Opel Corsa (2023) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Opel Corsa (2023) (365 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 47 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over Opel Corsa (2023) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Opel |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Corsa (2023) |
Handleiding Opel Corsa (2023) – volledige tekst
Inleiding 3Uw autogegevensVoer hier de gegevens van de auto inzodat ze gemakkelijk te vinden zijn. Raadpleeg de onderdelen "Serviceen onderhoud", "Technische gege‐vens", het typeplaatje en de nationaleregistratiedocumenten van de auto. InleidingUw auto is de intelligente combinatievan vernieuwende techniek, overtui‐gende veiligheid, milieuvriendelijk‐heid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindt ualle informatie die u nodig hebt om uwauto veilig en efficiënt te kunnenbedienen. Sommige functies werken alleenwanneer het contact ingeschakeld is,bij een lopende verbrandingsmotor ofwanneer de elektromotor gereed is. Zorg ervoor dat uw passagiers ervanop de hoogte zijn dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wetge‐ving van het land waarin u zichbevindt.
Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding. Als u de beschrijving in deze handlei‐ding negeert, kan dit van invloed zijnop de garantie. Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan. Elke Opel Service Partner biedt ueersteklas service tegen redelijke prij‐zen. Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor degebruiker altijd onder handbereik inde auto. Gebruik van dezehandleiding● Deze handleiding geeft eenomschrijving van alle voor ditmodel beschikbare opties enfuncties. Mogelijk zijn bepaaldeomschrijvingen, waaronder dievoor display- en menufuncties,niet op uw auto van toepassingwanneer er sprake is van eenmodelvariant, afwijkendelandenspecificaties of specialeuitrustingen of accessoires.
4 Inleiding● Displays ondersteunen mogelijkuw specifieke taal niet.● Displayteksten en opschriften inhet interieur zijn vet gedrukt.AandrijvingstypenVoertuig met motor metinwendige verbranding (ICE;internal combustion engine)Een ICE-voertuig wordt alleen dooreen motor met inwendige verbran‐ding - diesel of benzine - aangedre‐ven.Mild-hybride elektrisch voertuig(MHEV;mild hybrid electric vehicle)Een MHEV wordt aangedreven dooreen motor met inwendige verbran‐ding met ondersteuning van een elek‐tromotor.
Rijden op alleen de elektro‐motor is ook mogelijk.De 48V-accu wordt voornamelijkopgeladen door afremmen op demotor.Elektrisch voertuig (BEV;battery electric vehicle)Een BEV wordt alleen via een elek‐tromotor aangedreven.De hoogspanningsaccu wordt opge‐laden met behulp van een oplaadka‐bel en ook door afremmen van demotor.Gevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9 GevaarTeksten met de vermelding9 Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9 WaarschuwingTeksten met de vermelding9 Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan totverwondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kanraken.
24Sleutels, slotenSleutelsVoorzichtigBevestig geen zware of massievevoorwerpen aan de contactsleutel.9 GevaarTrek tijdens het rijden nooit desleutel uit het contactslot omdathierdoor het stuurslot, afhankelijkvan de versie, wordt ingeschakeld.ReservesleutelsHet sleutelnummer staat vermeld opeen verwijderbaar etiket.Bij het bestellen van reservesleutelsmoet het sleutelnummer wordenvermeld aangezien de sleutels deeluitmaken van de startbeveiliging.Sloten 3 333.Centrale vergrendeling 3 9.Motor starten 3 209.Handzender 3 6.
6 Sleutels, portieren en ruitenElektronische sleutel 3 7.Het codenummer van de adaptervoor de wielborgmoeren vindt u opeen kaart. Vermeld het wanneer ueen nieuwe adapter bestelt.Wiel verwisselen 3 324.Sleutel met uitklapbaresleutelbaardOm uit te klappen toets indrukken.Om in te klappen eerst toets indruk‐ken.Handzendera: ontgrendelt de autob: vergrendelt de auto?: lang indrukken ontgrendelten opent de achterklepVoor het bedienen van de volgendefuncties via de toetsen op de hand‐zender:● centrale vergrendeling 3 9● vergrendelingssysteem 3 16● diefstalalarmsysteem 3 17● achterklep ontgrendelen● elektrisch bediende ruiten3 22● buitenspiegels in-/uitklappen3 19● autozoekverlichting 3 99De handzender heeft een bereik vanmaximaal 50 meter, maar dat kanveel meer zijn door invloeden vanbuitenaf.
Brandende alarmknipper‐lichten dienen als bevestiging.Afstandsbediening met zorg behan‐delen, vochtvrij houden, beschermentegen hoge temperaturen en onnodiggebruik vermijden.Batterij in handzender vervangenBatterij meteen vervangen zodra hetsysteem niet meer goed werkt of hetbereik ervan afneemt.Bij een ontladen accu brandt C opde instrumentengroep en verschijnter een waarschuwingsbericht op hetDriver Information Center.Driver Information Center 3 85.
Klik de achterafdekking op zijnplaats.StoringAls de centrale vergrendeling niet metde handzender kan worden vergren‐deld of ontgrendeld, kan dit hetgevolg zijn van het volgende:● Storing in de handzender.● De accuspanning is te laag.● Overbelasting van de centralevergrendeling door herhaalde,snel opeenvolgende activeringvan de afstandsbediening, waar‐door de stroomvoorziening voorkorte tijd wordt onderbroken.● Storing door radiogolven afkom‐stig van externe zenders met eenhoog vermogen.Handmatig ontgrendelen 3 9.Elektronisch sleutelsysteem9 WaarschuwingDe elektronische sleutel kan eenpacemaker verstoren.Houd de elektronische sleutel uitde buurt van de borst.Voor passieve bediening van devolgende functies:● centrale vergrendeling 3 9● contact inschakelen en motorstarten 3 209U hoeft alleen de elektronische sleu‐tel bij zich te dragen.Omwille van de beveiliging is de elek‐tronische sleutel mogelijk uitgerustmet een bewegingssensor.
Als dathet geval is, kan de auto niet wordengestart wanneer de elektronischesleutel enige tijd niet is bewogen. Bijeen poging tot het starten van de autoverschijnt er een bijbehorend bericht
8 Sleutels, portieren en ruitenop het Driver Information Center.Beweeg de elektronische sleutel enprobeer de auto nogmaals te starten.De elektronische sleutel bevat ook defunctionaliteit van de handzender3 6.Afstandsbediening met zorg behan‐delen, vochtvrij houden, beschermentegen hoge temperaturen en onnodiggebruik vermijden.Batterij elektronische sleutelvervangenBatterij meteen vervangen zodra hetsysteem niet meer goed werkt of hetbereik ervan afneemt.Bij een ontladen accu brandt C opde instrumentengroep en verschijnter een waarschuwingsbericht op hetDriver Information Center.Driver Information Center 3 85.Batterijen horen niet in het huisvuilthuis. Ze moeten via speciale inza‐melpunten gerecycled worden.1. Verwijder het achterste deksel.2. Verwijder de lege batterij.3. Vervang de batterij door eenbatterij van hetzelfde type.
Steekde batterij erin accu door dezetegen het contact in de hoek endan omlaag te drukken. Let op deinstallatiepositie.4. Klik de achterafdekking op zijnplaats.StoringAls de centrale vergrendeling niet kanworden vergrendeld of ontgrendeld ofals de motor niet kan worden gestart,kan dit de volgende oorzakenhebben:● Storing in elektronische sleutel.● De elektronische sleutel is buitenontvangstbereik.● De accuspanning is te laag.● Overbelasting van de centralevergrendeling door herhaalde,snel opeenvolgende activeringvan de afstandsbediening, waar‐door de stroomvoorziening voorkorte tijd wordt onderbroken.● Storing door radiogolven afkom‐stig van externe zenders met eenhoog vermogen.Om de storing te verhelpen, de positievan de elektronische sleutel verande‐ren.Handmatig ontgrendelen 3 9.
Sleutels, portieren en ruiten 9Centrale vergrendelingOntgrendelen en vergrendelen vanportieren, bagageruimte en tankvul‐klep.Door aan de binnenste deurhand‐greep te trekken wordt de desbetref‐fende deur ontgrendeld en geopend.Wanneer de functie Alleen bestuur‐dersportier geactiveerd in depersoonlijke instellingen van de autois, wordt alleen het bestuurdersportierontgrendeld wanneer er aan debinnenhandgreep wordt getrokken.Wanneer de functie gedeactiveerd is,worden alle portieren ontgrendeld.Ongeacht de instelling in Persoonlijkeinstellingen worden alle portierenontgrendeld wanneer er aan debinnenhandgreep van andere portie‐ren dan aan die van het bestuurders‐portier wordt getrokken.Persoonlijke instellingen 3 86.Let opBij een ongeval waarbij de airbags ofgordelspanners in werking treden,wordt het voertuig automatischontgrendeld.Werking van handzenderOntgrendelena indrukken.Let opWanneer na ontgrendeling van deauto met de afstandsbediening geenvan de portieren wordt geopend,worden deze na korte tijd automa‐tisch opnieuw vergrendeld.De ontgrendelmodus kan wordeningesteld in het menu Persoonlijkeinstellingen op het Info-Display.
10 Sleutels, portieren en ruitenb indrukken.Bij een niet goed gesloten auto werktde centrale vergrendeling niet.De werking van de centrale vergren‐deling wordt bevestigd door de alarm‐knipperlichten.BagageruimteHoud ? ingedrukt om te ontgren‐delen.Instellingen voor het ontgrendelenvan de bagageruimte kunnen wordengeconfigureerd in Persoonlijke instel‐lingen:● Alleen de bagageruimte wordtontgrendeld door één keerop ? te drukken.● Alle portieren, de achterklep ende tankvulklep zijn met één drukop ?
te ontgrendelen.Afhankelijk van de gekozen instellingin Persoonlijke instellingen, kan debagageruimte worden vergrendeld:● door simpelweg de geopendeachterklep te sluiten.● door één keer met geslotenachterklep op b op de afstands‐bediening te drukken.Selecteer de betreffende instelling inPersoonlijke instellingen.Persoonlijke instellingen 3 86.Achterklep ontgrendelen 3 15.BevestigingDe werking van de centrale vergren‐deling wordt bevestigd door de alarm‐knipperlichten.Werking elektronischsleutelsysteemDe elektronische sleutel moet zichbinnen een bereik van ongeveer 1 mvan het betreffende portier buiten deauto bevinden.Dit systeem biedt de mogelijkheid omde auto automatisch eenvoudig tevergrendelen en te ontgrendelen doordetectie van de elektronische sleutel.De elektronische sleutel moet zichbuiten de auto bevinden.Let opAls de auto niet goed gesloten is ofde elektronische sleutel nog in deauto ligt, kan de auto niet wordenvergrendeld.
Als de auto is uitgerustmet een diefstalalarmsysteem, klinkter na enkele seconden een geluids‐signaal.Let opDe elektronische sleutel werktmogelijk niet als deze in de buurt vanelektronische apparaten zoalsmobiele telefoons of laptops wordtgelegd.
Sleutels, portieren en ruiten 11● Zone 1: automatisch vergrende‐len bij uitstappen● Zone 2: automatisch ontgrende‐len bij naderen van de autoLet opAls de elektronische sleutel gedu‐rende meer dan 15 minuten in zone1 blijft, wordt automatisch ontgren‐delen gedeactiveerd. Ontgrendel deauto door op a of ? op deafstandsbediening te drukken ofdoor de sensor op de kruk van hetbestuurdersportier aan te raken.Automatisch vergrendelen enontgrendelen wordt weer geacti‐veerd.Let opNa een korte tijd na automatischeontgrendeling wordt de auto weervergrendeld als er geen portier isgeopend.Let opAls het contact gedurende meer dannegen dagen uitgeschakeld is of alsde accu van de auto niet voldoendeopgeladen is, wordt de automati‐sche functie uitgeschakeld. Druk opa of ?
op de afstandsbedieningof raak de sensor op de kruk van hetbestuurdersportier aan om de autote ontgrendelen.Als het contact gedurende meer dan21 dagen uitgeschakeld is, is deenige manier om de auto te ontgren‐delen door op a of ? op deafstandsbediening te drukken.Ontgrendelen/vergrendelenDe ontgrendel-/vergrendelmodus kanworden ingesteld in het menuPersoonlijke instellingen op het Info-Display. U kunt uit de volgende instel‐lingen kiezen:● Alleen het bestuurdersportier ende tankvulklep worden ontgren‐deld/vergrendeld.● Alle portieren, de achterklep ende tankvulklep worden ontgren‐deld/vergrendeld.● Alleen de bagageruimte wordtontgrendeld/vergrendeld.Persoonlijke instellingen 3 86.Achterklep 3 15.Bediening met toetsen op deelektronische sleutelDe centrale vergrendeling kan ookworden bediend met de toetsen op deelektronische sleutel.
Het led-lampje in de toetsdooft.Bediening met de sleutel bij eenstoring in de centralevergrendelingBij een storing, bijvoorbeeld omdat deaccu of de batterij van de handzen‐der / elektronische sleutel leeg is,kunt u het voorportier met de mecha‐nische sleutel vergrendelen enontgrendelen.Handmatig ontgrendelenElektronische sleutel: druk op de palom de geïntegreerde sleutel te voor‐schijn te halen.
De bagageruimteen de tankvulklep worden mogelijkniet ontgrendeld.Als u het contact aanzet, wordt hetvergrendelingssysteem uitgescha‐keld.Handmatig vergrendelenU vergrendelt het voorportier hand‐matig door de sleutel in de slotcilinderte steken en te draaien.Om de overige portieren te vergren‐delen, opent u de achterportieren.Zorg dat het kinderslot uitgeschakeldis.Steek de sleutel voorzichtig erin enbeweeg deze naar de binnenkant vanhet portier zonder de sleutel teverdraaien.Trek daarna de sleutel eruit.Sluit de portieren.De tankvulklep en de achterklepworden mogelijk niet vergrendeld.Automatisch vergrendelenAutomatisch vergrendelen nawegrijdenDit systeem biedt de mogelijkheid omde portieren en de achterklep auto‐matisch te vergrendelen zodra desnelheid van de auto is opgelopen totboven een bepaalde waarde.Als een van de portieren of de achter‐klep openstaat, vindt geen automati‐sche centrale vergrendeling plaats.Dit wordt kenbaar gemaakt door hetgeluid van opnieuw ontgrendelendesloten, het oplichten van P op de
14 Sleutels, portieren en ruiteninstrumentengroep, de weergave vaneen geluidssignaal en het verschijnenvan een waarschuwingsbericht.Deze functies is op ieder gewenstmoment te activeren of te deactive‐ren. Druk, bij ingeschakeld contact,op b totdat een akoestisch signaalklinkt en het bijbehorende berichtverschijnt.De stand van het systeem wordt bijuitschakeling van het contact in hetgeheugen opgeslagen.Automatische hervergrendelingna ontgrendelingMet deze functie wordt de auto kortetijd na het ontgrendelen met de hand‐zender of de elektronische sleutelhervergrendeld, mits de auto nietgeopend is.Kindersloten9 WaarschuwingGebruik de kindersloten wanneerkinderen op de achterste zitplaat‐sen worden vervoerd.Mechanische kinderslotenDraai het rode kinderslot op hetachterportier met een sleutel in dehorizontale stand naar binnen.
Sleutels, portieren en ruiten 15InschakelenDruk op >. De led in de knop gaatbranden en er verschijnt een bevesti‐gingsbericht. Deze led blijft brandentotdat het kinderslot weer wordt uitge‐schakeld.Ofg indrukken.UitschakelenToets > nogmaals indrukken. De ledin de knop dooft en er verschijnt eenbevestigingsbericht.OfToets g nogmaals indrukken.Elektrisch bediende ruiten 3 22.PortierenBagageruimteAchterklepOpenenDruk op de achterklepknop onder hetmerkembleem of druk lang op ?op de handzender en open de achter‐klep.
16 Sleutels, portieren en ruitenSluitenBinnenste handgreep gebruiken.Duw niet op het touchpad tijdens hetsluiten, omdat de achterklep danweer wordt geopend.Centrale vergrendeling 3 9.Algemene tips voor deachterklepbediening9 GevaarNiet met een geopende of op eenkier staande achterklep rijden,bijv. bij het vervoer van omvang‐rijke bagage, omdat er dan giftige,onzichtbare en reukloze uitlaat‐gassen de auto kunnen binnen‐dringen. Hierdoor kunt u bewuste‐loos raken en zelfs sterven.VoorzichtigVoordat u de achterklep opent,moet u belemmeringgen in dehoogte controleren, zoals eengaragedeur, om schade aan deachterklep te voorkomen.
Contro‐leer altijd het bewegingsgebiedboven en achter de achterklep.Let opAfhankelijk van het gewicht vaneventueel gemonteerde accessoi‐res blijft de achterklep mogelijk nietin geopende stand staan.Let opBij lage buitentemperaturen gaat deachterklep wellicht niet vanzelfgeheel open. Til de achterklep in datgeval met de hand tot in de normaleeindstand.AntidiefstalbeveiligingVergrendelingssysteem9 WaarschuwingNiet inschakelen als er zich perso‐nen in de auto bevinden! Ontgren‐delen van de binnenzijde is nietmogelijk.Alle portieren worden tegen openenbeveiligd. Voor activering van hetsysteem moeten alle portieren geslo‐ten zijn.Bij het ontgrendelen van de autowordt de mechanische diefstalbevei‐liging uitgeschakeld. Dit is niet moge‐lijk met de centrale vergrendelings‐toets.
Sleutels, portieren en ruiten 17InschakelenDruk op b op de handzender of raakde sensor op de kruk van het bestuur‐dersportier binnen drie secondentweemaal aan.DiefstalalarmsysteemHet alarmsysteem is gecombineerdmet het vergrendelingssysteem.Het bewaakt:● portieren, achterklep, motorkap● interieur en aangrenzende baga‐geruimte● ontstekingActiveringAlle portieren, de bagageruimte en demotorkap moeten gesloten zijn.De elektronische sleutel mag niet inde auto blijven.Het systeem gaat 45 seconden na hetvergrendelen van de auto werken.Als een portier, de achterklep of demotorkap niet goed dichtstaat, wordtde auto niet vergrendeld.
Het diefstal‐alarmsysteem wordt echter na45 seconden automatisch ingescha‐keld.Let opDe automatische vergrendeling vande auto activeert niet het diefstala‐larmsysteem.Vergrendel om het diefstalalarmsys‐teem te activeren de auto metbehulp van de handzender of doorde sensor op de kruk van hetbestuurdersportier aan te raken.Centrale vergrendeling 3 9.Let opBij wijzigingen in het interieur, zoalshet gebruik van stoelhoezen en bijopen ruiten, werkt de bewaking vanhet interieur wellicht minder goed.
18 Sleutels, portieren en ruitenInschakelen zonder bewakingvan passagiersruimteSchakel de bewaking van het interi‐eur uit als u dieren in de auto achter‐laat, om te voorkomen dat hoge ultra‐sone tonen of bewegingen het alarmactiveren. Schakel deze ook uitwanneer de auto op een veerboot ofeen trein staat.1. Sluit de achterklep, motorkap,ruiten.2. Schakel het contact uit en drukbinnen tien seconden op !totdat het led-lampje in detoets ! gaat branden.3. Stap uit en sluit de portieren.4. Diefstalalarmsysteem inschake‐len.MeldingHet led-lampje in de toets ! knip‐pert, als het diefstalalarmsysteemgeactiveerd is.
De alarmknipperlich‐ten gaan enkele seconden knipperen.UitschakelenBij het ontgrendelen van de autowordt het diefstalalarmsysteem uitge‐schakeld.Het systeem wordt niet gedeactiveerddoor het voorportier te ontgrendelenmet de sleutel of met de centrale-vergrendelingstoets in het interieur.AlarmBij activering klinkt de alarmsirene engaan de alarmknipperlichten tegelij‐kertijd knipperen. Het aantal en deduur van de alarmsignalen zijn voor‐geschreven door de wetgever.U kunt het diefstalalarm uitschakelendoor op a te drukken of het contact inte schakelen.Wanneer het alarm is afgegaanzonder dat de bestuurder het heeftuitgeschakeld, geeft het led-lampje inde toets ! dat aan. De led gaat bijde volgende keer ontgrendelen vande auto snel knipperen.Wacht na hernieuwde aansluiting vande voertuigaccu (bijv.
na onderhouds‐werkzaamheden) tien minuten alvo‐rens de motor opnieuw te starten.StoringAls het led-lampje in de toets ! bijinschakeling van het contact continugaat branden, moet u de hulp van eenwerkplaats inroepen.Auto vergrendelen zonder hetdiefstalalarm te activerenVergrendel de auto door het voorpor‐tier met de sleutel te vergrendelen.StartbeveiligingHet systeem is onderdeel van decontactschakelaar en het controleertof de auto met de gebruikte sleutelmag worden gestart.
Sleutels, portieren en ruiten 19De startbeveiliging wordt automatischgeactiveerd.Let opRFiD-tags (Radio Frequency Identi‐fication) kunnen de werking van desleutel storen. Houd de tag bij hetstarten uit de buurt van de sleutel.Let opDe startbeveiliging vergrendelt deportieren niet. De auto na het verla‐ten altijd vergrendelen 3 9.Schakel het diefstalalarmsysteem in3 17.Noodbediening van de elektronischesleutel 3 207.BuitenspiegelsBolle vormDoor de vorm van de spiegel lijkenvoorwerpen kleiner dan ze zijn, waar‐door afstanden moeilijker zijn in teschatten.Dodehoeksysteem 3 267.Elektrische verstellingKies de desbetreffende buitenspiegeldoor C naar links of naar rechts teduwen.Beweeg daarna de knop om de spie‐gel te verstellen.Inklapbare spiegelsVoor de veiligheid van voetgangersklappen de buitenspiegels bij aansto‐ten vanaf een bepaalde kracht weg uitde normale stand.
20 Sleutels, portieren en ruitenHandmatig elektrisch inklappenZet C naar de middelste stand.Trek C naar achteren. Beide buiten‐spiegels worden ingeklapt.Trek C nogmaals naar achteren.Beide buitenspiegels nemen hunuitgangspositie weer in.Als een elektrisch ingeklapte spiegelmet de hand wordt uitgeklapt, wordtbij naar achteren trekken van Calleen de andere spiegel elektrischuitgeklapt.Automatisch elektrisch inklappenBij het ontgrendelen van de autozwenken de spiegels naar hunnormale stand. Bij het vergrendelenvan de auto worden de spiegels inge‐klapt.U kunt deze functie in- of uitschakelenschakelen op het Info-Display.Persoonlijke instellingen 3 86.Verwarmde spiegelsOm in te schakelen f indrukken.Afhankelijk van de klimaatregeling zitf mogelijk op een andere plek.De verwarming wordt na korte tijdautomatisch uitgeschakeld.Achterruitverwarming 3 23.
Anderswerken deze systemen wellichtniet goed en bestaat het risico vanonverwacht gedrag en / of berich‐ten van deze systemen.Elektrisch bediende ruiten9 WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan de elektrische ruitbediening.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Als er achterin kinderen zitten,moet u de kinderbeveiliging vande elektrische ruitbedieninginschakelen.Ruiten tijdens het sluiten goed inde gaten houden. Ervoor zorgendat niets of niemand bekneldraakt.Desbetreffende ruit openen of sluitendoor op schakelaar te drukken oferaan te trekken.Knop een stukje indrukken of uittrek‐ken: ruit gaat omhoog of omlaagzolang u de schakelaar bedient.Knop zover mogelijk indrukken ofuittrekken en loslaten: ruit gaat auto‐matisch omhoog of omlaag met geac‐tiveerde beveiligingsfunctie.
Sleutels, portieren en ruiten 23Kinderbeveiliging voorachterportierruitenDruk g in om de achterste elektri‐sche portierruiten te deactiveren; hetled-lampje licht op. Druk voor het acti‐veren nogmaals op g.Afhankelijk van de versie ook bedie‐ning van elektrische kindersloten3 14.Ruiten van de buitenzijde sluitenDe ruiten zijn met de handzender vande buitenzijde te sluiten.Houd b ingedrukt om de ruiten te slui‐ten.Als de ruiten volledig gesloten zijn,lichten de alarmknipperlichten twee‐maal op.OverbelastingWorden de ruiten in korte tijd meer‐maals bediend, dan wordt de ruitbe‐diening enige tijd gedeactiveerd.Elektrisch bediende ruiteninitialiserenActiveer de ruitelektronica als volgt:1. Portieren sluiten.2. Schakel de ontsteking in.3. Open de ruit volledig met behulpvan de schakelaar.4. Trek steeds aan de schakelaartotdat de ruit helemaal gesloten isen blijf er nog één seconde aantrekken.
24 Sleutels, portieren en ruitenDe verwarming wordt na korte tijdautomatisch uitgeschakeld.Buitenspiegelverwarming 3 20.ZonnekleppenOm verblinding te vermijden kunnende zonnekleppen worden neerge‐klapt en opzij worden gedraaid.Afdekkingen van eventueel in dezonnekleppen aanwezige make-upspiegels tijdens het rijden geslotenhouden.Aan de achterkant van de zonneklepzit een kaartjeshouder.DakPanoramadakZonneschermHet zonnescherm wordt met de handbediend.Schuif de zonneklep in de gewenstestand.
26 Stoelen, veiligheidssystemenHoofdsteunen van achterbankHoofdsteun omhoogtrekken of borg‐veren indrukken om hoofdsteun teontgrendelen en omlaag te schuiven.DemonterenDruk de pal in en trek de desbetref‐fende hoofdsteun omhoog eruit.VoorstoelenStoelpositie9 WaarschuwingAlleen met een correct ingesteldestoel rijden.9 WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijdenverstellen, omdat ze ongecontro‐leerd kunnen bewegen.9 GevaarAltijd op minstens 25 cm afstandvan het stuurwiel zitten zodat deairbag veilig in werking kan treden.9 WaarschuwingNooit voorwerpen onder de stoe‐len plaatsen.● Uw zitvlak zo dicht mogelijk naarde rugleuning schuiven. Deafstand tot de pedalen zo instel‐len dat de benen bij het intrappenvan de pedalen licht gebogenzijn.
De passagiersstoel voorinzover mogelijk naar achterenschuiven.● Zithoogte zo instellen, dat urondom een goed zicht hebt enalle instrumenten goed kunt afle‐zen. Tussen hoofd en dakframemoet minstens een handbreedteruimte zitten. Uw dijen dienenlicht op de zitting rusten, zonderdruk uit te oefenen.
Stoelen, veiligheidssystemen 27● Stel de hoofdsteun zo in dat debovenrand even hoog als debovenzijde van het hoofd is.● Uw schouders zo dicht mogelijknaar de rugleuning schuiven. Stelde hoek van de rugleuning zo indat u het stuurwiel gemakkelijkmet licht gebogen armen kuntvastpakken. Bij het verdraaienvan het stuurwiel contact blijvenhouden tussen schouders enrugleuning. De rugleuning magniet te ver achteroverhellen. Deaanbevolen hellingshoekbedraagt maximaal ca.
25°.● Stel de stoel en het stuur zodanigop elkaar af dat wanneer uw polsbovenop het stuur rust, uw armvolledig is gestrekt en uw schou‐ders de rugleuning raken.● Lendensteun zo instellen datdeze de natuurlijke vorm van dewervelkolom ondersteunt.Hoogte hoofdsteunen afstellen 3 25.Stuurwiel instellen 3 55.Handmatige stoelverstellingZorg bij het rijden dat de stoelen enrugleuningen altijd vastgeklikt zijn.Verstelling in de lengterichtingAan handgreep trekken, stoelverschuiven, handgreep loslaten.Probeer de stoel heen en weer tebewegen om na te gaan of deze opzijn plaats zit.Hoek van rugleuningAan handwiel draaien. Bij het verstel‐len de rugleuning niet belasten.
Stoelen, veiligheidssystemen 29Zithoogte en -hoekDuw de schakelaar omhoog / omlaag.LendensteunDruk op * of '.*: meer lendensteun': minder lendensteunArmsteunDe armsteun is verstelbaar.Opbergvak 3 47.VerwarmingAfhankelijk van de gewenste verwar‐ming, " van de desbetreffende stoeleen of meerdere malen indrukken.Het controlelampje in de toets geeftde status aan.De verwarming werkt alleen wanneerde buitentemperatuur lager is dan20 °C.Langdurig gebruik van de hoogsteinstelling wordt afgeraden voor perso‐nen met een gevoelige huid.Stop/Start-systeem 3 210.
Daarom neemthet gevaar voor letsel aanzienlijk af.9 WaarschuwingVeiligheidsgordel vóór elke ritomdoen.Inzittenden die geen gebruikmaken van de veiligheidsgordelbrengen bij eventuele aanrijdin‐gen medepassagiers en zichzelf ingevaar.Veiligheidsgordels zijn bedoeld voorgebruik door slechts één persoontegelijk.Kinderveiligheidssysteem 3 39.Alle onderdelen van het gordelsys‐teem regelmatig op schade, veront‐reiniging en juiste werking controle‐ren.Beschadigde onderdelen latenvervangen. Na een aanrijding deveiligheidsgordels en de gordelspan‐ners door een werkplaats latenvervangen.
Stoelen, veiligheidssystemen 31Let opZorg dat de veiligheidsgordels nietdoor schoenen of voorwerpen metscherpe randen beschadigd rakenklem komen te zitten. Oprolautoma‐ten vrijhouden van vuil.Let opGebruik bij het omdoen de gordel‐gesp van de betreffende veiligheids‐gordel opdat deze goed werkt.GordelverklikkerElke stoel is voorzien van een gordel‐verklikker, aangeduid met een contro‐lelampje a op de plafondconsole,voor elke stoel één 3 70.GordelkrachtbegrenzersDe kracht die inwerkt op de carrosse‐rie wordt beperkt doordat de gordelstijdens een botsing geleidelijk wordenontspannen.GordelspannersDe veiligheidsgordels van de voor‐stoelen en de veiligheidsgordels vande beide buitenste achterstoelenworden bij een voldoende zware fron‐tale botsing, of een aanrijding vanachteren of tegen de zijkant strakge‐trokken.9 WaarschuwingOnjuist handelen (bijv.
het verwij‐deren of aanbrengen van gordels)kan de gordelspanners in werkingstellen.Geactiveerde gordelspanners zijn teherkennen aan het voortdurend bran‐dende controlelampje d 3 71.Geactiveerde gordelspanners dooreen werkplaats laten vervangen.Gordelspanners worden slechtseenmaal geactiveerd.Let opBevestig of monteer geen accessoi‐res of andere voorwerpen die dewerking van de gordelspannerskunnen verstoren. Geen aanpassin‐gen aan onderdelen van de gordel‐spanners aanbrengen, andersvervalt de typegoedkeuring van deauto.DriepuntsgordelOmdoenGordel uit de oprolautomaat trekken,zonder te verdraaien voor u langshalen en de gesp in het slot steken.Zorg tijdens het rijden ervoor dat deveiligheidsgordel over de schouderen strak tegen het lichaam loopt.
32 Stoelen, veiligheidssystemenLoszittende kleding belemmert hetstrak trekken van de gordel. Geenvoorwerpen zoals handtassen ofmobiele telefoons tussen de gordelen uw lichaam leggen.9 WaarschuwingDe gordel niet over harde of breek‐bare voorwerpen in de zakken vanuw kleding laten lopen.Gordelverklikker a 3 70.LosmakenOm de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Gebruik van veiligheidsgordelstijdens de zwangerschap9 WaarschuwingDe heupgordel moet zo laagmogelijk over het bekken lopenom druk op de buik te voorkomen.
Stoelen, veiligheidssystemen 33AirbagsysteemHet airbagsysteem bestaat uit meer‐dere afzonderlijke systemen.Bij het activeren worden de airbagsbinnen enkele milliseconden gevuld.Ook het leeglopen van de airbagsverloopt zo snel, dat dit tijdens eenaanrijding vaak niet eens wordt opge‐merkt.9 WaarschuwingHet airbagsysteem ontplooitexplosief, laat reparaties alleendoor deskundig personeel verrich‐ten.9 WaarschuwingBij het aanbouwen van accessoi‐res die het frame van de auto, hetbumpersysteem, de hoogte, devoorkant of de zijbeplating veran‐deren werkt het airbagsysteemmogelijk niet goed.
De werkingvan het airbagsysteem kan ooknadelig worden beïnvloed door hetwijzigen van onderdelen van devoorstoelen, de veiligheidsgor‐dels, de airbagsensor- en diagno‐semodule, het stuurwiel, hetinstrumentenpaneel, de portier‐rubbers aan de binnenkant, waar‐onder de luidsprekers, een van deairbagmodules, de hemel- of stijl‐bekleding, de frontsensoren, dezij-impactsensoren of de airbag‐bedrading.9 WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Let opTer hoogte van de middenconsolezitten de regelelektronica van hetairbagsysteem en de gordelspan‐ners. In dit gebied geen magneti‐sche voorwerpen plaatsen.Bevestig geen voorwerpen op deafdekkingen van de airbags enbedek ze niet met andere materia‐len. Laat beschadigde afdekkingenvervangen door een werkplaats.Elke airbag treedt slechts eenmaalin werking.
Geactiveerde airbagsonmiddellijk laten vervangen dooreen werkplaats. Ook moeten even‐tueel het stuurwiel, het instrumen‐tenbord, plaatwerk, de portierafdich‐tingen, handgrepen en de stoelenworden vervangen.Geen aanpassingen in het airbag‐systeem aanbrengen, andersvervalt de typegoedkeuring van deauto.Controlelamp v voor airbagsystemen3 71.
MT: QATT tuża trażżin għat-tfal lijħares lejn in-naħa ta’ wara fuq sitprotett b’AIRBAG ATTIV quddiemu;dan jista’ jikkawża l-MEWT jewĠRIEĦI SERJI lit-TFAL. GA: Ná húsáid srian sábháilteachtalinbh cúil RIAMH ar shuíochán abhfuil mála aeir ag feidhmiú os achomhair. Tá baol BÁIS nó GORTÚDONA don PHÁISTE ag baint leis. Voorts moet een voorwaarts gerichtkinderveiligheidssysteem omwillevan de veiligheid uitsluitend wordengebruikt volgens de instructies enbeperkingen in de tabel 3 43. U vindt het airbaglabel aan beidezijden van de zonneklep aan passa‐gierszijde. Airbag deactiveren 3 38. Frontaal airbagsysteemHet frontale airbagsysteem bestaatuit een airbag in het stuurwiel en eenairbag in het instrumentenpaneel aande passagierszijde. Deze zijn teherkennen aan het opschriftAIRBAG. Het frontairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigeaanrijding aan de voorzijde.
Hetcontact moet aanstaan. De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en hoofdvan de inzittenden voorin de autoaanzienlijk afneemt.
Stoelen, veiligheidssystemen 37Veiligheidsgordel correct omdoenen goed vastzetten. Alleen dankan de airbag beschermingbieden.Zijdelings airbagsysteemDe zijdelingse airbags bestaan uitairbags in de rugleuningen van debeide voorstoelen. Ze zijn te herken‐nen aan het opschrift AIRBAG.Het zijairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigezijdelingse aanrijding. Het contactmoet aanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en deheupen bij een zijdelingse aanrijdingaanzienlijk afneemt.Let opOp de voorstoelen alleen stoelhoe‐zen gebruiken die voor de auto zijngoedgekeurd. De airbags niet afdek‐ken.GordijnairbagsysteemHet hoofdairbagsysteem bestaat uiteen airbag aan weerskanten in hetdakframe.
Ze zijn te herkennen aanhet opschrift AIRBAG op de dakstij‐len.Het gordijnairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigezijdelingse aanrijding. Het contactmoet aanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het hoofd bij een zijdelingseaanrijding aanzienlijk afneemt.9 WaarschuwingDe haken aan de handgrepen vanhet dakframe zijn alleen geschiktom lichte kledingstukken, zonder
38 Stoelen, veiligheidssystemenkleerhangers, aan op te hangen.Bewaar geen voorwerpen in dezekledingstukken.Airbag deactiverenHet passagiersairbagsysteem vóórmoet voor een kinderveiligheidssys‐teem op de passagiersstoel wordengedeactiveerd volgens de instructiesin de tabel 3 43.Het zijairbag- en het gordijnairbag‐systeem, de gordelvoorspanners enalle airbagsystemen van de bestuur‐der blijven actief.Het airbagsysteem van de passagiervoorin kan worden gedeactiveerd meteen sleutel in de schakelaar in hethandschoenenkastje.Gebruik de contactsleutel om de posi‐tie te kiezen:OFF*: airbag voor de voorpassa‐gier is gedeactiveerd enwordt niet opgeblazen bijeen botsing, controlelampjeOFF* brandt continu op demiddenconsole.ON Ó : airbag van voorpassagier isactief.Let opBlijf na het draaien van de sleutel‐schakelaar naar de stand OFFgnaar deze stand draaien totdat desleutel wordt verwijderd.9 GevaarDeactiveer de passagiersairbaguitsluitend bij gebruik van eenkinderveiligheidssystemen,volgens de instructies en beper‐kingen in de tabel 3 43.Anders is er kans op dodelijk letselvoor een persoon op de passa‐giersstoel met een gedeacti‐veerde airbag.Als het controlelampje Ó ongeveer60 seconden brandt nadat het contactingeschakeld is, gaat het airbagsys‐teem voor de voorpassagier af bij eenaanrijding.Als het controlelampje * oplicht nahet inschakelen van het contact,wordt het airbagsysteem voor devoorpassagier gedeactiveerd.
Stoelen, veiligheidssystemen 39Indien beide controlelampen tegelij‐kertijd branden zit er een storing in hetsysteem. De systeemstatus wordtniet aangeduid; er mag niemand opde stoel van de voorpassagiervervoerd worden. Roep onmiddellijkde hulp van een werkplaats in.Raadpleeg onmiddellijk een werk‐plaats indien geen van beide contro‐lelampjes brandt.Verander de status alleen tijdens stil‐stand terwijl het contact is uitgescha‐keld.Status blijft actief tot de volgendeverandering.Controlelamp airbag-deactivering3 71.Kinderveiligheidssyste‐men9 GevaarZorg ervoor dat kinderen ondereen bepaald(e) lengte en gewichtworden beschermd door middelvan een geschikt kinderveilig‐heidssystemen.
Zet een kind opuw schoot.9 GevaarBij gebruik van een achterwaartsgericht kinderveiligheidssysteemop de passagiersstoel voor moethet airbagsysteem voor de passa‐giersstoel voor gedeactiveerd zijn.Dit geldt ook voor bepaalde voor‐waarts gerichte kinderveiligheids‐systemen zoals aangegeven in detabellen 3 43.Airbag deactiveren 3 38.Airbaglabel 3 33.Wij raden een kinderveiligheidssys‐teem aan dat specifiek voor de autois bedoeld. Neem contact op met uwwerkplaats voor meer informatie.Als het kinderveiligheidssysteem dehoofdsteun van de autostoel raakt,moet u de betreffende hoofdsteun3 25 verstellen of verwijderen.Wanneer u een kinderveiligheidssys‐teem gebruikt, moet u de gebruikers-en montagehandleiding én de instruc‐ties bij het kinderveiligheidssysteemopvolgen.
De beperkingen in de tabelhebben betrekking op een testopstel‐ling, de maximale omvang van allebestaande kinderveiligheidssyste‐men. Zorg dat de voorstoelen degebruikte kinderveiligheidssystemenniet in de weg zitten.Houd u altijd aan de plaatselijke oflandelijke voorschriften. In sommigelanden is het gebruik van kindervei‐ligheidssystemen op bepaaldezitplaatsen verboden.Rijd alleen met een correct afgesteldebestuurdersstoel 3 26.
40 Stoelen, veiligheidssystemenKinderveiligheidssystemen kunnenworden vastgezet met:● Driepuntsgordel● ISOFIX-steunen● Bevestigingsriem aan de boven‐kantDriepuntsgordelKinderveiligheidssystemen kunnenmet een driepuntsgordel wordenvastgezet. Na het bevestigen van hetkinderzitje moet de veiligheidsgordelworden omgedaan.ISOFIX-steunenBevestig de voor de auto goedge‐keurde ISOFIX-kinderveiligheidssys‐temen aan de ISOFIX beugels.ISOFIX kinderveiligheidssystemenvoor specifieke auto's worden in deISOFIX tabel 3 43 aangeduid.ISOFIX-beugels zijn aangeduid meteen etiket op de rugleuning. Trek voortoegang tot de ISOFIX-beugels eerstaan de rits.Bij het bevestigen van ISOFIX-kinder‐veiligheidssystemen op verstelbarepassagiersstoelen, zoals de passa‐giersstoel voorin, moet u eerst derugleuning zo ver als nodig naarachteren verstellen om bij de ISOFIX-steunen te kunnen komen.
Verstel nagoed bevestigen van het ISOFIX-kinderveiligheidssysteem de rugleu‐ning weer naar voren.Een i-Size kinderveiligheidssysteemis een universeel ISOFIX kindervei‐ligheidssysteem volgens UN-bepa‐ling nr. 129.Alle i-Size kinderveiligheidssystemenkunnen worden op alle stoelenworden geplaatst die geschikt zijnvoor i-Size, i-Size tabel 3 43.Er moet een bevestigingsriem aan debovenkant of een steunpoot teraanvulling op de ISOFIX-beugelsworden gebruikt.i-Size kinderzitjes en autostoelen meti-Size keurmerk zijn voor zien van heti-Size symbool, zie afbeelding.BevestigingsriemogenBevestigingsriemogen wordenaangeduid met het symbool t vaneen kinderzitje.
Stoelen, veiligheidssystemen 41Maak naast de ISOFIX-beugels ookde bevestigingsriem aan de boven‐kant vast aan de desbetreffendebevestigingsriemogen. ISOFIX kinderveiligheidssystemenuit de universele categorie worden inde tabel aangeduid met IUF 3 43. Juiste systeem selecterenDe achterbank is de beste plaats omeen kinderzitje vast te maken. Kinderen zo lang mogelijk tegen derijrichting in vervoeren. Hierdoorwordt de nog erg zwakke ruggengraatvan het kind bij een ongeval minderbelast. Gebruik geen voorwaartsgericht kinderveiligheidssysteem opalle zitplaatsen wanneer het kindminder dan 13 kg weegt. Geschikt zijn kinderveiligheidssyste‐men die voldoen aan de geldendeUN ECE-regelgeving. Raadpleeg deplaatselijke wetgeving en richtlijnenvoor het verplichte gebruik vankinderveiligheidssystemen.
De volgende kinderveiligheidssyste‐men worden aanbevolen voor devolgende gewichtsklassen:● Groep 0, Groep 0+:Maxi Cosi Cabriofix met ofzonder ISOFIX ondergedeeltevoor kinderen tot 13 kg● Groep I: Duo Plus met ISOFIX enbevestigingsriem aan de boven‐kant voor kinderen van 9 kg tot18 kg● Groep II, Groep III: Kidfix XP metof zonder ISOFIX voor kinderenvan 15 kg tot 36 kgHet kinderveiligheidssysteem dat ugaat monteren, moet geschikt zijnvoor het autotype. Kinderzitje voorin: Zet de passagiers‐stoel in de hoogste en in de lengte‐richting in de achterste stand met derugleuning rechtop. Kinderzitje achterin: Zet de voorstoelvan de auto naar voren en zet derugleuning rechtop zodat de benenvan het kind in het voorwaartsgerichte of achterwaarts gerichtekinderzitje de voorstoel van de autoniet raken.
Gebruik geen voorwaarts gerichtekinderveiligheidssystemen op allezitplaatsen wanneer het kind minderdan 13 kg weegt. Ga te werk volgens de instructies vande fabrikant van het kinderveilig‐heidssysteem voor het monteren vande betreffende kinderveiligheidssys‐temen in de auto.
42 Stoelen, veiligheidssystemenHet kinderveiligheidssysteem moetop de correcte positie in de autoworden gemonteerd, zie de volgendetabel.Laat kinderen alleen aan de trottoir‐kant van de auto uit- en instappen.Wanneer het kinderveiligheidssys‐teem niet wordt gebruikt, moet u vast‐zetten met een veiligheidsgordel ofverwijderen.Let opKinderveiligheidssystemen nietbeplakken of met andere materialenafdekken.Een kinderveiligheidssysteem dattijdens een aanrijding werd belastmoet worden vervangen.
Stoelen, veiligheidssystemen 43Inbouwposities kinderveiligheidssystemenMonteren van universele, ISOFIX- en i-Size-kinderzitjesZoals vereist door de Europese voorschriften, vindt u in deze tabel de opties voor het monteren van kinderzitjes met behulpvan de veiligheidsgordel en universeel goedgekeurde alsmede de grotere ISOFIX- en i-Size-kinderzitjes op zitplaatsendie zijn uitgerust met ISOFIX-montagepunten in de auto.Ja : Geschikt voor montage van de betreffende categorie van het kinderveiligheidssysteem.Nee : Niet geschikt voor montage van de betreffende categorie van het kinderveiligheidssysteem.Kinderveiligheidssysteemcatego‐rieënPassagiersstoel voormet geactiveerdeairbagPassagiersstoelvoor met gedeacti‐veerde airbagBuitenstezitplaatsenachterinMiddelstezitplaats achterinUniverseel kinderveiligheidssys‐teem voor met veiligheidsgordel 1)Ja 2) 3)Ja 3) 4)Ja Jai-Size-kinderveiligheidssysteemNEE 5)NEE 5)JaNEE 5)Zitplaats met een Top-tether-bevestigingNEE 5)NEE 5)JaNEE 5)Reiswieg (zijwaarts gericht ISOFIX-kinderveiligheidssysteem)Bevestiging ISOFIX-kinderveilig‐heidssysteem: L1, L2NEE 5)NEE 5)NEE NEEAchterwaarts gericht ISOFIX-kinder‐veiligheidssysteemBevestiging ISOFIX-kinderveilig‐heidssysteem: R3NEE 5)NEE 5)Ja 6) 7)NEE 5)
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Opel Corsa (2023) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Opel
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto