REMKO ATK 25 Handleiding

REMKO Heater ATK 25

Bekijk gratis de handleiding van REMKO ATK 25 (16 pagina’s), behorend tot de categorie Heater. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 36 mensen en kreeg gemiddeld 5.0 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over REMKO ATK 25 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/16
REMKO – sterk als een beer.
Uitgave NL-R01
Bediening
Techniek
Onderdelen
REMKO ATK 25
Oliegestookte verwarmingsautomaat

Beoordeel deze handleiding

5.0/5 (2 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Heater
Model: ATK 25

Handleiding REMKO ATK 25 – volledige tekst

3 Verplaatsbare oliegestookte verwarmingsautomaat REMKO ATK 25 Inhoud pagina Veiligheidsinstructies 4 Beschrijving van het apparaat 4 Voorschriften voor warmeluchtgenerators 5 Aanvullende instructies 6 Gasafvoer 6 Ingebruikname 7 Buitenbedrijfstelling 7 Verzorging en onderhoud 8 Instellen van de brander 8 Inhoud pagina Afvoergasanalyse 9 Brandstofpomp 10 Technische gegevens 10 Elektrische aansluiting 10 Eliminering van storingen 11 Montagetekening 12 Onderdelenlijst 13 Onderhouds- en verzorgingsprotocol 14  Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden!  Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering van het apparaat vervalt elk recht op garantie.

4 Veiligheidsinstructies Bij de inzet van het apparaat moeten in principe altijd de plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschrif-ten en de voorschriften van de beroepsvereniging in acht genomen worden. ◊ Voor onderhouds- of reparatiewerkzaamheden moet in principe de netstekker uit de netcontactdoos ge-trokken worden. ◊ Het apparaat mag alleen bediend worden door per-sonen die geïnstrueerd zijn in de bediening van het apparaat. ◊ Het apparaat moet zo worden opgesteld en werken, dat personen niet in gevaar kunnen worden ge-bracht door stralingswarmte en er geen brand kan ontstaan. ◊ Het apparaat mag in gesloten ruimtes alleen worden opgesteld en werken, als het apparaat een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd. ◊ Het apparaat mag zonder gasafvoer alleen werken in goed geventileerde ruimtes.

Het voortdurende verblijf van personen in de opstellingsruimte is niet toegestaan. Er moeten verbodsborden worden aangebracht aan de ingangen. ◊ Mobiele brandstoftanks mogen alleen met inachtne-ming van de technische regels voor brandbare vloei-stoffen „TRBF 210 en 280” worden opgesteld. ◊ Het apparaat mag alleen worden opgesteld op een niet-brandbare ondergrond. ◊ Het apparaat mag niet in een omgeving worden op-gesteld en werken waar brand- of explosiegevaar bestaat. ◊ Er moet een veiligheidszone van 1,5 m rondom het apparaat, ook tot niet-brandbare voorwerpen, wor-den vrijgehouden. ◊ Het aanzuigbeschermrooster moet altijd vrij van vuil en losse voorwerpen zijn. ◊ Nooit vreemde voorwerpen in het apparaat steken. ◊ Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal. Hogedrukreinigers enz. ◊ Alle elektrische kabels van het apparaat moeten te-gen beschadigingen (b. v.

door dieren enz. ) be-schermd worden. ◊ Veiligheidsinrichtingen mogen niet overbrugd noch geblokkeerd worden. ◊ Gezien de constructie is in de regel een permanente installatie van het apparaat op een vaste plaats niet voorzien.

Functieaoop Door de netstekker te verbinden met een netcontact-doos wordt bij temperaturen onder 10 °C de automati-sche tankverwarming geactiveerd. Na inschakelen van het apparaat of bij warmtevraag(volautomatisch bedrijf met ruimtethermostaat) schakelt de luchttoevoerventilator in. Na afloop van de voorbe-luchting opent de magneetklep de brandstoftoevoer naar de verstuiver. De onder hoge druk verstoven brandstof wordt verrijkt met een aan de verwarmingscapaciteit aangepaste hoeveelheid zuurstof en ontstoken door een elektrische vonk. Zodra er een vlam brandt, wordt de vlam bewaakt door de branderautomaat. Door de branderautomaat worden alle functies van het apparaat volautomatisch uitgevoerd en veilig bewaakt. Bij eventuele onregelmatigheden, instabiele of dovende vlam wordt het apparaat uitgeschakeld door de brander-automaat. De stoorlamp van de automaat licht op.

Een nieuwe start is pas mogelijk na manuele ontgrendeling van de branderautomaat. Na uitschakeling van het apparaat via de bedrijfsscha-kelaar of door de ruimtethermostaat loopt de luchttoe-voerventilator voor de koeling van de brandkamer een bepaalde tijd na en schakelt dan automatisch uit. Afhankelijk van de warmtevraag herhaalt de beschreven functieafloop zich bij thermostaatbedrijf volautomatisch.  Voor een optimaal bedrijf mag het apparaat niet werken bij een omgevingstemperatuur van meer dan 25 °C. Beschrijving van het apparaat Het apparaat wordt direct gestookt met stookolie EL of diesel en kan werken met en zonder gasafvoeraanslui-ting. Het is geconcipieerd voor een mobiele en volauto-matische inzet.

Het apparaat is uitgerust met een aan de onderkant aan-gebouwde brandstoftank, automatische tankverwarming, een 4-voudig filtersysteem, een onderhoudsarme axiale ventilator, een hogedrukverstuivingsbrander met optische vlambewaking, een ruimtethermostaatcontactdoos en een elektrische aansluiting met netstekker.

Het apparaat voldoet aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de geldende EU-richtlijnen en is bedrijfsveilig en gemakkelijk te bedienen. Het apparaaat wordt onder andere gebruikt voor: ◊ het drogen van nieuwbouw; ◊ het puntverwarmen van werkplaatsen in de open lucht; ◊ het puntverwarmen van werkplaatsen in open, brandveilige fabrieksruimtes en hallen; ◊ het tijdelijk verwarmen van gesloten en open ruimtes; ◊ het ontdooien van machines, voertuigen en niet-brandbare opgeslagen goederen; ◊ het tempereren van ruimtes waar het kan vriezen.

5 Veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB) De VTB onderbreekt de brandstoftoevoer bij oververhit-ting van het apparaat en vergrendelt alle functies van het apparaat. Als de veiligheidstemperatuurbegrenzer gereageerd heeft, dan moet eerst de oorzaak van de storing gelo-kaliseerd en geëlimineerd worden. De manuele ont-grendeling van de VTB is pas mogelijk na afkoeling van de temperatuurvoeler tot onder ca. 90 °C. De ontgren-deling van de VTB gebeurt door de reset-toets in te drukken. 1. Neem de beschermkap 1 eraf. 2. Druk de reset-toets 2 in. 3. Zet de beschermkap er weer op. 4. Ontgrendel bovendien de branderautomaat. 1 2 Voorschriften voor war-meluchtgenerators Bij de inzet van het apparaat moeten de geldende richt-lijnen in acht worden genomen. 1. Stookinstallatieverordening van de verschillende deelstaten 2. Voorschrift ter preventie van ongevallen 3.

Werkplaatsrichtlijnen, Werkplaatsverordening Uittreksel uit het voorschrift ter preventie van ongeval-len voor verwarmings-, vlam- en smeltapparaten. § 37 Bedieningspersonen Het apparaat mag alleen bediend worden door perso-nen die zijn geïnstrueerd in de bediening van het appa-raat. § 38 Opstelling (1) Het apparaat moet stabiel worden opgesteld. (2) Het apparaat moet zo worden opgesteld en werken, dat personen niet in gevaar kunnen worden gebracht door afvoergassen en stralingswarmte en er geen brand kan ontstaan. (3) Het apparaat mag in ruimtes alleen worden opge-steld en werken, als het apparaat een voor de verbran-ding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd en de afvoergassen via gasafvoerkanalen naar de open lucht worden geleid. Een voor de verbranding toereikende natuurlijke lucht-toevoer is gegarandeerd als b. v.

(4) Afwijkend van lid 3 mag het apparaat zonder gasaf-voer werken in ruimtes, als deze goed be- en ontlucht zijn en het aandeel voor de gezondheid schadelijke stoffen in de ingeademde lucht geen schadelijke con-centratie bereikt. Een goede natuurlijke be- en ontluchting is b. v. gega-randeerd als 1. het volume van de ruimte in m³ minstens overeen-komt met de 30-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten en door ramen en deuren een natuurlijke luchtcirculatie gegarandeerd is of 2. niet afsluitbare openingen voor de toe- en afvoer-lucht in de buurt van plafond en vloer voorhanden zijn, waarvan de grootte in m² minstens overeen-komt met de 0,003-voudige nominale warmtebelas-ting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten. (5) Het apparaat mag niet in ruimtes en omgevingen worden opgesteld en werken waar brand- of explosie-gevaar bestaat.

§ 44 Drogen van ruimtes (2) Voor het drogen van ruimtes met een voor de ver-branding toereikende luchttoevoer mogen afwijkend van § 38 lid 3 verwarmingsapparaten werken, zonder dat de afvoergassen via gasafvoerkanalen naar de open lucht worden geleid. In deze ruimtes is het voortdurende oponthoud van per-sonen verboden. Op het verbod moet gewezen worden door borden aan de ingangen van de ruimtes. § 53 Controle (2) De werkveilige toestand van het apparaat moet al naargelang de inzetvoorwaarden indien nodig, echter minstens eenmaal per jaar, door een deskundige ge-controleerd worden. De afvoergaswaarden van de brander moeten gecon-troleerd worden.

§ 54 Bewaking (1) De met de bediening van het apparaat belaste per-sonen moeten het apparaat voor het begin van het werk controleren op opvallende gebreken aan de bedie-nings- en veiligheidsinrichtingen en op de aanwezigheid en goede werking van de bescherminrichtingen. (2) Als er gebreken worden vastgesteld, dan moet de toezichthouder op de hoogte worden gesteld.

6 max. 1 meter meer dan 1 meter Aanvullende instructies Voor de inzet van het apparaat gelden in principe de veiligheidsrichtlijnen van de beroepsverenigingen, de geldende bouwverordeningen van de deelstaten en de verordeningen van de stookplaatsen. Elektrische aansluiting ◊ Het apparaat werkt met 230 V wisselstroom. ◊ De elektrische aansluiting van het apparaat moet gebeuren via een speciaal voedingspunt met diffe-rentiaaluitschakelaar. Opstelling in de open lucht ◊ Om beschadigingen van het apparaat te vermijden moet het in de open lucht beschermd tegen weersin-vloeden worden opgesteld. ◊ De exploitant van het apparaat moet ervoor zorgen dat onbevoegden het apparaat noch de energievoe-ding kunnen manipuleren. ◊ Door het bedrijf van het apparaat mogen geen geva-ren of ontoelaatbare belastingen ontstaan.

Opstelling in gesloten, goed geventileerde ruimtes zonder gasafvoer ◊ Het bedrijf van het apparaat is toegelaten als de on-der § 38 lid 4 opgesomde voor de verbranding beno-digde minimale hoeveelheden lucht worden toege-voerd. ◊ Een betrouwbare afvoer van de verbrandingsgassen moet in elk geval gegarandeerd zijn om een ontoe-laatbare belasting door schadelijke stoen van de lucht uit te sluiten. - Frisse lucht wordt van onder toegevoerd. - Afvoergassen worden naar boven afgevoerd. Ruimteverwarming ◊ Warmeluchtgenerators mogen voor de ruimtever-warming alleen werken met ruimtethermostaat. ◊ De toevoer van de voor de goede verbranding nood-zakelijke frisse lucht moet gegarandeerd worden. Zinvol is de toevoer van frisse lucht door ramen en deuren of door voldoende grote openingen in de bui-tenmuur.

Veiligheidsafstanden ◊ Om een veilig bedrijf en onderhoud van het apparaat te garanderen moet er een veiligheidsafstand van 1,5 m rond het apparaat worden vrijgehouden. ◊ Vloeren en plafonds moeten brandwerend zijn. ◊ Aanzuig- en uitblaasdiameters mogen niet vernauwd worden.  Vermijd onder- resp.

overdruk in de opstellings-ruimte, aangezien deze onvermijdelijk tot verbran-dingstechnische storingen leiden. Gasafvoer In de open lucht of in open ruimtes is het bedrijf van het apparaat ook mogelijk zonder gasafvoer. Wij raden ech-ter aan om een gasafvoerbuis met een lengte van 1m met een erbovenop gezette regenkap te monteren (voorbeeld 2) om het binnendringen van regenwater en vuil uit te sluiten. Als het apparaat voor de tijdelijke ruimteverwarming wordt gebruikt, dan moeten de verbrandingsgassen evt. naar de open lucht worden afgevoerd. De gasafvoer-buisdelen moeten zo gelegd zijn, dat een minimumtrek van 0,1 mbar gegarandeerd is. Gasafvoerbuisdelen incl. bevestigingsmateriaal zijn verkrijgbaar als toebehoren.  Er mag in geen geval door ondeskundige gasaf-voer tegendruk kunnen ontstaan.

Een storingsvrij bedrijf is gegarandeerd als de gasafvoer stijgend en met verticale eindbuizen gemonteerd wordt. De gasafvoer moet minstens boven dakgoothoogte, be-ter boven de nok, eindigen om tegendruk door weers-omstandigheden (b. v. wind) te vermijden. Alle delen van de gasafvoerbuis moeten betrouwbaar bevestigd worden. Hun diameter (ø 150 mm) mag niet kleiner zijn dan die van de gasafvoeropening van het apparaat. De minimumafstand van 0,6 m tot brandbare delen moet absoluut worden aangehouden. Voorbeeld 1 Voorbeeld 2 Voorbeeld 3 Bedrijf met verlengde gasafvoer. Condensaatval vereist. Bedrijf zonder verlengde gasafvoer. Max. 1 meter Ontoelaatbare gasafvoer.

Belangrijke instructies Om beschadigingen van de brandkamer door de neer-slag van vocht (condensaat) in voorbeeld 3 te vermijden moet u absoluut zorgen voor de correcte installatie van de gasafvoerbuizen met een condensaatval zoals voor-gesteld in voorbeeld 1. De zijdelingse openingen in de gasafvoeraansluiting mogen niet afgesloten resp. bedekt zijn.

7 F ◊ De ingebouwde tankverwarming is alleen actief, zo-lang de netstekker is verbonden met een werkende netcontactdoos en de omgevingstemperatuur onder 10 °C ligt. ◊ Het is niet mogelijk om met de tankverwarming reeds gevormde parane-uitscheidingen te elimine-ren. Als er zich al paraffine heeft gevormd, dan is de reiniging van het hele brandstofsysteem vereist. 5 Buitenbedrijfstelling Verwarmen zonder ruimtethermostaat Het apparaat werkt in het continu bedrijf. 2. Schakel de bedrijfsschakelaar in stand „1” (Aan). 1. Verbind de meegeleverde brugstek-ker 2 met de thermostaatcontact-doos 3 aan het apparaat. 1. Schakel de bedrijfsschakelaar in stand „0” (Uit). 2. Steek de stekker van het apparaat in een volgens de voorschriften geïnstalleerde netcontactdoos.

(230V / 1~ / 50Hz) Het apparaat verbinden met de stroomvoeding Verwarmen met ruimtethermostaat (toebehoren) Het apparaat werkt volautomatisch en afhankelijk van de ruimtetemperatuur. 1. Schakel de bedrijfsschakelaar in stand „0” (Uit). 2 3 4 3 Ingebruikname Het apparaat moet voor de ingebruikname op opvallen-de gebreken aan de bedienings- en veiligheidsinrichtin-gen en op goede opstelling en correcte elektrische aan-sluiting gecontroleerd worden. Met de bediening en bewaking van het apparaat moet een persoon belast worden, die voldoende werd geïn-strueerd over de juiste omgang met het apparaat. ◊ Stel het apparaat stabiel op. ◊ Zorg voor de toevoer van de verbrandingslucht. ◊ Zorg voor een vrije luchtaanzuiging en uitblazing. ◊ Vermijd over- resp. onderdruk in de opstellingsruimte. ◊ Zorg voor de brandstoftoevoer.

◊ Vul de brandstoftank alleen bij uitgeschakeld appa-raat met zuivere stookolie of diesel. Geen biodiesel gebruiken. ◊ Gebruik voor het vullen alleen schone en daarvoor geschikte jerrycans. ◊ Alle verlengingen van de elektrische aansluiting moeten een toereikende leidingdiameter bezitten en mogen alleen volledig uit- resp. afgerold worden.

 De gasafvoerwaarden moeten evt. al naargelang de plaatselijke omstandigheden door geautori-seerd vakpersoneel gecontroleerd resp. ingesteld worden. Paraffinevorming bij lage buitentemperaturen Ook bij lage temperaturen moet er voldoende vloeibare stookolie beschikbaar zijn.  Paraffinevorming kan reeds optreden bij tempera-turen onder 5 °C. Ter vermijding moeten adequate maatregelen worden getroffen, b. v. winterdiesel. Brandstoffilter Voor de ingebruikname en voor elke tankvul-ling moet het hoofdfilter F op vervuiling of paraffinevorming gecontroleerd worden. Het hoofdfilter bevindt zich naast de vulope-ning. De brandstoftank mag alleen gevuld worden als het filter in de vulopening is gezet. 1. Trek de brugstekker 2 eraf. Zie afb. hierboven. 2. Verbind de stekker 4 van de ruimte-thermostaat met de thermostaatcon-tactdoos 3 aan het apparaat. 3.

Plaats de ruimtethermostaat 5 op een geschikte plaats in de opstel-lingsruimte. De thermostaatvoeler mag zich niet in de warmeluchtstroom bevinden en niet direct op een koele onder-grond bevestigd worden. 4. Stel aan de thermostaat de gewens-te ruimtetemperatuur in. 5. Schakel de bedrijfsschakelaar in stand „1” (Aan). Opgelet, belangrijke informatie over de nakoelfase De luchttoevoerventilator loopt voor de afkoeling van de brandkamer verder en schakelt later uit. De ventilator kan tot aan het definitieve uitschakelen meermaals starten.  Onderbreek de netaansluiting nooit voor de beëin-diging van de hele nakoelfase. Voor beschadigingen van het apparaat door over-verhitting bestaat geen recht op garantie.

8 7. Controleer de instellingen van de ontstekingselektro-den aan de hand van de hieronder opgesomde richt-waarden. 8. Zorg ervoor dat de opening 5 niet door een steun-balk van de stuwschijf beschaduwd wordt. Bevestigingsschroef van de stuwschijf boven en in het midden van de ontstekingselektroden 9. Monteer na de onderhoudswerkzaamheden alle de-len weer zorgvuldig in omgekeerde volgorde. Instellen van de luchtschuif De luchtschuif is vanuit de fabriek ingesteld. Elke aan-passing van de luchtdoorvoer aan de plaatselijke om-standigheden mag alleen gebeuren door vakpersoneel. Na het losdraaien van de klemschroef gebeurt de fijnin-stelling van de luchtschuif door middel van een afvoer-gasmeting. CO2-waarde: ca. 11 - 12 roetgetal: 0 - 1 conf. Bacharach  Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de netstekker uit de netcontactdoos getrokken worden.

Met name bij geopende bekleding van het apparaat bestaat acuut verwondingsgevaar door de zich automatisch inschakelende ventilator. Onderhoud van de brander Reinig de onderdelen van de brander zoals beschreven in wat volgt: 1. Trek de fotocel 1 uit zijn houder. 2. Trek de beide ontstekingskabels 2 eraf. 3. Draai de wartelmoer 3 van de brandstofleiding van de houder van de verstuiver. Let op nadruppelende brandstof.  Gebruik voor de demontage van de olieverstuiver alleen een geschikt gereedschap en houd tegen aan de houder van de verstuiver. 4. Draai de wartelmoer van de brandstofleiding aan de brandstofpomp los en draai de brandstofleiding voorzichtig aan de kant. 5. Demonteer de beide bevestigingsschroeven van de montageplaat 4 en trek de brander uit de brandkamer. 6. Reinig de ontstekingselektroden, de olieverstuiver, de stuwschijf en de opening voor de lichtinval 5.

1324 5 ◊ Gebruik om te reinigen een schone en licht bevochtig-de doek, waarmee u het vuil van het oppervlak veegt. Geen waterstraal (hogedrukreiniger) gebruiken. ◊ Gebruik geen schurende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen.

◊ Gebruik ook bij extreme vervuiling allen geschikte reinigingsmiddelen. ◊ Gebruik alleen schone stookolie EL resp. diesel. Letten op paranevorming. ◊ Maak de brandstoftank minstens tweemaal per jaar leeg en spoel hem vervolgens met schone brandstof. Geen water gebruiken. ◊ Houd de branderkop schoon. ◊ Controleer slijtageonderdelen zoals olieverstuiver en dichtingen en vervang deze eventueel. Wij raden aan om de olieverstuiver in elk geval voor het begin van elk verwarmingsseizoen te vervangen. ◊ Reinig regelmatig het filter in de vulopening van de brandstoftank. ◊ Vervang het hoofdfilter (let op de stroomrichting) al naargelang de toestand, ten latste echter voor elk verwarmingsseizoen. Het hoofdlter bevindt zich aan de linkerkant van het apparaat boven de brandstoftank. ◊ Laat de reiniging van het gaaslter in de brandstof-pomp en de vervanging van de verstuiver over aan een vakman.

◊ Controleer regelmatig de goede werking van de vei-ligheidsinrichtingen. ◊ Voer bij afnemende warmtecapaciteit, rookvorming en/of slechte ontsteking een inspectie van het appa-raat en een branderinstelling uit. ◊ Houd de regelmatige onderhouds- en verzorgingsin-tervallen aan. Verzorging en onderhoud Voor de regelmatige verzorging en onderhoud en de inachtneming van enkele basisvoorwaarden zal uw ap-paraat u danken met een lange levensduur en een sto-ringsvrij bedrijf. Na elke verwarmingsperiode of afhankelijk van de inzet-voorwaarden ook vroeger, moet het hele apparaat inclu-sief brandkamer en branderkop van roetafzettingen, stof en vuil gereinigd worden. De oliefilters moeten eveneens minstens eenmaal per jaar of, al naargelang de vervuiling van de brandstof, ook vaker gereinigd resp. vervangen worden.

9 Afvoergasanalyse Door de van de constructie afhankelijke bouwwijze van de gasafvoeraansluiting (aansluitstomp met secundaire luchtopeningen) is het niet mogelijk om een correcte af-voergasanalyse uit te voeren op de traditionele manier (meting in de gasafvoerbuis achter de gasafvoeraan-sluiting). Om de afvoergasanalyse uit te voeren moet de voeler van het afvoergasmeetapparaat midden in de buis-stomp van de warmtewisselaar geplaatst worden. Reinigen van de brandstoftank De reiniging van de brandstoftank is vereist: ◊ na elke verwarmingsperiode of vroeger, afhankelijk van de inzetvoorwaarden ◊ voor en na langere stilstandtijden ◊ bij frequente vervuiling van het hoofdfilter ◊ bij condensaatvorming in de brandstof Ga om de brandstoftank te reinigen als volgt te werk: 1. Draai de aflaatschroef D eruit en laat de brandstof af in een geschikte opvangbak.

E D De meetvoeler wordt door de zijdelingse secundaire luchtopening in de gasafvoeraansluiting in de meetope-ning in de buisstomp van de brandkamer geplaatst (zie afbeeldingen hieronder).  Volgens VDE 0701 dient een elektrische controle uitgevoerd te worden. 2. Spoel de brandstoftank grondig uit met schone brandstof, evt. meerdere keren. Om te spoelen geen water gebruiken. 3. Gebruik geen oplosmiddelhoudende reinigingsmid-delen. Deze kunnen de inwendige bekleding van de brand-stoftank onherstelbaar beschadigen. 4. Vermijd de inzet van hogedrukreinigers. 5. Monteer de aflaatschroef D. De dichtring E moet na elke demontage vervangen worden. 6. Vul de brandstoftank met schone brandstof. Geen biodiesel gebruiken. 7. Start het apparaat en laat het ca. 3 minuten lopen.

Als de opgaven van de fabrikant of de wettelijke vereis-ten niet in acht worden genomen of na eigenmachtige veranderingen aan de apparaten, is de fabrikant niet aansprakelijk voor de daaruit resulterende schade.  Een ander bedrijf / bediening dan beschreven in deze gebruiksaanwijzing is niet toegelaten. Gebeurt dit toch, dan vervalt elke aansprakelijkheid en het recht op garantie. Klantendienst en garantie Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de be-steller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten aanzien van verkoop en ingebruikname het bij het ap-paraat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld heeft teruggezonden aan REMKO GmbH & Co. KG. De foutloze werking van de apparaten werd in de fa-briek meermaals gecontroleerd.

10 Instellen van de pompdruk De pompdruk kan alleen worden ingesteld als er een manometer is aangesloten aan de aansluiting P. De pompdruk wordt veran-derd door de drukinstel-schroef A te draaien: Met de klok mee: druk verhogen Tegen de klok in: druk verlagen De vereiste pompdruk wordt berekend afhankelijk van de verwarmingscapaciteit (zie typeplaatje van het appa-raat) en van de verstuiver-grootte. Elektrische aansluiting Brandstofpomp De pomp werkt standaard in het 1-streng systeem. De benodigde brandstof wordt aangezogen door de zuiglei-ding S. Bij de eerste ingebruikname en na het opgebruiken van de brandstof in de tank wordt het brandstofsysteem ont-lucht via de verstuiver. Hiervoor wordt het apparaat in-geschakeld. Na een eventuele stooruitschakeling wordt het apparaat na ontgrendeling van de branderautomaat (wachttijd in acht nemen) opnieuw gestart.

Als na de derde start van het apparaat opnieuw een stooruitschakeling volgt, dan moeten eerst de brandstof-filters gecontroleerd worden op vervuiling en dichtheid. Technische gegevens Bouwserie ATK 25 Nominale warmtebelasting max. kW 25,00 Nominale warmtecapaciteit kW 22,50 Luchtcapaciteit 1080 m³/h Temperatuurverhoging ∆t K 70 Brandstof stookolie EL of diesel DIN 51603 Brandstofverbruik, max. l/h 2,4 Verstuiver (Danfoss) 0,50 GPH 80° H Pompdruk ca. bar 11 bis 12 Tankinhoud 40 Ltr. Elektrische aansluiting V / Ph 230 / 1~, N, PE Frequentie Hz 50 Nominale stroom max. A 2,3 Krachtontneming max. 1) kW 0,43 Beveiliging ter plaatse A 10 Geluidsdrukniveau LpA 1m 2) dB(A) 74 Gasafvoeraansluiting ø mm 150 Lengte 1265 mm Breedte mm 470 Hoogte mm 685 Gewicht kg 68 1) Apparaat incl.

tankverwarming 2) Geluidsmeting (in het verwarmingsbedrijf) DIN 45635 - 01 KL 3 C = condensator F = zekering FZ = fotocel M = motor MV = magneetklep NK = nakoelthermostaat RS = relaissokkel S = bedrijfsschakelaar STB = veiligheidstemperatuur-begrenzer THZ = tankverwarming met thermostaat TS = thermostaatcontactdoos ZE = ontstekingselektrode ZT = ontstekingstransformator S P A Reinigen van het patroonfilter Reinig regelmatig het patroonfilter B van de brandstof-pomp resp. vervang het indien nodig. 1. Schroef de stop C met een zeskantsleutel naar boven uit de pomp. 2. Trek het patroonfilter B voorzichtig van de stop. 3. Reinig het filter resp. ver-vang het. 4. Druk het filter weer op de stop en schroef beide weer in de pomp. B C  Voor de smering van het tandwieldrijfwerk van de pomp is absoluut een onberispelijke brandstof-kwaliteit noodzakelijk.

– De elektrische en mechanische werking van de motor controleren. 8. De brandstofpomp is geblokkeerd. – De brandstofpomp controleren, evt. vervangen. 9. De brandstoftank is leeg. – De brandstoftank vullen met schone stookolie EL resp. diesel. 10. Het brandstoffilter is vervuild. – Het brandstoffilter reinigen, evt. vervangen. 11. De verstuiver is verstopt of heeft niet de juiste afmetingen. – De verstuiver vervangen (let op juiste type en grootte. ). 12. De elektroden zijn verkeerd ingesteld, de isolatie is gescheurd. – Opnieuw instellen, evt. vervangen. 13. De luchtschuif van de branderkop is versteld of vervuild. – Opnieuw instellen met behulp van CO2-indicator en roetpomp (CO2: 11 – 12 %, roetgetal conf. Bacharach: 0 – 1). 14. De magneetklep gaat niet open. – De magneetklep controleren, evt. vervangen. – De VTB heeft gereageerd of is defect. 15. De pompdruk is niet juist ingesteld.

– Controleren, eventuele defecte delen vervangen. 18. De magneetklep gaat niet dicht. – De brandstofleiding aan het hoofdfilter eraf trekken – de vlam dooft. 19. Het beschermrooster van de luchttoevoerventilator is vervuild. – Het beschermrooster reinigen. 20. Uitschakeling door de veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB). – Het aanzuigbeschermrooster controleren, evt. reinigen. – De VTB en bovendien de branderautomaat ontgrendelen. 21. Luchtbellen in het brandstofsysteem. – Het apparaat starten, opdat de lucht wordt afgevoerd via de verstuiver Dit proces evt. maximaal drie keer herhalen. 22. De beluchting is niet toereikend. – Deur of raam openzetten. 23. De fotocel is vervuild of defect. – De fotocel reinigen, evt. vervangen. 24. Ondeskundige gasafvoer. – Zie hoofdstuk „Gasafvoer“. 25. De bedrijfsschakelaar werkt niet. – De bedrijfsschakelaar controleren, evt. vervangen.

– Het hele brandstofsysteem schoonmaken. – De defecte tankverwarming vervangen. 26. Paraffineafscheiding in de stookolie: zie hoofdstuk "Ingebruikname". Tankverwarming defect (zeer zelden). Storingen: Oorzaak: De luchttoevoerventilator loopt niet 2 – 3 – 4 – 6 – 7 – 8 – 25 De luchttoevoerventilator loopt, maar de brander ontsteekt niet. Het apparaat gaat zonder vlamvorming op storing. 1 – 5 – 6 – 9 – 10 – 11 – 12 – 13 – 14 – 15 – 16 – 17 20 – 21 – 23 – 24 – 26 Het apparaat schakelt tijdens het bedrijf uit.

(De stoorlamp in de branderautomaat licht op) 4 – 5 – 6 – 7 – 8 – 9 – 10 – 11 – 13 – 15 – 16 – 17 19 – 20 – 21 – 22 – 23 – 24 – 26 Rookvorming tijdens het bedrijf 7 – 10 – 11 – 13 – 15 – 17 – 19 – 21 – 22 – 24 Het apparaat schakelt in bedrijfsschakelaarstand „0“ niet af 18 – 25   Voor alle werkzaamheden moet de gastoevoer gesloten en de netstekker uit de netcontactdoos getrokken worden.

Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de besteller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten aanzien van verkoop en ingebruikname het bij elke REMKO stookautomaat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld heeft teruggezonden aan REMKO GmbH & Co. KG. Gelieve bij bestellingen van vervangingsonderdelen altijd het EDV-nr. en het apparaat-nr. (zie typeplaatje) te vermelden.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO ATK 25 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden