REMKO ETF 240 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van REMKO ETF 240 (16 pagina’s), behorend tot de categorie Ontvochtiger. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 33 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over REMKO ETF 240 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | REMKO |
| Categorie: | Ontvochtiger |
| Model: | ETF 240 |
Handleiding REMKO ETF 240 – volledige tekst
3 Gebruiksaanwijzing Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering van het apparaat vervalt elk recht op garantie. Mobiele luchtontvochtiger REMKO ETF 240 Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden. * * Inhoud pagina Luchtontvochtiging 4 Veiligheidsinstructies 6 Beschrijving van het apparaat 6 Opstelling 7 Bedieningspaneel 7 Ingebruikname 8 Buitenbedrijfstelling 9 Filterreiniging 9 Inhoud pagina Verzorging en onderhoud 10 Storingen opheffen 10 Technische gegevens 11 Schakelschema 11 Service en garantie 11 Montagetekening 12 Onderdelenlijst 13 Onderhoudsrapport 14
4 De inzet van REMKO luchtontvochtigers ◊ Ramen en deuren kunnen nog zo goed geïsoleerd zijn, natheid en vocht dringen zelfs door dikke beton-muren. ◊ De bij de vervaardiging van beton, pleisterwerk enz. voor het uitharden benodigde hoeveelheden water zijn onder bepaalde omstandigheden pas na 1-2 maanden uitgediffundeerd. ◊ Zelfs het na hoog water of een overstroming in het metselwerk binnengedrongen vocht wordt maar zeer langzaam weer vrijgegeven. ◊ Dit geldt b. v. ook voor het vocht in opgeslagen mate-rialen. Het uit delen van gebouwen of materialen vrijkomende vocht (waterdamp) wordt opgenomen door de omge-vingslucht. Daardoor stijgt het vochtgehalte daarvan, hetgeen uiteindelijk leidt tot corrosie, schimmels, verrot-ting, afbladderen van verflagen en andere ongewenste vochtschade. Het diagram hieronder veraanschouwelijkt bij wijze van voorbeeld de corrosiesnelheid voor b. v.
metaal bij ver-schillende luchtvochtigheden. Luchtontvochtiging De bij de ontvochtiging van lucht samenhangende pro-cessen berusten op fysische wetmatigheden. Deze moeten hier in vereenvoudigde vorm worden voorgesteld om u een klein overzicht te geven over het principe van de luchtontvochtiging. Het drogen van gebouwen kan gebeuren op verschil-lende manieren: 1. Door verwarming en luchtvervanging: De ruimtelucht wordt verwarmd om vocht op te ne-men en dat vervolgens af te leiden naar de open lucht. Alle ingebrachte energie gaat verloren met de afgeleide vochtige lucht. 2. Door luchtontvochtiging: De vochtige lucht in de gesloten ruimte wordt volgens het condensatieprincipe continu ontvochtigd. Ten aanzien van het energieverbruik heeft de luchtont-vochtiging een doorslaggevend voordeel: Het energieverbruik is uitsluitend beperkt tot het ruimte-volume.
25% van de energie, die bij het principe „Verwarmen en ventileren” moet worden opgebracht. Temp. Waterdampgehalte in g/m³ bij een luchtvochtigheid van °C 40% 60% 80% 100% -5 1,3 1,9 2,6 3,3 +10 3,8 5,6 7,5 9,4 +15 5,1 7,7 10,2 12,8 +20 6,9 10,4 13,8 17,3 +25 9,2 13,8 18,4 23,0 +30 12,9 18,2 24,3 30,3 Hieruit blijkt dat de corrosiesnelheid onder 50 % relatie-ve luchtvochtigheid (r. lv. ) onbeduidend en onder 40 % r. lv. verwaarloosbaar is. Vanaf 60 % r. lv. neemt de corrosiesnelheid sterk toe. Deze grens voor vochtschade geldt ook voor vele ande-re materialen, b. v. poedervormige stoffen, verpakkin-gen, hout of elektronische apparatuur. De relatieve luchtvochtigheid Onze omgevingslucht is een gasmengsel en bevat altijd een bepaalde hoeveelheid water in de vorm van water-damp. Deze hoeveelheid water wordt aangegeven in g per kg droge lucht (absoluut watergehalte). 1m³ lucht weegt ca.
1,2 kg bij 20 °C. Temperatuurafhankelijk kan elke kg lucht maar een be-paalde hoeveelheid waterdamp opnemen. Als deze op-namecapaciteit bereikt is, dan spreekt men van „verzadigde” lucht; deze heeft een relatieve vochtigheid (r. lv. ) van 100 %. Onder de relatieve luchtvochtigheid verstaat men dus de verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp in de lucht op een bepaald moment en de maximaal mogelij-ke hoeveelheid waterdamp bij dezelfde temperatuur. De capaciteit van de lucht om waterdamp op te nemen neemt toe bij stijgende temperatuur. Dat betekent dat het maximaal mogelijke (= absolute) watergehalte bij stijgende temperatuur groter wordt. corrosiesnelheid rel. luchtvochtigheid %.
5 De condensatie van waterdamp Aangezien bij de verwarming van de lucht de opname-capaciteit van de maximaal mogelijke hoeveelheid water-damp groter wordt, de hoeveelheid waterdamp in de lucht echter gelijk blijft, leidt dit tot een daling van de re-latieve luchtvochtigheid. Daarentegen wordt bij afkoeling van de lucht de opna-mecapaciteit van de maximaal mogelijke hoeveelheid waterdamp kleiner, de hoeveelheid waterdamp in de lucht blijft gelijk en de relatieve luchtvochtigheid stijgt. Als de temperatuur verder daalt, dan wordt de opname-capaciteit van de maximaal mogelijke hoeveelheid water-damp zo ver gereduceerd, tot hij gelijk is aan de hoeveel-heid waterdamp in de lucht. Deze temperatuur noemt men dauwpunttemperatuur. Als de lucht wordt afgekoeld tot onder de dauwpunttem-peratuur, dan is de hoeveelheid waterdamp in de lucht groter dan de maximaal mogelijke hoeveelheid water-damp.
Er wordt waterdamp afgescheiden. Deze condenseert tot water, er wordt vocht onttrokken aan de lucht. Het condensaat dat daar-bij ontstaat, wordt in het apparaat verzameld en afgevoerd. De condensatiewarmte De door de condensator aan de lucht overgedragen energie bestaat uit: 1. de van tevoren in de verdamper onttrokken hoeveelheid warmte 2. de elektrische aandrijfenergie 3. de door condensatie van de waterdamp vrijgekomen condensatiewarmte Bij de overgang van vloeibare in gasvormige toestand moet er energie worden toegevoerd. Deze energie wordt verdampingswarmte genoemd. Hij heeft geen temperatuurverhoging tot gevolg, maar is alleen nood-zakelijk voor de omvorming van vloeibaar in gasvormig. Omgekeerd komt bij de condensatie van gas energie vrij, die condensatiewarmte genoemd wordt. De hoeveelheid energie van verdampings- en conden-satiewarmte is gelijk.
Indien het vocht dat men wilt condenseren, niet door condensatie in de ruimte zelf, maar van buiten wordt in-gebracht, b. v. door ventilatie, dan draagt de daarbij vrijkomende condensatiewarmte bij aan de verwarming van de ruimte. Bij uitdrogingstaken is er dus sprake van een kringloop van de warmte-energie, die bij de verdamping verbruikt wordt en bij de condensatie vrijkomt. Bij de ontvochtiging van toegevoerde lucht wordt een grote bijdrage aan warmte-energie gecreëerd, die zich manifesteert in de vorm van een temperatuurverhoging. De voor de uitdroging vereiste tijd is in de regel niet uit-sluitend afhankelijk van de capaciteit van het apparaat, maar wordt veeleer bepaald door de snelheid waarmee het materiaal of de delen van het gebouw hun vocht afgeven. De luchtstroom wordt op zijn weg door resp. via de ver-damper afgekoeld tot onder het dauwpunt.
De waterdamp condenseert en wordt verzameld in een condensaatval en afgeleid. Het uitdrogen van materialen Bouwmateriaal resp. elementen kunnen aanzienlijke hoeveelheden water opnemen; b. v. tegels 90-190 l/m³, zwaar beton 140-190 l/m³, kalkzandsteen 180-270 l/m³. Het uitdrogen van vochtige materialen zoals bijvoor-beeld metselwerk gaat als volgt in zijn werk: ◊ Het vocht in het materiaal beweegt zich van het inwendige naar het oppervlak. ◊ Aan het oppervlak vindt een verdam-ping plaats (= overgang als waterdamp in de omgevingslucht). ◊ De met waterdamp verrijkte lucht circuleert voortdu-rend door de REMKO luchtontvochtiger. Hij wordt ont-vochtigd en verlaat licht verwarmd het apparaat weer om opnieuw waterdamp op te nemen. ◊ Het vocht in het materiaal wordt op deze manier ge-leidelijk gereduceerd. Het materiaal wordt droog.
Voorbeelden van het condenseren zijn be-slagen ruiten in de winter of het beslaan van een koude fles drank. Hoe hoger de relatieve luchtvochtigheid van de lucht, des te hoger ook de dauwpunttem-peratuur, die des te gemakkelijker kan wor-den bereikt. Verdampfer Kondensator°C30252015%r.
6 Veiligheidsinstructies Het apparaat werd voor levering onderworpen aan uit-gebreide materiaal-, functie- en kwaliteitscontroles. Niettemin kunnen er van dit apparaat gevaren uitgaan, als het door niet-geïnstrueerde personen ondeskundig of niet-doelmatig wordt ingezet. Neem de volgende instructies in acht. ◊ Het apparaat mag niet worden opgesteld en werken in ruimtes waar explosiegevaar bestaat. ◊ Het apparaat mag niet worden opgesteld en werken in olie-, zwavel-, chloor- of zouthoudende atmosferen. ◊ Het apparaat moet rechtop en stabiel worden opge-steld. ◊ Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal. ◊ Vrije luchtaanzuiging en luchtuitblazing moeten altijd gegarandeerd zijn. ◊ De aanzuigkant moet altijd vrij zijn van vuil en losse voorwerpen. ◊ Nooit vreemde voorwerpen in het apparaat steken.
◊ Het apparaat mag tijdens het bedrijf niet afgedekt en niet getransporteerd worden. ◊ Alle elektrische leidingen van het apparaat moeten tegen beschadigingen (b. v. door dieren) beschermd worden. ◊ Verlengingen van de aansluitkabel moeten afhankelijk van het aansluitvermogen van het apparaat, de kabel-lengte en het gebruiksdoeleinde gekozen worden. ◊ Het apparaat mag alleen rechtop getransporteerd worden; de condensaatpot moet voor elke verande-ring van plaats leeggemaakt worden. ◊ Een ander bedrijf of een andere bediening dan be-schreven in deze gebruiksaanwijzing is niet toegela-ten. Bij niet-inachtneming vervalt elke aansprakelijkheid en het recht op garantie. * Werkzaamheden aan de koelinstallatie en aan de elektrische uitrusting mogen alleen worden uitge-voerd door een hiervoor geautoriseerd vakbedrijf. Werkwijze Het apparaat werkt volgens het condensatieprincipe.
De ventilator zuigt de vochtige ruimtelucht aan de achterkant van het apparaat aan via het luchtfilter, de verdamper en de daarachter gelegen condensator. Aan de koude verdamper wordt warmte onttrokken aan de ruimtelucht.
De ruimtelucht wordt afgekoeld tot onder het dauwpunt en de waterdamp in de lucht slaat als condensaat resp. rijp neer op de verdamperlamellen. Inzetplaatsen van de apparaten Het apparaat wordt overal ingezet waar waarde wordt gehecht aan droge ruimtes en waar indirecte materiële schade (b. v. door schimmelvorming) moet worden ver-meden. Het apparaat wordt voornamelijk gebruikt voor het uit-drogen en ontvochtigen van: ◊ woon-, slaap-, douche- of kelderruimtes. ◊ waskeukens, weekendhuisjes, woonwagens. Voor het continu droog houden van: ◊ magazijnen, archieven, laboratoria. ◊ bad-, was- en omkleedruimtes enz. Beschrijving van het apparaat Het apparaat is geconcipieerd voor een automatische, universele en probleemloze luchtontvochtiging. Het kan dankzij zijn compacte afmetingen gemakkelijk getrans-porteerd en opgesteld worden. Het apparaat werkt volgens het condensatieprincipe.
Het is uitgerust met een hermetisch afgesloten koelin-stallatie, een geluids- en onderhoudsarme ventilator en een elektrische aansluiting met stekker. De volautomatische regeling, de traploos regelbare hygrostaat, de condensaatpot met geïntegreerde over-loopbeveiliging en de aansluitstomp voor een directe afvoer van het condensaat garanderen een storingsvrije continue inzet. Voor de functiecontrole beschikt het apparaat over con-trolelampen op het bedieningspaneel. Het apparaat voldoet aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de geldende EU-richtlijnen. Het is gemakkelijk te bedienen en bedrijfsveilig. Aan de condensator (warmtewisselaar) wordt de ont-vochtigde, afgekoelde lucht weer verwarmd en met een temperatuur van ca. 5 graden boven de ruimtetempera-tuur weer uitgeblazen.
7 De zo behandelde, drogere lucht wordt weer vermengd met de ruimtelucht. Door de voortdurende circulatie wordt de luchtvochtigheid in de opstellingsruimte continu ge-reduceerd tot de gewenste relatieve luchtvochtigheids-waarde. Afhankelijk van de luchttemperatuur en de relatieve lucht-vochtigheid druppelt het gecondenseerde water gestaag of alleen tijdens de periodieke ontdooifases in de con-densaatval en vervolgens, door de geïntegreerde afloop-tubulure, in de condensaatpot daaronder. In de condensaatpot is een vlotterklep aangebracht, die bij gevulde toestand het ontvochtigingsbedrijf onderbreekt via een microschakelaar. Het apparaat schakelt uit en de controlelamp „Pot vol“ op het bedieningspaneel licht op. Deze dooft pas als de leeggemaakte condensaatpot er opnieuw wordt ingezet. Het apparaat start dan, na een inschakelvertraging van drie minuten, opnieuw.
In het continu bedrijf met externe condensaataanslui-ting zonder toezicht wordt het condensaat continu afge-voerd via een slangaansluiting. Bedieningspaneel Op het bedieningspaneel bevinden zich de draaiknop van de hygrostaat en de controlelampen. 1 Hygrostaat Met de traploos regelbare hygrostaat kiest u de ge-wenste luchtvochtigheid in de opstellingsruimte. 2 Controlelamp „Ontvochtigen“ Deze lamp geeft aan dat het apparaat werkt zoals voorgeschreven. 3 Controlelamp „Pot vol“ Deze lamp geeft aan dat de condensaatpot vol is en dat het apparaat om deze reden is uitgeschakeld. 4 Controlelamp „Ontdooibedrijf“ Deze lamp geeft aan dat de in het apparaat inge-bouwde ontdooiautomatiek de ontdooicyclus heeft ingeschakeld. 1 4 3 2 Opstelling Neem voor een optimaal, economisch en veilig bedrijf van het apparaat altijd de volgende instructies in acht.
◊ Stel het apparaat indien mogelijk op in het midden van de ruimte om een optimale luchtcirculatie te ga-randeren. ◊ Houd absoluut een minimumafstand van 50 cm tot muren aan. ◊ Stel het apparaat niet op in de onmiddellijke nabijheid van radiators of andere warmtebronnen. ◊ Zorg ervoor dat de lucht aan de achterkant van het apparaat ongehinderd aangezogen en aan de boven-ste luchtgeleidingsklep ongehinderd uitgeblazen kan worden. ◊ Houd de te drogen of te ontvochtigen ruimte afgeslo-ten tegenover de omgevende atmosfeer. ◊ Vermijd open ramen en deuren en het frequente be-treden en verlaten van de ruimte. ◊ Als het apparaat wordt ingezet in een stoffige omge-ving, dan moeten voor de betreffende voorwaarden adequate verzorgings- en onderhoudsmaatregelen getroffen worden. Zie hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“.
◊ U bereikt een betere luchtcirculatie, als u het apparaat opstelt op een hoogte van ca. 1 m. Belangrijke instructies bij de elektrische aansluiting ◊ De elektrische aansluiting van het apparaat moet gebeuren aan voedingspunten met differentiaaluit-schakelaar. ◊ Bij de opstelling van het apparaat in natte omgevin-gen, zoals b. v. waskeukens of badkamers, moet het apparaat op de plaats van opstelling worden bevei-ligd via een differentiaaluitschakelaar, die voldoet aan de voorschriften. FenstergeschlossenhaltenTürgeschlossenhaltenWandabstand mind. 0,5mAbstand zu Heizkörpern oderanderen Wärmequellen haltenafstand houden tot radiators of andere warmtebronnen afstand tot de muur min. 0,5 m raam gesloten houden deur gesloten houden.
8 Ingebruikname Voor elke ingebruikname of al naargelang de plaatselijke vereisten moeten de aanzuig- en uitblaasopeningen ge-controleerd worden op vreemde voorwerpen en het aanzuigfilter op vervuiling. Verstopte resp. vervuilde roosters en filters moeten on-middellijk gereinigd worden, zie hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“. Belangrijke instructies voor de ingebruikname ◊ Alle verlengingen van de elektrische aansluiting moeten een toereikende leidingdiameter bezitten en mogen alleen volledig uit- resp. afgerold gebruikt worden. ◊ Gebruik de elektrische aansluiting niet als trekkoord. ◊ Het apparaat werkt na het inschakelen volautoma-tisch, tot er een regeluitschakeling door de vlotter van de gevulde condensaatpot plaatsvindt. ◊ De condensaatpot moet er volgens de voorschriften zijn ingezet. Anders werkt het apparaat niet.
◊ Als het apparaat werkt in het continu bedrijf met ex-terne condensaataansluiting, lees daarvoor dan de desbetreffende paragraaf op deze pagina. ◊ Het apparaat is ter vermijding van compressorscha-de voorzien van een herinschakelbeveiliging, die verhindert dat de compressor onmiddellijk na het uit-schakelen opnieuw inschakelt. De compressor schakelt pas in na een wachttijd van drie minuten. * Bij ruimtetemperaturen onder 10 °C en een relatie-ve luchtvochtigheid onder 40 % is een economi-sche, rendabele capaciteit van het apparaat niet meer gegarandeerd. Informatie over de ontvochtigingscapaciteit De ontvochtigingscapaciteit is uitsluitend afhankelijk van de omstandigheden in de ruimte, de ruimtetempe-ratuur, de relatieve luchtvochtigheid en de inachtneming van de instructies in het hoofdstuk „Opstelling“.
de luchtvochtigheid 40 tot 45 % niet mag over-schrijden. 1. Zet de draaiknop van de hygrostaat tegen de klok in in de stand Uit. 2. Verbind de elektrische aansluiting van het apparaat met een volgens de voorschriften beveiligde netcon-tactdoos. 3. Kies de gewenste luchtvochtigheid in de opstellingsruimte aan de hy-grostaat. 4. Leid de approximatieve instelwaar-den af uit de volgende paragraaf. 5. Houd er rekening mee dat de com-pressor pas inschakelt na een wachttijd van drie minuten. Herinschakelbeveiliging. Ingebruikname van het apparaat Instructies voor de instelling van de uitblaasrichting De ontvochtigde ruimtelucht wordt uitgeblazen aan de bovenkant van het apparaat. Om de uitblaasrichting te verstellen dient de zwenkbare luchtgeleidingsklep. Druk om de luchtgeleidingsklep te openen op het achterste vlak.
De voorkant klapt open naar boven, u kunt de luchtrichting instellen naar believen. Neem de volgende instructies in acht. ◊ Genereer door de klep volledig naar boven te openen een zo veel mogelijk naar boven gerichte luchtstroom. ◊ Zorg voor een ongehinderde luchtuitblazing. Alleen zo garandeert u een optimaal bedrijf van het apparaat. ◊ Zorg ervoor dat gevoelige voorwerpen, zoals b. v. ka-merplanten, niet rechtstreeks worden getroffen door de uittredende luchtstroom. Condensaatpot Van tijd tot tijd is het nodig om de ingebouwde con-densaatpot leeg te maken. Bij gevulde pot wordt het ontvochtigingsbedrijf onder-broken. De controlelamp „Pot vol“ geeft aan dat het ap-paraat om deze reden is uitgeschakeld. Instelling van de hygrostaat voor de aan-bevolen luchtvochtigheid in woonruimtes. Circa 50 %. Instelling van de hygrostaat voor de aan-bevolen luchtvochtigheid in archieven. Circa 40 %.
9 Ontdooiautomatiek Het vocht in de ruimtelucht condenseert bij afkoeling en bedekt, afhankelijk van de luchttemperatuur en de rela-tieve luchtvochtigheid, de verdamperlamellen met rijp resp. ijs. De in het apparaat ingebouwde heetgas-ontdooi auto-matiek schakelt indien nodig de ontdooicyclus in om de-ze rijp- resp. ijsafzetting te ontdooien. Tijdens de ontdooifase wordt het ontvochtigingsbedrijf kortstondig onderbroken. De controlelamp „Ontdooi-bedrijf“ geeft aan dat de ontdooicyclus is ingeschakeld. De condensaatpot leegmaken 1. Trek de pot voorzichtig naar voor eruit. 2. Giet het condensaat in een af-voer. 3. Reinig de pot met een schone doek. 4. Zet de pot weer voorzichtig in het apparaat. 5. Houd er rekening mee dat het apparaat alleen start als de pot correct erin is gezet. De controlelamp „Pot vol“ dooft, het apparaat werkt volautomatisch verder.
Continu bedrijf met externe condensaataansluiting Het apparaat is aan de linkerkant voorzien van een aansluitstomp. Hieraan kan een in de handel verkrijg-bare 1/2" waterslang worden aangesloten. Zorg ervoor dat de slang met verval naar de afvoer gelegd wordt, opdat het condensaat ongehinderd uit de condensaatval weg kan lopen. * 1. Breek met een geschikt gereed-schap de afdekking F van de aansluitstomp uit de wand van het apparaat. Alleen vereist bij de eerste aan-sluiting. 2. Sluit een voldoende lange afvoer-slang aan aan de aansluitstomp. Het condensaat kan nu in het continu bedrijf b. v. naar een lager gelegen afvoer geleid worden. F Buitenbedrijfstelling Zet de draaiknop van de hygrostaat tegen de klok in in de stand Uit. Transport van het apparaat Om het gemakkelijk te kunnen transporteren is het ap-paraat voorzien van wieltjes en een handgreep.
◊ Schakel het apparaat alvorens het van plaats te ver-anderen uit en trek de netstekker uit de contactdoos. ◊ Maak vervolgens de condensaatpot leeg. Let op het nadruppelende condensaat. Voor langere bedrijfspauzes 1. Trek de netstekker uit de contactdoos. 2.
Maak de condensaatpot leeg en veeg hem droog met een schone doek. Let op het nadruppelende condensaat. 3. Reinig het luchtaanzuigfilter zoals beschreven. 4. Bescherm het apparaat evt. met een kunststof hoes tegen binnendringend stof. 5. Bewaar het apparaat rechtop op een tegen stof en direct zonlicht beschermde plaats. Filterreiniging Ter vermijding van schade aan het apparaat is het uit-gerust met een luchtaanzuigfilter. Om capaciteitsverliezen resp. storingen te vermijden moet het luchtaanzuigfilter indien nodig, echter minstens om de twee weken, gecontroleerd en indien nodig ge-reinigd worden. 1. Schakel het apparaat uit door de „Aan/Uit“-toets in te drukken. 2. Grijp in de verdieping G en trek het luchtaanzuigfilter uit het appa-raat. 3. Reinig het luchtaanzuigfilter met handwarm water of met een stof-zuiger. 4.
Verwijder sterkere vervuilingen door het filter te spoelen in een warme zeepoplossing van max. 40 °C. Vervolgens naspoelen met helder water. 5. Houd er rekening mee dat het luchtaanzuigfilter onbeschadigd en voordat het erin wordt gezet volledig droog moet zijn om scha-de aan het apparaat te voorkomen. G Het apparaat mag nooit werken zonder erin gezet luchtaanzuigfilter. *.
10 Het apparaat werkt met het milieuvriendelijke en ozon-neutrale koelmiddel R134 a. Conform de wettelijke resp. plaatselijk geldende voorschriften moet het koel-middel/oliemengsel in het apparaat vakkundig verwerkt worden. Belangrijke informatie over de recyclage. Reiniging van condensator en verdamper Voor deze werkzaamheden moet de behuizing van het apparaat geopend worden en deze mogen alleen wor-den uitgevoerd door geautoriseerde vakbedrijven. ◊ Reinig de condensator en de verdamper ofwel door uitblazen, afzuigen of met een zachte borstel of kwast. Geen waterstraal gebruiken. ◊ Houd er rekening mee dat de lamellen gemakkelijk beschadigd resp. verbogen kunnen worden. ◊ Reinig voorzichtig de inwendige oppervlakken van het apparaat, de condensaatval met slangaansluiting, de ventilator en de ventilatorbehuizing. ◊ Monteer alle van tevoren gedemonteerde delen weer zoals voorgeschreven.
◊ Voer een functiecontrole en een elektrische veilig-heidscontrole uit. ◊ Houd het apparaat vrij van stof en andere afzettingen. ◊ Reinig het apparaat alleen droog of met een bevoch-tigde doek. Geen waterstraal gebruiken. ◊ Gebruik geen schurende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen en gebruik ook bij extreme ver-vuiling alleen geschikte reinigingsmiddelen. ◊ Controleer regelmatig het luchtaanzuigfilter op ver-vuiling. Indien nodig reinigen resp. vervangen. Het apparaat loopt niet aan: ◊ Controleer de spanningsvoeding. 1 ~ 50 Hz 230 ◊ Controleer de netbeveiliging ter plaatse. 10 A. ◊ Controleer de elektrische aansluiting op beschadi-gingen. ◊ Controleer de condensaatpot op juiste zitting resp. vulstand. De controlelamp „Pot vol“ mag niet branden. ◊ Controleer de werking van de microschakelaar van de condensaatpot. ◊ Controleer de instelling van de hygrostaat.
Werkzaamheden aan de koelinstallatie en aan de elektrische uitrusting mogen alleen worden uitge-voerd door een speciaal geautoriseerd vakbedrijf. * Storingen opheffen De foutloze werking van het apparaat werd tijdens de productie meermaals gecontroleerd. Als er toch functiestoringen optreden, controleer het ap-paraat dan aan de hand van de volgende opsomming. Het apparaat maakt lawaai resp. trilt, er loopt con-densaat uit: ◊ Controleer of het apparaat recht en op een vlak opper-vlak staat. ◊ Laat de condensaatval en de aansluitstomp contro-leren op vervuilingen. Voor deze werkzaamheden moet het apparaat geo-pend worden, hetgeen alleen mag worden uitgevoerd door een geautoriseerd vakbedrijf. Als het apparaat ondanks de uitgevoerde controles niet foutloos werkt, stel dan een geautoriseerd vakbedrijf hiervan op de hoogte.
Het apparaat loopt, maar geen condensaatvorming: ◊ Controleer de ruimtetemperatuur. Het werkbereik van het apparaat ligt tussen 6 en 32 °C. ◊ Controleer de luchtvochtigheid. Min. 40 % r. lv. ◊ Controleer het luchtaanzuigfilter op vervuiling. Indien nodig reinigen resp. vervangen. ◊ Laat de wisselaarlamellen controleren op vervuiling. Voor deze werkzaamheden moet het apparaat geo-pend worden, hetgeen alleen mag worden uitgevoerd door een geautoriseerd vakbedrijf. Verzorging en onderhoud De regelmatige verzorging en de inachtneming van en-kele basisvoorwaarden garanderen een storingsvrij be-drijf en een lange levensduur van het apparaat. Het apparaat moet na elke langere inzet, echter minstens eenmaal per jaar, gereviseerd en grondig gereinigd worden. Alle beweeglijke delen hebben een onderhoudsarme continue smering.
De hele koelinstallatie is een onder-houdsvrij, hermetisch afgesloten systeem en mag alleen door hiervoor speciaal geautoriseerde vakbedrijven ge-repareerd worden. Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de elektrische aansluiting uit de netcontactdoos getrokken worden. *.
11 Schakelschema C condensator MS microschakelaar H hygrostaat NS netstekker M1 compressormotor PA displayprintplaat M2 ventilatormotor PS stuurprintplaat Technische gegevens Doelmatig gebruik De apparaten zijn omwille van hun conceptie en uitrusting uitsluitend geconcipieerd voor ontvochtigingsdoeleinden. Bij niet-inachtneming van de opgaven van de fabrikant, de wettelijke eisen of na eigenmachtige veranderingen aan de apparaten, is de fabrikant niet aansprakelijk voor de daaruit resulterende schade. * Een ander bedrijf of een andere bediening dan beschreven in deze gebruiksaanwijzing is niet toegelaten! Bij niet-naleving vervalt elke aansprakelijkheid en het recht op garantie.
Service en garantie Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de besteller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten aanzien van verkoop en ingebruikname het bij elke REMKO stookautomaat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld heeft teruggezonden aan REMKO GmbH & Co. KG. De foutloze werking van de apparaten werd in de fabriek meermaals gecontroleerd. Als er niettemin functiestorin-gen optreden, die niet met behulp van de storingselimi-nering door de exploitant geëlimineerd kunnen worden, wend u dan tot uw handelaar of contractant. Bouwserie ETF 240 Werkbereik temperatuur °C 6 tot 32 Werkbereik vochtigheid % r. lv. 40 tot 100 Ontvochtigingscapaciteit max. l/dag 26 bij 30 °C / 80 % r. lv. l/dag 24,4 Luchtvolumestroom max. m³/h 190 Koelmiddel —— R 134a Koelmiddelhoeveelheid g 340 Spanningsvoeding V 1 ~ 230 Frequentie Hz 50 Nominaal stroomverbruik max.
1103659 niet afgeb. elektrische aansluiting met stekker 1103660 Gelieve bij bestellingen van vervangingsonderdelen naast het EDV-nr. ook altijd het apparaat-nr. (zie typeplaatje) te vermelden.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met REMKO ETF 240 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Ontvochtiger REMKO
Handleiding Ontvochtiger
Nieuwste handleidingen voor Ontvochtiger