REMKO PGT 30 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van REMKO PGT 30 (24 pagina’s), behorend tot de categorie Heater. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 34 mensen en kreeg gemiddeld 4.9 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over REMKO PGT 30 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | REMKO |
| Categorie: | Heater |
| Model: | PGT 30 |
Handleiding REMKO PGT 30 – volledige tekst
3 pagina Veiligheidsinstructies 4 Beschrijving van het apparaat 4 Inzet van vloeibaar gas 5 Gasaansluiting 9 Ingebruikname 11 Buitenbedrijfstelling 12 Veiligheidsinrichtingen 12 Verzorging en onderhoud 12 Klantendienst en garantie 13 Schakelschema 14 pagina Technische gegevens 15 Montagetekening PGT 30 / 30 E 16 Onderdelenlijst PGT 30 / 30 E 17 Montagetekening PGT 60 / 60 E 18 Onderdelenlijst PGT 60 / 60 E 19 Montagetekening PGT 100 / 100 E 20 Onderdelenlijst PGT 100 / 100 E 21 Opheffen van Storingen 22 Onderhoudsrapport 23 Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering van het apparaat vervalt elk recht op garantie. Wijzigingen voorbehouden!
4 Het apparaat wordt met vloeibaar gas in gasvormige fa-se rechtstreeks gestookt. Het apparaat werkt zonder af-voergasaansluiting en is geconcipieerd voor een vollau-tomatische, universele en probleemloze inzet. Het apparaat is uitgerust met een ingebouwde Power-Regulation voor de traploze regeling van de verwarmings-capaciteit, en met een robuuste vlammenbrander, een elektrische magneetklep, een geluids- en onderhouds-arme axiale ventilator, een ionisatiebewaking, een elek-trische ontsteking, een ruimtethermostaatcontactdoos en een aansluitkabel met stekker. Het apparaat voldoet aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de geldende EU-voorschriften. Het apparaat is EG bouwmodel gecontroleerd, DVGW geregistreerd, bedrijfsveilig en eenvoudig te bedienen.
Inzetgebieden van de apparaten Drogen van nieuwbouw, puntverwarmen van werk-plaatsen in de open lucht of in open, brandveilige fa-brieksruimtes en hallen Continu of tijdelijk verwarmen van ruimtes met vol-doende aanvoer van frisse lucht Ontdooien van machines, voertuigen en niet-brandbare opgeslagen goederen, tempereren van delen die kun-nen bevriezen Bij de inzet van het apparaat moeten in principe altijd de plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften en de voorschriften van de beroepsvereniging in acht genomen worden. Neem bovendien de volgende veilig-heidsinstructies in acht. Het apparaat mag alleen bediend worden door per-sonen die geïnstrueerd zijn in de bediening. Het apparaat moet zo worden opgesteld en werken, dat personen niet in gevaar kunnen worden gebracht door afvoergassen en stralingswarmte en er geen brand kan ontstaan.
Het apparaat mag alleen worden opgesteld en werken in ruimtes, als het apparaat een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd. Bij bedrijf op bouwwerven mogen alleen slangen voor vloeibaar gas volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30 gebruikt worden. Mobiele flessen met vloeibaar gas moeten absoluut stabiel en rechtop worden neergezet.
Flessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf van het apparaat nooit liggend gebruikt worden. Explosiegevaar: gasontsnapping in de vloeibare fase. Veiligheidsinrichtingen mogen niet overbrugd noch geblokkeerd worden. Het apparaat mag alleen gebruikt worden in goed geventileerde ruimtes. Het voortdurende verblijf van personen in de opstel-lingsruimte is niet toegestaan. Er moeten verbodsborden worden aangebracht aan de ingangen. Het apparaat moet stabiel en op een niet-brandbare ondergrond worden opgesteld en werken. Het moet gegarandeerd zijn dat er geen brandbare voorwerpen resp. materialen kunnen worden aange-zogen. Het apparaat mag niet in een omgeving werken waar brand- of explosiegevaar bestaat. Er moet een veiligheidszone van 1,5 m rondom het apparaat worden vrijgehouden.
In principe moet bo-vendien een minimumafstand van 3 m tot de uitblaas-opening van het apparaat worden aangehouden. De uitblaasopening van het apparaat mag niet ver-nauwd resp. van slang- of buisleidingen voorzien worden. Nooit vreemde voorwerpen in het apparaat steken. Het luchtaanzuigrooster moet altijd vrij van vuil en losse voorwerpen zijn. Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal. Alle kabels van het apparaat moeten tegen bescha-digingen door b. v. dieren beschermd worden. Voor onderhouds- of reparatiewerkzaamheden moet in principe de gastoevoer afgesloten en de netstekker uit de netcontactdoos getrokken worden. Werkwijze Door de bedrijfsschakelaar in stand „I” te zetten wordt de luchttoevoerventilator in bedrijf gesteld en de pro-gramma-afloop van de branderautomaat gestart.
Na enkele seconden opent de elektrische magneetklep de gastoevoer naar de brander. Het vloeibaar gas wordt door een gasbek onder druk naar de branderpijp getrans-porteerd. Hier wordt het gas verrijkt met een op de capa-citeit van het apparaat afgestemde hoeveelheid zuurstof. Het gas-luchtmengsel wordt aan de branderkop door een elektrische ontstekingsvonk ontstoken.
De ontste-king wordt automatisch beëindigd, zodra er een foutlo-ze vlam brandt en de branderautomaat de vlambewa-king heeft overgenomen. Bij eventuele onregelmatigheden of doven van de vlam wordt het apparaat door de branderautomaat uitge-schakeld. De stoorlamp van de automaat licht op. Een nieuwe start kan pas volgen na manuele ontgrendeling van de branderautomaat. Een veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB) onderbreekt bij oververhitting de gastoevoer en vergrendelt alle ap-paraatfuncties. De manuele ontgrendeling van de VTB kan pas gebeuren na afkoeling van het apparaat. De regeling van de min/max verwarmingscapaciteit kan tijdens het bedrijf van het apparaat traploos worden uit-gevoerd aan de ingebouwde „Power-Regulation”. Voor een optimale werking van het apparaat mo-gen de apparaten niet werken bij een omgevings-temperatuur boven 25 °C. .
5 Uittreksel uit het voorschrift ter preventie van ongevallen (UVV) VBG 21 van 1 oktober 1993 voor het gebruik van vloeibaar gas. § 1 Geldigheidsgebied (1) Dit voorschrift ter preventie van ongevallen geldt voor: 1. het gebruik van vloeibaar gas voor verbrandings-doeleinden, 2. installaties op vloeibaar gas voor verbrandings-doeleinden, voorzover ze uit drukgasflessen gevoed worden en 3. verbruiksinstallaties op vloeibaar gas voor verbrandingsdoeleinden, voorzover ze uit drukvaten gevoed worden. (2) Dit voorschrift ter preventie van ongevallen geldt niet, voorzover het onderwerp ervan geregeld is in nationale wetgeving. § 4 Eisen aan personen De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr.
2 en 3 alleen door verzekerde personen bediend of onderhouden worden, die in het bedienen of onderhouden van deze installaties geïnstrueerd zijn en van wie verwacht kan worden dat ze hun taak op een betrouwbare manier vervullen. § 6 Opstelling van installaties op vloeibaar gas (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 zo gemonteerd en opgesteld worden, dat ze veilig werken en onderhouden kunnen worden. (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 zo opgesteld worden, dat ze tegen mechanische beschadiging beschermd zijn. (3) Drukgasflessen moeten zo opgesteld worden, dat ze tegen ontoelaatbare verwarming beschermd zijn.
(5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties op vloeibaar gas zo worden opgesteld, dat ze niet publiekelijk toegankelijk zijn, of de veiligheidsin-richtingen, regelinrichtingen en instelelementen aan de voedingsinstallatie moeten tegen onbe-voegde toegang van derden beveiligd zijn. (6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 niet in ruimtes onder de begane grond opgesteld worden. (7) In trappenhuizen, kleine binnenplaatsen en doorritten of in de onmiddellijke nabijheid daarvan mogen drukgasflessen alleen worden opgesteld, als deze daar voor de uitvoering van werkzaam-heden tijdelijk noodzakelijk zijn en er door de ondernemer speciale veiligheidsmaatregelen getroffen zijn.
(9) Bij verbruiksinstallaties met aangesloten drukgasfles-sen met een inhoud vanaf 1 liter, waaruit gas uit de gasfase ontnomen wordt, moeten de drukgasfles-sen rechtop staand en stabiel worden neergezet. (10) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen aan – drukvaten of – ten hoogste 8 drukgasflessen voor de gelijktijdige gasontname aangesloten worden; deze vaten resp. flessen moeten in de open lucht of in een speciale opstellingsruimte zijn opgesteld. (11) Afwijkend van punt 10 mogen in werkruimtes tot 500 m³ en voor elke verdere 500 m³ ruimte – één drukgasfles met een toegelaten vulgewicht tot 33 kg of – twee drukgasflessen met een toegelaten vulgewicht tot elk 14 kg opgesteld worden.
(12) Afwijkend van de punten 10 en 11 mogen in werkruimtes tot 500 m³ en voor elke verdere 500 m³ ruimte maximaal 8 drukgasflessen opgesteld worden: – om bedrijfstechnische redenen, indien de installatie op vloeibaar gas tijdens de gasontname onder permanent toezicht staat. (15) De ondernemer moet ervoor zorgen dat in ruimtes en omgevingen waarin rekening moet worden gehouden met explosieve atmosferen, verbruiks-inrichtingen alleen met inachtneming van de beschermingsmaatregelen tegen explosies in bedrijf genomen worden.
(16) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties waarbij een ontsnapping van onverbrand gas en de vorming van een gevaarlijke explosieve atmosfeer niet zeker verhinderd is, zo opgesteld worden, dat – mogelijke gasontsnappingsplaatsen en – ventilatieopeningen van opstellingsruimtes omgeven zijn door een voldoende grote zone zonder ontstekingsgevaar. De zone zonder ontstekingsgevaar mag door constructieve of gelijkwaardige maatregelen begrensd zijn, indien de ventilatie niet ontoelaatbaar gehinderd wordt.
6 § 7 Aansluiting van verbruiksinstallaties aan voedingsinstallaties (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen worden aangesloten aan voedingsinstallaties, die in zoverre bestand zijn tegen de te verwachten belastingen, dat verzekerde personen niet in gevaar worden gebracht. (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-installaties alleen aan voedingsinstallaties worden aangesloten, indien er rekening houdend met de aansluitwaarden van alle verbruiksinrichtingen en de bedrijfsduur geen de bedrijfsafloop storende onderkoeling van de voedingsinstallatie optreedt. (3) Bevriezingen die zijn ontstaan als gevolg van een te hoge gasontname, mogen alleen geëlimineerd worden door langzaam ontdooien. Open vuur, gloeiende voorwerpen en stralers mogen voor het ontdooien niet gebruikt worden. Bevriezingen mogen niet eraf worden geslagen.
(4) De ondernemer moet ervoor zorgen dat bij de aan-sluiting van de verbruiksinstallatie aan voedings-installaties gegarandeerd is dat vloeibaar gas niet per ongeluk in vloeibare fase bij de branders kan komen. (5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-inrichtingen niet direct aan de aansluitstomp van de klep van drukgasflessen worden aangesloten. § 9 Aansluiting van verbruiksinrichtingen met slangleidingen (1) Als er conform § 8 punt 4 slangleidingen worden gebruikt, dan moet de ondernemer ervoor zorgen dat deze geschikt zijn. (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat slangleidingen zo gelegd worden, dat ze tegen chemische, thermische en mechanische beschadigingen beschermd zijn. (3) Slangaansluitingen en slangverbindingen moeten zo worden uitgevoerd, dat een dichte aansluiting gegarandeerd is en ze niet onopzettelijk los kunnen komen.
(5) Afwijkend van punt 4 mogen verbruiksinrichtingen worden aangesloten aan slangleidingen die langer zijn dan 0,4 m, indien er sprake is van speciale bedrijfstechnische redenen en indien er speciale veiligheidsmaatregelen getroffen en de slang-leidingen zo kort mogelijk zijn. (6) Slangleidingen moeten voordat ze voor de eerste keer worden aangesloten, zonder gevaar worden uitgeblazen. (8) Bij mobiele verbruiksinstallaties moeten de slangen tegen te verwachten ontoelaatbare belastingen beschermd worden. (9) Slangleidingen moeten zo worden aangesloten, dat de slangverbindingen niet ontoelaatbaar mechanisch belast worden. Voorzover hiervoor speciale inrichtingen vereist zijn, moet de ondernemer deze ter beschikking stellen. (10) Beschadigde slangen mogen niet gebruikt worden. De ondernemer moet ervoor zorgen dat bescha-digde slangen vakkundig vervangen worden.
(12) Als bij het gebruik van mobiele verbruiksinrichtin-gen slangbeschadigingen niet kunnen worden uitgesloten, dan moet de ondernemer ervoor zorgen dat voor het bereik tussen drukregelappa-raat en verbruiksinrichting minstens „slangen voor bijzondere mechanische belasting” gebruikt worden. (13) Verbindingen van slangleidingen moeten zo gelegd worden, dat ze niet onopzettelijk los kunnen komen. § 10 Maatregelen tegen gasontsnapping bij slangbeschadigingen De ondernemer moet ervoor zorgen dat er bij het bedrijf van verbruiksinstallaties waarin slangen worden gebruikt die blootstaan aan bijzondere chemische, thermische en mechanische belastingen, veiligheids-maatregelen worden getroffen, die verhinderen dat er bij slangbeschadigingen gas kan ontsnappen in gevaarlijke hoeveelheden.
§ 11 Exploiteren van verbruiksinstallaties (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen werken indien ophopingen van onverbrand gas vermeden worden. (3) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen werken met een gelijkmatig op de verbruiksinrichtingen afgestemde werkdruk.
(4) De ondernemer moet ervoor zorgen dat er bij verbruiksinstallaties waarbij de verbruiksinrichtin-gen niet bestand zijn tegen de druk voor het drukregelapparaat, inrichtingen tegen een ontoe-laatbaar hoge drukstijging gebruikt worden. (11) Verbruiksinrichtingen mogen alleen werken uit de gasfase. (12) De ondernemer moet ervoor zorgen dat bij verderleiding in de gasfase gegarandeerd is dat er in de leidingen geen terugcondensatie kan plaatsvinden. (13) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen zo werken, dat de verbrandingslucht onberispelijk en de vlammenstabiliteit gegarandeerd is. (19) Verbruiksinstallaties mogen pas van voedings-installaties geïsoleerd worden, indien zeker gegarandeerd is dat er geen gas meer kan uittreden.
7 § 12 Oppervlaktetemperaturen De ondernemer moet ervoor zorgen dat hete oppervlak-ken die niet onmiddellijk vereist zijn voor het werk en die in werk- en loopzones liggen, zo tegen toevallig aan-raken beschermd worden, dat verwondingen zijn uitge-sloten. Dit geldt niet voor delen van verbruiksinrichtin-gen, waarbij het gevaar door verbranding herkenbaar is. § 13 Dichtheden / Ondichtheden (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-inrichtingen alleen werken als zijn onder gasdruk staande installatiedelen bij de op grond van de voorziene bedrijfswijze te verwachten chemische, thermische en mechanische belastingen dicht blij-ven. (2) Verbruiksinstallaties moeten dicht worden aange-sloten aan toevoerleidingen.
(3) De ondernemer moet ervoor zorgen dat voor het opsporen van ondichtheden alleen gasopsporings-apparaten en middelen gebruikt worden, waardoor het eventueel uitstromende gas niet ontstoken wordt. (4) Bij ondichtheden moet de bijhorende afsluitinrich-ting gesloten worden. Ontstekingsbronnen moeten geëlimineerd worden, tot het uitgestroomde, niet-verbrande gas verwijderd is. (5) Ondichte drukgasflessen moeten onmiddellijk, voorzover dit zonder gevaar mogelijk is, uit de be-dreigde zone verwijderd en dienovereenkomstig gekenmerkt worden. (6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat drukregel-apparaten met versleten of beschadigde dichtingen niet worden aangesloten. Versleten of beschadig-de dichtingen moeten vervangen worden. (7) De ondernemer moet ervoor zorgen dat drukvaten met versleten of beschadigde dichtingen terug wor-den gebracht naar de gasleverancier.
2 en 3 alleen in ruimtes wor-den opgesteld die zo be- en ontlucht zijn, dat er in de ruimtelucht geen gevaarlijke explosieve atmos-feer, geen voor de gezondheid schadelijk afvoer-gas-luchtmengsel en geen zuurstofgebrek optre-den kan. (2) In de open lucht opgerichte installaties moeten zo worden opgesteld, dat de vereiste natuurlijke venti-latie niet verhinderd wordt. (3) Voorzover technische beluchtingsinrichtingen nood-zakelijkerwijs geïnstalleerd zijn, moeten deze voor ingebruikname van de verbruiksinrichtingen in be-drijf gesteld worden. Voorzover natuurlijke beluch-tingsinrichtingen noodzakelijkerwijs voorhanden zijn, moeten deze werkzaam worden gemaakt. (4) Tijdens het bedrijf van de verbruiksinrichtingen moeten beluchtingsopeningen open worden gehouden.
(6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-inrichtingen die niet aangesloten hoeven te worden aan gasafvoerinstallaties en de verbrandingslucht naar de ruimte leiden, alleen werken als – de ruimtes goed be- en ontlucht zijn en – het aandeel voor de gezondheid schadelijke stoffen in de ingeademde lucht geen schadelijke concentraties bereikt. § 15 Buitenbedrijfstelling van verbruiksinrichtingen (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de gastoevoer naar de verbruiksinrichtingen onder-broken kan worden om ongecontroleerd uittreden van gas bij buitenbedrijfstelling en bedrijfsrust van de verbruiksinrichtingen te kunnen verhinderen. (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de gastoevoer naar de hele verbruiksinstallatie gemakkelijk kan worden onderbroken.
(3) De gastoevoer naar de verbruiksinrichtingen en naar de verbruiksinstallatie moet: – aan het einde van het werk of bij langere werkonderbrekingen, voorzover een verbruiksinstallatie niet doorlopend werkt, – voor de beëindiging van het doorlopende bedrijf, – na verbruik van het vloeibaar gas, – voordat het drukregelapparaat eraf wordt geschroefd, – voor het losmaken van leidingen en – bij storingen of gevaar onderbroken worden.
§ 17 Brandbeveiliging bij verbruiksinstallaties (1) Verbruiksinrichtingen moeten zo werken, dat brandgevaar verhinderd is en verbrandingen en brandwonden vermeden worden. (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen in ruimtes en omgevingen waarin rekening moet worden gehouden met gevaarlijke explosieve atmosferen, alleen werken met inachtneming van de brand- en explosie-beveiligingsmaatregelen. (3) Als het brandgevaar in de omgevingen volgens punt 2 om constructieve of bedrijfstechnische redenen niet restloos geëlimineerd kan worden, dan moet de ondernemer de te treffen veilig-heidsmaatregelen voor het afzonderlijke geval vastleggen in een gebruiksaanwijzing.
8 § 18 Repareren (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-installaties alleen gerepareerd worden door personen die hij daar opdracht toe heeft gegeven, en dat voor de reparatie alleen geschikte vervangingsonderdelen en hulpmiddelen ter beschikking gesteld en gebruikt worden. (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat delen van verbruiksinstallaties die onderhevig zijn aan slijtage en veroudering, ten laatste na 8 jaar vervangen worden. Dit geldt niet als de goede staat bevestigd is door een deskundige.
§ 22 Installaties op vloeibaar gas voor bouwwerkzaamheden (1) Afwijkend van § 6 punt 6 mogen voor bouwwerk-zaamheden drukgasflessen en verbruiksinstallaties in ruimtes en omgevingen onder de begane grond worden opgesteld als dit om bedrijfstechnische redenen noodzakelijk is en natuurlijke of technische ventilatie de vorming van een explosieve atmosfeer en de vorming van een voor de gezondheid schadelijk afvoergas-luchtmengsel en zuurstofgebrek verhindert en de installatie op vloeibaar gas onder permanent toezicht staat. (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat drukgasflessen voor de voeding van de verbruiksinstallaties onder de begane grond – bij langere werkonderbrekingen en – lege drukgasflessen onmiddellijk verwijderd worden.
(3) In tunnels, mijngangen, rioleringen en ruimtes met een gelijkaardige constructie mogen flessen met een toegelaten vulgewicht van meer dan 14 kg alleen dan gebruikt worden, als de ondernemer hiervoor de volgens de plaatselijke verhoudingen vereiste extra veiligheidsmaatregelen vastgelegd en voor de installatie op vloeibaar gas een in het bedrijf van installaties op vloeibaar gas geïnstru-eerde verzekerde persoon aangewezen heeft, die 1. de veiligheidstechnische toestand van de installatie dagelijks moet controleren en 2. moet toezien op de opstelling van de installaties op vloeibaar gas en op de vervanging van de drukgasflessen.
(4) Als in een ruimte of in een nauwere omgeving van een bouwwerf het gebruik van meerdere installa-ties op vloeibaar gas noodzakelijk is, dan moet de ondernemer de onderlinge afstand en de vereiste extra veiligheidsmaatregelen vastleggen al naar-gelang de plaatselijke verhoudingen. (5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-inrichtingen in ruimtes alleen werken als – de verbruiksinrichtingen een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd en – de afvoergassen via gasafvoerkanalen naar de open lucht worden geleid. Een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd als b. v. 1. het volume van de ruimte in m³ minstens over-eenkomt met de 10-voudige nominale warmte-belasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten en door ramen en deuren een natuurlijke luchtcirculatie gegarandeerd is of 2.
er continu open ventilatieopeningen volgens de uitvoeringsinstructies in § 14 punt 1 voorhanden zijn. (6) Afwijkend van punt 5 mogen verbruiksinrichtingen zonder gasafvoerleiding in ruimtes werken als – deze goed be- en ontlucht zijn en – het aandeel voor de gezondheid schadelijke stoffen in de ingeademde lucht geen schadelijke concentratie bereikt. Een goede natuurlijke be- en ontluchting is b. v. gegarandeerd als. 1. het volume van de ruimte in m³ minstens over-eenkomt met de 30-voudige nominale warmte-belasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten en door ramen en deuren een natuurlijke luchtcirculatie gegarandeerd is of 2. continu open ventilatieopeningen voor de toe- en afvoerlucht in de buurt van plafond en vloer voorhanden zijn, waarvan de grootte in m² minstens overeenkomt met de 0,003-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten.
(5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-inrichtingen in ruimtes alleen werken als – de verbruiksinrichtingen een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd en – de afvoergassen via gasafvoerkanalen naar de open lucht worden geleid. (7) Afwijkend van punt 5 mogen in ruimtes met een voor de verbranding toereikende luchttoevoer voor het drogen van deze ruimtes verwarmingsapparaten gebruikt worden. In deze ruimtes is het voort-durende verblijf van personen verboden. Op het verbod moet aan de ingangen van de ruimtes door het algemene verbodsteken met een extra bord met het opschrift „Het voortdurende verblijf van personen in deze ruimtes is verboden” gewezen worden. (12) Bij bouwwerkzaamheden moeten verbruiksin-richtingen zo worden opgesteld, dat er door afvoer-gassen of stralingswarmte geen brand kan ontstaan.
(13) In ruimtes boven de begane grond mogen verbruiks-inrichtingen voor het drogen en verwarmen in het doorlopende bedrijf onder de volgende voorwaarden worden ingezet: 1. De drukgasflessen moeten boven de begane grond worden opgesteld. 2. De vloeibaar gas- en slangleidingen moeten via een lekgasbeveiliging worden aangesloten.
9 3. De installatie op vloeibaar gas moet door een verzekerde persoon die hier door de onderne-mer opdracht toe heeft gekregen, dagelijks min-stens eenmaal gecontroleerd worden, waarbij met name – de opstelling van de flessen met vloeibaar gas, – de ligging, aansluiting en dichtheid van de leidingen en – de opstelling van de verbruiksinrichtingen gecontroleerd moeten worden. (14) In ruimtes onder de begane grond mogen de ver-bruiksinrichtingen voor het drogen en verwarmen in het doorlopende bedrijf onder de volgende voor-waarden ingezet worden: – De in punt 13 genoemde voorwaarden moe-ten worden nageleefd. – Er mogen alleen verwarmingsapparaten met ventilator gebruikt worden. (20) Aangesloten drukgasflessen mogen na het einde van het werk in ruimtes alleen achterblijven als vol-doende ventilatie gegarandeerd is.
§ 33 Verbruiksinstallaties op vloeibaar gas (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 door een deskundige als volgt gecontroleerd worden: – na reparatiewerkzaamheden die de bedrijfs-veiligheid kunnen beïnvloeden, – na veranderingen die de bedrijfsveiligheid kunnen beïnvloeden en – na bedrijfsonderbrekingen van meer dan één jaar op 1. goede staat, 2. dichtheid, 3. werking en 4. opstelling. (2) Afwijkend van punt 1 regel 1 volstaat bij mobiele installaties op vloeibaar gas die uit niet meer dan één drukgasfles met een vulgewicht van niet meer dan 33 kg werken, de controle door een persoon die daar door de ondernemer opdracht toe heeft gekregen, onder de voorwaarde dat de verbruiksin-stallatie is geassembleerd uit afzonderlijke gecon-troleerde delen.
(5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de resulta-ten van de controles volgens de punten 1 tot 4 in een controleattest worden bijgehouden, dat tot de volgende controle bewaard moet worden. De con-troleattesten moeten altijd kunnen worden voorge-legd aan personen die daar recht toe hebben. De gasaansluiting/het bedrijf van het apparaat mag al-leen gebeuren met inachtneming van het voorschrift ter preventie van ongevallen VBG 21 en de betreffende plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften. De apparaten zijn geconcipieerd voor een constante aansluitdruk van 1,5 bar (vloeibaar gas volgens DIN 51622 cat I3B/P,I3+. ) De aansluitdruk mag niet lager of hoger liggen. Als er langere slang- of buisleidingen worden gebruikt, dan moet er rekening worden gehouden met het drukverlies.
Er mogen uitsluitend geteste en voor het betreffende gebruiksdoel geschikte componenten, zoals gasslang, drukregelaar en slangbreukbeveiliging of lekgasbeveili-ging gebruikt worden. Alleen drukregelaars met een vast ingestelde uitgangsdruk zijn toegelaten. De appa-raten mogen uitsluitend werken uit de gasfase. 4. Controleer na opstelling en aansluiting van de apparaten alle gasgeleidende verbindingen op dichtheid. Zeepoplossing, lekopsporingsspray. 3. Druk de ontgrendelknop van de slangbreukbeveiliging in na het openen van de klep(pen). Dit moet ook gebeuren na elke flesvervanging. 2. Open de klep van de fles resp. de afsluitklep van de toevoer-leiding. Bij gelijktijdige toevoer uit meerdere gasflessen moeten alle kleppen geopend worden. Aansluiting van de gastoevoer Voer de aansluiting als volgt uit. 1. Sluit de drukregelaar aan aan de gasfles(sen) resp. aan de toevoerinstallatie.
Linkse schroefdraad. Belangrijke instructies voor de gasaansluiting Een constante aansluitdruk van de apparaten van 1,5 bar (1500 mbar) moet, ook in het continu bedrijf, gegarandeerd zijn.
10 Belangrijke instructies bij bevroren voedingsinstallaties Door onvoldoende gedimensioneerde voedingsinstal-laties bestaat het gevaar dat de drukgasfles of het drukvat bevriest. Doordat de gasdruk daalt is een goede toevoer naar de verbruiksinrichting met gas in veel gevallen niet meer gegarandeerd. Onvolkomen verbranding, schadelijke afvoergassen of het doven van de vlam zijn het gevolg. Daarom moet de voedingsinstallatie zo groot worden gekozen, dat zulke problemen niet kunnen ontstaan. De eliminering van de kristallijne rijpaanslag mag niet gebeuren door open vuur, gloeiende voorwerpen of stralers. Een toereikende gastoevoer voor de ver-bruiksinstallatie kan gegarandeerd worden door het gebruik van een verdamper. De gastoevoer moet overeenkomstig de aansluitwaarde van het apparaat (zie typeplaatje), de bedrijfsduur en de omgevingstemperatuur van de toevoerfles ontworpen worden.
Om sterk bevriezen van de flessen te vermijden raden wij in principe het gebruik van een batterij van min. 3 flessen aan. Al naargelang de capaciteit van het apparaat en de bedrijfsduur kan de batterij flessen met behulp van de meerflessenset (toebehoren) worden uitgebreid. Belangrijke montage-instructie Bij de montage resp. demontage van de gasslang moet, rekening houdend met de linkse schroefdraad, met een gaffelsleutel SW 19, aan de gasaansluitnippel van het apparaat tegengehouden worden. Dit geldt eveneens voor de drukregelaar, de slang-breukbeveiliging en alle andere gascomponenten. Draai de wartelmoer met de klok mee. Draai de wartelmoer tegen de klok in.
Gasslang losdraaien Gasslang vastdraaien Voor alle werkzaamheden aan de gastoevoer en bij een vervanging van de gasflessen moeten alle afsluitkleppen gesloten zijn en er mogen geen ontstekingsbronnen in de onmiddellijke omgeving aanwezig zijn. Belangrijke instructies voor drukgasflessen De drukgasflessen moeten zijdelings achter het ap-paraat worden opgesteld.
De flessen mogen nooit door de warmeluchtstroom van het apparaat verwarmd of ontdooid worden. Er bestaat explosiegevaar. Flessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf van het apparaat nooit liggend gebruikt worden. Gasontsnapping in de vloeibare fase. Tankgasinstallaties Bij de aansluiting van de apparaten aan tankgasinstal-laties moet afhankelijk van de buisleidinglengte voor een toereikende buisdimensionering gezorgd worden. Om een foutloze werking van het apparaat te garande-ren valt het aan te bevelen om in de onmiddellijke nabij-heid van het apparaat een vast ingestelde drukregelaar met een uitgangsdruk van 1,5 bar en een dienovereen-komstige gasstromingssnelheid (zie typeplaatje van het apparaat) en een op de betreffende voordruk afgestem-de en toegelaten afsluitinrichting te monteren.
11 180° 2 1 Naar links draaien: grotere verwarmingscapaciteit Naar rechts draaien: kleinere verwarmingscapaciteit Ventileren In deze bedrijfsmodus loopt uitsluitend de luchttoevoer-ventilator. Het apparaat kan gebruikt worden voor de circulatie van de lucht. 1. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „II”. 2. Houd er rekening mee dat bij deze schakelaarstand een verwarmingsbedrijf niet mogelijk is. Met de bediening van de apparaten en het toezicht op de flessen en het flessenmagazijn moet een persoon worden belast, die voldoende werd geïnstrueerd in de omgang daarmee. Neem absoluut de volgende instructies in acht: Het bedieningspersoneel moet geïnstrueerd worden over eventuele gevaren bij de omgang met vloeibaar gas. De apparaten mogen alleen in goed geventileerde ruimtes en niet in woonruimtes of gelijkaardige ver-blijfsruimtes worden opgesteld.
Voor een optimale werking van het apparaat mogen de apparaten niet werken bij een omgevingstempe-ratuur boven 25 °C. Veiligheidsafstanden tot brandbare en brandgevaar-lijke materialen moeten aangehouden en de plaatse-lijke brandveiligheidsvoorschriften moeten in acht genomen worden. De elektrische aansluiting van de apparaten moet gebeuren via een speciaal voedingspunt met lekstroombeveiligingsschakelaar. Belangrijke instructies voor het bedrijf van het apparaat Het moet gegarandeerd zijn dat de toevoerlucht vrij aangezogen en de verwarmde lucht ongehinderd uitgeblazen kan worden. De aanzuig- en uitblaasopening van het apparaat mogen niet vernauwd resp. van slang- of buis-leidingen voorzien worden. Instelling en regeling van de verwarmingscapaciteit 1. Stel de gewenste verwarmingscapaciteit traploos in aan de „Power-Regulation”. 2.
Houd er rekening mee dat de verwarmingscapaciteit ook tijdens het bedrijf traploos kan worden veranderd. Verbinden van het apparaat met de stroomvoeding 1. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „0”. 2.
Verbind de netstekker van het apparaat met een volgens de voorschriften geïnstalleerde en voldoende beveiligde netcontact-doos. 230V/1~ / 10A / 50Hz 3. Let bij de aansluiting van het apparaat aan de netcontactdoos absoluut op de juiste polariteit. 4. Draai de netstekker 180°, indien het apparaat tijdens de startfase een stooruitschakeling activeert. 1. Verbind de meegeleverde brug-stekker 2 met de thermostaat-contactdoos 1 aan het apparaat. 2. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „I” (verwarmen). 3. Let op: de luchttoevoerventilator start, de branderautomaat regelt en bewaakt volautomatisch de programma-afloop. Na ca. 15 seconden wordt de vlam gevormd. Verwarmingsbedrijf zonder ruimtethermostaat Het apparaat werkt in het continu bedrijf. 1 3 4 1. Trek de brugstekker eraf. 2. Verbind de stekker 3 van de ruimte-thermostaat 4 met de thermostaat-contactdoos 1 van het apparaat. 3.
Zet de ruimtethermostaat op een geschikte plaats. De thermostaatvoeler mag zich niet in de warmeluchtstroom bevinden en niet direct op een koude onder-grond bevestigd worden. 4. Stel aan de ruimtethermostaat de gewenste temperatuur in. 5. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „I”. 6. Let op: de luchttoevoerventilator start, de branderautomaat regelt en bewaakt volautomatisch de programma-afloop. Na ca. 15 seconden wordt de vlam gevormd. Volautomatisch verwarmingsbedrijf met ruimtethermostaat Het apparaat werkt volautomatisch en afhankelijk van de ruimtetemperatuur.
12 1. Sluit de kleppen van alle flessen. 2. Laat de vlam uitbranden. 3. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „0”. 4. Trek de netstekker uit de netcontactdoos. Veiligheidstemperatuurbegrenzer Het apparaat is uitgerust met een veiligheidstempe-ratuurbegrenzer (VTB), die bij oververhitting de gas-toevoer onderbreekt en de elektronica van het apparaat vergrendelt. Elke functie van het apparaat is uitgeschakeld. Het terugzetten via „RESET” is pas mogelijk na afkoeling van de voeler onder ca. 90 °C. De ontgrendeling gebeurt nadat de beschermkap eraf is geschroefd door de toets „VTB-RESET” in te drukken. De bedrijfsveilige toestand van de apparaten moet al naargelang de inzetvoorwaarden en indien nodig, maar minstens om de twee jaar door een deskundige gecontroleerd worden. Het resultaat van de controle moet in een controleattest worden bijgehouden.
Het controleattest moet tot aan de volgende controle bewaard en altijd ter inzage voorge-legd worden aan personen die daar recht toe hebben. De met de bediening van het apparaat belaste perso-nen moeten het apparaat bij het begin van het werk controleren op opvallende gebreken aan de bedienings- en veiligheidsinrichtingen en op de aanwezigheid en goede werking van de bescherminrichtingen. Als er gebreken worden vastgesteld, dan moet de toezicht-houder op de hoogte worden gesteld. Bij gebreken die de bedrijfsveiligheid van het apparaat in gevaar brengen, moet het bedrijf ervan onmiddellijk gestaakt worden. De regelmatige verzorging en onderhoud, ten laatste na elke verwarmingsperiode, garanderen een storingsvrij bedrijf en lange levensduur van het apparaat. Demontage en reiniging van de gasbrander 1. Sluit de gastoevoer naar het apparaat en trek de net-stekker uit de netcontactdoos. 2.
Verwijder het uitblaasrooster, de buitenmantel en het inspectiedeksel. Neem de volgende instructies in acht: Houd het apparaat vrij van stof en andere afzettingen.
Gebruik voor het reinigen een schone of licht be-vochtigde doek, waarmee u het vuil van het opper-vlak afveegt. Gebruik geen waterstraal. Hogedrukreiniger enz. Gebruik geen schurende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen noch reinigingsmiddelen die schadelijk zijn voor het milieu. Gebruik ook bij extreme vervuiling alleen geschikte reinigingsmiddelen. Controleer de aanzuigopening voor de verbran-dingslucht, de daarachter gemonteerde injector en de gasbek regelmatig op vervuiling. Reinig regelmatig de gasbrander, de gasbek en de stuwschijf. Controleer regelmatig de aanzuig- en uitblaasroos-ters regelmatig en reinig deze indien nodig. Voor onderhoudswerkzaamheden moet in principe de gastoevoer afgesloten en de netstekker uit de netcontactdoos getrokken worden. Een sterk geelachtig vlambeeld duidt op onvoldoende toevoer van frisse lucht of op een vervuiling binnenin het apparaat. 1.
Neem de beschermkap 1 eraf. 2. Druk de toets 2 in. 3. Zet de beschermkap weer erop. 1 2 Belangrijke instructies voor de nakoelfase bij appa-raten met automatische ventilatornaloop (PGT 100 / 100 E) De automatische ventilatornaloop dient ter vermijding van een warmteophoping binnen het apparaat en verhindert daardoor een reactie van de VTB na het uitschakelen van de brander. Om deze reden mag de elektrische aansluiting, behalve in noodgevallen, niet voor het aflopen van de nakoelfase van het stroomnet geïsoleerd worden. Voor de ontgrendeling van een veiligheidsinrichting moet de oorzaak van de storing gelokaliseerd en geëlimineerd worden. 1. Ontgrendel de branderau-tomaat door de stoorknop in te drukken. 2. Houd er rekening mee dat de branderautomaat pas na een wachttijd van 60 sec. ontgrendeld kan worden.
13 A ionisatie-elektrode B ontstekings elektrode 10. Monteer alle overige delen van het apparaat weer zorgvuldig in omgekeerde volgorde. 11. Voer een functiecontrole van het hele apparaat uit inclusief een dichtheidscontrole van alle gasgelei-dende verbindingen met zeepoplossing resp. lekopsporingsspray. 12. Voer na het onderhoud een elektrische veiligheids-controle uit. Apparaat A B PGT 30 / 30 E ca. 3 mm ca. 15 mm PGT 60 / 60 E ca. 3 mm ca. 15 mm PGT 100 / 100 E ca. 4 mm ca. 30 mm 3. Draai de klemschroef aan de houder van de gasbek los. 4. Draai de klemschroef aan de elektrodenhouder los. 5. Trek de ontstekings- en ionisatie-elektrode uit de elektrodenhouder. 6. Verwijder de bevestigingsschroeven van de brander en trek de brander uit het apparaat. 7. Reinig de brander met een draadborstel en pers-lucht. 8.
Monteer de brander weer in het apparaat en monteer de ontstekings- en ionisatie-elektrode in de elektrodenhouder. 9. Zet de ontstekingselektrode zoals hieronder getoond erin en draai de klemschroef aan de elektrodenhouder vast. De punt van de ionisatie-elektrode moet in de buurt van de vlam zitten. Instel- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel. Doelmatig gebruik De apparaten zijn omwille van hun ontwerp en uitrusting uitsluitend geconcipieerd voor verwarmings- en ventilatiedoeleinden in de industrie. Als de opgaven van de fabrikant of de wettelijke vereis-ten niet in acht worden genomen of na eigenmachtige veranderingen aan de apparaten, is de fabrikant niet aansprakelijk voor de daaruit resulterende schade. Een ander bedrijf / bediening dan beschreven in deze gebruiksaanwijzing is niet toegelaten.
Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de besteller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten aanzien van verkoop en ingebruikname het bij het apparaat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld heeft teruggezonden aan REMKO GmbH & Co. KG. De foutloze werking van de apparaten werd in de fabriek meermaals gecontroleerd. Zouden er toch sto-ringen optreden, die door de exploitant niet met behulp van de storingseliminering kunnen worden opgeheven, gelieve dan contact op te nemen met uw handelaar of contractant. Instelinstructies: Maat A = afstand van de punt van de ontstekings-elektrode tot de onderkant van de brander. Maat B = afstand van de punt van de ontstekings-elektrode tot de achterkant van de brander.
22 Storingen: Oorzaak: – Het apparaat start niet. 1 – 2 – 3 – 4 – 5 – 7 – 10 – 13 – 17 – 18 – Het apparaat schakelt tijdens het bedrijf uit. (Stoorlamp in de branderautomaat brandt. ) 2 – 6 – 7 – 8 – 9 – 10 – 13 – 14 – 17 – De ventilator loopt, maar de gastoevoer is geblokkeerd resp. er volgt geen ontsteking. 7 – 12 – 13 – 14 – De gastoevoer wordt onderbroken resp. de vlam dooft. 6 – 7 – 8 – 9 – 10 – 13 – 14 – 17 – 18 – Het apparaat verbruikt te veel brandstof. 13 – Het apparaat kan niet worden uitgeschakeld. 5 – 15 – De verwarmingscapaciteit neemt af bij continu bedrijf. 14 – De verwarmingscapaciteit kan niet geregeld worden. 11 Voor alle werkzaamheden moet de gastoevoer gesloten en de netstekker uit de netcontactdoos getrokken worden. Instel- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel. Oorzaak: Uitkomst: 1.
Het apparaat heeft geen elektrische aansluiting. – De stekker verbinden met de betreffende contactdoos. 2. De ventilatormotor is overbelast, de luchttoevoerventilator loopt onregelmatig of is geblokkeerd). – Motor, ventilatorwaaier en meenemerkoppeling controleren en evt. vervangen. 3. De ruimtethermostaat is te laag ingesteld. – De instelling moet hoger zijn dan de ruimtetemperatuur. 4. Geen brugstekker in de ruimtethermostaatcontactdoos. – De brugstekker verbinden met de thermostaatcontactdoos. 5. De bedrijfsschakelaar is defect. – De gastoevoer sluiten, de netstekker uit de netcontactdoos trekken en de bedrijfsschakelaar vervangen. 6. De polariteit van de netstekker is niet correct. – Netstekker 180° draaien (polariteit controleren). 7. Geen gasdruk aan de magneetklep. – Controleren of er gas wordt toegevoerd naar het apparaat. – De inhoud van de gasflessen controleren.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met REMKO PGT 30 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Heater REMKO
Handleiding Heater
Nieuwste handleidingen voor Heater