuur. Ventileren Het apparaat werkt als continue ventilatie. Een thermostatische regeling is niet mogelijk. Schakel de bedrijfsschakelaar aan de schakelkast in de stand „0“.

Schakel de bedrijfsschakelaar aan de schakelkast in de stand „Ventileren” resp. „II“. * Het apparaat mag nooit voor het aflopen van de he-le nakoelfase (behalve in noodgevallen) uitgescha-keld worden met de hoofd- of noodschakelaar. Belangrijke informatie over corrosie in de warmtewisselaar ◊ Houd er rekening mee dat het afvoergastempera-tuurverschil niet lager mag zijn dan 160 Kelvin. U verhindert zo het gevaar van een daling onder het dooipunt en de daaruit resulterende corrosie in de warmtewisselaar. ◊ Als het apparaat niet wordt ingesteld op zijn nomina-le warmtecapaciteit of voor de vereiste warmtebe-hoefte te groot ontworpen is, dan werkt de brander alleen in het klokbedrijf. Aangezien de vereiste be-drijfstemperatuur in het klokbedrijf niet wordt bereikt, ontstaat er een verhoogde vorming van condensaat en een versterkte corrosie in de warmtewisselaar.

13 Roetafzettingen Reeds door geringe afzettingen van roet vindt er een isolatie van de verwarmingsoppervlakken en zo een verslechtering van het stooktechnisch rendement plaats. Een roetlaag met een dikte van 1 mm heeft reeds een verhoging van de afvoergastemperatuur met ca. 50 K tot gevolg (z. diagram). Reiniging van brandkamer en warmtewisselaar 1. Isoleer het apparaat van het stroomnet. 2. Demonteer de brander met de branderplaat 6 en de dichting 7. 3. Demonteer de volgende onderdelen: – bekledingsplaat resp. -platen, vooraan boven (niet afgebeeld), – revisiedeksel vooraan 1, – bekledingsplaat, aan de zijkant bovenaan (niet afgebeeld), – revisiedeksel aan de zijkant 4. 4. Trek de rookgasremmen 3 uit de warmtewisselaar-buizen en reinig resp. vervang de rookgasremmen. 5. Reinig de warmtewisselaarbuizen met een geschik-te reinigingsborstel van resten. 6.

Verwijder de verbrandingsresten met een stofzuiger uit de voorste en achterste verzamelbak. Een speciale ketelreinigingsset is als toebehoren ver-krijgbaar bij de industriële zuiger van REMKO. 7. Verwijder de verbrandingsresten in de brandkamer door de brandkameropening. Met reinigingsborstel en REMKO industriële zuiger. 8. Monteer alle delen weer in omgekeerde volgorde. 9. Let op de correcte bezetting van de wisselbuizen en de correcte zitting van de dichtingen 2 + 5. Beschadigde of vervormde dichtingen moeten ver-vangen worden. 10. Monteer de brander met branderplaat. Indien vereist, de dichting 7 vervangen. 11. Voer een branderonderhoud conform de aparte ge-bruiksaanwijzing uit. ◊ Het hele apparaat, inclusief warmtewisselaar, brand-kamer en ventilatorbrander, moet ontdaan worden van aanhechtend stof en vuil.

, moeten gecontroleerd en evt. vervangen worden. ◊ De begrenzing van de afvoergasverliezen moet con-form § 1 lid 1 van de verordening over kleine stook-installaties 1. BImSchV nageleefd worden. ◊ Als de bedrijfsafhankelijke reinigings- en branderin-stelintervallen niet worden aangehouden, dan ver-valt elk recht op garantie. ◊ Het bewijs van de uitgevoerde werkzaamheden door geautoriseerd vakpersoneel, naast de gebruikelijke protocollen, is daarom dwingend vereist. ◊ Het wordt aanbevolen om voor de regelmatig terug-kerende onderhouds- en reinigingswerkzaamheden een onderhoudscontract af te sluiten. * Instel- en onderhoudswerkzaamheden aan het ap-paraat en aan de ventilatorbrander mogen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel.

De exploitant moet de installatie omwille van de operati-onaliteit, bedrijfsveiligheid, zuinigheid en de naleving van de emissiewaarden minstens eenmaal per jaar door een geautoriseerde deskundige laten controleren. * Voor onderhouds- of reparatiewerkzaamheden moeten de apparaten in principe van het stroomnet geïsoleerd worden. Het is niet voldoende om de apparaten uit te scha-kelen via de bedrijfsschakelaar. * Controleer de foutloze werking van de brander en alle regelinrichtingen en stel de brander in conform de 1. BImSchV. 3 2 4 5 1 6+7 Afb. VRS 130 Stijging van de afvoergastemperatuur [K] Roetlaagdikte [mm] Rendementsverlies [%].

18 Ventilatormotor: 230 V / 1~ Brandermotor: 230 V / 1~ C condensator KB REMKO drievoudige combinatieregelaar KL contactstrip in de schakelkast M ventilatormotor RT thermostaatcontactdoos S bedrijfsschakelaar SK schakelkast VTB veiligheidstemperatuurbegrenzer TR ventilatorregelaar TB temperatuurbewaker WS Wieland-stekker (alleen bij branderlevering vanuit de fabriek) Er moet een noodschakelaar worden aangebracht op een goed toegankelijke plaats van de opstellingsruimte (maar wel buiten een evt. gevarenzone). Deze moet tegen beschadiging en onbevoegd gebruik beschermd worden! * De elektrische aansluiting van de apparaten moet gebeuren door geautoriseerd vakpersoneel volgens DIN 57116 / VDE 0116. Maat- en constructiewijzigingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden.

een dag / nacht regeling wordt aangesloten, dan moet de brug uit de fabriek tussen de klemmen 1 en 2 van de contact-strip X2 verwijderd worden. X1 1 2 3 4 5 6 PE7PEU V WPEL1 L2 L3 Nbauseitige ZuleitungVentilatormotorPEX2 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10nummeriertesBrennerkabelRaumthermostat bzw.Tag / Nacht RegelungDreifach KombinationsreglerPES3 B4 PEL1 NPE PEWerkseitig vorbereitet zumAnschluß des Wielanssteckerslokale voedingsleiding ventilatormotor ruimtethermostaat resp. dag/nacht regeling drievoudige combinatieregelaar genummerde branderkabel vanuit de fabriek voorbereid vvoor de aansluiting van de Wieland-stekker N PEX11 2 3 PE4F1123456K1123456F212345695969897MU V WX25 6 7 PEF312S112 3H112H212AusLüften HeizenK1A1A2H3125 6TR43TW STBC° C°C°KBPEC°RTX21 2 PEL1 L2 L3H412OptionalhP7 8 9 10 PEL1 N T1 T2 S3 B4 PE400 V / 50 Hz / 3~ N PE motor optioneel: ruimtethermostaat resp.

20 Ventilatormotor: 400 V / 3~ (vanaf 3,0 kW) Brandermotor: 230 V / 1~ Y / ∆ Maat- en constructiewijzigingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden. contactstrips in de schakelkast X1 1 2 3 4 6 7 PEU1 V1 W1PEL1 L2 L3 Nbauseitige ZuleitungVentilatormotor8 9PE 5 10 11 12V2 U2 W2PEPE13 14PEL1 L2 L3 NÜberstromrelaisBrennerAls er een ruimtethermostaat resp. een dag / nacht regeling wordt aangesloten, dan moet de brug uit de fabriek tussen de klemmen 1 en 2 van de contactstrip X2 verwijderd worden. X2 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10nummeriertesBrennerkabelRaumthermostat bzw.Tag / Nacht RegelungDreifach KombinationsreglerPES3 B4 PEL1 NPE PEWerkseitig vorbereitet zumAnschluß des Wielanssteckerslokale voedingsleiding ventilatormotor ruimtethermostaat resp.

21 F1 zekeringblok, ventilatormotor F2 zekeringblok, brandermotor (optioneel) F3 therm. overstroomrelais, ventilatormotor F4 regelzekering H1 stoorlamp ventilator H2 bedrijfslamp ventilator H3 bedrijfslamp brander H4 stoorlamp brander KB REMKO drievoudige combinatieregelaar K1 schakelbeveiliging net K2 schakelbeveiliging driehoek K3 schakelbeveiliging ster K4 tijdrelais M1 ventilatormotor RT ruimtethermostaat resp. regeling (optioneel) Ventilatormotor: 400 V / 3~ (vanaf 3,0 kW) Brandermotor: (400 V / 3~ optioneel) P bedrijfsurenteller (optioneel) S1 bedrijfsschakelaar VTB veiligheidstemperatuurbegrenzer TR ventilatorregelaar TB temperatuurbewaker X1 contactstrip 1 in de schakelkast X2 contactstrip 2 in de schakelkast Bij apparaten met een nominale warmtebelasting vanaf 50 kW moet er een noodschakelaar worden aange-bracht op een goed toegankelijke plaats in de opstel-lingsruimte.

22 ◊ Controleer de capillaire buizen resp. voelers van de drievoudige combinatieregelaar op beschadiging en correcte positionering van de voelers. ◊ Controleer of de stoorlamp van de branderautomaat brandt. ◊ Ontgrendel de branderautomaat door de stoorknop in te drukken, indien de stoorlamp brandt. De stoorlamp dooft en de brander doet een startpo-ging. ◊ Houd er rekening mee dat de brander bij de appara-ten tot VRS 50 vertraagd start. Vanwege de olievoorverwarming. Opgelet, belangrijke instructies. Als de brander na de startfase nog eens een stooruit-schakeling uitvoert, dan mag er pas na een wachttijd van vijf minuten nog eens ontgrendeld worden. Meer ontgrendelingspogingen moeten absoluut worden nagelaten, aangezien er ontploffingsgevaar bestaat.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO VRS 170 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden