Opel Combo-e (2024) Handleiding

Opel Auto Combo-e (2024)

Bekijk gratis de handleiding van Opel Combo-e (2024) (341 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 112 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Opel Combo-e (2024) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/341
Gebruikershandleiding

Beoordeel deze handleiding

4.5/5 (4 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Opel
Categorie: Auto
Model: Combo-e (2024)

Handleiding Opel Combo-e (2024) – volledige tekst

Inleiding 3Uw autogegevensVoer hier de gegevens van de auto inzodat ze gemakkelijk te vinden zijn. Raadpleeg de onderdelen "Serviceen onderhoud", "Technische gege‐vens", het typeplaatje en de nationaleregistratiedocumenten van de auto. InleidingUw auto is de intelligente combinatievan vernieuwende techniek, overtui‐gende veiligheid, milieuvriendelijk‐heid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindt ualle informatie die u nodig hebt om uwauto veilig en efficiënt te kunnenbedienen. Daarbij kunt u voor bepaalde boord‐functies videotutorials bekijken op hetInfo-Display. Sommige functies werken alleenwanneer het contact ingeschakeld is,bij een lopende verbrandingsmotor ofwanneer de elektromotor gereed is. Zorg ervoor dat uw passagiers ervanop de hoogte zijn dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel.

Houd u altijd aan de specifieke wetge‐ving van het land waarin u zichbevindt. Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding. Als u de beschrijving in deze handlei‐ding negeert, kan dit van invloed zijnop de garantie. Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan. Elke Opel Service Partner biedt ueersteklas service tegen redelijke prij‐zen. Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor degebruiker altijd onder handbereik inde auto. Gebruik van dezehandleiding● Deze handleiding geeft eenomschrijving van alle voor ditmodel beschikbare opties enfuncties.

● De inhoudsopgave aan het beginvan de handleiding en in deafzonderlijke paragrafen geeftaan waar u de informatie die uzoekt, kunt vinden. ● Met behulp van het trefwoorden‐register kunt u specifieke infor‐matie zoeken. ● In deze gebruikershandleidingworden linksgestuurde auto'sgetoond. De bediening vanrechtsgestuurde auto's is verge‐lijkbaar.

De bijbehorendemarktaanduiding en productie‐code vindt u in de paragraaf"Technische gegevens".● Richtingaanduidingen in debeschrijvingen, zoals links,rechts, voor of achter moetenaltijd met de blik in de rijrichtingworden gezien.● Displays ondersteunen mogelijkuw specifieke taal niet.● Displaymeldingen en etiketten inhet interieur staan vet gedrukt.AandrijvingstypenVoertuig met motor metinwendige verbranding (ICE:internal combustion engine)Een ICE-voertuig wordt alleen dooreen motor met inwendige verbran‐ding - diesel of benzine - aangedre‐ven.Elektrisch voertuig: (BEV:battery electric vehicle)Een BEV wordt alleen via een elek‐tromotor aangedreven.De hoogspanningsaccu wordt opge‐laden met behulp van een oplaadka‐bel en ook door afremmen van demotor.Gevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9 GevaarTeksten met de vermelding9 Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar.

Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9 WaarschuwingTeksten met de vermelding9 Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan totverwondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kanraken. Het niet naleven van dezerichtlijnen kan tot beschadigingvan de auto leiden.SymbolenVerwijzingen naar andere pagina'sworden aangeduid met 3. 3 betekent"zie pagina".Paginaverwijzingen en lemma's in deindex verwijzen naar de ingespron‐gen koppen in de inhoudsopgave.We wensen u vele uren autorijplezier.Uw Opel-team

ReservesleutelsHet sleutelnummer staat vermeld opeen verwijderbaar etiket. Bij het bestellen van reservesleutelsmoet het sleutelnummer wordenvermeld aangezien de sleutels deeluitmaken van de startbeveiliging. Sloten 3 309. Centrale vergrendeling 3 9. Motor starten 3 187. Handzender 3 6. Elektronische sleutel 3 8. Het codenummer van de adaptervoor de wielborgmoeren vindt u opeen kaart. Vermeld het wanneer ueen nieuwe adapter bestelt. Wiel verwisselen 3 299.

6 Sleutels, portieren en ruitenSleutel met uitklapbaresleutelbaard9 GevaarTrek tijdens het rijden nooit desleutel uit het contactslot omdathierdoor het stuurslot, afhankelijkvan de versie, wordt ingeschakeld.VoorzichtigBevestig geen zware of massievevoorwerpen aan de contactsleutel.Om uit te klappen toets indrukken.Om in te klappen eerst toets indruk‐ken.Handzenderb: vergrendelt de auto9: schakelt de wegverlichting in/uita: ontgrendelt de autob: vergrendelt de auto?: lang indrukken ontgrendelt enopent de achterklepa: ontgrendelt de autoAfhankelijk van de versie kunt u metde handzender de volgende functiesbedienen:● centrale vergrendeling 3 9● vergrendelingssysteem 3 21● diefstalalarmsysteem 3 21● achterklep ontgrendelen 3 9● elektrisch bediende ruiten3 28

Sleutels, portieren en ruiten 7● buitenspiegels in-/uitklappen3 25● autozoekverlichting 3 129De afstandsbediening heeft eenbereik van enkele meters, maar datkan ook veel minder zijn door invloe‐den van buitenaf. Brandende alarm‐knipperlichten dienen als bevestiging.Handzender met zorg behandelen,vochtvrij houden, beschermen tegenhoge temperaturen en onnodiggebruik vermijden.VoorzichtigDe elektronische onderdelenbinnenin de sleutel kunnenbeschadigd raken als de sleutelwordt blootgesteld aan sterkeschokken. Om te zorgen voorvolledige efficiëntie van de elek‐tronische componenten binneninde sleutel, mogen deze nooitworden blootgesteld aan directzonlicht.Batterij in handzender vervangenZodra de reikwijdte afneemt, debatterij meteen vervangen.Batterijen horen niet in het huisvuilthuis. Ze moeten via speciale inza‐melpunten gerecycled worden.1. Haal de achterafdekking van deafstandsbediening.2.

Verwijder de lege batterij.3. Vervang de batterij door eenbatterij van hetzelfde type. Let opde installatiepositie.4. Klik de achterafdekking op zijnplaats.StoringAls de centrale vergrendeling niet metde handzender kan worden vergren‐deld of ontgrendeld, kan dit hetgevolg zijn van het volgende:● Storing in de handzender.● De elektronische sleutel is buitenontvangstbereik.● De accuspanning is te laag.● Overbelasting van de centralevergrendeling door herhaalde,snel opeenvolgende activeringvan de handzender, waardoor destroomvoorziening voor korte tijdwordt onderbroken.● Storing door radiogolven afkom‐stig van externe zenders met eenhoog vermogen.Handmatig ontgrendelen 3 9.

Druk om de functies weer teactiveren op een toets op de elek‐tronische sleutel.Batterij elektronische sleutelvervangenVervang de batterij onmiddellijk zodrahet systeem niet meer goed werkt ofhet bereik ervan afneemt.Batterijen horen niet in het huisvuilthuis. Ze moeten via speciale inza‐melpunten gerecycled worden.

Plaats het deksel.StoringAls de centrale vergrendeling niet kanworden vergrendeld of ontgrendeld ofals de motor niet kan worden gestart,kan dit de volgende oorzakenhebben:● Storing in elektronische sleutel.● De elektronische sleutel is buitenontvangstbereik.● De accuspanning is te laag.● Overbelasting van de centralevergrendeling door herhaalde,snel opeenvolgende activeringvan de handzender, waardoor destroomvoorziening voor korte tijdwordt onderbroken.● Storing door radiogolven afkom‐stig van externe zenders met eenhoog vermogen.Om de storing te verhelpen, de positievan de elektronische sleutel verande‐ren.Handmatig ontgrendelen 3 9.Centrale vergrendelingOntgrendelt en vergrendelt portieren,bagageruimte en tankvulklep.Door aan de binnenste deurhand‐greep te trekken wordt de desbetref‐fende deur ontgrendeld en geopend.Let opBij een ongeval waarbij de airbags ofgordelspanners in werking treden,wordt het voertuig automatischontgrendeld.Let opWanneer na ontgrendeling met deafstandsbediening geen van deportieren word geopend, wordendeze na korte tijd automatischopnieuw vergrendeld.

Een voor‐waarde is dat de instelling is geacti‐veerd in de persoonlijke instellingen3 115.Selectief ontgrendelen vaninterieur en bagageruimteMet selectief ontgrendelen kunt u dedeuren van het interieur en de tank‐klep of de bagageruimte, d.w.z.schuifdeuren, achterdeuren/achter‐klep openen. Selectief ontgrendelenmoet worden geconfigureerd.

10 Sleutels, portieren en ruitenSchakel om te activeren het contactin en druk meer dan twee secondenop *. Het led brandt. Er klinkt eengeluidssignaal en afhankelijk van deconfiguratie van de auto verschijnt ereen bericht op het Info-Display.Schakel om te deactiveren hetcontact in en druk gedurende meerdan twee seconden op *. De leddooft.Werking van handzenderOntgrendelenO indrukken.De ontgrendelmodus kan wordeningesteld. U kunt uit twee instellingenkiezen:● Alle deuren en de bagageruimteontgrendelen door op O te druk‐ken.● Bij drukken op O worden alleende bestuurdersdeur en de passa‐giersdeur ontgrendeld.Bagageruimte ontgrendelenDruk twee keer op * of O om alleende bagageruimte te ontgrendelen,d.w.z. schuifdeuren en achterdeurenof achterklep.VergrendelenDeuren en bagageruimte sluiten.N indrukken.Bij een niet goed gesloten auto werktde centrale vergrendeling niet.

Sleutels, portieren en ruiten 11BevestigingDe werking van de centrale vergren‐deling wordt bevestigd door de alarm‐knipperlichten. Een voorwaarde is datde instelling in de persoonlijke instel‐lingen 3 115 is geactiveerd.Werking elektronischsleutelsysteemDit systeem biedt de mogelijkheid omde auto automatisch eenvoudig tevergrendelen en te ontgrendelen doordetectie van de elektronische sleutel.De elektronische sleutel moet zichbuiten de auto bevinden.Let opAls de auto niet goed gesloten is ofde elektronische sleutel nog in deauto ligt, kan de auto niet wordenvergrendeld.

Als de auto is uitgerustmet een diefstalalarmsysteem, klinkter na enkele seconden een geluids‐signaal.Let opDe elektronische sleutel werktmogelijk niet als deze in de buurt vanelektronische apparaten zoalsmobiele telefoons of laptops wordtgelegd.De elektronische sleutel moet zichbinnen een bereik van ongeveeréén meter van de desbetreffendedeur buiten de auto bevinden.OntgrendelenSteek een hand achter de deurgreepvan een van de voordeuren of deachterdeur om de auto te ontgrende‐len of druk op de middelste achter‐klepknop.Houd uw hand achter de deurgreep ofhoud de achterklepknop ingedrukt omde ruiten te openen.De ontgrendelmodus kan wordeningesteld in het menu Persoonlijkeinstellingen op het Info-Display. Ukunt uit twee instellingen kiezen:● U ontgrendelt alle deuren, debagageruimte en de tankklepdoor een hand achter een van de

12 Sleutels, portieren en ruitenvoordeurgrepen of de handgreepvan de achterdeur te steken.Druk als de auto is uitgerust meteen achterklep op de achterklep‐knop.● Wanneer u een hand achter eenvan de voordeurgrepen steekt,worden alleen de voordeuren ende tankklep ontgrendeld.Persoonlijke instellingen 3 115.Bagageruimte ontgrendelenU ontgrendelt alleen de bagageruimte(dat wil zeggen de achterklep) dooruw hand achter de greep van depassagiersdeur te steken of door opde achterklepknop te drukken.VergrendelenDruk met een vinger of duim op eenvan de deurgrepen (in de gemar‐keerde gebieden) of druk op deachterklepknop.Alle portieren, de bagageruimte en detankvulklep worden vergrendeld.Als de auto niet goed gesloten is, deelektronische sleutel in de auto blijftof het contact niet uit is, is vergrende‐ling niet toegestaan.BevestigingDe werking van de centrale vergren‐deling wordt bevestigd door de alarm‐knipperlichten.Sleutel uit-modusMet sleutel uit-modus kan de autoworden vergrendeld terwijl de motorblijft lopen zonder dat de elektroni‐sche sleutel in de auto ligt.In deze modus kunnen elektrischeapparaten blijven werken, waardoorde auto behaaglijk en beveiligd blijften essentiële boordsystemen blijvenwerken.Activering/deactiveringDruk op de toets KEY OFF om te acti‐veren.

Sleutels, portieren en ruiten 13Druk op KEY OFF om te deactiveren.Het led-lampje in de toets dooft.Centrale-vergrendelingsknopHiermee vergrendelt of ontgrendelt ualle deuren en de bagageruimtevanuit het interieur. Als de auto isuitgerust met een elektronisch sleu‐telsysteem, wordt de tankklep ookvergrendeld of ontgrendeld.Druk op Q om te vergrendelen. Hetled-lampje in de toets brandt.Druk nogmaals op Q om te ontgren‐delen.

Het led-lampje in de toetsdooft.Bediening met de sleutel bij eenstoring in de centralevergrendelingBij een storing, bijvoorbeeld omdat deaccu of de batterij van de handzen‐der / elektronische sleutel leeg is,kunt u het bestuurdersportier met demechanische sleutel vergrendelen enontgrendelen.Handmatig ontgrendelenElektronische sleutel: houd de palingedrukt om de geïntegreerde sleu‐tel te voorschijn te halen.U ontgrendelt het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in de slot‐cilinder te steken en te draaien. Bijeen werkende centrale vergrendelingwordt de auto ontgrendeld.Zonder een werkende centralevergrendeling kunnen de andereportieren worden geopend door aande binnenhandgreep te trekken. Debagageruimte en de tankvulklepworden mogelijk niet ontgrendeld.Als u het contact inschakelt, wordt hetvergrendelingssysteem uitgescha‐keld.Handmatig vergrendelen

Bijeen werkende centrale vergrendelingwordt de auto vergrendeld.Om de overige portieren te vergren‐delen als de centrale vergrendelingniet werkt:● Ga na of het kinderslot niet isingeschakeld● Verwijder het zwarte kapje dooreen sleutel te gebruiken enrechtsom te draaien.● Plaats de sleutel voorzichtig enbeweeg deze naar de binnenkantvan het portier zonder de sleutelte verdraaien.● Verwijder de sleutel en breng dezwarte afdekking aan.De tankvulklep en de achterklepworden mogelijk niet vergrendeld.Automatisch vergrendelenAutomatisch vergrendelen nawegrijdenDit systeem biedt de mogelijkheid omde portieren en de achterklep auto‐matisch te vergrendelen zodra desnelheid van de auto is opgelopen totboven 10 km/u.Als een van de portieren of de achter‐klep openstaat, vindt geen automati‐sche centrale vergrendeling plaats.Dit wordt kenbaar gemaakt door hetgeluid van opnieuw ontgrendelendesloten, het oplichten van h op deinstrumentengroep, de weergave vaneen geluidssignaal en het verschijnenvan een waarschuwingsbericht.Deze functies is op ieder gewenstmoment te activeren of te deactive‐ren.

Druk, bij ingeschakeld contact,op Q totdat een akoestisch signaalklinkt en het bijbehorende berichtverschijnt.De stand van het systeem wordt bijuitschakeling van het contact in hetgeheugen opgeslagen.

Sleutels, portieren en ruiten 15Automatische hervergrendelingna ontgrendelingDeze functie vergrendelt automatischalle portieren, de bagageruimte en detankvulklep kort nadat u deze met dehandzender of elektronische sleutelheeft ontgrendeld, vooropgesteld dater geen portier openstaat.Kindersloten9 WaarschuwingGebruik de kindersloten wanneerkinderen op de achterste zitplaat‐sen worden vervoerd.Mechanische kinderslotenDraai het kinderslot in het achterpor‐tier in de verticale stand. Het portierkan niet meer van binnen wordengeopend.Om de functie te deactiveren, draait uhet kinderslot in de horizontale stand.Elektrische kinderslotenAfhankelijk van de versie zit de toetsR mogelijk in het bestuurdersportierof onder de lichtschakelaar.

16 Sleutels, portieren en ruitenOp afstand bediend systeem datvoorkomt dat de achterportieren viade binnenportiergrepen te openen deachterste zijruiten te bedienen zijn.InschakelenDruk op R. Het controlelampje in deknop gaat branden en er verschijnteen bevestigingsbericht. Het contro‐lelampje blijft branden totdat hetkinderslot wordt uitgeschakeld.UitschakelenToets R nogmaals indrukken.

Hetcontrolelampje in de knop dooft enverschijnt een bevestigingsbericht.Het controlelampje blijft brandenterwijl het kinderslot wordt ingescha‐keld.PortierenSchuifdeurOpenenTrek na het ontgrendelen aan dedeurhandgreep buiten en schuif dedeur naar achteren tot voorbij hetweerstandspunt.U opent de deur van binnen doortegen de handgreep te duwen en dedeur naar achteren tot voorbij hetweerstandspunt te schuiven.SluitenU sluit de deur van buiten door aan dedeurhandgreep te trekken en de deurnaar voren te schuiven totdat dezevergrendelt.U sluit de deur van binnen door tegende handgreep te duwen en de deur totvoorbij het weerstandspunt te schui‐ven. Gebruik daarna de gevormdeuitsparing aan de bovenkant van dedeurstijl om de deur naar voren teschuiven totdat deze vergrendelt.

Sleutels, portieren en ruiten 17VoorzichtigControleer vóór het wegrijden ofde zijschuifdeur geheel gesloten isen dicht zit.VoorzichtigOpen de zijschuifdeur nietwanneer de tankklep nog open is.9 GevaarNiet met een geopende of op eenkier staande zijschuifdeur rijden,bijv. bij het vervoer van omvang‐rijke bagage, omdat er dan giftige,onzichtbare en reukloze uitlaat‐gassen de auto kunnen binnen‐dringen. Hierdoor kunt u bewuste‐loos raken en zelfs sterven.Tanken 3 265.AchterdeurenOntgrendel de achterdeuren met deafstandsbediening of door aan desleutel in het achterdeurcilinderslot tedraaien.Centrale vergrendeling 3 9.Altijd eerst de linkerdeur, dan de rech‐terdeur openen.Om de achterdeur links te openenaan de buitenkruk trekken.De deur wordt van de binnenkantgeopend door aan de binnenstehandgreep te trekken.

18 Sleutels, portieren en ruitenDe rechter achterdeur wordt ontgren‐deld met de hendel.9 WaarschuwingWanneer de auto langs de kantvan de weg geparkeerd is en deachterportieren openstaan, zijn deachterlichten mogelijk niet te zien.Medeweggebruikers attent makenop de auto door een gevarendrie‐hoek te gebruiken of andere appa‐ratuur zoals aanbevolen door hetverkeersreglement in uw land.De deuren worden met deurvangersonder een hoek van 90° gehouden.Open de deuren 180° door op de klinkte drukken en deze in de gewenstestand te openen.

Sleutels, portieren en ruiten 199 GevaarMotoruitlaatgassen bevattengiftige koolmonoxide. Deze stof iskleur- en geurloos en kan bijinademen dodelijk zijn.Bij het rijden met een open laad‐ruimte kunnen er uitlaatgassen inde auto komen. Open de ruiten.Let opGebruik niet de achterdeur links omvoorwerpen op hun plaats tehouden.Zet indien mogelijk voorwerpen metspanbanden aan de sjorogen vast3 72.VoorzichtigZorg bij het rijden met een openlaadruimte altijd dat de ladinggoed vastgezet is.Zie voor meer informatie "Bela‐dingsinformatie" 3 79.Ga altijd te werk volgens lokale ofnationale voorschriften.BagageruimteAchterklepOpenenDruk afhankelijk van de versie op' om de achterklep te ontgrende‐len.Druk, na ontgrendeling, op de middel‐ste achterklepknop en open deachterklep.Sluiten

20 Sleutels, portieren en ruitenBinnenste handgreep gebruiken.Duw niet op de middelste achterklep‐knop tijdens het sluiten, omdat deachterklep dan weer wordt ontgren‐deld.Centrale vergrendeling 3 9.Algemene tips voor deachterklepbediening9 GevaarNiet met een geopende of op eenkier staande achterklep rijden,bijv. bij het vervoer van omvang‐rijke bagage, omdat er dan giftige,onzichtbare en reukloze uitlaat‐gassen de auto kunnen binnen‐dringen. Hierdoor kunt u bewuste‐loos raken en zelfs sterven.VoorzichtigVoordat u de achterklep opent,moet u belemmeringgen in dehoogte controleren, zoals eengaragedeur, om schade aan deachterklep te voorkomen.

Contro‐leer altijd het bewegingsgebiedboven en achter de achterklep.Let opAfhankelijk van het gewicht vaneventueel gemonteerde accessoi‐res blijft de achterklep mogelijk nietin geopende stand staan.Let opBij lage buitentemperaturen gaat deachterklep wellicht niet vanzelfgeheel open. Til de achterklep in datgeval met de hand tot in de normaleeindstand.Achterklep in noodsituaties vanbinnenuit openenVia een toegangsopening tussen hetportier en de vloer kan de achterklep‐grendel met een geschikt gereed‐schap worden ontgrendeld. Druk opde hendel links om de achterklep teontgrendelen en te openen.AchterruitDe achterste zijruit kan wordengeopend voor toegang tot de baga‐geruimte zonder de achterklep teopenen.

Sleutels, portieren en ruiten 21De achterklep en de achterste zijruitkunnen niet tegelijkertijd wordengeopend.OpenenDruk, na ontgrendeling, op de rech‐terachterklepknop en open de achter‐ste zijruit.SluitenDruk op het midden van de achterstezijruit totdat deze volledig gesloten is.AntidiefstalbeveiligingVergrendelingssysteem9 WaarschuwingNiet inschakelen als er zich perso‐nen in de auto bevinden! Ontgren‐delen van de binnenzijde is nietmogelijk.Alle portieren worden tegen openenbeveiligd. Voor activering van hetsysteem moeten alle portieren geslo‐ten zijn.Bij het ontgrendelen van de autowordt de mechanische diefstalbevei‐liging uitgeschakeld.

Dit is niet moge‐lijk met de centrale vergrendelings‐toets.InschakelenFysieke sleutel: Steek de sleutel erinen draai deze twee keer binnen vijfseconden rechtsom.Afstandsbediening: Druk binnen vijfseconden tweemaal op N van dehandzender.Elektronische sleutel: Druk twee keerbinnen vijf seconden met een vingerof duim op één van de portiekrukken(in de gemarkeerde gebieden)DiefstalalarmsysteemHet alarmsysteem is gecombineerdmet het vergrendelingssysteem.Het bewaakt:● portieren, achterklep, motorkap● interieur en aangrenzende baga‐geruimteInschakelenContact moet uitgeschakeld zijn. Alleportieren moeten gesloten zijn en deelektronische sleutel mag niet in deauto blijven. Anders kan het systeemniet worden geactiveerd.● Handzender: De bewaking vande portieren, achterklep enmotorkap wordt geactiveerdwanneer er vijf seconden zijnverstreken na vergrendeling vande auto door op e te drukken.

De bewaking van het inte‐rieur met de naastgelegen baga‐geruimte wordt geactiveerdwanneer er 45 seconden zijnverstreken na vergrendeling vande auto door met een vinger ofduim het gemarkeerde gebiedvan een van de voorportiergre‐pen aan te raken.De activering wordt bevestigd doorhet knipperen van de status-led enhet kort oplichten van de richtingaan‐wijzers.Als een deur of de achterklep nietcorrect is gesloten en de auto isvergrendeld via de bediening opafstand of het elektronische sleutel‐systeem, blijft de auto ontgrendeld.Echter, het diefstalalarmsysteemwordt na 45 seconden geactiveerd.Let opBij wijzigingen in het interieur, zoalshet gebruik van stoelhoezen en bijopen ruiten, werkt de bewaking vanhet interieur wellicht minder goed.Inschakelen zonder bewakingvan passagiersruimteSchakel de bewaking van het interi‐eur uit als u dieren in de auto achter‐laat, om te voorkomen dat hoge ultra‐sone tonen of bewegingen het alarmactiveren.

Schakel ze ook uitwanneer de auto op een veerboot ofeen trein staat.1. Ontsteking uitschakelen.2. Druk op U binnen tien secondentotdat de led in de toets perma‐nent brandt.3. Stap uit de auto.4. Vergrendel de auto onmiddellijkmet de bediening op afstand, doormet een vinger of duim op een vande portiergrepen (in de gemar‐keerde gebieden) of op de achter‐klepknop te drukken.De activering wordt aangegeven doorhet knipperen van de status-led.MeldingHet led-lampje in de knop voorcentrale vergrendeling knippert, alshet diefstalalarmsysteem geactiveerdis.Bij storingen de hulp van een werk‐plaats inroepen.

Sleutels, portieren en ruiten 23UitschakelenHandzender: Bij ontgrendeling van deauto door indrukken van c wordt hetdiefstalalarmsysteem gedeactiveerd. Elektronisch sleutelsysteem: Bijontgrendeling van de auto door meteen vinger of duim het gemarkeerdegebied van een van de voorportier‐grepen aan te raken wordt het dief‐stalalarmsysteem gedeactiveerd. De elektronische sleutel moet zichbinnen een bereik van ongeveer éénmeter van het desbetreffende portierbuiten de auto bevinden. Het systeem is niet te deactiverendoor ontgrendeling van het bestuur‐dersportier met de sleutel of met decentralevergrendelingsknop in hetinterieur. Let opAls de auto wordt ontgrendeld engeen portier wordt geopend, wordtde auto na 30 seconden weervergrendeld. In dat geval wordt ookhet diefstalalarm weer ingescha‐keld.

AlarmBij het activeren klinkt de alarmclaxonen gaan de alarmknipperlichten tege‐lijkertijd knipperen. Het aantal en deduur van de alarmsignalen zijn voor‐geschreven door de wetgever. Het diefstalalarmsysteem kanworden gedeactiveerd door c in tedrukken, door het gemarkeerdegebied van een van de voorportier‐grepen met elektronisch sleutelsys‐teem aan te raken. De led in de toetsU dooft en de richtingaanwijzersknipperen eventjes. Een geactiveerd alarm, dat niet isonderbroken door de bestuurder,wordt aangegeven door het snel knip‐peren van de led in de toets U. Alshet contact wordt ingeschakeld, stopthet knipperen meteenAls de accu van de auto moet wordenontkoppeld (bijv. voor onderhouds‐werkzaamheden), moet de alarmsi‐rene als volgt worden gedeactiveerd:schakel het contact in en uit enontkoppel de accu van de auto binnen15 secondenWacht na hernieuwde aansluiting vande accu (bijv.

24 Sleutels, portieren en ruitenBediening op afstand defectOntgrendel de auto door de geïnte‐greerde sleutel van de bediening opafstand of het elektronische sleutel‐systeem in het cilinderslot van hetbestuurdersportier te steken en tedraaien.Open het bestuurdersportier.De claxon van het diefstalalarmsys‐teem klinkt.Schakel het contact in.De claxon klinkt niet meer en destatus-led dooft.StartbeveiligingHet systeem is onderdeel van decontactschakelaar en het controleertof de auto met de gebruikte sleutelmag worden gestart.De startbeveiliging activeert zichzelfautomatisch nadat u de sleutel uit decontactschakelaar hebt gehaald.Let opRFiD-tags (Radio Frequency Identi‐fication) kunnen de werking van desleutel storen. Houd de tag bij hetstarten uit de buurt van de sleutel.Let opDe startbeveiliging vergrendelt deportieren niet.

Sleutels, portieren en ruiten 25Desbetreffende buitenspiegel selec‐teren door de knop naar het spiegel‐symbool links C of rechts D tedraaien.Verstel de betreffende spiegel doorkantelen van de vierstandenknop.Inklapbare spiegelsVoor de veiligheid van voetgangersklappen de buitenspiegels bij aansto‐ten vanaf een bepaalde kracht weg uitde normale stand. Spiegel dan doorlicht op de spiegelbehuizing te druk‐ken terugduwen.Elektrisch inklappenTrek de spiegelknop C naarachteren. Beide buitenspiegels klap‐pen nu in.Druk de spiegelknop nogmaals naarachteren om de buitenspiegels weerin hun oorspronkelijke stand tezetten.Als u een elektrisch ingeklapte spie‐gel met de hand uitklapt, wordt bij hetnaar achteren trekken van de spie‐gelknop alleen de andere spiegelelektrisch uitgeklapt.

26 Sleutels, portieren en ruitenAutomatisch uit-/inklappenBij het ontgrendelen van de autozwenken de spiegels naar hunnormale stand. Bij het vergrendelenvan de auto worden de spiegels inge‐klapt.Verwarmde spiegelsAfhankelijk van de versie werkt deverwarming door op e of d te druk‐ken.De verwarming schakelt na eenbepaalde tijd afhankelijk van debuitentemperatuur automatisch uit.Verwarmbare achterruit 3 30.BinnenspiegelHandmatige dimfunctieOm verblinding te verminderen, dehendel aan de onderkant van de spie‐gelbehuizing verstellen.Automatische dimfunctieVerblinding 's nachts door achterop‐komend verkeer wordt automatischverminderd.

Sleutels, portieren en ruiten 27KindertoezichtspiegelVia de kindertoezichtspiegel kunt ude zitplaatsen achterin in de gatenhouden. De spiegel is verstelbaar.AchteruitkijkschermIndien uitgeschakeld, werkt hetachteruitkijkscherm als een stan‐daard spiegel.Indien ingeschakeld, kan het achter‐uitkijkscherm twee verschillendeaanzichten weergeven:● achteraanzicht● achteraanzicht en passagiers‐zijde-aanzichtAchteruitkijkscherm 3 111Achteruitkijkcamera 3 243Camera passagierszijde 3 239RuitenVoorruitStickers op de voorruitBreng rondom de binnenspiegel geenstickers, zoals bijv. tolvignetten ofsoortgelijke stickers aan. Sensor vrij‐houden van stof, vuil en ijs. Anderskunnen de detectiezone van deregensensor / lichtsensor en hetzichtveld van de camera in de spie‐gelbehuizing kleiner worden.Sensoren 3 88, 3 120

28 Sleutels, portieren en ruitenVervanging van voorruitVoorzichtigAls de auto met een vooruitzicht‐camera voor de bestuurderson‐dersteuningssystemen uitgevoerdis, is het zeer belangrijk dat eeneventuele vervanging van de voor‐ruit precies volgens de specifica‐ties van Opel plaatsvindt. Anderswerken deze systemen wellichtniet goed en bestaat het risico vanonverwacht gedrag en / of berich‐ten van deze systemen.Elektrisch bediende ruiten9 WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan de elektrische ruitbediening.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Als er achterin kinderen zitten,moet u de kinderbeveiliging vande elektrische ruitbedieninginschakelen.Ruiten tijdens het sluiten goed inde gaten houden.

Ervoor zorgendat niets of niemand bekneldraakt.Schakel het contact in om de elek‐trisch bediende ruiten te bedienen.Druk de schakelaar van de desbetref‐fende ruit in om de ruit te openen oftrek aan de schakelaar om de ruit tesluiten.Toets een beetje indrukken of uittrek‐ken: ruit gaat omhoog of omlaagzolang u de schakelaar bedient.Knop zover mogelijk indrukken ofuittrekken en loslaten: ruit gaat auto‐matisch omhoog of omlaag met geac‐tiveerde beveiligingsfunctie. U stoptde ruit door de schakelaar nogmaalsin dezelfde richting te bedienen.BeveiligingsfunctieDeze functie is versiespecifiek. Stuitde ruit tijdens het automatisch sluitenboven de middelste stand op weer‐stand, dan stopt het sluiten onmiddel‐lijk en beweegt de ruit weer omlaag.Beveiligingsfunctie negerenIn geval van problemen bij het sluitenvanwege vorst o.i.d.

Sleutels, portieren en ruiten 29Kinderbeveiliging voorachterportierruitenDruk V in om de achterste elektri‐sche portierruiten te deactiveren; hetled-lampje licht op. Druk voor het acti‐veren nogmaals op V.Ruiten van de buitenzijdebedienenU kunt de ruiten op afstand vanbuitenaf bedienen.Houd c ingedrukt om de ruiten teopenen.Houd e ingedrukt om de ruiten te slui‐ten.Laat de toets los om de ruit te stop‐pen.OverbelastingWorden de ruiten in korte tijd meer‐maals bediend, dan wordt de ruitbe‐diening enige tijd gedeactiveerd.Elektrisch bediende ruiteninitialiserenAls u de ruiten niet automatisch kuntsluiten (bijv. na het loskoppelen vande accu), verschijnt er een waarschu‐wingstekst op het Driver InformationCenter.Boordinformatie 3 113.Activeer de ruitelektronica als volgt:1. Portieren sluiten.2. Schakel het contact in.3.

30 Sleutels, portieren en ruitenAchterste zijruitenKantel om de achterste zijruiten deelste openen de hendel en duw dezehelemaal in om de ruiten in de openstand te blokkeren.AchterruitverwarmingSamen met de buitenspiegelverwar‐ming in te schakelen door het indruk‐ken van e.De verwarming schakelt na eenbepaalde tijd afhankelijk van debuitentemperatuur automatisch uit.Afhankelijk van de klimaatregeling zite mogelijk op een andere plek.VoorruitverwarmingDeze functie verwarmt de voorruitlangs de onderkant en langs debestuurderszijde van de voorruit.Zo komen eventueel aan de voorruitvastgevroren ruitenwisserbladen metdeze functie snel los van de voorruit.De functie gaat tevens sneeuwopho‐ping tegen bij gebruik van de voorrui‐twissers.De verwarming werkt door op , tedrukken.

Sleutels, portieren en ruiten 31Als u weer op , drukt, stopt deverwarming met werken. De led in detoets dooft.ZonnekleppenOm verblinding te vermijden kunnende zonnekleppen worden neerge‐klapt en opzij worden gedraaid.Afdekkingen van eventueel in dezonnekleppen aanwezige make-upspiegels tijdens het rijden geslotenhouden.Aan de achterkant van de zonneklepzit een kaartjeshouder.RolschermenOm het zonlicht op de tweede zitrij teverminderen, trekt u het scherm aande handgreep omhoog en haakt u hetvast aan de bovenkant van de portier‐opening.DakPanoramadakZonneschermDruk N achteraan in: het zonne‐scherm wordt geopend zolang u deschakelaar bedient.Druk N vooraan in: het zonneschermwordt gesloten zolang u de schake‐laar bedient.

Stoelen, veiligheidssystemen 33Hoofdsteunen van achterbankHoogteverstellingTrek de hoofdsteun omhoog of duwdeze omlaag.VerwijderenDruk de pal in en trek de desbetref‐fende hoofdsteun omhoog eruit.VoorstoelenStoelpositie9 WaarschuwingAlleen met een correct ingesteldestoel rijden.9 WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijdenverstellen, omdat ze ongecontro‐leerd kunnen bewegen.9 GevaarAltijd op minstens 25 cm afstandvan het stuurwiel zitten zodat deairbag veilig in werking kan treden.9 WaarschuwingNooit voorwerpen onder de stoe‐len plaatsen.● Met zitvlak zo ver mogelijk tegende rugleuning zitten. De afstandtot de pedalen zo instellen dat debenen bij het intrappen van depedalen licht gebogen zijn. Depassagiersstoel voor zo vermogelijk naar achteren schuiven.● Zithoogte zo instellen, dat urondom een goed zicht hebt enalle instrumenten goed kunt afle‐zen.

34 Stoelen, veiligheidssystemen● Met schouders zo ver mogelijktegen de rugleuning zitten. Stelde hoek van de rugleuning zo indat u het stuurwiel gemakkelijkmet licht gebogen armen kuntvastpakken. Bij het verdraaienvan het stuurwiel, contact blijvenhouden tussen schouders enrugleuning. De rugleuning magniet te ver achteroverhellen. Deaanbevolen hellingshoekbedraagt maximaal ca. 25°.● Stel de stoel en het stuur zodanigop elkaar af dat wanneer uw polsbovenop het stuur rust, uw armvolledig is gestrekt en uw schou‐ders de rugleuning raken.● Stuurwiel instellen 3 86.● Hoofdsteun instellen 3 32.● Lendensteun zo instellen datdeze de natuurlijke vorm van dewervelkolom ondersteunt.StoelverstellingZorg bij het rijden dat de stoelen enrugleuningen altijd vastgeklikt zijn.Verstelling in de lengterichtingTrek aan de hendel, verschuif destoel en laat de hendel los.

Stoelen, veiligheidssystemen 35Hoek van rugleuningDuw tegen de hendel, pas de rugleu‐ninghoek aan en laat de hendel los.Bij het verstellen de rugleuning nietbelasten.ZithoogtePompbeweging van de hendelomhoog : stoel omhoogomlaag : stoel omlaagLendensteunDraai aan het kartelwieltje om depersoonlijke voorkeur in te stellen.Rugleuning neerklappenAfhankelijk van de versie kan derugleuning van de passagiersstoelvoor in de tafelstand worden neerge‐klapt.Enkele stoel passagierszijdevoorin neerklappenSchuif de passagiersstoel voor zo vermogelijk naar achteren, opdat dezetijdens het neerklappen het instru‐mentenpaneel niet raakt.

Stoelen, veiligheidssystemen 37Trek om de zitting omhoog te brengenaan de handel en breng de zittingomhoog tegen de rugleuning totdatdeze vergrendelt.FlexOrganizer voor opbergen 3 72.Scheidingsrooster bagageruimtevoor opbergen 3 75.Zitbank passagierszijde voorinopklappenZet de rugleuning weer rechtop doorde stoel omhoog te trekken totdatdeze vastklikt.Zet de zitting weer in de oorspronke‐lijke stand door tegen de hendel teduwen en de zitting neer te latentotdat deze vastklikt.9 WaarschuwingWanneer de passagiersstoel voorin de opgeklapte stand is, moet hetairbagsysteem voor de passagiervoor worden gedeactiveerd.Airbag deactiveren 3 50.ArmsteunDe armsteun is opklapbaar.U verwijdert de armsteun door dezeop te klappen en in de afgebeeldestand te draaien.Trek daarna de armsteun uit derugleuning.Breng de armsteun aan door deze inde rugleuning vast te klikken.

Als datniet het geval is, kunnen voorwer‐pen in het voertuig rondgeslingerdworden en letsel of schade aan delading of de auto veroorzaken.Stoelen uitklappenU klapt de rugleuningen weeromhoog door deze zover rechtop tezetten dat ze hoorbaar vastklikken.De rugleuningen zijn goed vergren‐deld wanneer het rode merktekendicht bij de ontgrendelingshandgreepniet meer zichtbaar is.9 WaarschuwingBij opklappen moet u zich ervanverzekeren dat de rugleuningenstevig op hun plaats vergrendeldzijn alvorens te gaan rijden. Hetnalaten hiervan kan lichamelijkletsel of schade aan de bagage ofde auto tot gevolg hebben bijkrachtig remmen of een botsing.

40 Stoelen, veiligheidssystemenZitplaatsen derde zitrij9 WaarschuwingAls de achterbank of rugleuningenwordt/worden versteld of inge‐klapt, handen en voeten uit hetbewegingsgebied houden.Nooit onder het rijden de stoelenverstellen, omdat dit oncontroleer‐bare bewegingen kan veroorza‐ken.Rij alleen als stoelen en rugleunin‐gen vast staan.9 WaarschuwingControleer bij het plaatsen van dezitplaatsen achterin of het geheelhet goed op de ankerpunten zit, devergrendelingen goed zijn vastge‐klikt en de rugleuning weer in dejuiste stand staat.Als u dat niet doet, kan dit bijkrachtig remmen of een botsingletsel veroorzaken.9WaarschuwingControleer altijd of de lading in hetvoertuig goed vastgezet is.

Als datniet het geval is, kunnen voorwer‐pen in het voertuig rondgeslingerdworden en letsel of schade aan delading of de auto veroorzaken.Afhankelijk van de versie kan debagageruimte worden vergroot doorde zitplaatsen op de derde zitrij op teklappen of te verwijderen.Stoelen neerklappen1. Duw de hoofdsteun omlaag enklap zo nodig de zitplaatsen op detweede zitrij neer.Hoofdsteunen 3 32De zitplaatse op de tweede zitrij3 382. Trek aan de hefboom en klap derugleuning naar de zitting.3. Trek aan de hendel en kantel degehele stoel naar voren.

Stoelen, veiligheidssystemen 414. Zet de neergeklapte stoel rechtopvast door de band aan een van destijlen van de hoofdsteun vóór deneergeklapte stoel te bevestigen.Stoelen uitklappen1. Zorg dat de veiligheidsgordels hetuitklappen niet belemmeren.2. Maak de band los en laat de stoelop de vloer zakken. Hierbij moetde achtersteun op het ankerpuntzitten en goed op zijn plekvergrendeld zijn.3. Zet de rugleuning omhoog enverstel de hoofdsteun.Stoelen verwijderen1. Duw de hoofdsteun omlaag enklap zo nodig de zitplaatsen op detweede zitrij neer.Hoofdsteunen 3 32De zitplaatse op de tweede zitrij3 382. Trek aan de hefboom en klap derugleuning naar de zitting.Trek aan de hendel en kantel degehele stoel naar voren (zie"Stoelen neerklappen" hierbo‐ven).3. Trek aan de lus om de vergrende‐lingen los te maken en haal destoel compleet uit de ankerpuntenin de vloer.Stoelen aanbrengen1.

Voorkom dat er vuil in de oprol‐automaten terecht komt.Let opGebruik bij het omdoen van deveiligheidsgordel het gordelslot vande betreffende veiligheidsgordel omte zorgen dat deze goed kanwerken.GordelverklikkerElke stoel is voorzien van een gordel‐verklikker, aangeduid met een contro‐lelampje X op de plafondconsole,voor elke stoel één 3 100.Veiligheidsgordelkrachtbegren‐zersDe kracht die inwerkt op de carrosse‐rie wordt beperkt doordat de veilig‐heidsgordel tijdens een botsing gelei‐delijk wordt ontspannen.GordelspannersBij een voldoende zware frontalebotsing, of een aanrijding vanachteren of tegen de zijkant wordende veiligheidsgordels voorin en deveiligheidsgordel op de buitenstezitplaatsen op de tweede zitrij strak‐getrokken door veiligheidsgordel‐spanners.9 WaarschuwingOnjuist handelen (bijv.

het verwij‐deren of aanbrengen van veilig‐heidsgordels) kan de veiligheids‐gordelspanners in werking stellen.Geactiveerde veiligheidsgordelspan‐ners zijn te herkennen aan de voort‐durend brandende controlelamp v3 100.Geactiveerde veiligheidsgordelspan‐ners door een werkplaats latenvervangen. Veiligheidsgordelspan‐ners kunnen slechts eenmaal wordengeactiveerd.Let opBevestig of monteer geen accessoi‐res of andere voorwerpen die dewerking van de veiligheidsgordel‐spanners kunnen verstoren. Geenaanpassingen in de componentenvan de veiligheidsgordelspannersaanbrengen, anders vervalt de type‐goedkeuring van de auto.DriepuntsgordelOmdoenVeiligheidsgordel uit de oprolauto‐maat trekken, zonder te verdraaienvoor u langs halen en de slottong inde sluiting steken. Zorg tijdens het

Druk daarnaop de knop op de linker gordelsluiting(1) en verwijder de onderste slottong.De veiligheidsgordel wordt automa‐tisch opgerold.Gebruik van veiligheidsgordelstijdens de zwangerschap9 WaarschuwingDe heupgordel moet zo laagmogelijk over het bekken lopenom druk op de buik te voorkomen.AirbagsysteemHet airbagsysteem bestaat uit meer‐dere afzonderlijke systemen afhanke‐lijk van de omvang van de uitrusting.Bij het afgaan worden de airbagsbinnen enkele milliseconden gevuld.Ook het leeglopen van de airbagsverloopt zo snel, dat dit tijdens eenaanrijding vaak niet eens wordt opge‐merkt.9 WaarschuwingHet airbagsysteem ontplooitexplosief, laat reparaties alleendoor deskundig personeel verrich‐ten.9 WaarschuwingBij het aanbouwen van accessoi‐res die het frame van de auto, hetbumpersysteem, de hoogte, devoorkant of de zijbeplating veran‐deren werkt het airbagsysteemmogelijk niet goed.

46 Stoelen, veiligheidssystemennadelig worden beïnvloed door hetwijzigen van onderdelen van devoorstoelen, de veiligheidsgor‐dels, de airbagsensor- en diagno‐semodule, het stuurwiel, hetinstrumentenpaneel, de portier‐rubbers aan de binnenkant, waar‐onder de luidsprekers, een van deairbagmodules, de hemel- of stijl‐bekleding, de frontsensoren, dezij-impactsensoren of de airbag‐bedrading.9 WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Let opIn de middenconsole bevindt zich deregelelektronica van het airbagsys‐teem en de gordelspanners. In ditgebied geen magnetische voorwer‐pen plaatsen.Bevestig geen voorwerpen op deafdekkingen van de airbags enbedek ze niet met andere materia‐len. Laat beschadigde afdekkingenvervangen door een werkplaats.Elke airbag treedt slechts eenmaalin werking. Geactiveerde airbagsonmiddellijk laten vervangen dooreen werkplaats.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Opel Combo-e (2024) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden