Opel Corsa E (2018) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Opel Corsa E (2018) (281 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 52 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Opel Corsa E (2018) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Opel |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Corsa E (2018) |
Handleiding Opel Corsa E (2018) – volledige tekst
Inleiding 3Uw autogegevensVoer hier de gegevens van de auto inzodat ze gemakkelijk te vinden zijn. Deze informatie is beschikbaar in dehoofdstukken "Service en onder‐houd" en "Technische gegevens",alsmede op het typeplaatje. InleidingUw auto is de intelligente combinatievan vernieuwende techniek, overtui‐gende veiligheid, milieuvriendelijk‐heid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindt ualle informatie die u nodig hebt om uwauto veilig en efficiënt te kunnenbedienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervanop de hoogte zijn dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wetge‐ving van het land waarin u zichbevindt. Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding. Als u de beschrijving in deze handlei‐ding negeert, kan dit van invloed zijnop de garantie.
Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan. Voor gasauto's raden wij een doorOpel erkende reparateur aan vooronderhoud en reparatie aan gasau‐to's. Elke Opel Service Partner biedt ueersteklas service tegen redelijke prij‐zen. Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor degebruiker altijd onder handbereik inde auto. Gebruik van dezehandleiding● Deze handleiding geeft eenomschrijving van alle voor ditmodel beschikbare opties enfuncties. Mogelijk zijn bepaaldeomschrijvingen, waaronder dievoor display- en menufuncties,niet op uw auto van toepassingwanneer er sprake is van eenmodelvariant, afwijkendelandenspecificaties of specialeuitrustingen of accessoires. ● In het hoofdstuk "Kort en bondig"krijgt u een beknopt overzicht.
4 Inleiding● Displays ondersteunen mogelijkuw specifieke taal niet.● Displayteksten en opschriften inhet interieur zijn vet gedrukt.Gevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9 GevaarTeksten met de vermelding9 Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9 WaarschuwingTeksten met de vermelding9 Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan totverwondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kanraken. Het niet naleven van dezerichtlijnen kan tot beschadigingvan de auto leiden.SymbolenVerwijzingen naar andere pagina'sworden aangeduid met 3. 3 betekent"zie pagina".Paginaverwijzingen en lemma's in deindex verwijzen naar de ingespron‐gen koppen in de inhoudsopgave.We wensen u vele uren autorijplezier.Uw Opel-team
Kort en bondig 7StoelverstellingVerstelling in de lengterichtingAan handgreep trekken, stoelverschuiven, handgreep loslaten.Probeer de stoel heen en weer tebewegen om na te gaan of deze opzijn plaats zit.Stoelpositie 3 36.Stoelinstelling 3 37.Hoek van rugleuningAan handwiel draaien. Bij het verstel‐len de rugleuning niet belasten.Stoelpositie 3 36.Stoelinstelling 3 37.Rugleuning neerklappen 3 38.Sportstoel 3 38.ZithoogtePompbeweging van de hendelomhoog : stoel omhoogomlaag : stoel omlaagStoelpositie 3 36.Stoelinstelling 3 37.
8 Kort en bondigHoofdsteunverstellingOntgrendelingsknop indrukken,hoogte instellen, vastklikken.Hoofdsteunen 3 35.VeiligheidsgordelVeiligheidsgordel afrollen en ingordelslot vastmaken. De veiligheids‐gordel mag niet gedraaid zitten enmoet strak tegen het lichaam aanlig‐gen. De rugleuningen mogen niet tever naar achteren hellen (maximaalca. 25°).Om de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Stoelpositie 3 36.Veiligheidsgordels 3 40.Airbagsysteem 3 43.SpiegelverstellingBinnenspiegelU verstelt de spiegel door het spie‐gelhuis in de gewenste richting teverplaatsen.Spiegel met handmatige dimfunctie3 29.Spiegel met automatische dimfunctie3 30.
16 Kort en bondigVersnellingsbakHandgeschakeldeversnellingsbakAchteruit: breng de auto tot stilstand,trap het koppelingspedaal in en drukop de ontgrendelknop op de keuze‐hendel en schakel de versnelling in.Kan de versnelling niet worden inge‐schakeld, dan het koppelingspedaalin de neutrale stand laten opkomenen weer intrappen; vervolgensnogmaals schakelen.Handgeschakelde versnellingsbak3 147.Automatische versnellingsbakP : parkeerstandR : achteruitversnellingN : neutrale standD : rijstandM : handgeschakelde modus
dooft.● Draai de sleutel naar stand 3 enlaat deze los.Motor starten 3 137.Stop-startsysteemAls de auto langzaam rijdt of stilstaaten aan bepaalde voorwaarden isvoldaan, activeer dan een Autostopzoals hieronder beschreven:Auto's met handgeschakeldeversnellingsbak:● Het koppelingspedaal intrappen.● Schakel de neutraalstand in.● Laat het koppelingspedaal los.Een Autostop wordt aangegevendoor controlelampje D.Om de motor te herstarten, moet u hetkoppelingspedaal opnieuw intrappen.Controlelampje D dooft.Auto's met geautomatiseerdeversnellingsbak:Als de auto stilstaat met ingetraptrempedaal, wordt Autostop automa‐tisch geactiveerd, wat aangegevenwordt door controlelampje D.Laat het rempedaal los of haal dekeuzehendel uit D om de motoropnieuw te starten. ControlelampjeD dooft.Stop/Start-systeem 3 138.
Kort en bondig 19Parkeren9 Waarschuwing● Parkeer de auto niet op eenlicht ontvlambaar oppervlak.Door de hoge temperatuur vanhet uitlaatsysteem kan hetoppervlak ontbranden.● Trek altijd de handrem aan.Trek de handrem aan zonderop de ontgrendelingsknop tedrukken. Op een aflopende ofoplopende helling zo stevigmogelijk. Trap tegelijkertijd hetrempedaal in om minder krachtnodig te hebben.● Zet de motor af.● Wanneer de auto vlak of op eenoplopende helling staat, danvóór het verwijderen van decontactsleutel de eersteversnelling inschakelen of dekeuzehendel in stand P zetten.Op een oplopende hellingbovendien de voorwielen vande stoeprand wegdraaien.Wanneer de auto op een aflo‐pende helling staat, dan vóórhet verwijderen van de contact‐sleutel de achteruitversnellinginschakelen of de keuzehendelin stand P zetten.
Stuurwielverdraaien totdat het stuurslotmerkbaar vergrendelt.Bij auto's met automatischeversnellingsbak kan de sleutelalleen worden verwijderd metde keuzehendel in stand P.Voor auto's met geautomati‐seerde versnellingsbak kan desleutel alleen uit het contactslotworden verwijderd wanneer dehandrem is aangetrokken.●Vergrendel de auto door e op dehandzender in te drukken.Activeer het alarmsysteem3 26.● Koelventilatoren kunnen ook nahet afzetten van de motor inwerking treden 3 195.VoorzichtigNa een rit waarbij met hoge motor‐toerentallen of met hoge motorbe‐lasting werd gereden, de motorvóór het afzetten gedurende eenkorte tijd met lage belasting latendraaien of gedurende ca.30 seconden stationair latendraaien om de turbolader tebeschermen.Sleutels, sloten 3 20.Auto een langere tijd stilzetten3 194.
33Sleutels, slotenSleutelsVoorzichtigBevestig geen zware of massievevoorwerpen aan de contactsleutel.ReservesleutelsHet sleutelnummer staat in de CarPass of op een afneembaar label.Bij het bestellen van reservesleutelsmoet het sleutelnummer wordenvermeld, aangezien de sleutels deeluitmaken van de startbeveiliging.Sloten 3 237.Het codenummer van de adaptervoor de wielborgbouten vindt u opeen kaart. Vermeld het wanneer ueen nieuwe adapter bestelt.Wiel verwisselen 3 229.
Sleutels, portieren en ruiten 21Sleutel met uitklapbaresleutelbaardOm uit te klappen toets indrukken.Om in te klappen eerst toets indruk‐ken.Car PassOp de Car Pass staan veiligheids‐technische autogegevens. Daarommoet deze goed worden bewaard.Een eventueel ingeschakelde werk‐plaats heeft voor het verrichten vanbepaalde werkzaamheden dezeautogegevens nodig.HandzenderWordt gebruikt voor:● centrale vergrendeling● vergrendelingssysteem● diefstalalarmsysteemDe handzender heeft een bereik vanca. 20 meter. Het bereik kan wordenbeperkt door externe factoren.
Bran‐dende alarmknipperlichten dienen alsbevestiging.Afstandsbediening met zorg behan‐delen, vochtvrij houden, beschermentegen hoge temperaturen en onnodiggebruik vermijden.StoringAls de centrale vergrendeling niet metde afstandsbediening kan wordenvergrendeld of ontgrendeld, kan dithet gevolg zijn van het volgende:● Het bereik wordt overschreden.● De accuspanning is te laag.● Herhaald, opeenvolgend gebruikvan de handzender buiten hetbereik, waardoor er opnieuwgesynchroniseerd moet worden.● Overbelasting van de centralevergrendeling door herhaalde,snel opeenvolgende activeringvan de afstandsbediening, waar‐door de stroomvoorziening voorkorte tijd wordt onderbroken.● Storing door radiogolven afkom‐stig van externe zenders met eenhoog vermogen.Ontgrendelen 3 22.BasisinstellingenSommige instellingen zijn te wijzigenop het Info-Display.Persoonlijke instellingen 3 107.
Afstandsbedie‐ning sluiten en synchroniseren.Opgeslagen instellingenAls de sleutel uit de contactschake‐laar wordt verwijderd, worden devolgende instellingen automatisch inhet geheugen van de sleutel opgesla‐gen:● verlichting● elektronische klimaatregeling● voorinstellingen voor Infotain‐mentsysteem● centrale vergrendeling● comfortinstellingenDe opgeslagen instellingen wordenautomatisch toegepast wanneer desleutel met het geheugen devolgende keer in het contactslot wordtgestoken en naar stand 1 3 136wordt gedraaid.Voorwaarde is wel dat Pers. inst. voorbestuurder is geactiveerd in depersoonlijke instellingen van hetInfo-Display.
Dit moet worden inge‐steld voor elke gebruikte sleutel.Persoonlijke instellingen 3 107.Centrale vergrendelingOntgrendelen en vergrendelen vanportieren, bagageruimte en tankvul‐klep.Trek vanuit het interieur met vergren‐delde portieren aan een binnenhand‐greep om het desbetreffende portierte ontgrendelen.Let opBij een ongeval waarbij de airbags ofgordelspanners in werking treden,wordt het voertuig automatischontgrendeld.Let opWanneer na ontgrendeling met deafstandsbediening geen van deportieren wordt geopend, worden deportieren na drie minuten automa‐tisch opnieuw vergrendeld.
Sleutels, portieren en ruiten 23Ontgrendelenc indrukken.Op het Info-Display kunt u kiezen uittwee instellingen:● Om alleen het bestuurdersportieren de tankvulklep te ontgrende‐len, drukt u eenmaal op c.
Omalle portieren en de bagage‐ruimte te ontgrendelen, drukt utweemaal op c.●Druk eenmaal op c om alleportieren, de bagageruimte en detankvulklep te ontgrendelen.Persoonlijke instellingen 3 107.U kunt de instelling opslaan voor degebruikte sleutel.Opgeslagen instellingen 3 22.Ontgrendelen en openen van deachterklep 3 25.VergrendelenPortieren, bagageruimte en tankvul‐klep sluiten.e indrukken.Bij een niet goed gesloten bestuur‐dersportier werkt de centrale vergren‐deling niet.Centrale vergrendelingstoetsenPortieren, de bagageruimte en detankvulklep worden vanuit de passa‐giersruimte vergrendeld of ontgren‐deld.Druk op e om te vergrendelen.Druk op c om te ontgrendelen.Vertraagde portiervergrendelingSchakel de motor uit en verwijder desleutel uit het slot. Druk op e metminstens één portier geopend en driegeluidssignalen klinken. 5 secondenna het sluiten van het laatste portier
24 Sleutels, portieren en ruitenvindt automatische vergrendeling vanalle portieren plaats en er klinkt eensignaal.Na 10 minuten vindt automatischevergrendeling van alle portierenplaats, ook al staat er nog een portieropen. U kunt deze functie activeren ofdeactiveren op het Info-Display.Persoonlijke instellingen 3 107.Storing in afstandsbedieningOntgrendelenOntgrendel het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in het slotte verdraaien. Schakel het contact inen druk op de centrale vergrende‐lingstoets c om de andere portieren,de bagageruimte en de tankvulklep teopenen.Als u het contact aanzet, wordt hetvergrendelingssysteem uitgescha‐keld.VergrendelenVergrendel het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in het slotte verdraaien.Storing in centrale vergrendelingOntgrendelenOntgrendel het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in het slotte verdraaien.
De andere portierenkunnen worden geopend door aan debinnenhandgreep te trekken. U kuntde bagageruimte en de tankvulklepniet openen.Zet het contact aan het vergrende‐lingssysteem te deactiveren 3 26.VergrendelenDruk bij alle portieren op de binnenstevergrendelingsknop, maar niet bij hetbestuurdersportier.
Sluit vervolgenshet bestuurdersportier en vergrendeldit van buiten met de sleutel.Tankvulklep en achterklep kunnenniet worden vergrendeld.Automatisch vergrendelenU kunt deze beveiligingsfunctie zoda‐nig configureren dat de portieren, debagageruimte en de tankvulklep bijhet overschrijden van een bepaaldesnelheid automatisch wordenvergrendeld.Bovendien kunt u de functie zo confi‐gureren dat alleen het bestuurders‐portier of alle portieren wordenontgrendeld nadat het contact isuitgeschakeld en de contactsleutelwerd verwijderd (handmatige trans‐missie) of wanneer de keuzehendel inde stand P wordt gezet (automatischetransmissie).U kunt instellingen wijzigen op hetInfo-Display.Persoonlijke instellingen 3 107.
Sleutels, portieren en ruiten 25U kunt de instellingen opslaan voorde gebruikte sleutel 3 22.Kindersloten9 WaarschuwingGebruik de kindersloten wanneerkinderen op de achterste zitplaat‐sen worden vervoerd.Schakelaar op het achterportierslotmet een sleutel of een geschikteschroevendraaier naar horizontalestand draaien. Het portier kan vanbinnenuit niet geopend worden.PortierenBagageruimteAchterklepOpenenOpen de achterklep met de tiptoetsonder het merkembleem.SluitenBinnenste handgreep gebruiken.Druk niet op de tiptoets tijdens hetsluiten, omdat de achterklep danweer ontgrendeld kan worden.Centrale vergrendeling 3 22.
26 Sleutels, portieren en ruitenAlgemene tips voor deachterklepbediening9 GevaarNiet met een geopende of op eenkier staande achterklep rijden,bijv. bij het vervoer van omvang‐rijke bagage, omdat er dan giftige,onzichtbare en reukloze uitlaat‐gassen de auto kunnen binnen‐dringen. Hierdoor kunt u bewuste‐loos raken en zelfs sterven.VoorzichtigVoordat u de achterklep opent,moet u belemmeringgen in dehoogte controleren, zoals eengaragedeur, om schade aan deachterklep te voorkomen. Contro‐leer altijd het bewegingsgebiedboven en achter de achterklep.Let opAfhankelijk van het gewicht vaneventueel gemonteerde accessoi‐res blijft de achterklep mogelijk nietin geopende stand staan.AntidiefstalbeveiligingVergrendelingssysteem9 WaarschuwingNiet inschakelen als er zich perso‐nen in de auto bevinden! Ontgren‐delen van de binnenzijde is nietmogelijk.Alle portieren worden tegen openenbeveiligd.
Voor activering van hetsysteem moeten alle portieren geslo‐ten zijn.Als de ontsteking ingeschakeld was,moet het bestuurdersportier eenmaalworden geopend en gesloten voordatde auto kan worden beveiligd.Bij het ontgrendelen van de autowordt de mechanische diefstalbevei‐liging uitgeschakeld. Dit is niet moge‐lijk met de centrale vergrendelings‐toets.InschakelenDruk binnen 5 seconden tweemaal ope van de handzender.DiefstalalarmsysteemHet alarmsysteem is gecombineerdmet het vergrendelingssysteem.Het bewaakt:● portieren, achterklep, motorkap● ontsteking
Sleutels, portieren en ruiten 27Inschakelen● Automatische activering30 seconden na het vergrende‐len van de auto door één keer ope te drukken.● Rechtstreeks door binnen5 seconden twee keer op e tedrukken.Status-ledDe status-led is geïntegreerd in desensor boven op het instrumentenpa‐neel.Status tijdens de eerste 30 secondenna het activeren van het alarmsys‐teem:Led aan : test, inschakelver‐tragingLed knippertsnel: portieren, achter‐klep of motorkapniet goed dicht,eventuelesysteemstoringStatus nadat systeem is geactiveerd:Led knip‐pert lang‐zaam: systeem is geactiveerdBij storingen de hulp van een werk‐plaats inroepen.UitschakelenDoor bij het ontgrendelen van de autoop c te drukken wordt het diefstala‐larmsysteem gedeactiveerd.Het systeem wordt niet gedeactiveerddoor het bestuurdersportier teontgrendelen met de sleutel of met decentrale-vergrendelingstoets in hetinterieur.AlarmBij het activeren klinkt de alarmclaxonen gaan de alarmknipperlichten tege‐lijkertijd knipperen.
Het aantal en deduur van de alarmsignalen zijn voor‐geschreven door de wetgever.Het alarm kan worden afgezet doorhet indrukken van een willekeurigetoets op de handzender of door hetcontact aan te zetten.Het diefstalalarmsysteem kan alleenworden gedeactiveerd met c op dehandzender of door het inschakelenvan het contact.Wanneer het alarm is afgegaanzonder dat de bestuurder het heeftuitgeschakeld, geven de alarmknip‐perlichten dat aan. Ze lichten bij hetontgrendelen van de auto met dehandzender driemaal kort achtereenop.Boordinformatie 3 104.Als de boordaccu moet worden losge‐koppeld (bijv. voor onderhoudswerk‐zaamheden), moet de alarmsireneals volgt worden gedeactiveerd:
28 Sleutels, portieren en ruitenSchakel het contact in en uit enontkoppel de boordaccu binnen15 seconden.StartbeveiligingHet systeem is onderdeel van decontactschakelaar en het controleertof de auto met de gebruikte sleutelmag worden gestart.De startbeveiliging activeert zichzelfautomatisch nadat u de sleutel uit decontactschakelaar hebt gehaald.Knippert controlelamp d nadat hetcontact is ingeschakeld, dan is er eenstoring in het systeem: de auto kanniet worden gestart. Contact uitscha‐kelen en opnieuw proberen te starten.Als de controlelamp blijft knipperen,kunt u proberen om de motor met dereservesleutel te starten en daarnade hulp van een werkplaats inroepen.Let opDe startbeveiliging vergrendelt deportieren niet.
Sleutels, portieren en ruiten 29Wipschakelaar in middelste stand: eris geen te verstellen spiegel geselec‐teerd.Inklapbare spiegelsVoor de veiligheid van voetgangersklappen de buitenspiegels bij aansto‐ten vanaf een bepaalde kracht weg uitde normale stand. Spiegel dan doorlicht op de spiegelbehuizing te druk‐ken terugduwen.ParkeerstandU klapt de buitenspiegels in doorzachtjes op de buitenrand van debehuizing te drukken, bijv. bij eenkrappe parkeerplek.Verwarmde spiegelsOm in te schakelen Ü indrukken.De verwarming van de spiegel werktbij een draaiende motor.Deze wordt na 6 minuten automatischuitgeschakeld.Als u tijdens dezelfde contactcyclusnogmaals op Ü drukt, werkt deverwarming nog drie minuten lang.BinnenspiegelHandmatige dimfunctieOm verblinding te verminderen, dehendel aan de onderkant van de spie‐gelbehuizing verstellen.
30 Sleutels, portieren en ruitenAutomatische dimfunctieVerblinding 's nachts door achterop‐komend verkeer wordt automatischverminderd.RuitenVoorruitVoorruitstickersPlak geen stickers, bijv. tolvignetteno.i.d., rondom de binnenspiegel op devoorruit. Anders kan de detectiezonevan de sensor in de spiegelbehuizingworden beperkt.Vervanging van voorruitVoorzichtigAls de auto met een vooruitzicht‐camera voor de bestuurderson‐dersteuningssystemen uitgevoerdis, is het zeer belangrijk dat eeneventuele vervanging van de voor‐ruit precies volgens de specifica‐ties van Opel plaatsvindt.
Anderswerken deze systemen wellichtniet goed en bestaat het risico vanonverwacht gedrag en / of berich‐ten van deze systemen.Handbediende ruitenDe achterportierruiten zijn met dehandslingers te bedienen.Elektrisch bediende ruiten9 WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan de elektrische ruitbediening.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Wees voorzichtig bij het sluitenvan de ruiten. Ervoor zorgen datniets of niemand bekneld raakt.Bedienbaar met contact aan (stand 2)3 136.Vertraagde uitschakeling stroom3 137.
Sleutels, portieren en ruiten 31Bedien de schakelaar in de portierbe‐kleding voor de desbetreffende ruit.Druk om te openen of trek om te slui‐ten.OpenenKort indrukken: ruit gaat in fasenopen.Lang indrukken: ruit opent automa‐tisch tot de eindstand. Om de bewe‐ging te stoppen drukt u nogmaals opde schakelaar.SluitenKort trekken: ruit gaat in fasen dicht.Langer trekken: ruit sluit automatischtot de eindstand. Om de beweging testoppen drukt u nogmaals op deschakelaar.BeveiligingsfunctieStuit de ruit tijdens het automatischsluiten boven de middelste stand opweerstand, dan stopt het sluitenonmiddellijk en beweegt de ruit weeromlaag.Beveiligingsfunctie negerenSchakel bij een stugge werking doorijswerking e.d.
het contact in en trekdaarna meerdere malen aan de scha‐kelaar totdat de ruit in stappen isgesloten.OverbelastingWorden de ruiten in korte tijd meer‐maals bediend, dan wordt de ruitbe‐diening enige tijd gedeactiveerd.StoringActiveer de ruitelektronica als volgt,wanneer de ruiten niet automatischkunnen worden geopend of gesloten:1. Sluit de portieren.2. Schakel de ontsteking in.3. Sluit de ruit volledig sluiten enhoud de knop nog eens5 seconden ingedrukt.4. Open de ruit volledig en houd deknop nog eens 1 seconde inge‐drukt.5. Herhaal deze handeling voor alleruiten.
32 Sleutels, portieren en ruitenAchterruitverwarmingOm in te schakelen Ü indrukken.De verwarming van de achterruitwerkt bij een draaiende motor.Deze wordt na 6 minuten automatischuitgeschakeld.Als u tijdens dezelfde contactcyclusnogmaals op Ü drukt, werkt deverwarming nog drie minuten lang.VoorruitverwarmingOm in te schakelen Ü indrukken.De voorruitverwarming werkt samenmet de achterruitverwarming en bijdraaiende motor.Deze wordt na 6 minuten automatischuitgeschakeld.Als u tijdens dezelfde contactcyclusnogmaals op Ü drukt, werkt deverwarming nog drie minuten lang.ZonnekleppenOm verblinding te vermijden kunnende zonnekleppen worden neerge‐klapt en opzij worden gedraaid.Onderweg moeten de spiegelkappengesloten zijn.Aan de achterkant van de zonneklepzit een kaartjeshouder.
Sleutels, portieren en ruiten 33DakZonnedak9 WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan het zonnedak. Er bestaatverwondingsgevaar, met namevoor kinderen.Bewegende onderdelen tijdens debediening goed in de gatenhouden. Ervoor zorgen dat niets ofniemand bekneld raakt.Bedienbaar via een wipschakelaarmet contact aan (stand 2) 3 136.Vertraagde uitschakeling stroom3 137.OpenkantelenHoud schakelaar ü ingedrukt totdathet zonnedak aan de achterkantomhoogkomt.OpenenDruk in de opengekantelde stand opschakelaar ü en laat hem los; hetzonnedak wordt automatisch tot deeindstand geopend. Om de bewegingvóór de eindstand te stoppen drukt unogmaals op de schakelaar.SluitenHoud schakelaar d ingedrukt in elkewillekeurige stand totdat het zonne‐dak helemaal is gesloten.
Als u deschakelaar loslaat, stopt de bewegingin elke willekeurige stand.VoorzichtigBij gebruik van een dakdragercontroleren of het zonnedakvoldoende speling heeft omschade tegen te gaan, Het isalleen toegestaan het zonnedakopen te kantelen.Let opAls de bovenkant van het zonnedaknat is, het dak kantelen om het waterte laten aflopen en daarna hetzonnedak openen.Geen stickers op het zonnedakaanbrengen.ZonneschermHet zonnescherm wordt handmatigbediend.
34 Sleutels, portieren en ruitenSchuif het zonnescherm open ofdicht. Het zonnescherm is in elkestand van het zonnedak te gebruiken.OverbelastingBij overbelasting van het systeemwordt de stroomvoorziening automa‐tisch enige tijd onderbroken. Hetsysteem wordt beveiligd met zekerin‐gen in de zekeringenkast 3 210.Zonnedak initialiserenAls het zonnedak niet kan wordenbediend, de elektronica als volgt acti‐veren: bij ingeschakeld contact hetzonnedak sluiten en d gedurendeminstens 10 seconden ingedrukthouden.Roep de hulp in van een werkplaatsom de oorzaak van de storing te latenverhelpen.
36 Stoelen, veiligheidssystemenHoofdsteunen achter,hoogteverstellingTrek de hoofdsteun omhoog en laatdeze vastklikken. Omlaag zetten:druk op de pal om de hoofdsteun loste zetten en omlaag te drukken.Hoofdsteun achter wegnemenBijv. bij gebruik van een kinderveilig‐heidssysteem 3 50.Druk beide pallen in, trek de hoofd‐steun omhoog en verwijder deze.Leg de hoofdsteun in een nettas enbevestig de onderkant van de tas metklittenbandbevestigingen (Velcro®)aan de vloer van de bagageruimte.Een geschikte nettas is verkrijgbaarbij uw werkplaats.VoorstoelenStoelpositie9 WaarschuwingAlleen met een correct ingesteldestoel rijden.9 GevaarAltijd op minstens 25 cm afstandvan het stuurwiel zitten zodat deairbag veilig in werking kan treden.9 WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijdenverstellen, omdat ze ongecontro‐leerd kunnen bewegen.
Stoelen, veiligheidssystemen 37● Uw zitvlak zo dicht mogelijk naarde rugleuning schuiven. Deafstand tot de pedalen zo instel‐len dat de benen bij het volledigintrappen van de pedalen lichtgebogen zijn. De passagiersstoelvoorin zover mogelijk naarachteren schuiven.● Zithoogte zo instellen, dat urondom een goed zicht hebt enalle instrumenten goed kunt afle‐zen. Tussen hoofd en dakframemoet minstens een handbreedteruimte zitten. Uw dijen dienenlicht op de zitting rusten, zonderdruk uit te oefenen.● Uw schouders zo dicht mogelijknaar de rugleuning schuiven. Stelde hoek van de rugleuning zo indat u het stuurwiel gemakkelijkmet licht gebogen armen kuntvastpakken. Bij het verdraaienvan het stuurwiel contact blijvenhouden tussen schouders enrugleuning. De rugleuning magniet te ver achteroverhellen. Deaanbevolen hellingshoekbedraagt maximaal ca.
25°.● Stel de stoel en het stuur zodanigop elkaar af dat wanneer uw polsbovenop het stuur rust, uw armvolledig is gestrekt en uw schou‐ders de rugleuning raken.● Stuurwiel verstellen 3 76.● Hoofdsteun instellen 3 35.● Hoogte veiligheidsgordel instel‐len 3 41.StoelverstellingZorg bij het rijden dat de stoelen enrugleuningen altijd vastgeklikt zijn.Verstelling in de lengterichtingAan handgreep trekken, stoelverschuiven, handgreep loslaten.Probeer de stoel heen en weer tebewegen om na te gaan of deze opzijn plaats zit.
Stoelen, veiligheidssystemen 399 WaarschuwingBij opklappen moet u zich ervanverzekeren dat de stoel stevig opzijn plaats vergrendeld is alvorenste gaan rijden. Als u dat niet doet,kan dit bij krachtig remmen of eenbotsing letsel veroorzaken.De geheugenfunctie vergrendelt destoel na het inklappen in de oorspron‐kelijke stand.Zithoek bij naar voren geklapterugleuning niet met handwiel verstel‐len.VoorzichtigDruk de hoofdsteunen met destoel in de hoogste stand omlaagen klap de zonnekleppen omhoogvoordat u de rugleuning naarvoren klapt.Sportstoel neerklappenVeiligheidsgordel uit gordelhouder opde rugleuning verwijderen.Trek aan de ontgrendelingshendel opde rugleuning, klap de rugleuningnaar voren en laat de hendel los.Schuif vervolgens de stoel geheelnaar voren.Terugzetten door de stoel geheelnaar achteren te schuiven.
Zet derugleuning rechtop zonder deontgrendelingshefboom te bedienen.Rugleuning laten vastklikken.9 WaarschuwingBij opklappen moet u zich ervanverzekeren dat de stoel stevig opzijn plaats vergrendeld is alvorenste gaan rijden. Als u dat niet doet,kan dit bij krachtig remmen of eenbotsing letsel veroorzaken.De geheugenfunctie vergrendelt destoel na het inklappen in de oorspron‐kelijke stand.Draai bij het naar voren klappen vande rugleuning niet aan het stelwielvoor de rugleuning.
Daarom neemt het gevaarvoor letsel aanzienlijk af.9 WaarschuwingVeiligheidsgordel vóór elke ritomdoen.Inzittenden die geen gebruikmaken van de veiligheidsgordelbrengen bij eventuele aanrijdin‐gen medepassagiers en zichzelf ingevaar.Veiligheidsgordels zijn bedoeld voorgebruik door slechts één persoontegelijk.Kinderveiligheidssysteem 3 50.Laat alle onderdelen van het gordel‐systeem regelmatig op schade,verontreiniging en juiste werkingcontroleren.Laat beschadigde componentenvervangen in een werkplaats. Laat naeen aanrijding de veiligheidsgordelsen de gordelspanners in een werk‐plaats vervangen.
Oprolautoma‐ten vrijhouden van vuil.GordelverklikkerDe gordelverklikker voor de bestuur‐dersstoel bestaat uit controlelampjeX op de instrumentengroep 3 92.De gordelverklikker voor de passa‐giersstoel bestaat uit controlelampjek op de middenconsole 3 89.Voor zitplaatsen achterin wordt degordelverklikker aangegeven doorsymbolen X op het Driver InformationCenter 3 98.GordelkrachtbegrenzersDe gordelkrachtbegrenzers van devoorstoelen en de buitenste zitplaat‐sen achterin beperken de krachtendie inwerken op de inzittenden, door‐dat de gordels tijdens een botsinggeleidelijk worden ontspannen.GordelspannersDe gordelsloten van de voorstoelenworden bij een voldoende zware fron‐tale botsing of bij een aanrijding vanachteren strakgetrokken.9 WaarschuwingOnjuist handelen (bijv.
het verwij‐deren of aanbrengen van gordels)kan de gordelspanners in werkingstellen.Geactiveerde gordelspanners zijn teherkennen aan het voortdurend bran‐dende controlelampje v 3 93.Geactiveerde gordelspanners dooreen werkplaats laten vervangen.Gordelspanners worden slechtseenmaal geactiveerd.Let opBevestig of monteer geen accessoi‐res of andere voorwerpen die dewerking van de gordelspannerskunnen verstoren. Geen aanpassin‐gen aan onderdelen van de gordel‐spanners aanbrengen, andersvervalt de typegoedkeuring van deauto.DriepuntsgordelOmdoenGordel uit de oprolautomaat trekken,zonder te verdraaien voor u langshalen en de gesp in het slot steken.Heupgordel tijdens het rijden van tijdtot tijd strak trekken door aan deschoudergordel te trekken.Sportstoel: Steek bij het vastmakenvan de gordel deze door de gordel‐bevestiging op de rugleuning.
Stoelen, veiligheidssystemen 43LosmakenOm de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Gebruik van de veiligheidsgordeltijdens de zwangerschap9 WaarschuwingDe heupgordel moet zo laagmogelijk over het bekken lopenom druk op de buik te voorkomen.AirbagsysteemHet airbagsysteem bestaat uit meer‐dere afzonderlijke systemen afhanke‐lijk van de omvang van de uitrusting.Bij het activeren worden de airbagsbinnen enkele milliseconden gevuld.Ook het leeglopen van de airbagsverloopt zo snel, dat dit tijdens eenaanrijding vaak niet eens wordt opge‐merkt.9 WaarschuwingHet airbagsysteem ontplooitexplosief, laat reparaties alleendoor deskundig personeel verrich‐ten.9 WaarschuwingBij het aanbouwen van accessoi‐res die het frame van de auto, hetbumpersysteem, de hoogte, devoorkant of de zijbeplating veran‐deren werkt het airbagsysteemmogelijk niet goed.
44 Stoelen, veiligheidssystemennadelig worden beïnvloed door hetwijzigen van onderdelen van devoorstoelen, de veiligheidsgor‐dels, de airbagsensor- en diagno‐semodule, het stuurwiel, hetinstrumentenpaneel, de portier‐rubbers aan de binnenkant, waar‐onder de luidsprekers, een van deairbagmodules, de hemel- of stijl‐bekleding, de frontsensoren, dezij-impactsensoren of de airbag‐bedrading.Let opTer hoogte van de middenconsolezitten de regelelektronica van hetairbagsysteem en de gordelspan‐ners. In dit gebied geen magneti‐sche voorwerpen plaatsen.Bevestig geen voorwerpen op deafdekkingen van de airbags enbedek ze niet met andere materia‐len. Laat beschadigde afdekkingenvervangen door een werkplaats.Elke airbag treedt slechts eenmaalin werking. Geactiveerde airbagsonmiddellijk laten vervangen dooreen werkplaats.
Ook moeten even‐tueel het stuurwiel, het instrumen‐tenbord, plaatwerk, de portierafdich‐tingen, handgrepen en de stoelenworden vervangen.Geen aanpassingen in het airbag‐systeem aanbrengen, andersvervalt de typegoedkeuring van deauto.StoringBij een storing in het airbagsysteemlicht het controlelampje v op enverschijnt er een bericht of een codeop het Driver Information Center.
Stoelen, veiligheidssystemen 45FR: NE JAMAIS utiliser un siège d'en‐fant orienté vers l'arrière sur un siègeprotégé par un COUSSIN GONFLA‐BLE ACTIF placé devant lui, souspeine d'infliger des BLESSURESGRAVES, voire MORTELLES à l'EN‐FANT. ES: NUNCA utilice un sistema deretención infantil orientado haciaatrás en un asiento protegido por unAIRBAG FRONTAL ACTIVO. Peligrode MUERTE o LESIONES GRAVESpara el NIÑO. RU: ЗАПРЕЩАЕТСЯустанавливать детскоеудерживающее устройство лицомназад на сиденье автомобиля,оборудованном фронтальнойподушкой безопасности, еслиПОДУШКА НЕ ОТКЛЮЧЕНА. Этоможет привести к СМЕРТИ илиСЕРЬЕЗНЫМ ТРАВМАМРЕБЕНКА. NL: Gebruik NOOIT een achterwaartsgericht kinderzitje op een stoel meteen ACTIEVE AIRBAG ervoor, omDODELIJK of ERNSTIG LETSEL vanhet KIND te voorkomen.
Stoelen, veiligheidssystemen 47MT: QATT tuża trażżin għat-tfal lijħares lejn in-naħa ta’ wara fuq sitprotett b’AIRBAG ATTIV quddiemu;dan jista’ jikkawża l-MEWT jewĠRIEĦI SERJI lit-TFAL.GA: Ná húsáid srian sábháilteachtalinbh cúil RIAMH ar shuíochán abhfuil mála aeir ag feidhmiú os achomhair. Tá baol BÁIS nó GORTÚDONA don PHÁISTE ag baint leis.Behalve de waarschuwing conformECE R94.02 mag een voorwaartsgericht kinderveiligheidssysteemomwille van de veiligheid uitsluitendworden gebruikt volgens de instruc‐ties en beperkingen in de tabellen3 53.U vindt het airbaglabel aan beidezijden van de zonneklep aan passa‐gierszijde.Airbag deactiveren 3 49.Frontaal airbagsysteemHet frontale airbagsysteem bestaatuit een airbag in het stuurwiel en eenairbag in het instrumentenpaneel aande passagierszijde.
De locatie is teherkennen aan het opschriftAIRBAG.Het frontairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigeaanrijding aan de voorzijde. Hetcontact moet aanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en hoofdvan de inzittenden voorin de autoaanzienlijk afneemt.9 WaarschuwingAlleen bij een correcte zitpositie isoptimale bescherming mogelijk.Stoelpositie 3 36.Lichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.
48 Stoelen, veiligheidssystemenVeiligheidsgordel correct omleg‐gen en goed vastzetten. Alleendan kan de airbag beschermingbieden.Zijdelings airbagsysteemDe zijdelingse airbags bestaan uitairbags in de rugleuningen van debeide voorstoelen. De locatie is teherkennen aan het opschriftAIRBAG.Het zijairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigezijdelingse aanrijding. Het contactmoet aanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en deheupen bij een zijdelingse aanrijdingaanzienlijk afneemt.9 WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Let opOp de voorstoelen alleen stoelhoe‐zen gebruiken die voor de auto zijngoedgekeurd. De airbags niet afdek‐ken.GordijnairbagsysteemHet hoofdairbagsysteem bestaat uiteen airbag aan weerskanten in hetdakframe.
De locatie is te herkennenaan het opschrift AIRBAG op dedakstijlen.Het gordijnairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigezijdelingse aanrijding. Het contactmoet aanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het hoofd bij een zijdelingseaanrijding aanzienlijk afneemt.
Stoelen, veiligheidssystemen 499 WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.De haken aan de handgrepen vanhet dakframe zijn alleen geschiktom lichte kledingstukken, zonderkleerhangers, aan op te hangen.Geen voorwerpen in de kleding‐stukken bewaren.Airbag deactiverenHet passagiersairbagsysteem vóórmoet voor een kinderveiligheidssys‐teem op de passagiersstoel wordengedeactiveerd volgens de instructiesin de tabellen 3 53.De andere airbagsystemen, degordelspanners en alle airbagsyste‐men voor de bestuurder blijven actief.U deactiveert het airbagsysteem vande voorpassagier met een slot aan depassagierszijde van het instrumen‐tenpaneel.Gebruik de contactsleutel om deschakelaarstand te kiezen:*OFF: airbag van voorpassagier isgedeactiveerd en gaat nietaf bij een aanrijding.
Contro‐lelampje *OFF brandtvoortdurend in de midden‐consoleVON: airbag van voorpassagier isactief9 GevaarDeactiveer de passagiersairbaguitsluitend bij gebruik van eenkinderveiligheidssystemen,volgens de instructies en beper‐kingen in de tabellen 3 53.Anders is er kans op dodelijk letselvoor een persoon op de passa‐giersstoel met een gedeacti‐veerde airbag.Als controlelamp V ongeveer60 seconden brandt nadat het contactingeschakeld is, gaat het airbagsys‐teem voor de voorpassagier af bij eenaanrijding.
50 Stoelen, veiligheidssystemenIndien beide controlelampen tegelij‐kertijd branden zit er een storing in hetsysteem. De systeemstatus wordtniet aangeduid; er mag niemand opde stoel van de voorpassagiervervoerd worden. Roep onmiddellijkde hulp van een werkplaats in.Verander de status alleen tijdens stil‐stand terwijl het contact is uitgescha‐keld.Status blijft actief tot de volgendeverandering.Controlelamp airbag-deactivering3 93.Kinderveiligheidssyste‐men9 GevaarBij gebruik van een achterwaartsgericht kinderveiligheidssysteemop de passagiersstoel voor moethet airbagsysteem voor de passa‐giersstoel voor gedeactiveerd zijn.Dit geldt ook voor bepaalde voor‐waarts gerichte kinderveiligheids‐systemen zoals aangegeven in detabellen 3 53.Airbag deactiveren 3 49.Airbaglabel 3 43.Wij raden een kinderveiligheidssys‐teem aan dat specifiek voor de autois bedoeld.
Neem contact op met uwwerkplaats voor meer informatie.Wanneer u een kinderveiligheidssys‐teem gebruikt, moet u de gebruikers-en montagehandleiding én de instruc‐ties bij het kinderveiligheidssysteemopvolgen.Houd u altijd aan de plaatselijke oflandelijke voorschriften. In sommigelanden is het gebruik van kindervei‐ligheidssystemen op bepaaldezitplaatsen verboden.Kinderveiligheidssystemen kunnenworden vastgezet met:● Driepuntsgordel● ISOFIX-steunen● BevestigingsriemogenDriepuntsgordelKinderveiligheidssystemen kunnenmet een driepuntsgordel wordenvastgezet. Na bevestiging van hetkinderzitje moet de veiligheidsgordelworden omgedaan 3 53.
Stoelen, veiligheidssystemen 51ISOFIX-steunenOp zitplaatsen achterinBevestig de voor de auto goedge‐keurde ISOFIX-kinderveiligheidssys‐temen aan de ISOFIX bevestigings‐beugels. ISOFIX kinderveiligheids‐systemen voor specifieke auto'sworden in de tabel aangeduid met IL3 53.De auto is uitgevoerd met geleiders inde rugleuning ter ondersteuning vande inbouw van het kinderveiligheids‐systeem.ISOFIX-bevestigingsbeugels op deachterbank worden aangeduid doorhet ISOFIX-logo op de rugleuning.Open de kleppen van de geleidersalvorens een kinderveiligheidssys‐teem te monteren. Sluit de kleppennadat het kinderveiligheidssysteem isverwijderd.Op passagiersstoelPlaats het kinderveiligheidssysteemin het midden van de stoel en duw hetnaar achteren.
Zorg dat het kinder‐veiligheidssysteem goed vastzit.BevestigingsriemogenOp zitplaatsen achterinBevestigingsriemogen wordenaangeduid met het symbool : vaneen kinderzitje.Aanvullend op de ISOFIX bevesti‐gingsbeugels zet u debevestigingsriem aan de bovenkantvast aan de desbetreffendebevestigingsriemogen.ISOFIX kinderveiligheidssystemenuit de universele categorie worden inde tabel aangeduid met IUF 3 53.
52 Stoelen, veiligheidssystemenOp passagiersstoelEr zit een extra bevestigingspunt opde passagiersstoelrail in de been‐ruimte achter.Juiste systeem selecterenDe achterbank is de beste plaats omeen kinderzitje vast te maken.Kinderen zo lang mogelijk tegen derijrichting in vervoeren. Hierdoorwordt de nog erg zwakke ruggengraatvan het kind bij een ongeval minderbelast.Geschikt zijn veiligheidssystemen dievoldoen aan de geldende UN ECE-regelgeving.
Raadpleeg de plaatse‐lijke wetgeving en richtlijnen voor hetverplichte gebruik van kinderveilig‐heidssystemen.Het kinderveiligheidssysteem dat ugaat monteren, moet geschikt zijnvoor het autotype.Raadpleeg de tabellen op devolgende pagina's, de instructies diebij het kinderveiligheidssysteemworden geleverd en de voertuigtype‐lijst van niet-universele kinderveilig‐heidssystemen.De volgende kinderveiligheidssyste‐men worden aanbevolen voor devolgende gewichtsklassen:● Groep 0, groep 0+Maxi Cosi Cabriofix plus Easyfix,voor kinderen tot 13 kg● Groep IOPEL Duo, voor kinderen van13 kg tot 18 kg in deze groepHet kinderveiligheidssysteem moetop de correcte positie in de autoworden gemonteerd, zie de onder‐staande tabellen.Laat kinderen alleen aan de trottoir‐kant van de auto uit- en instappen.Wanneer het kinderveiligheidssys‐teem niet wordt gebruikt, moet u vast‐zetten met een veiligheidsgordel ofverwijderen.Let opKinderveiligheidssystemen nietbeplakken of met andere materialenafdekken.Een kinderveiligheidssysteem dattijdens een aanrijding werd belastmoet worden vervangen.
Stoelen, veiligheidssystemen 53Inbouwposities kinderveiligheidssystemenToegestane opties voor het bevestigen van een kinderveiligheidssysteem met een driepuntsgordelGewichtsklasseOp passagiersstoelOp buitenste zitplaatsenachterinOp middelstezitplaats achteringeactiveerde airbaggedeactiveerdeairbagGroep 0: tot 10 kg XU1,2U/L3XGroep 0+: tot 13 kg XU1,2U/L3XGroep I: 9 tot 18 kg XU1,2U/L3,4XGroep II: 15 tot 25 kgU1,2XU/L3,4XGroep III: 22 tot 36 kgU1,2XU/L3,4XU : universeel bruikbaar in combinatie met een driepuntsgordelL : geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de categorieën 'autospecifiek', 'beperkt' of 'semi-universeel'.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Opel Corsa E (2018) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Opel
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto