REMKO SL44 Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van REMKO SL44 (16 pagina’s), behorend tot de categorie Heater. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 20 mensen en kreeg gemiddeld 5.0 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over REMKO SL44 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/16
REMKO – sterk als een beer.
REMKO OLB
Ventilator-oliebrander
Uitgave NL – P12
Bediening
Techniek
Vervangingsonderdelen

Beoordeel deze handleiding

5.0/5 (2 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Heater
Model: SL44

Handleiding REMKO SL44 – volledige tekst

3 Voor ingebruikname / gebruik van de brander moet deze handleiding zorgvuldig gelezen worden! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering van het apparaat vervalt elk recht op garantie.  Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden.  pagina Veiligheidsinstructies 4 Beschrijving van het apparaat 4 Montage van de oliebrander 5 Ingebruikname 5 Instelling van de luchtklep 8 Aansluitschema 10 pagina Voorstelling van het apparaat 12 Lijst van vervangingsonderdelen 13 Eliminering van storingen 14 Meet- en onderhoudsprotocol 15 Instructies voor het onderhoud 15

4 De ventilator-oliebrander is vervaardigd volgens de technische eisen op het moment van de levering. Uitgebreide materiaal-, functie- en kwaliteitscontroles garanderen een storingsvrij bedrijf en een lange levens-duur van de ventilator-oliebrander. Niettemin kunnen er van het apparaat gevaren uitgaan, als het door onopgeleide personen ondeskundig of niet-doelmatig wordt ingezet. Neem absoluut de volgende instructies in acht: ◊ De exploitant is verantwoordelijk voor de montage volgens de voorschriften en het veilige bedrijf. ◊ Montage, brandstofaansluiting, elektrische aanslui-ting en onderhoud mag alleen gebeuren door ge-kwalificeerd personeel conform de geldende voor-schriften. ◊ Laat de ventilator-oliebrander alleen werken in ge-monteerde toestand. ◊ Veiligheidsinrichtingen zoals b. v. beschermroosters of afdekkingen mogen niet gedemonteerd noch bui-ten werking gesteld worden.

◊ Gebruik de ventilator-oliebrander alleen doelmatig en binnen de opgegeven capaciteitsgrenzen. Typeplaatje resp. technische gegevens in acht ne-men. ◊ Het aanzuigbeschermrooster moet altijd vrij van vuil en losse voorwerpen zijn. ◊ De ventilator-oliebrander mag niet worden blootge-steld aan een directe waterstraal. Hogedrukreiniger enz. ◊ Bij inzet van de brander in de open lucht moeten er adequate maatregelen worden getroffen tegen het binnendringen van vocht. ◊ Alle elektrische kabels moeten tegen beschadigin-gen, b. v. door dieren, beschermd worden. ◊ De olievoorverwarming (standaard tot bouwgrootte 33) verwarmt taaivloeibare olie automatisch voor tot de juiste verstuivingstemperatuur. Verstuivercapaciteit en verstuiving blijven constant.

◊ Met behulp van het traploos instelbare luchtinlaat-mondstuk kan al naargelang de plaatselijke omstan-digheden de optimale branderverdichting worden in-gesteld. De aanzuigdiameter wordt daarbij niet verkleind. ◊ Door de uiterst precieze menginrichting ontstaat een aërodynamisch gelijkgerichte luchtstroom en lucht-druk.

◊ Bij vakkundige instelling van de ventilator-oliebrander worden altijd optimale verbrandingswaarden bereikt. Werkwijze Als er door de thermostaat van de WLG van de ventila-tor-oliebrander warmte wordt gevraagd, dan wordt tot bouwgrootte 33 eerst de olievoorverwarming ingescha-keld. De brandstof wordt voorverwarmd tot de vereiste verstuivingstemperatuur, er volgt dus een vertraagde branderstart. Aan het begin van de startfase schakelt de brandermo-tor met ventilator en pomp zich in. Voor de voorbeluch-ting transporteert de ventilator lucht door brander en brandkamer. Na afloop van de voorbeluchting opent de magneetklep de brandstoftoevoer naar de verstuiver. De onder hoge druk verstoven brandstof wordt door de menginrichting verrijkt met een aan de verwarmingscapaciteit aange-paste hoeveelheid zuurstof en verwerveld.

De ontsteking van het mengsel van olie en lucht ge-beurt door een lichtboog aan de punten van de ontste-kingselektrode. De daarvoor vereiste spanning wordt gegenereerd door een ontstekingstransformator. De ontsteking wordt automatisch beëindigd, zodra er een foutloze vlam brandt en het stuurrelais (branderautomaat) de bewaking van de vlam heeft overgenomen. Door het stuurrelais worden alle functies van de ventila-tor-oliebrander volautomatisch uitgevoerd en veilig be-waakt. Een ingebouwde microprocessor stuurt de pro-gramma-afloop. De afzonderlijke fases van de program-ma-afloop zullen doorlopend via een informatiesys-teem, door middel van een in de ontstoorknop inge-bouwd LED-display, als knippercode getoond worden. Bij eventuele onregelmatigheden, instabiele of dovende vlam wordt de ventilator-oliebrander door middel van een vlambewaker door het stuurrelais uitgeschakeld.

In het geval van een storing brandt de LED 10 secon-den permanent en voert dan een knippercode uit, die informatie geeft over de oorzaak van de storing. Dit pro-ces herhaalt zich continu. Zie pagina 14. Een nieuwe start kan pas volgen na manuele ontgren-deling van het stuurrelais.

 Voor onderhouds- en reparatiewerkzaamheden moet de brander in principe van het stroomnet geïso-leerd worden. Deze speciaal op warmeluchtgenerators (WLG) afge-stemde ventilator-oliebrander onderscheidt zich met na-me door een gemakkelijke bediening en onderhoud en door zijn betrouwbaarheid. De ventilator-oliebrander is bedrijfsveilig en komt over- een met de geldende EU-voorschriften. ◊ Nagenoeg alle onderhoudswerkzaamheden kunnen met slechts één inbussleutel worden uitgevoerd. ◊ De elektrische aansluiting aan de warmeluchtgene-rator gebeurt via een standaard 7-polige steekver-binding.

5 Montage van de branderflens en van de brander 1. Leg de flensdichting 1 op de branderflens. 2. Bevestig de branderflens met de vier schroeven aan de behuizing van het apparaat. Let op de markering „BOVEN“ (UP, HAUT). 3. Draai de bovenste schroeven 2 vast aan. 4. Draai daarbij de onderste schroeven 4 slechts tot lichte druk aan, opdat de branderflens nog kan wor-den samengetrokken. 5. Schuif de vlambuis van de brander in de brander-flens. Let op maat X in de tekening. 6. Klem de vlambuis, terwijl u de brander iets optilt (3° schuin), vast met de flens. Gebruik daarvoor een inbussleutel. 7. Draai ten slotte ook de onderste schroeven aan. Ventilator-oliebranders met een verwarmingscapaciteit van meer dan 350 kW worden met een aparte voe-dingsleiding aangesloten aan het 400 V net.

Voorbereidende maatregelen Na het losdraaien van de 4 behuizingsschroeven wordt de montagegrondplaat van de behuizing af getrokken en zijdelings ingehangen. Bij de bouwgroottes SL 44 – SL 66/2 moeten er 6 be-huizingsschroeven gedemonteerd worden (let op de pijlen). De belangrijkste functionele onderdelen zijn al naarge-lang de eisen onmiddellijk vrij toegankelijk voor de montage en het onderhoud. Elektrische aansluiting De elektrische aansluiting aan de warmeluchtgenerator gebeurt in de regel via een standaard 7-polige steekverbinding, waar-van de bus is gemonteerd aan de brander. 1 3 2 X Branders tot bgr. 33: X = 20 mm Branders vanaf bgr. 44: X = 30 mm 4 Olieaansluiting De meegeleverde olieslangen worden aangesloten aan de oliepomp en gefixeerd met de klembeugel.

De afsluit- en filterarmaturen van warmeluchtgenerators moeten zo worden aangebracht, dat een vakkundige slanggeleiding gegarandeerd is. De slangen mogen niet knikken. Flexibele brandstofleidingen moeten speciaal tegen be-schadigingen, b. v. door vorkheftrucks, dieren enz. , be-schermd worden.  De geldende installatievoorschriften en het scha-kelschema van de brander moeten in acht worden genomen.

 De ingebruikname van de ventilator-oliebrander mag alleen worden uitgevoerd door opgeleid vak-personeel. Voor het onderhoud en voor de inbouw en vervanging van de verstuiver kan de montagegrondplaat horizon-taal worden ingehangen. Ga daarvoor als volgt te werk: 1. Houd de montagegrondplaat horizontaal. 2. Leg de rechter haak van de montageplaat op de rechter drager van de branderbehuizing. 3. Hang het oog aan de linker schroef van de brander-behuizing.

6 Bepalen van de verstuivergrootte De keuze van de vereiste olieverstuiver is afhankelijk van de pompdruk en de capaciteit van het apparaat (zie typeplaatje van de betreffende warmeluchtgenerator). Er mag alleen een voor de betreffende brandkamergeo-metrie geschikte verstuiver met dienovereenkomstige sproeihoek, kegelkarakteristiek en debiet gebruikt wor-den. Instellen van ontstekingselektrode en stuwschijf D C B A Alle opgegeven maten zijn approximatieve waarden in mm. De optimale instelling moet worden aangepast aan de plaatselijke en constructieve omstandigheden. Bouwgrootte \ Maat A B C D SLV 11 - 33 2 - 4 4 - 6 7 2,5 SL 44 - SL 66/2 13 - 15 12 - 14 5 3 SL 88/2 13 - 15 14 - 16 10 4  Tot brandkamergrootte 66 moeten in principe voor alle apparaten van REMKO oliebranderverstuivers met een sproeihoek van 60°, vanaf brandergrootte 88 met een sproeihoek van 80° gebruikt worden.

Luchtinlaatmondstuk Door de verstelbare luchtinlaatmondstukken kan al naargelang de brandkamerweerstand en de schoor-steentrek de vereiste branderverdichting ingesteld wor-den zonder de uitgangsdiameter te veranderen. 1. Draai de inbusschroef los. 2. Draai het luchtinlaatmondstuk in de gewenste positie (let op de pijlen. ). „min” = kleinere branderverdichting „max” = grotere branderverdichting Montagegrondplaat Na geschiede verstuiververvanging en instelling van het luchtinlaatmondstuk wordt de montagegrondplaat weer gemonteerd in omgekeerde volgorde. Instellen van de secundaire lucht (verstuiverstok-instelling) Voor het instellen van de secundaire lucht gaat u als volgt te werk: Stel met de stelschroef 1 de verstuiverstok 2 in op de gewenste waarde.

7 Meting van de verbrandingsgassen Elke stationaire stookinstallatie moet conform de 1ste Duitse immissiebeschermingsverordening (1. BImSchV) gecontroleerd worden door meting van de afvoergas-waarden. De exploitant is verplicht om uiterlijk 4 weken na inge-bruikname van de stookinstallatie deze door de dis-trictsschoorsteenvegermeester door metingen te laten controleren. Bovendien moet er conform §§ 9 en 15 van de 1. BImSchV een jaarlijkse controle van de immissie-waarden worden uitgevoerd door de districtsschoor-steenvegermeester (oliederivaten, roet, afvoergasver-lies).

De berekening van de afvoergasverliezen gebeurt vol-gens de volgende formule: qA = afvoergasverlies in % tA = afvoergastemperatuur in °C tL = verbrandingsluchttemperatuur in °C CO2 = volumegehalte aan kooldioxide in droog afvoergas A1 = 0,5 (brandstofspecifieke constante) B = 0,007 (brandstofspecifieke constante) Decimale waarden worden afgerond op 0,5, boven 0,5 naar boven. Belangrijke informatie Alle REMKO standaard verwarmingsautomaten moeten in principe werken met nominale belasting. Alle tweetraps branderuitvoeringen mogen alleen wer-ken in de tweede brandertrap. De eerste brandertrap mag uitsluitend gebruikt worden als startontlasting. Om de optimale werking van de brander te garanderen wordt erop gewezen dat er een jaarlijks onderhoud con-form DIN 4755 moet worden uitgevoerd. Met het oog hierop is het raadzaam om een onderhoudscontract af te sluiten.

Bij niet-naleving van de bedrijfsafhankelijke reinigings- en branderinstelintervallen vervalt elk recht op garantie. Het bewijs van de uitgevoerde werkzaamheden door geautoriseerd vakpersoneel is daarom dringend vereist. Er moet een dienovereenkomstig meetprotocol worden opgesteld. ( qA = (tA - tL) x A1 CO2 +B ) 4 3 Luchtklep tot bouwgrootte SL 44 De vereiste luchthoeveelheid wordt ingesteld door mid-del van de stelschroef 3. De bovenkant van de schroef-kop op „0” betekent „Min”-instelling.

De luchtklep wordt geopend of gesloten tot het roet-beeld een olievrije kleur „0 - 1” vertoont. Instellen van de luchtklep tot bouwgrootte SL 44 Ga voor het instellen van de luchtklep als volgt te werk: 1. Draai de kartelmoer 4 los. 2. Verdraai de stelschroef 3. 3. Houd er rekening mee dat in de regel betekent: rechts draaien = minder lucht links draaien = meer lucht 4. Zet na geschiede instelling de stelschroef weer vast met de kartelmoer. Aanvullende instructies ◊ Als de vlam bij volledig geopende klep roet of af-scheurt, dan moet met behulp van de secundaire luchtinstelling de verdichting achter de stuwschijf ver-kleind worden. ◊ Eventueel kan het ook vereist zijn om het luchtinlaat-mondstuk verder te openen.  Bij branders vanaf bouwgrootte SL 55/2 gebeurt de instelling van de luchtklep via een stelmotor. Zie speciale instelinstructies luchtklep.

Instellen van de pompdruk Bij de ingebruikname en elk onderhoud moet de olie-druk ingesteld resp. gecontroleerd worden. Laat de pomp niet lopen zonder olie. Stel de pompdruk als volgt in. 1. Verwijder de stop aan de meetopening „P”. 2. Monteer de oliemanometer 3. Open alle olieafsluitinrichtingen. 4. Schakel de brander in. 5. Stel de vereiste oliedruk in al naargelang verstuiver-grootte en capaciteit van het apparaat. 6. Schakel de brander uit. 7. Demonteer de oliemanometer. 8. Zet de stop incl. dichting weer erin. Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de be-steller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten aanzien van verkoop en ingebruikname het bij elke REMKO stookautomaat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld heeft terugge-zonden aan REMKO GmbH & Co. KG.  Een ander bedrijf/bediening dan beschreven in de-ze handleiding is niet toegelaten.

8 Instellen van de stelmotor Conectron LKS 130-2 De stelmotor beschikt over de schakelfunctie „Luchthoeveelheid niveau 1” en over een schakelcontact voor „Magneetklep niveau 2". Bij een regeluitschakeling in de stand „Luchthoeveelheid niveau 2” blijft de stelmotor in deze stand staan en loopt hij bij een nieuwe start terug in de stand „Luchthoeveelheid niveau 1”. Instellen „Luchthoeveelheid niveau 1” (verstelhendel blauw) 1. Isoleer de 4-polige meervoudige steekverbinding. Thermostaat niveau 2. 2. Draai de oranje verstelhendel „Luchthoeveelheid ni-veau 2” en de zwarte verstelhendel „Magneetklep 2” zo ver met de klok mee, dat beide schakelnokken aanvankelijk niet zijn ingedrukt, om het instellen van de schakelnokken voor de „Luchthoeveelheid niveau 1” niet te hinderen. Minder lucht niveau 1: De blauwe verstelhendel tegen de klok in op een kleinere openingshoek zetten.

Bij lopende brander draait de stelmotor automatisch na. Meer lucht niveau 1: De blauwe verstelhendel met de klok mee op een grotere openingshoek zetten. Bij lopende brander draait de stelmotor automatisch na. Schakelpunt „Magneetklep 2” (verstelhendel zwart) De verstelhendel voor „Magneetklep 2” wordt nu tegen de klok in terug gedraaid en het schakelpunt „Luchthoeveelheid niveau 2” kort achter het schakel-punt „Luchthoeveelheid niveau 1" gelegd. Dit schakel-punt zal tussen de standen „Luchthoeveelheid niveau 1” en „Luchthoeveelheid niveau 2” werken. Belangrijke instructie Controleer dat de schakelnok van „Magneetklep 2” in geen geval voor de schakelnok „Luchthoeveelheid ni-veau 1” gedrukt is, aangezien anders de „Magneetklep 2” in het bereik „Luchthoeveelheid niveau 1” opent en de brander met groot luchtgebrek zou lopen.

verstelhendel „blauw“ niveau 1 verstelhendel „oranje“ niveau 2 verstelhendel „zwart“ magneetklep niveau 2 openingsschaal openingsindicator Bij de montage van de brander werd de openingsschaal zo gefixeerd, dat de stand 0° overeenkomt met een ge-sloten luchtklep. In de levertoestand is een openings-hoek van 30° „Luchthoeveelheid niveau 1” voor de luchtklep ingesteld. De ingestelde openingshoek voor de „Luchthoeveelheid niveau 2” bedraagt 50°. Instellen „Luchthoeveelheid niveau 2” (verstelhendel oranje) 1. Draai de verstelhendel voor de „Luchthoeveelheid ni-veau 2” tegen de klok in terug. 2. Leg het schakelpunt voor de „Luchthoeveelheid ni-veau 2” al naargelang de brandercapaciteit achter het schakelpunt „Magneetklep 2” vast. 3. Maak de 4-polige meervoudige steekverbinding van thermostaat niveau 2 weer. De stelmotor loopt via „Magneetklep 2” in de stand „Luchthoeveelheid niveau 2”.

9 Instelling van de stelmotor Conectron LKS 160 De stelmotor beschikt over de volgende schakelfuncties: „Stand 0”, „Niveau 1” en „Niveau 2” en over een scha-kelcontact voor de magneetklep niveau 2. De stelmotor is bovendien uitgerust met een terugze-thendel. Instellen van de luchtklep De luchtklep wordt geopend of gesloten, tot het roet-beeld een olievrije kleur, roet „0 - 1” en de waarde van het CO2 12-14 % bereikt. Bij de instelling moet men er rekening mee houden dat bij een groot luchtoverschot het roetgetal weer stijgen en er ook olie in het roetbeeld optreden kan. Als de vlam bij volledig geopende luchtklep roet of afscheurt, dan moet met de instelschroef de verdichting achter de stuwschijf verkleind worden. Instellen „Luchthoeveelheid niveau 1” (verstelhendel blauw) Minder lucht niveau 1: De blauwe verstelhendel tegen de klok in op een kleinere waarde zetten.

Bij lopende brander draait de stelmotor automatisch na. Meer lucht niveau 1: De blauwe verstelhendel met de klok mee op een grotere waarde zetten. Bij lopende brander draait de stelmotor automatisch na. Instellen „Luchthoeveelheid niveau 2” (verstelhendel oranje) Minder lucht niveau 2: De oranje verstelhendel tegen de klok in op een klei-nere waarde zetten. Opgelet, de stelmotor loopt niet automatisch na. De terugzethendel kort indrukken, de stelmotor loopt vervolgens op de ingestelde waarde. Meer lucht niveau 2: De oranje verstelhendel met de klok mee op een grotere waarde zetten. Bij bedrijf in niveau 2 draait de stelmotor automatisch na.

Bij een regeluitschakeling draait de stelmotor terug naar het in de fabriek ingestelde nul-punt. Schakelpunt „Magneetklep 2” (verstelhendel zwart) Het schakelpunt voor magneetklep 2 moet tussen het schakelpunt van de oranje en dat van de blauwe scha-kelhendel liggen. Belangrijke instructies Controleer dat de nok van de zwarte verstelhendel in geen geval op niveau 1 gedrukt is. Op niveau 2 moet de nok van de zwarte verstelhendel ingedrukt zijn, aangezien anders de brandstofhoeveel-heid voor niveau 2 niet wordt vrijgegeven.  Controleer dat de stelmotor of de luchtklep in geen enkele stand mechanisch aanslaan, aangezien de stelmotor anders beschadigd wordt. Functieafloop van de stelmotor 1. Tijdens de voorbeluchting loopt de stelmotor naar het schakelpunt van het 2de niveau. SL 77/2 – 88/2. 2.

10 Stuurrelais DKW 976 voor de bouwgroottes SLV 11 tot SL 44 contactstrip stelmotor Conectron LKS 130-2 L1 N T1 T2 S3 B4 regelleiding naar de WLG L1 N T1 T2 S3 B4 7-polige steekverbinding volgens DIN 4791 Opgelet! 4-polige stekker wordt alleen intern gebruikt en moet bij het bedrijf van het apparaat ingestoken zijn. B5 T6 T7 T8 B5 T6 T7 T8 MK2 MK1 ZT FW M contactstrip DKW 972 6 A 8 4 1 2 3 8 5 7 9 8 4 8 7 3 1 2 Stuurrelais DKW 972 bouwgroottes SL 55/2 en SL 66/2 N L1 N T1 T2 S3 B4 contactstrip DKW 976 FW C1 WS Z M MK1 MK2 SA ÖV FT 1 2 3 4 5 6 7 8 9 B 1) 1) 1) Aanwijzing: Branders van de bgr. SL 44 zonder verstuiverstokvoorver-warming. Brug vanuit de fa-briek van klem 4 op klem 6. Maat- en constructiewijzigingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden.

11 C1 = ontstoorcondensator FT = vrijgavethermostaat (verstuiverstokvoorverwarming) FW = fotoweerstand M = brandermotor MK1 = magneetklep 1ste niveau MK2 = magneetklep 2de niveau ÖV = verstuiverstokvoorverwarming SA = externe stoorindicatie WS = 7-pol. steekverbinding naar de WLG Z = ontstekingstransformator Stuurrelais TMO 720–4 alleen bouwgrootte SL 88/2 contactstrip stelmotor Conectron LKS 160 3 10 11 N 2 8 14 5 4 12 13 6 A 8 1 2 3 8 5 7 9 8 20 8 14 15 16 4 brandermotor 7-polige steekverbinding volgens DIN 4791 Opgelet! 4-polige stekker wordt alleen intern gebruikt en moet bij het bedrijf van het apparaat ingestoken zijn.

14 Aanwijzingen voor de exploitant Bij storingen moeten eerst de fundamentele voorwaar-den voor een reglementair bedrijf gecontroleerd worden: ◊ Is de netaansluiting in orde. ◊ Is de brandstoftoevoer in orde. ◊ Zijn alle afsluitinrichtingen geopend. ◊ Functioneren alle regel- en veiligheidsinrichtingen correct. Aanwijzingen bij een branderstoring Bij een storing van de brander brandt de LED in de ont-stoortoets van het stuurrelais permanent. Om de 10 sec. wordt het branden onderbroken door een knippercode (zie hieronder), die informatie geeft over de oorzaak van de storing. ◊ De ontstoring van de brander gebeurt door de ont-stoortoets eenmaal in te drukken (foutbevestiging). ◊ Na geschiede ontstoring onderneemt de brander een startpoging. Houd rekening met de vertraagde branderstart door de olievoorverwarming tot bouwgrootte SLV 33.

◊ Als de brander tijdens de startfase opnieuw een stooruitschakeling uitvoert, dan mag een volgende ontgrendeling pas gebeuren na een wachttijd van 5 min. ◊ Meer ontgrendelingen moeten absoluut worden na-gelaten, aangezien er ontploffingsgevaar bestaat en de ventilator-oliebrander en de warmeluchtgene-rator beschadigd kunnen worden. ◊ Stel in dit geval een geautoriseerde klantendienst op de hoogte. De magneetklep opent niet ◊ Magneetklep defect ◊ Fotocel krijgt vreemd licht ◊ Stekkerkabel naar de magneetklep heeft geen contact ◊ Stuurrelais defect Geen vlamvorming ◊ Ontoereikende brandstoftoevoer ◊ Paraffineafscheidingen in het brandstofsysteem ◊ Oliefilter aan het apparaat vervuild ◊ Lucht in het brandstofsysteem ◊ Oliepomp resp. koppeling defect ◊ Pompzeef vervuild ◊ Olieverstuiver vervuild Vlam brandt na afloop van de veiligheidstijd niet verder ◊ Fotocel vervuild resp.

defect ◊ Stuwschijf verroet ◊ Fotocel krijgt geen vlamsignaal ◊ Brander brandt met luchtgebrek (vlam te donker) ◊ Stuurrelais defect Vlam brandt na afloop van de ontstekingstijd niet verder ◊ Vlam scheurt af, brandt niet stabiel verder. Pompdruk te laag, evt. luchtbellen in het brandstofsysteem. Aanwijzingen voor het vakpersoneel = korte puls = lange puls = pauze Beschrijving van de signalen Knippercodes voor de stooroorzaakdiagnose Foutmelding Knippercode Foutoorzaak stooruitschakeling geen vlamherkenning binnen de veiligheidstijd storing door vreemd licht vreemd licht tijdens de bewaakte fase, eventu-eel defecte voeler vrijgavethermostaat time-out VT-contact sluit niet binnen 400 sec. manuele / externe stooruitschakeling brandfase donkerfase donkerfase knippercode ca. 10 sec. ca. 0,6 sec. ca. 1,2 sec.

Stuurrelais DKW 972/976 met LED-display Afloop van de sequenties Deze herhalen zich tot aan de ontstoring van het apparaat.  Reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan de brander mogen om veiligheidstechnische redenen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vak-personeel.  Voor alle werkzaamheden aan de ventilatorolie-brander moet de stroomvoeding aan alle polen onderbroken worden. De brandermotor start niet ◊ Geen voedingsspanning. Zekeringen, hoofdschakelaar, thermostaat (tijdschakelklok), veiligheidstemperatuurbegrenzer controleren. ◊ Olievoorverwarmer (tot SLV 33) defect. ◊ Brandermotor defect. ◊ Oliepomp defect, pompas loopt zwaar. ◊ Stuurrelais defect. Geen ontsteking beschikbaar ◊ Ontstekingselektrode defect of verkeerde afstand van de ontstekingselektroden. ◊ Ontstekingskabel of ontstekingstransformator defect. ◊ Stuurrelais defect.

15 Laat de ventilator-oliebrander conform de wettelijke voorschriften uitsluitend onderhouden door opgeleid vakpersoneel. De reparatie van onderdelen met veiligheidstechni-sche functies is niet toegelaten. Deze mogen alleen worden vervangen door originele onderdelen. Om de optimale werking van de brander te garanderen moet na elke verwarmingsperiode of afhankelijk van de inzetvoorwaarden ook vroeger, de hele brander gereinigd worden van stof en vuil. Slijtageonderdelen zoals oliefilterelement (aan appa-raatkant) of olieverstuiver moeten gecontroleerd en evt. vervangen worden. Na elk onderhoud moet er een afvoergasmeting con-form § 14 van de 1. BImSchV worden uitgevoerd.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO SL44 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden