Pelikaan Lage instap Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Pelikaan Lage instap (51 pagina’s), behorend tot de categorie Fiets E-bike. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 20 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 3 reviews. Heb je een vraag over Pelikaan Lage instap of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Pelikaan |
| Categorie: | Fiets E-bike |
| Model: | Lage instap |
Handleiding Pelikaan Lage instap – volledige tekst
Uw fiets 1Inhoudsopgave2 Belangrijk voor uw veiligheid Informatie Voor de eerste ritMontage4 Stuur7 Zadel9 Pedalen10 Instellingen Verlichting Zijdynamo Roldynamo11 Spaakdynamo Naafdynamo12 Koplamp instellen Wielen13 Bandenspanning14 Het ventiel Het Sclaverand-ventiel Het Autoventiel Het Dunlop-ventiel15 Veringen16 Remmen Eerste ingebruikneming Terugtraprem Zijtrekrem Middenoptrekrem Cantileverrem Instelling V-rem (V-brake) Instelling Trommelrem Schijfrem Hydraulische remmen Remhendels Fijnstelling van de remmen23 Versnelling De aandrijving De kunst van het schakelen Voorbeeld van een kettingderailleur Instelling van een kettingschakeling Instelling van de achterderailleur Kabelinstelling Instellen van de laagste versnelling Instellen van de spanning27 Voorderailleur De geleiding van de ketting controleren Kabelspanning De kabelspanning regelen28 Versnellingshendels Drukknopversnelling Draaigrip Schakel- en reminrichtingen Rapid Fire versnellingshendel30 Accessoires Bestelmaten Verlichting op batterijen Fietscomputer Fietssloten Spatborden Kinderzitjes Aanhanger Fietskleding Fietsstandaards Velgen35 Onderhoud en verzorging Fietsbanden Luchtdrukkabel Bandenpech Binnenband repareren De band terugzetten De ketting36 Algemeen onderhoud Mountainbikes en racefietsen Remkabels Velgremmen Achterwiel Ketting Derailleur Kettingtandwielen Stuurkoplager Stuurstang/voorbouw Reflectoren Banden Terugtraprem Zadelinstelling/zadelsteun Spaken Cranks en pedalen Trapaslager Voorvork Voorwiel Onderhoud van de derailleur Reiniging van uw fiets Het milieu39 Probleem, oorzaak en oplossing41 Formulier (kenmerken) 42 Fietsonderdelen43 Hoe herken ik een framenummer44 Vrijwaring/Garantie46 Online registreren en Service verzoek47 Garantiebewijs
2 Uw fietsBELANGRIJK VOOR UW VEILIGHEIDVerklaring van begrippenIn deze handleiding vindt u de volgende symbo-len en aanduidingen:Gevaar. Groot risico. Negeren van deze waarschuwing kan persoonlijk letsel veroorzaken. Let op. Gemiddeld risico. Negeren van deze waarschu-wing kan materiële schade veroorzaken. Belangrijk. Klein risico. Deze zaken dienen in acht te worden genomen. Let op. Deze fiets is af fabriek erg goed voorge-monteerd maar nog niet gereed voor gebruik. Voor ingebruikname moeten alle schroeven en klemverbindingen worden gecontroleerd. De pedalen hebben een rechtse of linkse schroef-draad. Trek de zadelpen en stuurstang niet verder uit dan de veiligheidsmarkering. Controleer of de remmen en verlichting goed werken en of de bandenspanning goed is. • Fietsen dienen alleen voor de bestemde doelen te worden gebruikt en niet voor reclamedoel-einden.
Daarnaast dienen ze volgens de meest recente DIN-normen te worden gemonteerd en belast. • Belasting voor fietsen volgens DIN 79100max. 100 kg. • De maximale belasting kan per uitvoering verschillen – dat wordt dan afzonderlijk aange-geven. • De belasting van de bagagedrager is in drie gewichtsklassen ingedeeld: 10, 18 en 25 kg. De gegevens betreffende de maximale belasting kunt u op de bagagedrager van uw fiets vinden. • Kinderfietszitjes kunnen volgens de bijbehoren-de gebruiksvoorschriften worden gemonteerd en gebruikt. • In principe geen kinderzitjes aan het stuur bevestigen. Wij raden aan de maximale belas-ting bij montage op het stuur en tussen stuur en bestuurder (bovenste stang) op 15 kg te begren-zen. Bij de montage van een fietszitje achterop de bagagedrager, kunt u het beste een stoeltje kiezen dat aan de verticale stang van het frame (onder het zadel) bevestigd dient te worden.
technische eisen en rijvaardigheidseisen:• De fiets is een verkeersmiddel en valt onder de voorschriften van het Wegenverkeersreglement m. b. t. technische eisen en rijvaardigheidseisen. Dit reglement schrijft voor dat: Elke fiets moet zijn uitgerust met twee onafhankelijk van elkaar werkende remmen, een luid klinkende bel, dynamo, koplamp, achterlicht, reflectorpedalen, reflectoren op de banden of lichtstrepen, een witte reflector voor en een rode reflector achter op de fiets. • Fietsen die niet voldoen aan de bepalingen van dit reglement (racefietsen en mountainbikes) mogen niet in het openbare wegverkeer wor-den gebruikt. • Draag tijdens het fietsen kleding die de bewe-ging van het stuur en de ketting niet belemmert (zo worden bijvoorbeeld strakke broeken en ste-vig schoeisel aanbevolen en lange jassen afgera-den; indien nodig broekklemmen gebruiken).
• Volg tevens de onderhoudsinstructies op, in het bijzonder die bij de versnelling horen. InformatieAlgemene veiligheidsinstructies bij het fietsen:• Controleer voordat u gaat fietsen of de fiets in een goede staat verkeert. Let hierbij vooral op het functioneren van de remmen. • Als u deelneemt aan het verkeer, moet de fiets voldoen aan de voorschriften van het Wegenverkeersreglement. • Rijd alleen op fietspaden. Als aan weerszijden van de weg een fietspad is, rijd dan altijd over het pad aan de rechterkant van de weg. • Bij regen en slecht weer kan de remweg langer zijn. Rijd dan dus langzaam en rem eerder af dan bij droge weersomstandigheden. • Controleer regelmatig of alle schroeven en moe-ren goed zijn aangedraaid, bijv. na 500 km of om de 3 maanden (afhankelijk van het gebruik).
Uw fiets 3• Wij raden u aan reparaties te laten uitvoeren door onze reparatiedienst of door een andere fietsenmaker. Onderdelen die door een onge-val of onjuiste behandeling zijn verbogen of beschadigd, dienen wegens het gevaar op breken direct te worden vervangen, bijv. frame, stuur, voorbouw, voorvork, pedalen, krukarmen.• Technische veranderingen aan uw fiets mogen slechts met inachtneming van het Wegenverkeersreglement en de overeen-komstige DIN-normen worden doorgevoerd. Elektrische onderdelen mogen slechts door voor dit model goedgekeurde onderdelen worden vervangen (zie het onderwerp Verlichting). Omvang, functie en prestaties van de actieve en passieve verlichtingselementen zijn door het Wegenverkeersreglement en DIN 79100 vastgesteld. • Om veiligheidsredenen mag in het openbare wegverkeer geen muziek via een koptelefoon (bijv.
walkman) worden beluisterd aangezien men dan niet alert kan reageren op waarschuwingsgeluiden.VOOR DE EERSTE RIT:Uw fiets is tijdens de productie en vervol-gens bij de eindcontrole meermaals getest. Aangezien zich bij het transport van de fiets veranderingen kunnen voordoen, dient u voor de ingebruikname in ieder geval de volgende pun-ten te controleren (indien van toepassing):• Bevestiging van de wielmoeren• Bevestiging van stuur, pedalen en zadel• Instelling en functioneren van de remmen• Functioneren van de versnelling• Functioneren van de bel• Functioneren van de verlichting• BandenspanningLet op!Alle achteraf aangebouwde onderdelen en doorgevoerde wijzigingen met name in remsy-stemen, veringsystemen en koppelingssystemen voor fietsaanhangwagens enz.
4 Uw fietsMONTAGEDe eindmontage (stuur, stuurhoorns of klemvoorbouw, zadel en pedalen) van uw fiets is binnen enkele stappen gedaan. Daarnaast kunt u tegelij-kertijd de juiste hoogte van zadel en stuur instellen. Neem hierbij altijd de veiligheidsvoorschriften in acht. StuurDe hoogte van het stuur kan naar wens worden versteld. De hoogte veranderenDraai de expanderbout (2) met een ring-steeksleutel 13 linksom uit de voorbouw (1). U kunt het stuur in hoogte verstellen nadat de expanderbout (2) enkele slagen is losgedraaid en de wigwerking in de stuuras met een lichte slag bovenop de expanderbout is opgeheven. Daardoor wordt ook de klemspanning van het klemstuk (7) tussen de voorbouwafschuining (6) en het voorvorkframe (8) opgeheven. Nu kan de hoogte van het stuur worden afgesteld door het stuur naar boven of naar beneden in de voorvork frame (8) te draaien.
Draai de voor-bouw vervolgens weer goed vast. Bij de klemspanning tussen expander-bout (2) en voorvorkframe (8) moet een aanhaalmoment van minimaal 15 Nm worden aangebracht. De stuurstang (3) kan uit de schroefverbinding (4) worden gedraaid. De benodigde klemspanning tussen stuurstang (3) en schroefverbinding (4) is bereikt wanneer de schroefverbinding met een minimaal aanhaalmoment van 15 Nm wordt aangehaald. Let op. Trek de stuurpen niet verder uit dan de veiligheidsmarkering (5). De stuurpen moet nog minimaal 2,5 maal de afmeting van zijn door-snede in de voorvorkframe blijven. De markering (5) op de stuurpen helpt de juiste maat te vinden Zet het stuur in het belang van uw eigen veiligheid niet hoger dan de veiligheidsmarkering. Voorzichtig:De voorbouw (1) niet forceren of verbuigen als deze van aluminium is. In deze handleiding vindt u dikwijls gegevens over aanhaalmomenten (Nm).
Om bouten juist aan te draaien, hebt u een momentsleutel nodig. Hiermee kunt u het aanhaalmoment nauwkeurig instellen zodat u er zeker van bent dat alle schroefverbindingen aan de technische voorschriften voldoen.
Uw fiets 5Klemvoorbouw met binnenschroefdraadLet op:Voor de montage van de voorbouw moet het gehele voorwiel zijn gemonteerd. De voorvork moet zo zijn gedraaid dat de remstangen zich aan de voorkant van de voorvork bevinden.• Verwijder het kunststof dopje (1) uit de inbusschroef van de afdekkap (2).• Draai de inbusschroef in de afdekkap los (2) en neem de afdekkap eraf. • Verwijder de rubberband van de voorvorkas (3).Let op:In deze toestand kan de voorvork naar beneden uit de stuurkopbuis vallen. Hierbij kunnen afzonderlijke onderdelen kwijt raken. Til de fiets in deze toestand niet aan het frame op!• Plaats een afstandsring (4) (spacer) op de voorvorkas (3).• Plaats de voorbouw (5) op de voorvorkas. Voorbouw en voorvorkas moeten bovenaan gelijk zijn.• Druk de voorbouw (5) naar beneden en haal beide inbusschroeven in de voorbouw ombeurten aan met ca.
9 tot 11 Nm.Let op:Tussen voorbouw (5), afstandsring (4) en stuurkop (6) mag geen ruimte over zijn.• Plaats de afdekkap (2) op de voorvorkas.• Haal de inbusschroef in de afdekkap (2) handmatig aan.• Plaats het kunststof dopje (1) weer in de inbusschroef.Klemvoorbouw met bevestigingsklem• Draai de inbusschroef van de bevestigingsklem (1) los.Let op:Zolang de bevestigingsklem (1) los is, kan de voorvorkas naar beneden uit de stuurkopbuis vallen. Hierbij kunnen afzonderlijke onderdelen kwijt raken. Til de fiets in deze toestand niet aan het frame op!• Druk de bevestigingsklem (1) naar beneden en haal de inbusschroef aan met ca. 5 tot 8 Nm. De schroefverbinding van de bevestigingsklem (1) moet naar voren wijzen.• Plaats een afstandsring (2) (spacer) op de voorvorkas (3).• Plaats de voorbouw (4) op de voorvorkas. Voorbouw en voorvorkas moe-ten bovenaan gelijk zijn.
6 Uw fietsLet op:Tussen bevestigingsklem (1), afstandsring (2) en voorbouw mag geen ruimte over zijn. Plaats zonodig nog ee afstandsring.• Haal beide inbusschroeven op de voorbouw om beurten aan (ca. 13,5 Nm).• Plaats de afdekkap (5) weer op de voorvorkas.De voorbouw rechtzetten• Draai de twee voorste inbusschroeven op de voorbouw los.• Draai de stuurstang zo dat u gemakkelijk bij de rem- en versnellingshendels kunt.• Draai beide voorste inbusschroeven op de voorbouw om beurten vast (ca. 9 tot 11 Nm).Bij sommige voorbouwen kan ook de hoek versteld worden.• Draai de inbusschroef in het scharnier los en stel de hoek zo schuin af als u wilt.• Draai de schroef weer vast.STUURVoor optimaal fietsplezier is het belangrijk de stuurhoorns zo comfortabel mogelijk in te stellen.. U kunt tijdens de rit de stand van de hoorns wijzigen zodat u geen last krijgt van vermoeide polsgewrichten.
Uw fiets 7Eindcontrole• Knijp de voorrem in en probeer of u de fiets voor- of achteruit kunt rijden. In de stuurkoplager mag geen speling voelbaar zijn. Draai als dit wel het geval is de inbusschroeven op de voorvorkas-klem van de voorbouw iets los, druk de voorbouw met kracht naar beneden en draai beide inbusschroeven ombeurten weer vast met ca. 9 tot 11 Nm.• Probeer of het stuur gemakkelijk en soepel beweegt: Zet het stuur recht en til het wiel voor aan het frame op. Het stuur moet vanzelf naar binnen slaan. Als dit niet zo is, moeten de inbus-schroeven op voorvorkasklem resp. bevestigingsklem van de voorbouw iets worden losgedraaid en met lichte druk in de rich-ting van de stuurkop worden vastgeschroefd.• Controleer of er tussen de voorbouw, afstandsring en stuurkop geen ruimte aanwezig is.
Draai anders de voorbouw los en schuif deze verder op de voorvorkas.• Controleer de aanhaalmomenten van alle schroeven.ZADELOver het algemeen is de stand van het zadel goed als u met het been gestrekt met uw voet het pedaal in de laagste stand raakt. Als u in deze stand op het zadel zit, moet u met uw tenen de grond nog kunnen raken.Tijdens het fietsen zet u de bal van uw voet op het pedaal en houdt u uw benen iets gebogen. Dit is erg belangrijk voor de ontspanning van uw beenspieren.
8 Uw fietsZadel instellenNa het losdraaien van de zadelpenbout (A) kan het zadel worden gedraaid en in hoogte worden versteld. De zadelpen moet nog minimaal 2,5 maal de afmeting van zijn doorsnede in de zitbuis (het frame) blijven. Let op de veiligheidsmarkering op de zadelpen!Bij zadels met een snelspanner wordt het zadel in hoogte versteld door het los- en vastdraaien van deze snelspannerhendel.Let op:De zadelpen moet nog minimaal 2,5 maal de afmeting van zijn doorsnede in de zitbuis (het frame) blijven. Deze hoogte is met een veiligheidsmarkering aangegeven. Bij fietsen met een lagere framehoogte moet bij gebruik van een lange zadelpen er ook op worden gelet dat de veiligheidsmarkering niet te zien is!Met schroef B wordt de hellingshoek van het zadel versteld.Het zadel dient horizontaal of eventueel heel iets achterover te zijn afgesteld.
De hellingshoek van het zadel is een persoonlijke aange-legenheid. Pas na een lange fietstocht zult u merken wat voor u de prettigste stand is.Bij sommige zadelpennen kan het zadel naar voren en naar achteren worden versteld. Alle schroeven die voor de verstelling van het zadel zijn losgedraaid, moeten weer zorgvuldig worden aangedraaid (met een aanhaalmoment van 15 Nm). VeiligheidsmarkeringDe zadelpen moet nog minimaal 2,5 maal de afmeting van zijn doorsnede in de zitbuis blijven.
Uw fiets 9PEDALENDe pedalen zijn om transportredenen naar binnen gericht aange-schroefd of los meegeleverd. Schroef dus zonodig de pedalen eraf. De pedalen zijn duidelijk gemarkeerd met een "L" voor links en een "R" voor rechts. Schroef het pedaal met "R" met zijn as in de rechter crank en het pedaal met "L" in de linkercrank (let op: links schroefdraad. ). Draai de pedalen zeer goed vast. Belangrijk. Let op dat u de pedalen in de richting van het voorwiel vastdraait en in de richting van het achterwiel losdraait. TelescoopstandaardWanneer uw fiets is voorzien van een telescoopstandaard kunt u zonder gereedschap de lengte van de standaard veranderen. U draait gewoon aan de draaibus. Hier geldt de volgende vuistregel: Uitgaande vanuit het draaipunt dient de standaard net zo lang te zijn als de bij een loodrecht gehouden fiets gemeten afstand tot de grond.
Andere telescoopstandaards hebben een zichtbare klemschroef. Bij deze versies kan de standaard worden versteld met behulp van een schroefsleutel. Fietsmand vooropEen vast gemonteerde fietsmand voorop de fiets heeft als voordeel dat u er goed zicht op heeft. Bovendien kan er bij een slecht weg-dek niets ongezien uit de mand vallen. Bij de montage moet u de koplamp naar voren voor de mand verplaatsen. Anders voldoet uw fiets niet meer aan de verlichtings-voorschriften. Een extra steunbeugel wordt ter ondersteuning van de mand op de vooras bevestigd. De mand wordt met een houder vast aan de stuurkopbuis verankerd. ProefritU heeft nu uw fiets geheel gemonteerd. Voordat u een proefritje gaat maken, dient u op de hoogte te zijn van alle technische elementen van uw fiets. • Voor ingebruikname moeten alle schroeven, moeren en bouten worden gecontroleerd. • Probeer uit hoe de remmen werken.
10 Uw fietsINSTELLINGENVerlichtingEen verlichtingssysteem met dynamo is bij de wet verplicht voor fietsers.Voor zover de verlichting (koplamp, achterlichten, pedaalreflec-toren, reflectoren voor en achter en spaakreflectoren) van de fiets niet al bij aflevering voldoet aan de voorschriften, dient u alleen gebruik te maken van de voor dit model goedgekeurde verlichting. Deze is te herkennen aan het volgende teken:Z 12366 Z (voor reflectoren)(De bovenstaande cijfercombinatie is slechts een voorbeeld.)ZijdynamoDe dynamo moet zo zijn bevestigd dat deze loodrecht op de wielas staat en het dynamowieltje volledig tegen de band ligt. Het maakt niet uit of de dynamo op het voor- of achterwiel is bevestigd. De zijdynamo wordt ingeschakeld met een schakelaar of een druk-knop. De dynamo kantelt dan met het wieltje tegen het loopvlak van de band.
De verlichting kan worden uitgeschakeld door de dynamo terug te kantelen in de uitgangspositie. Let op:Bij regen kan de dynamo slippen.Info: overige dynamo'sRoldynamoDe roldynamo bevindt zich achter de trapas. Deze dynamo wordt op de zijstang bevestigd of met een borgplaat aan de achtervork geklemd. Deze dynamo wordt ingeschakeld met behulp van een hendel of afstandsbediening en ligt dan met de geribbelde aan-drijfrol tegen het loopvlak van de band. Het voordeel van deze dynamo is de kleine rolweerstand en de geringe geluidsontwik-keling. Deze dynamo werkt aanzienlijk beter dan traditionele dynamo’s.Schakelaar voor de dynamo
Uw fiets 11SpaakdynamoDe spaakdynamo bevindt zich op de vooras en wordt aangedreven door een spaakmeenemer die tussen de spaken wordt gekanteld. Deze wordt in- of uitgeschakeld als de fiets stilstaat.Het belangrijkste voordeel van deze dynamo is dat deze bij natte weersomstandigheden niet slipt zoals dynamo’s die tegen de band zijn gekanteld.De generator en de aandrijving bevinden zich in een vuildichte behuizing.NaafdynamoDe naafdynamo bevindt zich in de voornaaf. Deze dynamo is praktisch slijtvast en de effectiviteit is hoog. Er zijn modellen die alleen elektrisch en niet mechanisch kunnen worden geschakeld. Een schakelaar aan het stuur of aan de lampbehuizing is daarom praktisch. Andere modellen worden met een knevelschakelaar in- of uitgeschakeld.De zijdynamo aansluiten...
...met steekcontactenSchroef het kapje van de steekschoen van de dynamo, draai de kabeluiteinden samen en steek ze door het kapje. Plaats het kapje op de steekschoen en draai het kapje met een kwartslag vast.…met een kartelmoerDe kabeluiteinden worden samengedraaid en aan de onderkant van de dynamo bevestigd met een kartelmoer.…met een veerbeugelDruk de veerbeugel in en steek de kabeluiteinden in het gaatje. Laat de veerbeugel los en de kabels zijn goed geklemd.
12 Uw fietsDe koplamp instellenDe koplamp moet worden afgesteld volgens de voorschriften van het Wegenverkeersreglement. Het midden van de lichtbundel moet op 5 meter afstand van de koplamp slechts half zo hoog zijn als bij de koplamp zelf. Meet de afstand tussen de koplamp en het fietspad. Deel deze uitkomst door twee en markeer deze hoogte op een wand. Plaats de fiets op 5 meter afstand van de wand. Schakel de dynamo in en draai aan het wiel waarop de dynamo is bevestigd. Stel de koplamp zo af dat de lichbundel op gelijke hoogte is met de markering op de wand.Het achterlicht aansluitenBij de meeste fietsen lopen de kabels van het achterlicht door het frame. Controleer voordat u de kabels aansluit eerst of de lamp stevig in de fitting zit.
Klem dan pas de kabel met de kartelmoer aan het achterlicht.WIELENVoorasWielnaaf met snelspannerDe snelspanner zorgt voor het probleemloos monteren en demon-teren van het wiel.Draai voor het bevestigen van de vooras aan de voorvork de stel-moeren op de as en haal ze stevig aan. De snelspanner wijst daar-bij naar voren (in de rijrichting). Voor het werkelijke vastklemmen wordt de snelspanner 180° naar achteren gedrukt. Bij het vastklem-men wordt de weerstand van de snelspanbeugel vergroot. Voordat het voorwiel wordt gedemonteerd, moet eerst de bow-denkabel van de rem worden losgehaald. Na de montage van het wiel, moet de bowdenkabel weer worden opgehangen.Midden van de lichtbundelMidden van de koplampHoogte van dekoplampTotale hoogteVeer VeerSnelspanner StelmoerVergrendelpositie
Uw fiets 13Gewoon voorwiel met vergrendelingVoor reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan het voorwiel moet u de asmoeren, sluitringen en de voorwielhouders aan het uiteinde van de assen verwijderen. De conuslager van de as moet zo zijn ingesteld dat het wiel soepel draait. De conusborgmoer moet stevig aangehaald zijn tegen de asconus (A) zodat de conus niet los kan raken. Plaats het voorwiel zo in de vorkschede dat de voorwielhouders de uitstekende delen van de as goed omsluiten. Bevestig de borgschijfjes en de asmoeren weer op de as. Haal de beide asmoeren ombeurten in meerdere stappen met een draai-kracht van 20 Nm aan, zodat het wiel in het midden blijft.Let op: Bij het monteren van het voorwiel is het belangrijk dat de as zich op de juiste wijze in de voorwielhouder bevindt.Alleen dan kunt u er zeker van zijn dat de fiets stevig aan de vork gemonteerd.
L et bij het inbouwen van het wiel op eventuele wielrichtingen. U vindt de juiste gegevens op de banden. BandenspanningDe bandenspanning is van groot belang voor de vering en de rolweerstand. Een band met een breedte van 35 mm heeft bijvoorbeeld een bandenspanning van 3 bar nodig. Als de band wordt opgepompt tot 4 of 5 bar loopt de fiets lichter. Als er te veel lucht in de band wordt gepompt, heeft de band geen vering meer en rolt minder soepel.Wij raden u aan de band tot ongeveer driekwart van het aangege-ven maximum op te pompen.De juiste gegevens voor de bandenspanning vindt u op de zijkant van de band. Verderop in deze handleiding vindt u een luchtdruktabel.VoorwielhouderBorgschijfvoorwielhouder voorvorkconsus (a)conus borgmoerborgschijfmoerAs (b)voornaaf
14 Uw fietsHET VENTIELEr zijn verschillende soorten ventielen. Enkele voorbeelden zijn:Het Sclaverand-ventielmoet voor het oppompen van de band worden geopend. Open het ventiel door na het verwijderen van het stofdopje (1) de kartelmoer (2) naar links te draaien. Draai nadat u de band hebt opgepompt het ventiel weer dicht met het moertje en plaats het stofdopje weer op het ventiel.Het autoventielwordt voornamelijk gebruikt bij mountainbikes. Dit ventiel is het-zelfde als dat van een auto. Voor het autoventiel heeft men een speciale pomp of adapter nodig. Het gemakkelijkste is een pomp-installatie van een benzinepomp te gebruiken.Pas op: bij een te hoge spanning klapt de band!Het Dunlop-ventielwordt in Nederland het meest gebruikt. Het oppompen vraagt echter enige inspanning. Daarom vervangen de meeste fietseige-naars het Dunlop-ventiel door een patent- of een flitsventiel.
Dit kan zonder problemen omdat de beide systemen in hetzelfde ven-tielinzetstuk passen. Oppompen wordt dan kinderlijk eenvoudig!Belangrijk!Vergeet niet na het oppompen het beschermings- of stofdopje weer op het ventiel aan te brengen. Hiermee voorkomt u dat het ventiel lek raakt door vuil en stof.Controleer regelmatig of het inzetstuk van het ventiel goed vast zit.
Uw fiets 15VERINGENVerende vorkenVerende vorken bieden vooral comfort op ruw terrein. Sommige verende vorken kunnen worden afgestemd op het gewicht van de fietser.Een verende vork vangt de schokken op bij de plaats waar ze ont-staan, dus bij het contact tussen de band en de straat. De verende vork voorkomt dat de banden het contact met de grond verliezen. De dynamiek en de veiligheid worden hierdoor positief beïnvloed.Geveerde zadelpenEen geveerde zadelpen vangt effectief de schokken en onregelmatig-heden in de rijbaan op en beperkt ze tot een minimum.
Zo worden uw rug en tussenwervelschijven zo min mogelijk belast.Geveerde achtervorkEen verend frame dat centraal is ingebouwd in het frame tussen voor- en achterwiel heeft dezelfde functie als een geveerde zadelpen.Let er bij deze frames op dat de zadelpen niet te ver in het frame wordt geduwd.Als de zadelpen te laag zit, kan de onderkant van de pen bij het door-veren de achtervork raken.• Fietsers die zwaarder zijn, moeten de voorvering hoog instellen zodat de beschikbare vering niet door het lichaamsgewicht wordt beperkt.• Fietsers die niet zo zwaar zijn, kunnen de voorvering lager instellen die al bij de kleinste oneffenheden werkt.Let op!Verende vorken moeten na een bepaalde tijd (zie de handleiding van de fabrikant) worden gedemonteerd, gereinigd, opnieuw gesmeerd en opnieuw gemonteerd door een deskundige fietsen-maker.Voer zelf geen onderhoudswerkzaamheden uit!Laat onderhoudswerkzaamheden aan verende vorken door een fietsenmaker uitvoeren.
16 Uw fietsREMMENIn principe heeft elke fiets twee onafhankelijk van elkaar werkende remmen, ofwel twee velgremmen ofwel een velgrem op het voor-wiel en een terugtraprem. Bij de velgremmen kan men twee soor-ten onderscheiden: de middenoptrekrem en de zijtrekrem. Over het algemeen zijn de remmen bij aflevering van de fiets al gemon-teerd. Het kan zijn dat de handremhendel bij bepaalde modellen nog bevestigd moet worden. Als uw fiets met twee handremhen-dels is uitgerust, dient u voor de eerste rit uit te proberen welke hendel voor de voorrem resp. achterrem is. Let op:Bij natte weersomstandigheden kan het zijn dat de velgremmen minder goed remmen. Controle van de remmen. Voor het eerste gebruik de remmen controleren. Controleer eerst of de remmen goed zijn bevestigd. Rijd vervol-gens langzaam een stukje op uw fiets en probeer of de remmen goed werken.
De rem op het achterwiel moet zo goed werken dat het achterwiel direct geheel stil staat. Hetzelfde geldt voor de rem op het voorwiel. Wanneer dit niet het geval is, moeten de remmen zoals hieronder beschreven worden bijgesteld. Eerste ingebruiknemingControleer of bij het inknijpen van de handrem de remblokjes goed en schoon tegen de flanken van de velg worden gedrukt en of de handremhendel geheel tot het handvat kan worden inge-knepen. Is dit niet het geval dan dient u de rem beslist bij te stellen (zie Onderhoud). De flanken van de velgen kunnen met een droge doek worden afgenomen zodat eventuele resten van vet en straat-vuil worden verwijderd. TerugtrapremDe terugtraprem gaat al heel wat jaren mee en is voor veel fietsers nog steeds de meest favoriete rem. Deze rem vergt bijna geen onderhoud, is betrouwbaar en eenvoudig te bedienen.
Het totale remmechanisme is in de achterwielnaaf ingebouwd. De terug-traprem reageert zeer snel en het achterwiel kan worden geblok-keerd – hiervoor is enige oefening nodig.
(Men dient echter ook altijd speciale aandacht te hebben voor de voorrem omdat deze eigenlijk het grootste deel van de remcapaciteit voor zijn rekening neemt. )Een terugtraprem kan alleen in combinatie met een naafversnel-ling worden gebruikt. De combinatie met een kettingversnelling is niet mogelijk.
Uw fiets 17ZijtrekremInstelling en bevestiging van de remschoen, remblokjes afstellen Indien de remschijven niet precies tegen de velgrand liggen, moe-ten deze opnieuw worden afgesteld. Draai de remschoenmoer los en lijn de remschijven door het samendrukken van de remstangen precies uit. Draai vervolgens de remschoenmoer weer vast.MiddenoptrekremDe als gevolg van slijtage van de remschijven benodigde nastel-ling geschiedt met behulp van de stelschroef (A) en het gelijktijdig aandrukken van de remschijven tegen de velgen. Als deze verstel-ling niet meer mogelijk is, moet de bowdenkabel bij klemnippel (B) worden nagespannen.De remblokjes moeten zo zijn ingesteld dat het wiel vrij kan draaien.Nastellen van de middenoptrekkabelDoordat de kabel na verloop van tijd "uitrekt" dient de middenop-trekkabel worden nagesteld.
18 Uw fietsCantileverremInstellingDoordat de kabel na verloop van tijd "uitrekt" dient de middenop-trekkabel worden nagesteld. Draai de kabelhouder met een 10 mm gaffelsleutel los.De velg en de remschoen moeten overeenkomstig de afbeelding ten opzichte van elkaar zijn uitgelijnd.Zorg bij de montage dat de afstand van A en B steeds 3-4 mm bedraagt.De remschoen op de velg instellen: Door te draaien aan het instelwieltje kan de remschoen op de velg worden uitgelijnd zoals rechts op de afbeelding is weergegeven.Na het voltooien van de instellingen de remschoen met een 5 mm inbussleutel aanhalen en de remschoenmoer vastdraaien.De velg en de remschoen moeten overeenkom-stig, ten opzichte van de afbeelding van elkaar zijn uitgelijnd.verbin-dingskabel kabelkapjekabelcilinderhaakkabelhouderkabelstelschroefvastzetinrichtingRemschoen op de velguitgelijnd.
Uw fiets 19V-rem (V-brake)De V-brake is eigenlijk een soort cantileverrem met remkracht-begrenzer.Indien een remkrachtregelaar is ingebouwd, veert de bowden-kabel bij te hard remmen in zijn houder naar beneden terug en voorkomt dat de rem te krachtig aangrijpt. Zo wordt voorkomen dat de fiets te heftig wordt geblokkeerd.Houd er rekening mee dat V-brake remmen zeer krachtig kunnen remmen en let dus altijd op een juiste dosering van de remkracht.InstellingInstelschroef (1) op "0" (dus tussen L en H) instellen. Afstand A controleren en zonodig bijstellen.Stel de remkrachtbegrenzer met behulp van instelschroef (1) in naar L = lichter of naar H = harder.
20 Uw fietsTrommelremDe trommelrem heeft veel weg van de terugtraprem maar heeft een grotere remkracht. Deze wordt via een bowdenkabel bediend en kan dus ook als voorwielrem worden gemonteerd.Trommelremmen hebben slechts een aanzet van 1 mm waardoor de bediening gemakkelijk is maar de remkracht erg sterk is. Dit betekent een grote belasting van de spaken. Daarom hebben fietsen met trommelremmen vaak 40 of zelfs 48 spaken.De trommelrem moet eerst op gang komen en kan tijdens deze fase eventueel ongelijkmatig aangrijpen.Wanneer de rem begint te kraken of knarsen, moeten de remvoeringen worden vervangen. Schakel hiervoor een erkend fietsenmaker in.SchijfremDe schijfrem komt relatief weinig in de fietsensector voor.
Bij auto’s en motorfietsen heeft dit bekende principe zijn deug-delijkheid al lang bewezen – een snelle, duurzame rem die aanzienlijk minder gevoelig is voor natte weersomstandigheden.Reparaties, montage en instellingen dienen alleen door een fiet-senmaker te worden uitgevoerd.Hydraulische remmenDe werking van hydraulische remmen is eenvoudig:De remhendel drukt via een bepaald mechanisme op een zuiger die op zijn beurt olie via een remleiding op een andere zuiger drukt. Hier is de remschijf op bevestigd.Voordeel van deze remmen: zelfs bij een remleiding met veel bochten treedt geen krachtverlies op. Ook kan de bowdenkabel niet vastroesten. Onderhoud en montage dienen alleen door een fietsenmaker te worden uitgevoerd. Onderhoud van de remmenVaak is zelfs het heel nauwkeurig afstellen van de remmen niet voldoende om een optimale werking te verkrijgen.
Uw fiets 21De remblokjes verslijten na verloop van tijd. Daarom moeten de remblokjes worden bijgesteld als de handremhendel geheel tegen het handvat kan worden geknepen.Let op dat de remblokjes goed ten opzichte van de flanken van de velg staan. Zie hiervoor het gedeelte over het afstellen van de remmen.De remoppervlakken van de velgen dienen schoon te zijn. Maak de velgen niet schoon met olie of bijtende vloeistoffen.Waarschuwing! Een verkeerd afgestelde rem vermindert de werking van de rem en creëert gevaarlijke omstandigheden voor de fietser zelf en andere verkeersdeelnemers. Let bij het vervangen van remblokjes of velgen dat de juiste wrijvingscombinatie van remblokjes en vel-gen wordt aangehouden. Gebruik ook hetzelfde type van dezelfde fabrikant. Een verkeerde combinatie kan leiden tot een langere remweg en meer slijtage.
Controleer daarom de remblokjes en velgen regelmatig op slijtage (afhankelijk van het gebruik en pres-taties).Slijtage van de remblokjesControleer regelmatig de aangegeven grenzen voor slijtage op de remblokjes.Slijtage van de velgenControleer regelmatig de (indien aangegeven) grenzen voor slij-tage op de velgen.RemhendelsBevestiging van remhendelsHet remhendelframe (1) wordt met behulp van een klembeugel (2) op het stuur geklemd. De klembeugel wordt via een verzonken, in het hendelframe (1) liggende, spanschroef (3) vastgemaakt. De bowdenremkabel is met een draaibare nippel in de hendel (4) gehangen die zich altijd in de richting van de kabel draait. Zo wordt voorkomen dat de kabel knakt. Als huls van de bowden-kabel is op het hendelframe slechts een eenvoudige tegenlager (5) zonder instelmogelijkheden aangebracht.
22 Uw fietsFijnstelling van de remmenHet fijnstellen van de remmen gebeurt bij de meeste remmen op de remgrepen.Als de weerstand van de remhendel onvoldoende is, moet de kabel strakker worden afgesteld.• Houd de kartelschroef vast terwijl u de fijnstelschroef losdraait.• Controleer de weerstand door de remhendel in te knijpen.• Als de gewenste spanning is bereikt, draait u de kartelschroef weer aan. Als er te veel weerstand is, doet u het tegenovergestelde.• Houd eerst de fijnstelschroef vast terwijl u de kartelschroef losdraait.• Als de gewenste spanning is bereikt, draait u de fijnstelschroef weer aan.Let op:Draai de openingen van de kartelschroef en de kabelgeleider tegen elkaar in waar de bowdenkabel doorheen loopt. Wijdte remhendels instellenDe wijdte van de niet ingeknepen remhendel dient op de greep van uw hand te worden afgesteld.
Vooral bij vrouwen en kinderen moeten de hendels worden bijgesteld zodat er gemakkelijk geremd kan worden. De meeste remhendels zijn voorzien van een fijnstel-schroef. Draai deze vast om de hendel strakker aan te trekken of draai deze los om de hendel naar buiten te stellen. Veiligheid en onderhoud van de remmen• Wanneer olie op de remvoeringen is gekomen, dient u de remschijven direct te vervangen. Reinig de velgen grondig.• Laat de remankerplaat, remkabels en kabelhulsen alleen door de fietsenmaker vervangen.• Controleer regelmatig of de buisklemmen voor bevestiging van de remkabels goed vastzitten.• Smeer remkabels regelmatig.• Controleer de stand van de remblokjes ten opzichte van de velg. Als de remblokjes niet goed werken de fietsenmaker inschakelen!• De remvoeringen mogen alleen worden vervangen in de juiste combinatie van onderdelen.
Uw fiets 23VERSNELLINGDe aandrijvingDe aandrijving bestaat uit het trapaslager, de crank met het kettingblad, de pedalen, de ketting en de derailleur, inclusief ach-ternaaf en tandwielen. Alle aandrijfcomponenten zijn nauwkeurig op elkaar afgestemd.De cranks zijn bevestigd aan de taps toelopende vierkantassen van het trapaslager. De cranks moeten regelmatig worden gecontroleerd op speling.NaafschakelingVersnellingsnaven zijn inmiddels de kinderschoenen ontgroeid. Jarenlang waren er alleen fietsen met drie versnellingen die te wei-nig mogelijkheden boden aan de fietser voor aanpassing aan de omstandigheden.
De versnellingsnaaf is niet gevoelig voor beschadiging, zelfs niet als de fiets omvalt.De terugtraprem, die alleen wordt gecombineerd met een naafversnelling, is voor veel kopers doorslaggevend.Kettingspanning bij naafversnellingDe kettingspanning dient bij fietsen met naafversnelling zodanig te zijn dat de doorhang tussen kettingblad en tandwiel een verticale speling van 1 à 2 cm kent.Voor het naspannen van de ketting moet het achterwiel door het losdraaien van de asmoeren naar achteren worden getrokken in de uitvalklauw totdat de ketting de toegestane speling heeft. Maak de remarm en de versnellingskabel los in geval van een terugtraprem-naaf en versnellingsnaaf. Draai na het uitlijnen van het achterwiel alle asmoeren en schroeven weer zorgvuldig aan en stel eventueel de schakelinstellingen bij. Naafschakeling
24 Uw fietsInstelling van de naafversnellingAls de derailleur niet goed werkt, moet de spanning op de kabel worden aangepast. • Zet de versnellingshendel in de 3e versnelling en draai iets aan de crank. • Verhoog bij het koppelstuk de spanning totdat de kabel gespannen staat (niet te strak). Als bij een systeem met vijf versnellingen een tweede versnel-lingshendel aanwezig is, kiest u de 4e versnelling voordat de kabel wordt gespannen. Ondeskundigen dienen zich tot deze handelingen te beperken. Onderhouds- en reparatiewerkzaamheden moeten worden uitgevoerd door de fietsenmaker. KettingschakelingBij een kettingschakeling worden de versnellingen met de hendel traploos (frictietype) of exact (indextype) gekozen – de achter-derailleur met de rechterhendel en de voorderailleur met de linkerhendel. Trap tijdens het schakelen met zo min mogelijk kracht rond.
Bij weerstandsschakelingen (traploos) moet de versnellingshendel fijn worden afgesteld totdat de ketting soepel en zonder bijgeluiden loopt. De afbeelding hiernaast geeft de meest doeltreffende schakelin-stellingen zonder onnodige slijtage van de ketting en de tandwie-len voor kettingschakelingen met een drievoudig kettingblad vóór. Trap tijdens het schakelen nooit achteruit. Schakel tijdig terug als u aan een klim begint. Om onnodige slijtage aan ketting, tandwiel en kettingblad te voorkomen moet u niet te diagonaal schakelen, bijvoorbeeld het kleine kettingblad voor met het kleinste tandwiel achter, of het grote kettingblad voor met het grootste tandwiel achter. Op hellingen en open terrein kunt u het beste rijden met het kleinste kettingblad voor en de vier binnenste tandwielen achter.
DE KUNST VAN HET SCHAKELENAls uw fiets meerdere versnellingen heeft, kunt u best eerst een van de middelste versnellingen kiezen om zonder te schakelen te wennen aan uw fiets. Rijd een paar blokjes, neem wat bochten, rem een paar keer enz. Optimale schakelstanden met een drievoudig kettingblad.
Uw fiets 25Als u een naafschakeling hebt, moet u tijdens het schakelen de trappers even kort stilhouden om de tanden de kans te geven in elkaar te grijpen.Als u een kettingsversnelling hebt, moet u tijdens het schakelen de trappers blijven ronddraaien opdat de ketting zich om het vol-gende tandwiel kan leggen. Dit werkt niet bij stilstand.Dus:Schakel nooit bij stilstand!Trap tijdens het schakelen nooit achteruit!Als u voor een dubbel, drievoudig of viervoudig kettingblad hebt, oefen dan eerst het schakelen op een vlakke weg en wel op de volgende manier:Schakel de ketting achter op een middelgroot tandwiel en laat dit zo totdat u de bediening van de voorderailleur volkomen beheerst. Alleen dan ontdekt u welk effect de voorderailleur heeft op de ver-eiste krachtsinspanning.Pas als u zich vertrouwd voelt met de voorderailleur, gaat u oefenen met de achterderailleur.
Gewoonlijk staat de versnellingshendel voor de voorderailleur links en die voor de achterderailleur rechts.Kies voortaan eerst de instelling van de voorderailleur al naar gelang het terrein en gebruik de achterderailleur om bij te stellen.Voorbeeld: KettingderailleurDe afbeelding toont een gangbaar schakelsysteem (achterderail-leur) Het schakelmechanisme bestaat uit een parallellogramsy-steem dat met behulp van kabel en veerspanning wordt bewogen en zo het kiezen van verschillende versnellingen mogelijk maakt.De noodzakelijke beweging van het schakelsysteem wordt bewerkstelligd door de versnellingshendel.VoorderailleurAanslagschroefGeleidewieltjeMeervoudigkettingbladTandwielkransVersnellingskabelKapje voor geleidewieltje
26 Uw fietsInstelling van een kettingschakelingInstelling van de achterderailleurDe twee stelschroeven (H = high en L = low) bepalen hoe ver de derailleur de ketting over de achterste tandwielen beweegt. Instellen van de hoogste versnelling (bij ongespande kabel)Draai de stelschroef voor de hoogste versnelling H zo ver dat het geleidewieltje direct onder het buitenste tandwieltje komt te staan. (Draaien naar links: het geleidewieltje beweegt naar buiten toe, van het wiel af; draaien naar rechts: het geleidewieltje beweegt naar binnen toe, naar het wiel toe. )KabelinstellingMonteer de kabel aan de derailleur en span hem met de kabelstelschroef (licht op spanning brengen). Breng vervolgens de derailleur met behulp van de versnellingshendel onder het grootste tandwiel.
Instellen van de laagste versnellingDraai de stelschroef voor de laagste versnelling L zo ver dat het geleidewieltje precies onder het midden van de grootste tandwiel komt te staan. (Draaien naar links: het geleidewieltje beweegt naar buiten toe, van het wiel af; draaien naar rechts: het geleidewieltje beweegt naar binnen toe, naar het wiel toe. )Instellen van de spanningMet de schroef voor het instellen van de spanning (B) wordt de afstand tussen het geleidewieltje en de tandwielen op het achterwiel ingesteld. Leg de ketting op het kleinste kettingblad voor en het grootste tandwiel achter en draai de crank naar voren. Stel met stelschroef B het geleidewieltje zo dicht mogelijk bij het tandwiel zonder dat de ketting aanloopt. (Draaien naar links: het geleidewieltje beweegt naar het tandwiel toe; draaien naar rechts: het geleidewieltje beweegt van het tandwiel af.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Pelikaan Lage instap stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Fiets E-bike Pelikaan
Handleiding Fiets E-bike
Nieuwste handleidingen voor Fiets E-bike