REMKO PGM12E Handleiding

REMKO Heater PGM12E

Bekijk gratis de handleiding van REMKO PGM12E (16 pagina’s), behorend tot de categorie Heater. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 33 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over REMKO PGM12E of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/16
REMKO – sterk als een beer.
REMKO PGM 12 / 12 E
Propaangas-verwarmingsautomaat
Uitgave NL – P07
Bediening
Techniek
Onderdelen

Beoordeel deze handleiding

4.1/5 (2 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Heater
Model: PGM12E

Handleiding REMKO PGM12E – volledige tekst

3 Inhoud pagina Veiligheidsinstructies 4 Beschrijving van het apparaat 4 Algemene instructies 5 Gasaansluiting 6 Ingebruikname 7 Buitenbedrijfstelling 7 Verzorging en onderhoud 8 Inhoud pagina Schakelschema 9 Technische gegevens 9 Montagetekening 10 Onderdelenlijst 11 Opheffen van Storingen 12 Onderhoudsrapport 13 Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering van het apparaat vervalt elk recht op garantie. Wijzigingen voorbehouden! G Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden! G Mobiele propaangas-verwarmingsautomaat REMKO PGM 12 / 12 E Gebruiksaanwijzing

4 Veiligheidsinstructies Bij de inzet van het apparaat moeten in principe altijd de plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften en de voorschriften van de beroepsvereniging in acht genomen worden. Neem bovendien de volgende veiligheidsinstructies in acht. àHet apparaat mag alleen bediend worden door personen die geïnstrueerd zijn in de bediening van het apparaat. àHet apparaat moet zo worden opgesteld en werken, dat personen niet in gevaar kunnen worden gebracht door afvoergassen en stralingswarmte en er geen brand kan ontstaan. àHet apparaat mag alleen worden opgesteld en werken in ruimtes, als het apparaat een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd. àMobiele flessen met vloeibaar gas moeten absoluut stabiel en rechtop worden neergezet. àFlessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf van het apparaat nooit liggend gebruikt worden.

Gasontsnapping in de vloeibare fase. àHet apparaat mag alleen gebruikt worden in goed geventileerde ruimtes. àHet voortdurende verblijf van personen in de opstellingsruimte is niet toegestaan. Er moeten verbodsborden worden aangebracht aan de ingangen. àHet apparaat moet stabiel en op een niet-brandbare ondergrond worden opgesteld en werken. àHet moet gegarandeerd zijn dat er geen brandbare voorwerpen resp. materialen kunnen worden aangezogen. àHet apparaat mag niet in een omgeving worden opgesteld en werken waar brand- of explosiegevaar bestaat. àEr moet een veiligheidszone van 1,5 m rondom het apparaat worden vrijgehouden. àIn principe moet bovendien een minimumafstand van 3 m tot de uitblaasopening van het apparaat worden aangehouden. àDe uitblaasopening van het apparaat mag niet vernauwd resp. van slang- of buisleidingen voorzien worden.

àNooit vreemde voorwerpen in het apparaat steken. àHet luchtaanzuigrooster moet altijd vrij van vuil en losse voorwerpen zijn. àHet apparaat mag niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal.

àAlle elektrische kabels van het apparaat moeten tegen beschadigingen door b. v. dieren beschermd worden. àVoor onderhouds- of reparatiewerkzaamheden moet in principe de gastoevoer afgesloten en de netstek-ker uit de netcontactdoos getrokken worden. Beschrijving van het apparaat Het apparaat is een transporteerbare, op vloeibaar gas gestookte warmeluchtgenerator (WLG) zonder warmte-wisselaar met een ventilator om de warme lucht te transporteren. Het apparaat werkt zonder afvoergasaansluiting en mag uitsluitend in de industrie gebruikt worden. Het apparaat wordt rechtstreeks gestookt en is geconcipieerd voor een universele en probleemloze inzet.

Het apparaat is uitgerust met een geluids- en onder-houdsarme axiale ventilator, een robuuste vlammen-brander, een elektrische magneetklep, een piëzo-ontsteker, een ontstekingsbeveiliging met thermo-elektrische vlambewaking en een aansluitkabel met stekker. Het apparaat is EG bouwmodel gecontroleerd en DVGW geregistreerd en toegelaten voor alle landen van de EU. Inzetgebieden van de apparaten àDrogen van nieuwbouw, puntverwarmen van werkplaatsen in de open lucht of in open, brandveilige fabrieksruimtes en hallen àContinu of tijdelijk verwarmen van ruimtes met voldoende aanvoer van frisse lucht àOntdooien van machines, voertuigen en niet-brandbare opgeslagen goederen,t empereren van ruimtes waar het kan vriezen Werkwijze Nadat de bedrijfsschakelaar in stand „I” is gezet, wordt de luchttoevoerventilator in bedrijf gesteld en de elek-trische magneetklep geopend.

De gastoevoer naar de brander blijft echter nog gesloten. Pas door de drukpen van de thermo-elektrische gasklep (ontstekingsbeveiliging) in te drukken wordt de gastoevoer naar de brander vrijgegeven. Het vloeibaar gas wordt door een gasbek onder druk naar de bran-derpijp getransporteerd. Hier wordt het gas verrijkt met een op de betreffende brandercapaciteit afgestemde hoeveelheid zuurstof.

Het zo ontstane gas-luchtmengsel wordt aan de branderkop door een elektrische ontstekingsvonk ontstoken. De ontstekingsvonk wordt gegenereerd door manuele activering van de piëzo-ontsteker. Door verwarming van de thermovoeler wordt de thermo-elektrische bewaking van de vlam in bedrijf gesteld. De drukpen van de ontstekingsbeveiliging moet nu worden losgelaten. Bij eventuele onregelmatigheden of doven van de vlam wordt de gastoevoer onderbroken. De luchttoevoerven-tilator werkt echter verder. Het apparaat moet opnieuw gestart worden. De temperatuurbegrenzer onderbreekt bij oververhitting de gastoevoer. De automatische ontgrendeling van de temperatuurbegrenzer gebeurt na afkoeling van het apparaat. Het apparaat moet opnieuw gestart worden.

5 G Veiligheidsinrichtingen mogen niet overbrugd noch geblokkeerd worden. Algemene instructies àHet apparaat mag alleen bediend worden door personen die zijn geïnstrueerd in de bediening van het apparaat en in de omgang met vloeibaar gas. àBij de inzet van het apparaat moeten in principe de betreffende richtlijnen van de verschillende landen resp. staten in acht worden genomen.

het volume van de ruimte in m³ minstens overeenkomt met de 30-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten en door ramen en deuren een natuurlijke luchtcirculatie gegarandeerd is of 2. continu open ventilatieopeningen voor de toe- en afvoerlucht in de buurt van plafond en vloer voorhanden zijn, waarvan de grootte in m² minstens overeenkomt met de 0,003-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten. àUniform voor alle EU-landen is een apparaataan-sluitdruk van 0,3 bar (300 mbar) van de categorie I 3B/P vereist. De aansluitdruk mag niet lager of hoger dan de vereiste waarde liggen. àBij gebruik van langere slangleidingen moet rekening worden gehouden met het drukverlies.

àEr mogen uitsluitend geteste en voor het betreffende gebruiksdoel geschikte componenten zoals gasslang, drukregelaar en slangbreukbeveiliging of lekgas-beveiliging gebruikt worden àEr mogen uitsluitend geschikte drukregelapparaten met een vast ingestelde uitgangsdruk van 300 mbar en een bijhorende slangbreukbeveiliging gebruikt worden. àDe lengte van de gasslang mag zo mogelijk 2 m niet overschrijden. àHet gebruik van langere slangleidingen is toegestaan als: −er sprake is van speciale bedrijfsafhankelijke redenen, −er extra adequate veiligheidsmaatregelen getroffen en −de slangleidingen zo kort mogelijk gehouden worden. àSlangleidingen moeten in principe beschermd worden tegen chemische, thermische en mechanische beschadigingen. àAls het apparaat werkt zonder toezicht, dan moeten er slangleidingen met lekgasbeveiliging gebruikt worden.

àHet apparaat mag uitsluitend uit de gasfase werken. àDe met de bediening van het apparaat belaste personen moeten het apparaat voor het begin van het werk controleren op opvallende gebreken aan de bedienings- en veiligheidsinrichtingen en op de aanwezigheid en goede werking van de bescherminrichtingen. Als er gebreken worden vastgesteld, dan moet de toezichthouder op de hoogte worden gesteld. àBij gebreken die de bedrijfsveiligheid van het apparaat in gevaar brengen moet het bedrijf van het apparaat onmiddellijk gestaakt worden. àDe apparaten mogen alleen door deskundige personen gerepareerd worden. àEr mogen bij reparatiewerkzaamheden uitsluitend originele vervangingsonderdelen gebruikt worden. àDelen van het apparaat die onderhevig zijn aan slijtage en veroudering, moeten in regelmatige intervallen vervangen worden. Dit geldt niet als de goede staat wordt bevestigd door een deskundige.

àAls de temperatuurbegrenzer het apparaat wegens oververhitting heeft uitgeschakeld, dan moet alvorens het apparaat opnieuw in te schakelen de oorzaak van de storing gelokaliseerd en geëlimineerd worden.

6 Belangrijke instructies bij bevroren gasflessen Bij een langer bedrijf van het apparaat bestaat het gevaar dat de gasfles bevriest. Doordat de gasdruk daalt is een goede toevoer naar het apparaat uit een bevroren gasfles in veel gevallen niet meer gegaran-deerd. De eliminering van de kristallijne rijpaanslag mag niet gebeuren door open vuur, gloeiende voorwerpen of stralers. De gastoevoer moet overeenkomstig de aansluitwaarde van het apparaat volgens het typeplaatje, de bedrijfsduur en de omgevingstemperatuur van de toevoerfles ontworpen worden. Om sterk bevriezen van de gasfles te vermijden raden wij het gebruik van een batterij van min. 3 flessen aan. Al naargelang de capaciteit van het apparaat en de bedrijfsduur kan de batterij flessen met behulp van de meerflessenset (toebehoren) worden uitgebreid.

Gasaansluiting De gasaansluiting/het bedrijf van het apparaat mag alleen gebeuren met inachtneming van het voorschrift ter preventie van ongevallen VBG 21 en de betreffende plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften. De apparaten zijn geconcipieerd voor een constante aansluitdruk van 0,3 bar (vloeibaar gas volgens DIN 51622 cat I3B/P,I3+ ). De aansluitdruk mag niet lager of hoger liggen. Als er langere slang- of buisleidingen worden gebruikt, dan moet er rekening worden gehouden met het drukverlies. Er mogen uitsluitend geteste en voor het betreffende gebruiksdoel geschikte componenten, zoals gasslang, drukregelaar en slangbreukbeveiliging of lekgasbe-veiliging gebruikt worden. Alleen drukregelaars met een vast ingestelde uitgangsdruk zijn toegelaten. De appa-raten mogen uitsluitend werken uit de gasfase. 4.

Controleer na opstelling en aansluiting van de apparaten alle gasgeleidende verbindingen op dichtheid. Zeepoplossing, lekopsporingsspray. 3. Druk de ontgrendelknop van de slangbreukbeveiliging in na het openen van de klep(pen). Dit moet ook gebeuren na elke flesvervanging. 2. Open de klep van de fles resp. de afsluitklep van de toevoerleiding.

Bij gelijktijdige toevoer uit meerdere gasflessen moeten alle kleppen geopend worden. G Een constante aansluitdruk van de apparaten van 0,3 bar (300 mbar) moet, ook in het continu bedrijf, gegarandeerd zijn. Aansluiting van de gastoevoer Voer de aansluiting als volgt uit. 1. Sluit de drukregelaar aan aan de gasfles(sen) resp. aan de toevoerinstallatie. G Linkse schroefdraad. Belangrijke montage-instructie Bij de montage resp. demontage van de gasslang moet, rekening houdend met de linkse schroefdraad, met een gaffelsleutel SW 17 aan de gasaansluitnippel van het apparaat (volgens DIN 4815 deel 2) tegengehouden worden. Dit geldt eveneens voor de drukregelaar, de slang-breukbeveiliging en alle andere gascomponenten.

7 2. Druk de drukpen 2 van de thermo-elektrische gasklep in en houd deze ingedrukt. Ontstekingsbeveiliging. 1. Zet de bedrijfsschakelaar 1 in stand „0”. 1. Sluit de kleppen van alle flessen. Buitenbedrijfstelling Belangrijke instructies Het moet gegarandeerd zijn dat de toevoerlucht vrij aangezogen en de verwarmde lucht ongehinderd uit-geblazen kan worden. De aanzuig- en uitblaasopening van het apparaat mogen niet vernauwd resp. van slang- of buisleidingen voorzien worden. 3. Activeer bij ingedrukte drukpen na ca. 2 tot 3 sec. de piëzo-ontsteker 3 tot er een vlam is gevormd. De piëzo-ontsteker evt. meermaals indrukken. 4. Houd na de vlamvorming de drukpen nog ca. 10-15 seconden ingedrukt, tot de thermo-elektrische vlambewaking geactiveerd is. 5. Laat nu pas de drukpen los. 6. Herhaal het ontstekingsproces indien de vlam na het loslaten van de drukpen dooft. Een wachttijd van ca.

1 minuut aanhouden. 7. Houd bij nog een ontstekingsproces de drukpen eventueel iets langer ingedrukt. 2 3 Ingebruikname Belangrijke instructies voor de ingebruikname De drukgasflessen moeten zijdelings achter het apparaat worden opgesteld. G Flessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf van het apparaat nooit liggend gebruikt worden. Gasontsnapping in de vloeibare fase. G De flessen mogen nooit door de warmeluchtstroom van het apparaat verwarmd of ontdooid worden. Er bestaat explosiegevaar. G De apparaten mogen alleen in goed geventileerde ruimtes en niet in woonruimtes of gelijkaardige verblijfsruimtes worden opgesteld. Verbinden van het apparaat met de stroomvoeding 2. Verbind de stekker van het apparaat met een volgens de voorschriften gemonteerde netcontactdoos.

230V/1~ 50Hz 1 G De elektrische aansluiting van de apparaten moet gebeuren via een speciaal voedingspunt met lekstroombeveiligingsschakelaar. Verwarmingsbedrijf van het apparaat 1. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „I” (= verwarmingsbedrijf). De luchttoevoerventilator start.

8 Demontage van het apparaat voor reinigingsdoeleinden Reiniging van het apparaat Na de demontage van het apparaat zijn alle componenten vrij toegankelijk voor reinigings- en onderhoudsdoeleinden. àReinig voorzichtig de brander. Evt. perslucht gebruiken. àReinig voorzichtig de gasbek. àVerwijder voorzichtig evt. aanhechtende afzettingen aan de ontstekingselektrode, het thermo-element en de temperatuurbegrenzer. àVerwijder afzettingen resp. vervuilingen in de sokkel van het apparaat. àMonteer alle delen weer zorgvuldig in de omgekeerde volgorde. àVoer een functiecontrole van het hele apparaat uit inclusief een dichtheidscontrole van alle gasgelei-dende verbindingen met zeepoplossing resp. lekopsporingsspray.

ontstekings- elektrode thermo-element 3 mm temperatuur- begrenzer gasbrander Verzorging en onderhoud De bedrijfsveilige toestand van het apparaat moet al naargelang de inzetvoorwaarden en indien nodig, maar minstens om de twee jaar door een deskundige gecontroleerd worden. Het resultaat van de controle moet in een controleattest worden bijgehouden. Het controleattest moet tot aan de volgende controle bewaard en altijd ter inzage voorge-legd worden aan personen die daar recht toe hebben. G Instel- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel. àHoud het apparaat vrij van stof en andere afzettingen. àReinig het apparaat alleen droog of met een bevochtigde doek. àGebruik geen waterstraal. Hogedrukreiniger enz. àGebruik geen schurende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen. àGebruik ook bij sterke vervuilingen alleen geschikte reinigingsmiddelen.

àReinig regelmatig de gasbrander, de gasbek en de stuwschijf. àReinig en controleer de ontstekingselektrode. àStel indien nodig de ontstekingselektrode in. 3 mm afstand tot de branderkop. àControleer het thermo-element en reinig het indien nodig. G Een sterk geelachtig vlambeeld duidt op onvoldoende toevoer van frisse lucht of op een vervuiling binnenin het apparaat. G Om de werking van de temperatuurbegrenzer niet aan te tasten mag de bimetaaltong niet beschadigd resp. verbogen worden. G Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de gastoevoer gesloten en de netstekker uit de netcontactdoos getrokken worden. 1. Demonteer de 4 be-vestigingsschroeven 1. 2. Trek de buitenmantel naar voor eraf. 2 3. Demonteer de 3 be-vestigingsschroeven 2 aan het bescherm-rooster van de ventilator. 4. Demonteer het beschermrooster van de ventilator met motor en ventilator. 5.

9 1~L11 2 3 41 2 3 4KL MV2 MBS ZPZTEMV1 TBNPESchakelschema Technische gegevens Bouwserie PGM 12 / 12 E Nominale warmtebelasting kW 12 Verwarmingscapaciteit kW 12 Luchtcapaciteit m³/h 250 Brandstof —– vloeibaar gas Gassoort —– cat. I 3B/P {AT, BE, CH, DE, DK, FR, IT, LU, NL, NO, SE } Aansluitdruk mbar 300 Aansluitwaarde kg/h 0,95 Elektrische aansluiting 1~ V 230 Frequentie Hz 50 Krachtontneming max. W 60 Beveiliging (ter plaatse) A 10 Isolatieklasse IP 44 Geluidsdrukniveau LpA 1m1) dB(A) 57 Gewicht kg 6,8 Afmetingen tot. lengte mm 400 breedte mm 185 hoogte mm 320 1) Geluidsmeting DIN 45635-01-Kl3 in het verwarmingsbedrijf Een ander bedrijf / bediening dan beschreven in deze gebruiksaanwijzing is niet toegelaten! Gebeurt dit toch, dan vervalt elke aansprakelijkheid en het recht op garantie.

drukregelaar met slangbreukbeveiliging 1103825 1,5 str. m. gasslang 1103826 2,0 str. m. HD-gasslang (bouwwerfbedrijf) 1103827 Gelieve bij een bestelling van onderdelen naast het EDV-nr. ook altijd het apparaat-nr. te vermelden! Zie typeplaatje.

12 Opheffen van Storingen Oorzaak: Uitkomst: 1. Het apparaat heeft geen elektrische aansluiting. -De stekker verbinden met de betreffende contactdoos (230V/1~ 50Hz). De stekker, indien defect, vervangen. 2. De ventilatormotor is overbelast. (De toevoerluchtventilator loopt onregelmatig of is geblokkeerd. ) -Motor, ventilatorwaaier en meenemerkoppeling controleren. 3. De bedrijfsschakelaar is defect. -De bedrijfsschakelaar vervangen. 4. Geen gasdruk. -Controleren of er gas wordt toegevoerd naar het apparaat. -De inhoud van de gasflessen controleren. -De gasslang controleren op beschadigingen. -De slangbreukbeveiliging ontgrendelen resp. vervangen. 5. Er wordt geen ontstekingsvonk gevormd. -De ontstekingselektrode instellen conform opgave. -De ontstekingskabel controleren. -De porseleinisolatie van de elektrode controleren. 6.

Het aanzuigbeschermrooster van de toevoerluchtventilator is vervuild. -Het aanzuigbeschermrooster reinigen. 7. Er volgt geen uitschakeling door de temperatuurbegrenzer. -Aanzuig- en uitblaasbeschermrooster controleren (evt. reinigen). -Controleren of de toevoer van frisse lucht voldoende is. 8. De ontstekingsbeveiliging opent de gastoevoer niet of houdt hem niet open. -De ontstekingsbeveiliging vervangen. 9. De piëzo-ontsteker is defect. -De piëzo-ontsteker vervangen. 10. Het thermo-element resp. de temperatuurbegrenzer is defect. -Het thermo-element resp. de temperatuurbegrenzer controleren en indien nodig vervangen. 11. Losse of vervuilde verbinding tussen de ontstekingsbeveiliging en het thermo-element. -De verbinding controleren en indien nodig reinigen. 12. De drukregelaar is defect of er is een verkeerde drukregelaar gemonteerd resp. de slangbreukbeveiliging heeft vergrendeld.

De magneetklep sluit niet. -De gastoevoer sluiten. -De vlam laten uitbranden. -De bedrijfsschakelaar in stand „0” zetten en de netstekker uit de contactdoos trekken. -De magneetklep vervangen. 15. Ondichte gasleiding. -De lekkage opsporen met een schuimvormend middel en elimineren. Storingen: Oorzaak: – Het apparaat start niet. 1 – 2 – 3 – 4 – 7 – Het apparaat schakelt tijdens het bedrijf uit. 2 – 4 – 7 – 12 – 13 – De ventilator loopt, maar de gastoevoer is geblokkeerd resp. er wordt geen vlam gevormd. 4 – 5 – 8 – 9 – 12 – De vlam dooft na het loslaten van de drukpen van de ontstekingsbeveiliging. 8 – 10 – 11 – De gastoevoer wordt onderbroken resp. de vlam dooft. 4 – 6 – 7 –10 – 11 – 12 – 13 – Het apparaat verbruikt te veel brandstof. 12 – 15 – Het apparaat kan niet worden uitgeschakeld. 3 – 14 – De verwarmingscapaciteit neemt af bij continu bedrijf.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO PGM12E stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden