REMKO CLK 150 Handleiding

REMKO Heater CLK 150

Bekijk gratis de handleiding van REMKO CLK 150 (16 pagina’s), behorend tot de categorie Heater. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 43 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 7 reviews. Heb je een vraag over REMKO CLK 150 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/16
REMKO sterk als een beer.
REMKO CLK
Verplaatsbareverwarmingsautomaten
UitgaveNL M10
Bediening
Techniek
Onderdelen

Beoordeel deze handleiding

4.1/5 (7 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Heater
Model: CLK 150

Handleiding REMKO CLK 150 – volledige tekst

3 Inhoud bladzijde Veiligheidsaanwijzingen 4 Omschrijving van het apparaat 4 Bepalingen voor heteluchtkanonnen 5 Voorschriften voor de plaatsing 6 Veiligheidsvoorzieningen 6 Rookgasafvoer 7 Voor het eerst in gebruik nemen 7 In gebruik nemen 8 Het buiten werking stellen 9 Inhoud bladzijde Verzorging en Onderhoud 9 Opheffen van Storingen 11 Service en garantie 11 Technische gegevens 12 Schakelschema 13 Montagetekening 14 Onderdelenlijst 15 Onderhoudsrapport 16 G Deze Gebruiksaanwijzing moet altijd aan of in de buurt van het apparaat bewaard worden. G Voor het ingebruiknemen / gebruiken van het apparaat moet deze gebruiksaanwijzing zorgvuldig worden gelezen! Het op andere wijze gebruiken en of bedienen dan in deze handleiding wordt aangegeven is niet toegestaan. In dat geval vervalt elke aansprakelijkheid en garantie. REMKO CLK Verplaatsbare verwarmingsautomaten Gebruiksaanwijzing

4 Veiligheidsaanwijzingen Bij het gebruik van het apparaat moeten de plaat-selijke bouw- en brandvoorschriften alsmede de voorschriften van de bedrijfs-vereniging in acht genomen worden. ◊ Het apparaat mag alleen bediend worden door personen die daarvoor opgeleid zijn. ◊ Het apparaat moet zó worden geplaatst en gebruikt dat personen niet in gevaar komen door verbrandings-gassen en stralingswarmte en dat geen brand kan ontstaan. ◊ Het apparaat mag alleen in ruimten geplaatst en gebruikt worden wanneer voldoende lucht voor de verbranding wordt aangevoerd. ◊ Het apparaat mag zonder rookgasafvoer alleen in goed geventileerde ruimten gebruikt worden. Permanent verblijf van personen in die ruimten is niet toegestaan. Op dit verbod moet d. m. v. borden aan de ingangen gewezen worden. ◊ Voor de veiligheid moet een afstand van 1,5 mtr.

om het apparaat vrijgehouden worden, ook voor niet brandbare voorwerpen. ◊ Het apparaat mag alleen op een niet brandbare onder-grond geplaatst worden. ◊ Het apparaat mag niet gebruikt worden op plaatsen waar gevaar voor brand of ontploffing bestaat. ◊ Verplaatsbare brandstoftanks mogen alleen over-eenkomstig de technische regels voor brandbare vloeistoffen („TRBF 210 en 280” en/of de voorschriften v. d. Hinderwet) geplaatst worden. ◊ Het aanzuigrooster moet altijd vrij van vuil en losse voorwerpen zijn. ◊ Steek nooit vreemde voorwerpen in het apparaat. ◊ Het apparaat mag nooit blootgesteld worden aan een directe waterstraal. ◊ Bescherm alle elektrische kabels van het apparaat tegen beschadegingen (bv. door dieren etc. ). ◊ Bij reparatie- en/of onderhoudswerkzaamheden moet altijd de stekker uit de wandcontactdoos getrokken worden.

Omschrijving van het apparaat De apparaten zijn mobiele luchtverhitters voorzien van een warmtewisselaar en een ventilator, die voor aanvoer van verse lucht zorgt. De apparaten branden op diesel of huisbrandolie EL en functioneren volautomatisch, universeel en probleemloos. Gebruik van deze apparaten is in principe niet-huishoudelijk. De apparaten zijn voorzien van een uitwisselbare venti-latorbrander en zijn voorzien van een rookgasafvoer-aansluiting. De apparaten zijn uitgerust met een geruisarme en onderhoudsarme axiale ventilator, een ruimte-thermostaat en een aansluitkabel met stekker. Standaard wordt bij de levering van de modellen CLK 30 tot 70 een oliebrander met voorverwarming geïntegreerd. De modellen CLK 120 en 150 zijn voorzien van een separate multiflex-olievoorverwarming. Alle apparaten zijn eenvoudig te bedienen en zijn zeer bedrijfszeker.

Ze voldoen aan de eisen van diverse instanties van de EU. Toepassing De apparaten leveren directe warmte en zijn uitsluitend geschikt voor industriele toepassingen. De apparaten worden o. a. gebruikt voor: − het drogen van nieuwbouw − spotverwarming voor werkplekken in de open lucht − het plaatselijk verwarmen van werkplekken in open, niet brandgevaarlijke fabricageruimten en hallen − het permanent of incidenteel verwarmen van gesloten en/of open ruimten − het ontdooien van machines, voertuigen en niet brandbare magazijngoederen − het op temperatuur houden van delen die gevaar lopen te bevriezen en kassen Werking van het apparaat Na het inschakelen van het apparaat of bij warmtevraag (bij volautomatische werking d. m. v. een ruimtethermo-staat) wordt de ventilatorbrander ingeschakeld.

Afhankelijk van de behoefte aan warme lucht, herhaalt zich deze gang van zaken bij gebruik van de ruimte-thermostaat. Na het uitschakelen van het apparaat via de schakelaar of via de thermostaat loopt de ventilator nog enige tijd ter afkoeling van de branderkamer met warmtewisselaar, en schakelt dan pas het apparaat uit. Deze functie kan zich meerdere malen herhalen. G Schakel de stroomtoevoer nooit uit (noodgevallen uitgezonderd) voordat de nakoelcyclus beëindigd is.

5 Bewaking van het gebruik van het apparaat. Via de ingebouwde Veiligheidsvoorzieningen en de branderautomaat (onderdeel van de ventilatorbrander) worden alle functies van het apparaat volautomatisch en bedrijfszeker bewaakt. Bij eventuele onregelmatigheden of doven van de vlam wordt het apparaat via de branderautomaat uitgeschakeld. Het storingslampje op het bedieningspaneel van het apparaat en de storingslamp van de branderautomaat lichten op. De herstart van het apparaat kan pas na handmatige ontstoring (storingsknop op bedieningspaneel) van de branderautomaat de plaats vinden. De temperatuurregelaar (TR) regelt de werking van de ventilator. De temperatuurbewaking (TW) begrenst de uitblaas-temperatuur via de brander. De veiligheidstemperatuurbegrenzer (STB) onderbreekt de verwarmingsfunctie bij extreme oververhitting of bij uitval resp. defect van de TW.

De handmatige ontregeling van de STB kan pas plaats vinden na afkoeling van het apparaat. G Alvorens de blokkering op te heffen dient de werking van het apparaat gecontroleerd te worden opdat een herhaalde overschrijding van de "STB" temperatuur voorkomen wordt. Bepalingen voor heteluchtkanonnen Op de apparaten zijn de Duitse voorschriften voor ongevallenpreventie van toepassing zoals vastgelegd in "Verwarmings-, vlam- en smeltapparaten voor bouw- en montagewerkzaamheden (VBG 43)" van 1. Oktober 1992. Bij het gebruik van de apparaten dienen de plaatselijke bouwverordeningen en de voorschriften inzake brand-preventie in acht genomen te worden. Uittreksel Regeling Ongevallenpreventie (VBG 43): § 37 Bedieningspersoneel De apparaten mogen alleen bediend worden door personen die daartoe opgeleid zijn. § 38 Plaatsing (1) De apparaten dienen stabiel te worden opgesteld.

(3) De apparaten mogen slechts in ruimten geplaatst worden waar voldoende verbrandingslucht toegevoerd wordt en de rookgassen via rookkanalen afgevoerd worden. Een goede natuurlijke ventilatie is aanwezig als b. v. de inhoud van de ruimte in m³ tenminste 10 maal zo groot is als de warmtebelasting in kilowatts van alle in de ruimte aanwezige apparaten en via ramen en deuren een goede natuurlijke luchtverversing ge-waarborgd is. (4) In afwijking van de 3e alinea mogen de apparaten zonder rookgasafvoer in ruimten worden gebruikt mits deze goed geventileerd zijn en de toelaatbare concentratie van schadelijke stoffen in de in te ademen lucht niet overschreden wordt. Een goede natuurlijke ventilatie is aanwezig als b. v. 1.

De inhoud van de ruimte in m³ teminste 30-maal zo groot is als de warmtebelasting in kilowatts van alle in die ruimte aanwezige apparaten en via ramen en deuren een goede natuurlijke luchtverversing gewaarborgd is, of 2. niet afsluitbare openingen voor luchttoe- en afvoer in de nabijheid van het plafond en de vloer aanwezig zijn waarvan de oppervlakte in m² minstens 0,003 x de nominale warmtebelasting in kilowatts van alle in de ruimte aanwezige apparaten bedraagt. (5) De apparaten mogen niet geplaatst en gebruikt worden in ruimten waar explosiegevaar bestaat. § 44 Het drogen van ruimten (2) Voor het drogen van ruimten met voldoende lucht-toevoer ten behoeve van de verbranding mogen in afwijking van § 38 3e alinea verwarmingsapparaten gebruikt worden zonder dat de verbrandingsgassen via rookkanalen afgevoerd worden. In deze ruimten mogen zich geen personen permanent ophouden.

Op dit verbod dient door middel van borden bij de ingangen van de ruimten gewezen te worden. § 53 Keuring (2) Volgens de gebruiksbepalingen moet naar behoefte, doch in ieder geval 1 maal per jaar, de veilige werking van de apparaten door een deskundige gecontroleerd worden. Een rookgas analyse van de brander moet uitgevoerd worden.

§ 54 Controle (1) Personen die met de bediening van de apparaten belast zijn, dienen voor het begin van de werkzaamheden te controleren of de bedienings- of beveiligingsonder-delen van de apparaten kennelijke gebreken vertonen en of de beschermende maatregelen getroffen zijn. (2) Indien gebreken geconstateerd worden, moet(en) de verantwoordelijke perso(o)n(en) daarvan op de hoogte gesteld worden. (3) Vertoont het apparaat gebreken die een goede en veilige werking in gevaar brengen dan dient het direkt uitgeschakeld te worden. § 55 Overtredingen Wie in strijd met de geldende wettelijke voorschriften handelt, maakt zich schuldig aan een strafbare overtreding.

6 Aanwijzingen tot de veiligheidsvoorzieningen De veiligheidsvoorzieningen hebben een eigen controle-sensor en zijn beveiligd tot een temperatuur van -20 °C. Beneden -20 °C schakelt het apparaat zichzelf uit, bij stijging van de temperatuur echter weer in. Bii beschadiging van de sensor of van de capillaire buis en ook bij het bereiken van een temperatuur van ca. 220 °C loopt het vulmedium leeg en wordt het apparaat door de beveiliging uitgeschakeld. Het apparaat is niet meer te gebruiken en moet vervangen worden. Bij een mogelijke vervanging van de „STB“ moet deze vervangen worden door een origineel REMKO onderdeel. ◊ Draag zorg voor een goede montage en aansluiting. ◊ De capillaire buisjes mogen niet in de buurt van een soldeerplaats gebogen worden. ◊ De capillaire buisjes mogen niet beschadigd of scherp geknikt worden.

◊ De voelers mogen alleen op de door de fabriek aangewezen plaats bevestigd worden. ◊ De voelers mogen altijd stof- en vuilvrij zijn. Voorschriften voor de plaatsing Voor het gebruik op bouwwerken gelden voor alle appa-raten de veiligheidsvoorschriften die op bouwwerken van toepassing zijn. ◊ Voorkom het ontstaan van onder- of overdruk in de ruimte waar het apparaat geplaatst is; dit leidt onherroepelijk tot problemen met de verbranding. ◊ Zorg beslist voor een voldoende grote aanzuig- en afvoeropening (zie typeplaatje). Mocht dit niet mogelijk zijn, dan moet de brander van een afzonderlijke luchttoevoer voorzien worden. Plaatsing in gesloten, goed geventileerde ruimten zonder schoorsteenaansluiting. ◊ Gebruik van de apparaten is toegestaan mits de onder § 38 4e alinea genoemde minimale hoeveelheid verbrandingslucht wordt aangevoerd.

Plaatsing in de open lucht ◊ Door de gebruiker van het apparaat dient de zekerheid gegeven te worden, dat onbevoegden noch aan het apparaat noch aan de energie-voorziening kunnen manipuleren. ◊ Het gebruik van de apparaten mag geen gevaar of ontoelaatbare overlast veroorzaken. ◊ Neerslag, zoals regen of sneeuw kunnen door de toevoerventilator aangezogen worden; daarom dient er een geschikte voorziening hiervoor getroffen te worden. Het verwarmen van ruimten ◊ Heteluchtkanonnen mogen alleen voor de verwarming van gesloten ruimten gebruikt worden wanneer zij uitgerust zijn met een ruimte-thermostaat. Accessoire ◊ Er moet gezorgd worden dat de hoeveelheid voor de verbranding nodige lucht beschikbaar is.

Veilige afstanden ◊ Om een veilige werking en het onderhoud van de apparaten te garanderen, dient een afstand van 1,5 meter om het apparaat vrijgehouden te worden, ook voor niet-brandbare voorwerpen. ◊ De vloer en het plafond moet brandvertragend zijn. Elektrische aansluiting ◊ De apparaten werken op 1~ 230 V / 50 Hz. ◊ Op bouwterreinen moet de stroom volgens VDE 0100 § 55 via een speciale aansluiting (gewoonlijk bouwaansluiting met aardlek-schakelaar) geleverd worden. Veiligheidsvoorzieningen De apparaten zijn uitgerust met de volgende veiligheids- en controlemiddelen: ◊ Temperatuurregelaar (TR) ◊ Temperatuurbewaking (TW) ◊ Veiligheidstemperatuurbegrenzer (STB) Temperatuurregelaar (TR) De temperatuurregelaar stuurt het in- en uitschakelen van de omloopventilator in. Het schakelpunt wordt via de regelaar ”Scala 21 – 60” in de schakelkast ingesteld. Instelling ca. 35-40 graden C.

Temperatuurbewaking (TW) De temperatuurbewaking begrenst tijdens de werking van het apparaat de temperatuur van de blazer c. q. de uitblaastemperatuur. Het schakelpunt wordt via de regelaar ”Scala 34 – 110” in de schakelkast ingesteld. Instelling ca. 80-85 graden C.

Veiligheidstemperatuurbegrenzer (STB) De STB neemt de controle-functie van de temperatuur-bewaking over. Het schakelpunt is vast ingesteld. Een inschakelbegrenzer voorkomt dat de brander, nadat de STB ontregeld is, opnieuw opstart. Na verwijdering van de afdekkap, welke zich bevindt naast het bedieningspaneel, kan men de herstelknop met het juiste gereedschap van buiten af bevestigen. Na herstel van de STB de afdekkap weer monteren. G Alvorens de blokkering op te heffen dient de werking van het apparaat gecontroleerd te worden opdat een herhaalde overschrijding van de "STB" temperatuur voorkomen wordt.

7 ◊ De rookgasafvoer moet dusdanig aangelegd zijn, dat er geen tegendruk kan ontstaan ◊ Een storingsvrije werking wordt gegarandeerd door de rookgasafvoer stijgend en met vertikale eindstukken te plaatsen. ◊ De rookgasafvoer moet minstens tot boven de dakgoot maar beter is tot boven de nok van het dak uitkomen omdat door weersomstandigheden (bv. wind) tegen-druk ontstaat. ◊ Alle schoorsteenelementen moeten deugdelijk beves-tigd worden. De doorsnee mag niet kleiner zijn dan die van de afvoer van het apparaat. ◊ De afstand tot brandbare materialen mag niet kleiner zijn dan 0. 6 meter. ◊ Schoorsteenelementen incl. bevestigingsmateriaal zijn verkrijgbaar als accessoires. Rookgasafvoer In de buitenlucht of in open ruimten is het gebruik van de apparaten ook zonder schoorsteen mogelijk. Wij adviseren echter een pijp van 1 mtr.

lengte (voorbeeld 2) met regenkap te gebruiken om binnendringen van vuil en regenwater te voorkomen. Wanneer de apparaten gebruikt worden voor het ver-warmen van ruimten, dan moeten de verbrandingsgassen naar buiten afgevoerd worden. G Er mag geen tegendruk ontstaan door een verkeerde rookgasafvoer. Belangrijke aanwijzingen Om beschadiging van de branderkamer, die ontstaat door neerslag van condensaat, te voorkomen, moet de installatie van de rookgasafvoer correct geschieden, d. w. z. met een condensopvang zoals in voorbeeld 1 Voor het eerst in gebruik nemen Het apparaat dient voor het gebruik gecontroleerd te worden op zichtbare gebreken aan de bedienings- en de veiligheidsonderdelen; tevens dient gecontroleerd te worden of het apparaat op de juiste wijze geplaatst is en of de elektrische aansluiting in orde is.

◊ Let u er op dat de perfecte functie van de multiflex -olievoorverwarming slechts dan gegarandeerd is, als het apparaat reeds voor de start gedurende een langere periode onder spanning stond. ◊ Gebruik uitsluitend huisbrandolie EL of dieselolie. ◊ Flexibele brandstofleidingen dienen beschermd te worden tegen beschadigingen van bijv. heftrucks, dieren enz. Aanwijzing De emissiewaarden van de rookgassen van ventilatorbran-ders moeten, afhankelijk van de plaatselijke voorschriften en omstandigheden, door gekwalificeerd personeel wor-den gecontroleerd en indien nodig gecorrigeerd worden. Vorming van paraffine-vlokken Ook bij lage buitentemperaturen moet de olietoevoer voldoende zijn. ◊ De vorming van paraffine-vlokken kan al bij 5 °C optreden. ◊ Neem de juiste maatregelen daartegen. Wintervaste huisbrandolie EL of winterdieselolie.

Elektrische aansluiting De apparaten werken op 1~ 230 V / 50 Hz. ◊ De elektrische aansluiting van het apparaat vindt plaats d. m. v. een aansluitkabel met randaarde-stekker. ◊ Het verlengen van kabels mag uitsluitend door een vakbekwaam installateur worden verricht. ◊ Bij de keuze van verlengkabels moet rekening gehouden worden met de lengte van de kabel, het aansluitvermogen van het apparaat en of de verlengkabel geschikt is voor deze toepassing. G De elektrische aansluiting van het apparaat dient volgens VDE 0100 § 55 via een apart aansluitpunt (gewoonlijk een wandcontactdoos met aardlekschakelaar) te geschieden. G Alle verlengkabels moeten voor gebruik geheel afgerold en/of uitgelegd worden. voorbeeld 1 voorbeeld 2 voorbeeld 3 Werking met ver-lengde rookgasafvoer Condensopvang vereist Werking zonder verlengte rookgasafvoer Max. 1 meter Ontoelaatbare opstelling max.

8 In gebruik nemen De bediening en de controle van het apparaat dient te worden opgedragen aan een persoon die hiertoe voldoende instructie ontvangen heeft. Aanwijzing voor de start van een koud apparaat Bij de modellen CLK 30 tot 70 met een ventilatie-olie-brander volgt, vanwege de voorverwarming van de ver-stuiverhouder, een temperatuurafhankelijke vertraagde start van het apparaat. Aansluiting van het apparaat met de electriciteitsverzorging 1. Zet de bedieningsschakelaar in stand „0” 2. Steek de stekker in de daarvoor geschikte wand-contactdoos. 3. Open alle olietoevoerleidingen. Bij de eerste in bedrijfsstelling van het apparaat kan er lucht in de leidingen zijn, die kunnen leiden tot een storing van de brander. Verdeling van de warme lucht De apparaten zijn uitgerust met onderhoudsarme axiale ventilatoren met een grote capaciteit.

Zij zijn geschikt om hete lucht doelgericht en effectief te transporteren. De aansluiting geschiedt bij voorkeur d. m. v. buizen of speciale flexibele warmeluchtslangen. De maximale lengten van slangen en/of buizen zijn afhankelijk van de weerstand van de gebruikte luchtleidingen. Let op bij de montage van warmeluchtslangen ◊ Gebruik uitsluitend de door ons goedgekeurde warme-luchtslangen (accessoire). ◊ De inwendige overlappingen bij de naden moeten in de richting van de luchtstroom worden aangesloten. ◊ Let op een goede aansluiting van slangen en/of buizen op de uitblaasopening van het apparaat. ◊ Teneinde opstuwing van hitte te voorkomen mogen er geen knikken of te scherpe bochten in de leidingen voorkomen. ◊ Folie-slangen mogen niet verdraaid worden. ◊ Bij verwarming van gesloten ruimten via slangen mag geen tegendruk ontstaan.

◊ Bij verhoogde temperatuur van de aangezogen lucht of bij weerstand aan de uitblaasopening kan de brander tijdens het gebruik korte tijd uitgeschakeld worden door de Temperatuurbewaking (TW). Nadat de temperatuur van het apparaat gedaald is, start de brander automatisch opnieuw.

◊ Bij te korte intervallen dient de lengte van de warmtelucht-toevoer getest worden. 1. Steek de meegeleverde doorver- bindingstekker 2 in het thermo- staatcontact 1 van het apparaat. 2. Zet de bedieningsschakelaar in stand „I” (Verwarming) Verwarmen zonder thermostaat Het apparaat werkt continu. 1 2 1. Neem de doorverbindstekker 2 uit het thermostaatcontact 1. 2. Steek de thermostaatstekker 3 van de ruimtethermostaat 4 (accessoire) in het thermostaatcontact. Verwarmen met ruimtethermostaat Het apparaat werkt volautomatisch en afhankelijk van de temperatuur. 1 3 4 Ventileren In deze stand draait alleen de ventilator. Thermostatisch regelen en verwarmen is nu niet mogelijk. 1. Zet de bedieningsschakelaar in stand „II” (Ventileren) G Een interval van minder dan 5 minuten van de olie-brander dient vermeden te worden.

G Bij optredende stuwwarmte wordt het functioneren van de luchtverhitter via de STB continue onderbroken. Bedieningspaneel Storingsknop (Brander) Storingslampje, rood (Brander) Bedieningsschakelaar Bedrijfslampje, groen (Werking) Veiligheidstemperatuurbegrenzer (STB) Thermostaatcontact Doorverbindingstekker 3. Bevestig de ruimtethermostaat op de juiste plaats. De voeler van de thermostaat mag zich niet in de warme luchtstroom van het apparaat bevinden. Ook mag deze voeler niet bevestigd zijn op een koele ondergrond. 4. Stel de ruimtethermostaat in op de gewenste temperatuur 5. Zet de bedieningsschakelaar in stand „I” (Verwarming) Bij instelling schakelt de ventilator-brander automatisch in en werkt het apparaat volautomatisch. Aanwijzing voor het controlelampje „bedrijf“ De controlelamp toont de functie „verwarmen“.

9 Het buiten werking stellen Belangrijke aanwijzingen voor de nakoelcyclus De ventilator loopt door om de branderkamer af te koelen en schakelt pas later uit. De ventilator kan soms enkele malen gaan lopen voordat de branderkamer geheel is afgekoeld. 1. Zet de bedieningsschakelaar in stand „0” 2. Sluit de brandstoftoevoer af. G Schakel de stroomtoevoer nooit uit (noodgevallen uitgezonderd) voordat de nakoelcyclus beëindigd is. Schade aan het apparaat door oververhitting valt niet onder de garantie. Onderhoudswerkzaamheden Na iedere gebruiksperiode of, afhankelijk van de ge-bruiksomstandigheden eerder, moet het hele apparaat, inclusief de warmtewisselaar, de branderkamer en de brander gereinigd worden. Aan slijtage onderhevige onderdelen, rookgasremmers, pakkingen, oliefilterelement en brandernozzel dienen gecontroleerd en zo nodig vervangen te worden.

Verzorging en Onderhoud Wanneer u het apparaat goed verzorgt en rekening houdt met enkele belangrijke vereisten, zult u het lang en zonder problemen kunnen gebruiken. ◊ Houd het apparaat vrij van stof en vuil en reinig het alleen droog of met een vochtige doek. Geen waterstraal gebruiken. ◊ Gebruik voor het schoonmaken een schone vochtige doek waarmee u het vuil van het oppervlakte verwijdert. ◊ Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen en geen reinigingsmiddelen met oplosmiddelen. ◊ Gebruik bij extreme vervuiling alleen een geschikt reinigingsmiddel. ◊ Gebruik alleen schone huisbrand- of dieselolie. Let op de paraffine vorming. ◊ Controleer regelmatig het brandstoffilter en vervang zo nodig het vervuilde filter. ◊ Controleer het apparaat op mechanische beschadigingen en vervang zo nodig de beschadigde onderdelen.

◊ Let erop dat steeds voldoende verbrandingslucht aangevoerd wordt en dat de rookgassen voldoende worden afgevoerd. G Bij werkzaamheden aan het apparaat altijd de stekker uit de wandcontactdoos nemen. ◊ Controleer regelmatig de werking van de veiligheids-voorzieningen. ◊ Houd de sensoren van de veiligheidsvoorzieningen vrij van stof en vuil. ◊ Laat het gehalte aan schadelijke stoffen in de ver-brandingsgassen van de brander regelmatig door een vakbekwaam persoon controleren. Om veiligheidsredenen adviseren wij u een onder-houdscontract af te sluiten. ◊ Houd u aan de onderhoudstermijnen. G Afstel- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen door gekwalificeerd personeel uitgevoerd worden 1. Zet de bedieningsschakelaar in stand „0” en onder- breek de stroomtoevoer. 2. Verwijder de uitblaaskonus 1. Warmteluchtslangen die aanwezig zijn dienen niet te worden gedemonteerd. 3.

Demonteer het reinigingsdeksel 2 en verwijder de rookgasremmers 4. 4. Reinig de rookgaskanalen 5. Als accessoire is een speciale reinigingsborstel ver- krijgbaar (EDV-Nr. 1103110). Het reinigen van de warmtewisselaar 5. Rookgasremmers reinigen en indien nodig vervangen. 6. Pakkingen 3 van het reinigingsdeksel controleren en eventueel vervangen. 7. Let op de volgende aanwijzingen. 5 3 2 4 1.

10 Belangrijke aanwijzingen voor de montage ◊ De montage gaat in omgekeerde volgorde. ◊ Let op de juiste montage van pakkingen en reinigingsdeksel. ◊ De bevestigingsmoeren van het reinigingsdeksel gelijkmatig aandraaien. Het niet gelijkmatig aandraaien kan lekkage van rookgassen veroorzaken. 1. Gelieve de brandermantel 1 na het openen van de twee snelkoppelingen te demonteren. 2. Demonteer het brandstoffilter 2 inclusief de brand-stofleidingen van de houder en verwijder de stekker 3 van de brander 4. 3. Maak de klemschroef los van de branderplaat 5 en trek de brander naar voren. 4. Gelieve de brander en het brandstoffilter apart te leggen. 5. Demonteer de branderplaat. Let op de flenspakking 6. Reinigen van de branderkamer 6. Reinig de branderkamer met een stofzuiger via de branderopening. Als accessoire is een speciaal set voor het reinigen van ketels verkrijgbaar. 7.

Monteer de branderplaat en de brander zoals als volgt beschreven. Montage van de branderplaat en de brander. 1. Controleer de flenspakking 6 en vervang deze als dit nodig is. 2. Bevestig de branderflens met de vier schroeven aan het apparaatframe. Let op de aanwijzing ”Oben”(boven). 3. Draai de bovenste schroeven vast aan. 4. Draai de onderste schroef slechts licht aan, omdat de branderflens zich nog moet zetten. 5. Schuif de vlampijp van de brander in de branderflens. Let op maat X in de tekening. 6. De vlampijp vastklemmen met de flens, waarbij de brander (3 graden hoek) licht opgetild moet worden. Daarbij dient een inbussleutel gebruikt te worden. 7. Onderste schroeven tenslotte aandraaien. 8. De brandermantel weer monteren met behulp van de snelkoppelingen G Laat de ventilatorbrander uitsluitend door vakkundig personeel onderhouden.

11 G Het op andere wijze gebruiken en/of bedienen dan in deze handleiding wordt aangegeven is niet toegestaan. In dat geval vervalt elke aansprakelijkheid en garantie. Warmelucht-ventilator draait niet: 1. Controleer of de ventilatorvin licht draait. 2. Controleer of de elektrische kabel van de ventilator beschadigd is. 3. Controleer de condensator van de ventilator. 4. Controleer de temperatuurregelaar (TR) met de geschikte middelen op zijn correcte werkwijze. Ventilatorbrander en energievoorziening 1. Controleer of het oliefilter vervuild is. Indien nodig vervangen. 2. Open de kraan op het oliefilter en controleer of er voldoende brandstof in de tank is. 3. Controleer de olie en het filter op paraffine-vlokken. Kan al vanaf 5 °C optreden. 4. Controleer de olieslangen op beschadiging. Aanzuigen van lucht. 5. Sensoren resp.

capillaire buisjes van de veiligheids-voorzieningen op beschadiging controleren. 6. Controleer de temperatuurbewaking (TW) met de geschikte middelen op zijn correcte werkwijze. 7. Controleer de ventilatorbrander op eventuele vervuiling van de verstuiver, wervelplaat, filter enz. G Reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan de brander en de elektrische installatie mogen om veiligheidsredenen alleen door gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd. Belangrijke aanwijzing van de ontregeling van de brander. ◊ Mocht de branderautomaat na een nieuwe startfase weer in storing gaan, dan dient 5 min gewacht te worden voordat de automaat opnieuw ontgrendeld kan worden. ◊ Laat verdere pogingen achterwege i. v. m. ontploffingsgevaar. Apparaat start niet 1. Controleer de netaansluiting. 2. Zet de bedieningsschakelaar in stand „I”. 3 Controleer of het bedrijfslampje op het bedienings-paneel brandt.

Controleer op het bedieningspaneel of de veiligheids-temperatuurbegrenzer (STB) uitgevallen is. Daartoe dient de afdekplaat, bevindt zich naast het bedieningspaneel, verwijderd te worden en na controle weer aangebracht. 7. Analyseer de oorzaken en los deze op alvorens u de STB reset. De volgende oorzaken zijn mogelijk van toepassing: − Apparaat kon niet nakoelen omdat de elektrische aansluiting onderbroken was. − Te hoge uitblaastemperatuur, bij het gebruik van slangen, wegens onjuiste geleiding van de uitblaaslucht. − Lucht kon niet onbelemmerd worden aangezogen of uitgeblazen. 8. Controleer of het storingslampje op het bedienings-paneel brand. Zo ja, ontgrendel de branderautomaat door op de storingsknop te drukken. 9. Zet de bedieningsschakelaar in stand „II“ (Ventileren) Als de ventilator nu begint te lopen, dient de fout in de brander gezocht te worden.

Het apparaat werd in de fabriek in een testopstelling meermalen op storingsvrij functioneren beproefd. Mochten desondanks storingen optreden, welke niet door de gebruiker, zoals omschreven in de hoofdstuk „Storingen opheffen” terug te voeren zijn, wendt u zich dan tot uw servicehandelaar. Service en garantie Voorwaarde voor eventuele garantie-aanspraken is, dat de besteller of diens afnemer het bij elke REMKO ver-warmingsapparaat gevoegde garantiebewijs binnen redelijke tijd na aankoop en/of ingebruik nemen volledig ingevuld aan zijn REMKO leverancier retour gezonden heeft. G Het is niet toegestaan veiligheidsinrichtingen door te verbinden of te blokkeren terwijl het apparaat in werking is. G Bij werkzaamheden aan het apparaat altijd de stekker uit de wandcontactdoos nemen. Opheffen van Storingen.

16 Onderhoudsrapport 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 apparaat van buiten gereinigd apparaat van binnen gereinigd ventilatorvinnen gereinigd branderkamer gereinigd warmtewisselaar gereinigd rookgasremmers vervangen pakkingen reinigingsdeksels vervang. branderflenspakking vervangen brandstoffilter vervangen veiligheidsonderdelen gecontroleerd elektr. veiligheid gecontroleerd veiligheidsmaatregelen gecontrol. controle op beschadigingen Branderonderhoud *) proefdraaien apparaat type :. apparaat nummer :. brander type :. brander nummer :. opmerkingen:. *) Laat de ventilatorbrander overeenkomstig de wettelijke voorschriften alleen door deskundig personeel onderhouden en afstellen. Het resultaat van de metingen moet in een rapport vastgelegd worden. 1. Datum:. 2. Datum:. 3. Datum:. 4. Datum:. 5. Datum:. Handtekening Handtekening Handtekening Handtekening Handtekening 6.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO CLK 150 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden