Nibe MT-WH21-026-FS Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Nibe MT-WH21-026-FS (52 pagina’s), behorend tot de categorie Warmtepomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 39 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over Nibe MT-WH21-026-FS of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Nibe |
| Categorie: | Warmtepomp |
| Model: | MT-WH21-026-FS |
Handleiding Nibe MT-WH21-026-FS – volledige tekst
4INLEIDINGHet doel van deze handleiding is informatie, instructies en waarschuwingen te ver-strekken over de warmtepompboiler. De handleiding is voor installateurs en loodgie-ters maar ook voor eindgebruikers, omdat deze belangrijke veiligheidsaanduidingen bevat. De handleiding is onderdeel van de warmtepompboiler en moet zorgvuldig wor-den bewaard, omdat deze belangrijke installatie- en onderhoudsinstructies bevat die nuttig zijn om een lange levensduur en een efficiënte werking te verzekeren. 1. OVER HET PRODUCTHet product is een warmtepompboiler of ook warmtapwaterwarmtepomp die is ont-wikkeld volgens EU-richtlijnen. Het product is bestemd voor de productie van warm-tapwater voor huishoudelijk gebruik of voor soortgelijke toepassingen. De warmtepomp is als een plug-and-play installatie ontworpen. 1. 1.
Veiligheidsmaatregelen • Het product dient alleen te worden geïnstalleerd, in bedrijf gesteld en gerepareerd door erkende installateur. Onjuiste installatie kan resulteren in schade aan eigen-dommen en in verwondingen aan mensen en dieren. • De warmtepomp moet worden losgemaakt van de voeding, wanneer de afdekking is afgenomen. • De warmtepomp mag niet worden gebruikt door kinderen of mensen met een fysieke of verstandelijke beperking. • Kinderen moeten onder toezicht staan om te voorkomen dat ze met het apparaat spelen. • Kinderen mogen niet zonder toezicht reiniging en onderhoud uitvoeren. • Plaats geen brandbare materialen in contact met of dicht bij de warmtepomp. • Het watersysteem en het luchtsysteem moeten worden geïnstalleerd zoals aange-geven in de handleiding. • Wanneer het toestel in bedrijf is, moet het niet worden geplaatst in gebieden met een temperatuur onder nul.
• Wanneer het toestel niet in bedrijf is, kan het worden geplaatst in gebieden met een temperatuur onder nul, maar al het water in het reservoir of in de condensafvoer moet worden verwijderd.
• Heet water kan ernstige brandwonden veroorzaken bij rechtstreekse aansluiting op de kranen. Een installatie met een mengklep wordt aanbevolen. • De warmtepomp moet alleen worden gebruikt voor het opgegeven gebruik. De fabri-kant is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van het zich niet houden aan deze handleiding. • Neem alle mogelijke voorzorgsmaatregelen om incidenten te voorkomen. • Het product bevat HFC-R134a.
51.2. Technische gegevens 1.2.1. AlgemeenDe warmtepompboiler is samengesteld uit een waterreservoir, een koelcircuit, een kast en een beeldscherm aangesloten op een bedieningspaneel. Het belangrijkste toe-passingsgebied van het toestel is om water op te warmen dat in een reservoir is opge-slagen. 1.2.2. Werking De warmtepomp is geprogrammeerd om te beginnen met het verwarmen van het water in het reservoir als de temperatuur van het water onder een vooraf ingesteld niveau komt. Het toestel stopt wanneer de watertemperatuur een instelpunt bereikt dat kan worden ingesteld door de gebruiker. In het algemeen is het apparaat ontwor-pen om voldoende warm water te produceren om de behoefte van een gezin van 4 per-sonen of meer te dekken.
Er zijn twee manieren waarop het toestel het water kan verwarmen: 1) Werking warmtepompAls de warmtepomp in bedrijf is, gebruikt een koelcyclus de werking van een compres-sor en het onttrekken van warmte uit de lucht om het water in het reservoir te verwar-men. Dit is de standaard manier die wordt gebruikt om het warmtapwater te verwarmen, omdat dit leidt tot een lager elektriciteitsverbruik dus ook lagere gebruikskosten.Meer informatie over de werking van de warmtepomp en het koelcircuit is te vinden in paragraaf 1.2.3. 2) Werking elektrische verwarmingHet water wordt verwarmd met een elektronisch verwarmingselement. Een elektro-nisch verwarmingselement wordt gebruikt om het water op een veilige, snelle en flexi-bele manier te verwarmen. Echter, het gebruik van de elektrische verwarming kan een dure manier worden om warm water te produceren.
Deze werking moet worden gebruikt als back-up of als integratie van de standaardwerking.Het elektronisch verwarmingselement wordt ingeschakeld bij: • Uitval van de werking van de warmtepomp. • Een te hoge of te lage luchttemperatuur. • Onvoldoende warmtapwater productie doormiddel van warmtepomp
61.2.3. KoelcircuitZoals weergegeven in figuur 1 en 2 kan de warmtepompcyclus worden ingedeeld in vier processen: compressie (1-2), condensatie (2-3), expansie (3-4), verdamping (4-1) zoals hieronder beschreven. • Aan de aanzuigzijde van de compressor (1) komt het oververhitte gasvormig koude-middel de compressor binnen bij lage druk. • In de compressor wordt het gas gecomprimeerd tot een hogere druk en tempera-tuurniveau (2). • De oververhitting van het gas wordt weggenomen en het gas wordt gecondenseerd in de condensator, waarbij warmte wordt uitgewisseld met het water dat in het reservoir is opgeslagen. • Het koudemiddel verlaat de condensator in onderkoelde, vloeibare vorm (3) • Door een thermostatische expansieklep wordt de druk van het koudemiddel ver-laagd zodat verdamping bij lagere temperaturen (4) mogelijk wordt.
• Het koudemiddel verdampt in de lamellen warmtewisselaar die geforceerde lucht gebruikt als warmtebron (1). • Het proces gaat door totdat de stroomvoorziening naar de compressor wordt gestopt.Een nadere beschrijving van het koelcircuit en alle onderdelen van het ontwerp, is te vinden in figuur 3, 4 en 5. 3 214 Figuur 1 – Principe warmtepomp Figuur 2 – Druk-enthalpie-diagram
7Opmerking: Wanneer gebruik wordt gemaakt van het elektrisch verwarmingselement leidt dit tot een hoger elektriciteitsgebruik, en heeft als gevolg dat de bewoner een hogere energierekening krijgt. Een warmtepomp verbruikt ongeveer dan 3 keer min-der stroom dan een elektrisch verwarmingselement. De energie die vrijkomt bij de condensator (2-3) is in feite de som tussen de vrije energie uit de lucht in de verdam-per (1-4) en de energie die wordt geleverd aan de compressor (2-1). Gemiddeld is de energie die wordt geabsorbeerd door de verdamper meer dan het dubbele van de energie die wordt gebruikt voor de werking van de compressor. 1.2.4. Veiligheidsinstructies – koudemiddel circuit • Alleen erkende installateurs mogen reparatie- en servicewerkzaamheden aan het warmtepompcircuit uitvoeren.
• Alvorens het koudemiddel circuit te openen, moet het koudemiddel worden ontla-den tot een niveau waarbij veilig werken mogelijk is. • Het koudemiddel kan giftig zijn bij inademing of in hoge concentraties. • Speciale aandacht is nodig als werkzaamheden met een open vlam worden uitge-voerd. 1.2.5. Proces- en instrumentatiediagramFiguur 3 – Proces- en instrumentatiediagram
9FR1FN1EB1BT3EP1XL1XL2SensorenBT1: LuchtinlaattemperatuurBT2: VerdampertemperatuurBT3: WaterreservoirtemperatuurBT4*: Aanvullende temperatuurBT5*: Aanvullende temperatuur(niet inbegrepen)BP1: Drukschakelaar Elektrische componentenAA1: Hoofd printplaatAA2: Display printplaatWF1: Modbus-poort GC1*: Zonne-energie 0-3V/10VQA1*: SG-ready-poortGP1*: Extra voeding naar pomp of luchtregelklepKF1*: WifiDe items met een * zijn optioneel. Nomenclatuur volgens standaard IEC 81346-1 en 81346-2.Figuur 5 – Het ontwerp van het reservoir, de condensator en bijbehorende onderdelen
13 2. VERVOER, BEHANDELING EN LEVERINGOnmiddellijk na ontvangst moet de warmtepompboiler worden onderzocht om te zien of deze intact en onbeschadigd is. Zo niet, dan moet meteen de verzender in kennis worden gesteld. De ontvanger heeft de verantwoordelijkheid voor alle zendingen, ten-zij anders is overeengekomen. 2.1. LeveringHet toestel wordt geleverd zonder condensafvoerbuis en veiligheidsuitrusting voor het watercircuit. 2.2. OpslagHet toestel moet bij voorkeur rechtopstaand worden opgeslagen en vervoerd, vrij van water en in de verpakking. Transport en opslag kunnen plaatsvinden bij temperaturen tussen -10° C en +50° C. Als het toestel wordt getransporteerd of opgeslagen bij temperaturen onder nul, moet de warmtepomp gedurende 24 uur vóór de inbedrijfstelling bij kamertempera-tuur worden bewaard. 2.3.
Transport met vorkheftruck Voor het transport met een vorkheftruck moet de warmtepomp op het bijbehorende transportframe staan. Til de warmtepomp altijd langzaam op. Vanwege het hoge zwaartepunt moet het toestel tegen kantelen worden beveiligd tijdens het transport. 2.4. De warmtepomp lossen Om schade te voorkomen moet het apparaat op een vlakke ondergrond worden gelost.
142.5. Transport met trailerHet toestel mag alleen worden vervoerd op het bijbehorende transportframe. Dit geldt ook voor het vervoer op trappen.Het toestel moet worden beveiligd tegen schuiven op de trailer. Wateraansluitingen enz. mogen niet worden gebruikt voor transportdoeleinden. Er moet worden gezorgd dat de trailer de kast of de verschillende aansluitingen niet beschadigt. Figuur 8 – Transport met trailer2.6. Horizontaal transport Wanneer de warmtepomp voorzichtig op korte afstand naar zijn uiteindelijke locatie wordt vervoerd, kan het transport horizontaal geschieden op de juiste zijde in de ver-pakking. Als de warmtepomp meer dan 45° is gekanteld, moet de warmtepomp voor-dat deze in gebruik wordt genomen 24 uur in zijn normale rechtopstaande positie staan.
153. POSITIONERING De locatie van de installatie moet zijn uitgerust met een voeding van 220-240V en 50 Hz. De voeding en het hydraulisch systeem moeten voldoen aan de plaatselijke veror-deningen.De warmtepomp moet verticaal worden geplaatst, met een maximale helling van 1°. De warmtepomp moet in evenwicht en stabiel op de ondergrond staan. Gebruik de inge-bouwde stelblokjes om de warmtepomp waterpas te zetten. De warmtepomp moet zo zicht mogelijk bij het hydraulisch systeem worden geïnstal-leerd om leidingverliezen te minimaliseren. De waterafvoer moet om dezelfde rede-nen worden geïsoleerd.De warmtepomp moet niet in direct contact met het zonlicht worden geplaatst.De warmtepomp moet worden geïnstalleerd in een vorstvrije ruimte en aan deze cri-teria moet zijn voldaan: • Kamertemperatuur tussen 5° C en 40° C. • Afvoermogelijkheid voor condens en afvoerput.
• Geen abnormale stofconcentratie in de lucht. • Stevige ondergrond (ong. 500 kg / m 2). • Het is noodzakelijk om te zorgen voor voldoende ruimte rond de eenheid voor onder-houd en service. Een vrije ruimte van 0,5 m rondom de eenheid wordt aanbevolen.Warmtepomp met luchtkanalenBij een warmtepomp met luchtkanalen, moet de warmtepomp zo dicht mogelijk bij de wanden worden geïnstalleerd teneinde drukverliezen in de luchtkanalen te minimaliseren.Warmtepomp zonder luchtkanalenIndien de warmtepomp wordt gebruikt zonder uitlaat/luchtafvoerkanalen moet deze in een ruimte worden geplaatst met de volgende ken-merken: • De inhoud van de ruimte moet meer zijn dan 30m3. • De ruimte moet goed geventileerd worden. • Er mogen geen andere apparaten zijn die lucht nodig hebben om te werken. • De minimale afstanden beschreven in figuur 9 Figuur 9 - Minimale afstand tot wan-den voor eenheden zonder leidingen
16dienen te worden gerespecteerd.3.1. Volgorde van opstellen Zodra de warmtepomp in een ruimte is geplaatst met kenmerken zoals gespecificeerd in de vorige paragraaf, kan de warmtepomp worden voorbereid in de volgorde zoals hieronder beschreven: 1. Haal de verpakking van de pallet. 2. Haal de verpakkingsmaterialen van de pallet. 3. Haal de warmtepomp van de pallet en plaats deze op de grond. 4. Stel de warmtepomp verticaal bij door de voeten aan te passen. 5. Controleer of de warmtepomp geen schade heeft. 6. Zet het watercircuit op (zie hoofdstuk 4) en vul het reservoir met water. 7. Zet het luchtcircuit op (zie hoofdstuk 5). 8. Stel de elektrische aansluitingen in (zie hoofdstuk 6).Wanneer de warmtepomp wordt gevoed met elektriciteit, begint deze automatisch te lopen in zijn standaard werking volgens de fabrieksinstellingen zoals beschreven in hoofdstuk 7. Deel 10 - Volgorde van opstellen
17QN3QN8 QN7QN4QN6QN5GP1 RM4RM3XL1XL9XL2XL4XL54. WATERCIRCUITHet watercircuit dient volgens de plaatselijke normen te worden geïnstalleerd. Het gebruikte water moet drinkwater zijn. In het gehele systeem moet materiaalcompatibiliteit worden gewaarborgd. Onjuiste materiaal combinaties in het tapwater circuit kunnen leiden tot schade door corrosie. Dit vereist bijzondere aandacht bij het gebruik van verzinkte componenten en componenten die koper bevatten. De buismaten voor installatie op locatie moeten worden gebaseerd op de beschikbare waterdruk, evenals het verwachte drukverlies in het leidingsysteem.
Zoals bij alle drukvaten moet het waterreservoir van de warmtepomp een goedge-keurde veiligheidsklep hebben (drukinstelling afhankelijk van de lokale voorschriften) en een terugslagklep hebben op de koudwaterinvoer.De volgende afbeelding toont de voorgestelde configuratie op het watersysteem, met de mogelijkheid om een recirculatie circuit op te nemen. Deze laatste verbinding is optioneel.XL1: Waterinvoerpijpaansluiting XL2: Waterinvoerpijpaansluiting XL4: Bovenkant spiraalXL5: Onderkant spiraalXL9: Watercirculatie-aansluiting QN3: Afsluitklep waterafvoerQN4: Afsluitklep waterinvoerQN5: AfvoerklepQN6: VeiligheidsklepQN7: Afsluitklep pompinvoerQN8: Afsluitklep pompuitvoerRM3: TerugslagklepRM4: Terugslagklep watercirculatieGP1: WatercirculatiepompFiguur 11 – Schema van voorgestelde watercircuitaansluitingen
184.1. Wateraansluitingen Vuil in de leidingen moet worden vermeden. Na de installatie van de externe leidingen: doorspoelen indien nodig voor aansluiting van de warmtepompboiler. Als er geen circulatie van water nodig is, moet u ervoor zorgen dat de circulatie-aan-sluiting goed is afgedicht.Bij de installatie van de leidingen moet u ervoor zorgen dat de leidingverbindingen niet overmatig worden belast. Gebruik een pijpsleutel om de torsiekrachten te ontspannen op de leidingverbindingen. De warm waterleiding moet worden geïsoleerd om warmteverlies naar de omgeving te verminderen waardoor de kans op verwondingen en brandwonden verminderd wordt.4.2. Locatie van verbindingsleidingen De warm waterleiding is gemonteerd op de bovenste aansluiting. Als de warmtepomp wordt gevuld middels circulatie leiding, wordt de middelste aan-sluiting gebruikt voor warmwater retour.
De invoer van het koude water wordt aange-bracht op de onderste aansluiting. 4.3. Aansluiting condensafvoer Als de warmtepomp draait, wordt con-dens gevormd die naar de rioolput moet worden geleid via de condensafvoerlei-ding, Ø 19 mm aansluiting buiten. De hoe-veelheid condens is afhankelijk van de vochtigheid van de luchtstroom en de temperatuur van de lucht. De condensaansluitstomp moet zijn voor-zien van een luchtdichte sifon en moet naar een afvoer lopen. De sifon moet een staande waterkolom bevatten van ten minste 60 mm. Het niet installeren van een sifon kan leiden tot schade aan het toestel. Als de sifon niet correct is geïnstalleerd, is de productgarantie niet geldig.Figuur 12 - Condensafvoer
194.4. Solar spiraal aansluiting (optioneel)In de warmtepomp kan een extra warmtewisselaar worden geïnstalleerd. In de dom-pelbuis van de thermostaatsensor kan er ook een sensor worden geplaatst om de externe aansluitingen bijv. oliebrander, houtbrander etc. te controleren. De maximale inlaattemperatuur van de verwarmingsspiraal is 90° C. Wanneer het risico bestaat dat de inlaat temperaturen boven 90° C komen, moet de installateur een extern apparaat installeren dat een hoge inlaattemperatuur van de verwarmingsspoel voorkomt. 4.5. Veiligheidsinstructies – Watercircuit • Er mag alleen drinkwater worden gebruikt. • Tijdens de installatie moet aandacht worden besteed aan de keuze van de materia-len en er moet voor worden gezorgd dat gekozen materialen probleemloos samen-werken in het gehele circuit.
• Speciale aandacht moet worden besteed bij het gebruik van verzinkte componenten en componenten die aluminium bevatten. • Er moet veiligheidsuitrusting worden geïnstalleerd om overdruk in het systeem te voorkomen. Gebruik altijd een veiligheidsklep met een maximale overdruk volgens het typeplaatje van de eenheid en een afsluiter (goedgekeurd volgens de regelge-ving voor verwarming en sanitair). Alle leidingen moeten worden geïnstalleerd vol-gens de regelgeving voor sanitair en verwarming. • De afvoerleiding van de overdrukklep (veiligheidsklep) moet vorstvrij en met een helling van het apparaat af worden geïnstalleerd. De leiding moet ook aan de atmo-sfeer worden opengelaten. • Temperaturen boven 90° C in de verwarmingsspoel kunnen leiden tot overmatige druk in het koelcircuit.
20 4.6. LektestNa installatie is het noodzakelijk om te controleren of de gehele waterinstallatie dicht is. Dit wordt bereikt door een lektest uit te voeren.4.7. Inbedrijfstelling van het watercircuitVul het waterreservoir via de aansluiting voor koud water. Ontlucht het waterreser-voir door een van de warmwater kranen op het hoogste niveau te openen tot er bij het tappunt geen lucht meer verschijnt.Controleer enkele dagen na de eerste installatie en het opstarten de installatieop lekkage in de waterinstallatie of verstopping van de condensafvoer.
215. LUCHTSYSTEEMDe inlaatlucht mag niet worden vervuild met agressieve componenten (ammoniak, chloor enz. ) aangezien samenstellende componenten van de warmtepomp kunnen worden beschadigd. De lucht dient eveneens vrij te zijn van stof en andere deeltjes. Inlaat- en uitlaatkanalen moeten te zijn vervaardigd van stijve, gladde buizen om druk-verliezen te minimaliseren. Houd rekening met de ventilatorwerkdruk en de leiding-drukverliezen tijdens dimensionering van het leidingsysteem (zie technische gegevens). De twee aansluitingen op de warmtepomp zijn Ø 160 mm. Aangeraden wordt om de luchtkanalen bij de warmtepomp, geëgaliseerd of met een kleine inlaat te installeren, om binnendringen van condenswater van het kanaalsysteem naar de warmtepomp te voorkomen. Alle luchtkanalen moeten worden geïsoleerd nadat ze zijn geïnstalleerd om warmte-verlies en het geluidsniveau te verminderen.
Isolatie moet worden aangebracht om te beschermen tegen externe condens op het koude afvoerkanaal. Aanbevolen wordt een flexibele aansluiting te monteren tussen het luchtkanaal en de kanaalaansluiting om het toekomstige onderhoud van de eenheid te vergemakkelijken. Ook wordt aanbevolen om dempers te installeren tussen de warmtepomp en het venti-latiesysteem om mogelijke verplaatsing van het geluid van de warmtepomp naar het ventilatiesysteem te vermijden. De warmtepomp is ontworpen om te werken met verschillende luchtkanaalconfigura-ties: 1) Warmtepomp zonder leidingen, omgevingslucht. De warmtepomp onttrekt warmte aan de omgevingslucht en verlaagt de luchttemperatuur tot 5-15° C bedrijfsomstandigheden. Aangezien de lucht wordt omgeleid naar de ruimte, is deze configuratie vooral interessant tijdens de zomerperiode.
Deze configuratie wordt niet aanbevolen voor winterperiodes, vooral als de ruimte waarin het toe-stel zich bevindt, wordt verwarmd door andere apparaten. 2) Warmtepomp gedeeltelijk met leidingen, omgevingslucht.
22 3) Warmtepomp met leidingen, externe lucht. Deze configuratie minimaliseert de temperatuurdaling van de installatieplaats, aangezien er geen contact is tussen de lucht in de ruimte en de lucht door de warmtepomp. Aanbevolen wordt de inlaatbuis ver van en eventueel boven de uitlaatbuis te plaatsen om de recircula-tie van koude lucht in de warmtepomp te minimaliseren. 4) Warmtepomp met luchtkanalen, uitlaatlucht. Dit is de configuratie die normaal het elektriciteitsverbruik van de warmtepomp minimaliseert. Deze is met name aan te bevelen als er geen behoefte is aan koeling op de plaats van installatie.Figuur 13 – Configuratie luchtkanalen
23Het apparaat is meestal voorzien van twee luchtkanaalaansluitingen met een kunst-stof net met een beschermende functie (figuur 14). Als het apparaat wordt gebruikt als warmtepomp met luchtkanalen, wordt sterk aan-bevolen om het kunststof net handmatig met een tang te verwijderen. Door deze bewerking kan de warmtepomp efficiënter draaien, omdat het luchtdrukverlies in de luchtcircuits wordt geminimaliseerd. Figuur 14 - Standaardaansluiting voor gebruik met omgevingslucht, warmtepomp zonder luchtkanalen. Figuur 15 - Aansluiting voor gebruik bij warmte-pomp met luchtkanalen.
24NNRXGND(0V)GND(0V)LLTXFANSUPPLY WIFI WIFIHygrostat switchResistor 10Kohm 0.5WattES1028_1A 6. ELEKTRISCHE AANSLUITINGENDe warmtepomp moet worden gevoed op 220-240V en 50 Hz. De eenheid is voorzien van een standaard geaarde stekker. Als lokale regelgeving vaste installatie voorschrijft of indien de geleverde stekker geen correcte aarding garandeert, moet de geaarde stekker van de voedingskabel worden geknipt.Wanneer de eenheid wordt aangesloten op de voeding, zal deze automatisch worden ingeschakeld en start de eenheid automatisch. • De eerste keer dat de eenheid wordt ingeschakeld, zal deze gaan werken volgens de fabrieksinstellingen. • Als sommige regelinstellingen worden gewijzigd, zal de eenheid starten met dezelfde instellingen van de vorige uitschakelingsomstandigheden.6.1. Elektrisch schemaFiguur 16 - Bedradingsschema
25 7. CONTROLE EN BEDIENING 7.1. OpeningsweergaveHet apparaat kan worden bediend vanaf het bedieningspaneel beschreven in figuur 17. Vanaf het beginscherm kunnen alle belangrijke operationele standen, functies, instel-punten en informatie over de eenheid worden bereikt. Figuur 17 – Display, bedieningspaneel 1: Status elektrische verwarming (AAN/UIT) 2: Hoofdmenu (Kan worden geopend door te drukken op ) 3: OK/Enter 4: Modus (wijzigen met of ) 5: Scroll omlaag 6: Scroll omhoog 7: Terug 8: Informatie (openen met ) 9: Temperatuurinstelpunt 10: Werking warmtepomp (warmtepomp, ventilatie, ontdooien) 11: Tijd
26Het bovenste gedeelte van het scherm geeft informatie over de werking van de een-heid, tijd- en temperatuurinstelpunt. Dit deel is passief en wordt automatisch veran-derd.Het onderste deel van het scherm is actief, wat betekent dat het pictogram op het scherm andere menu-items bevat. Dit onderdeel bestaat uit drie menu's: • INFORMATIEMENU (8), dat kan worden geactiveerd door te drukken op ( ) • MODUSMENU (4), dat kan worden geactiveerd door te drukken op ( ) of ( ) • HOOFDMENU (2), dat kan worden geactiveerd door te drukken op ( ) Het HOOFDMENU bestaat uit 4 submenu's: – Temperaturen – Functies – Algemeen – InstallateurDe menu-items met een * zijn optioneel.7.2. InformatiemenuHet informatiemenu kan worden geopend door op knop ( ) te drukken vanuit de openingsweergave. Dit menu geeft alle operationele informatie van de eenheid.
De beschikbare informatie is verdeeld in vier groepen: • Temperaturen (T) • Verzamelde gegevens over de werking van de eenheid en prestaties (I) • De toestand van de relais van het apparaat (R) • De fouten en alarmen van de eenheid (Er)Alle informatie die kan worden weergeven in het informatiemenu, wordt beschreven in de volgende tabel. Alle temperaturen zijn in ° C.
27 Klasse Code Menu-item OmschrijvingT T1 T luch i De luchttemperatuur bij de inlaat van de eenheid T2 T luch o De verdampertemperatuur bij de uitlaat van de warmtepomp T3 T buff t De watertemperatuur boven in de warmtepomp T4 T buff b* De watertemperatuur onder in de warmtepomp T5 T extra* De temperatuur gemeten door de extra sensorV V1 Vent % De huidige snelheid van de ventilator in % V2 Het huidige ingangssignaal in GC1 (0-10V) van het fotovolta-Input V*isch paneel of de hygrostaat in voltI I1 HP hr Het totale aantal uren dat de compressor heeft gedraaid I2 EL hr Het totale aantal uren dat de elektrische verwarmingselement heeft gedraaid I3 Vent hr Het totale aantal uren dat de ventilator heeft gedraaid I4 T avg a De gemiddelde luchttemperatuur met de draaiende warmte-pomp wordt weergegeven in ° C sinds de laatste keer dat alles werd gereset I5 T avg f De gemiddelde verdampertemperatuur van de draaiende een-heid in in ° C sinds de laatste keer dat alles werd gereset I6 WP AAN Het aantal START/STOPS voor de gehele levensduur van de warmtepomp sinds de laatste keer dat alles werd gereset I7 Het berekende actuele elektriciteitsverbruik in W sinds de W ellaatste keer dat alles werd gereset I8 MWh el Het berekende totale elektriciteitsverbruik in MWh sinds de laatste keer dat alles werd gereset I9 De berekende actuele verwarmingscapaciteit wordt weerge-W thgeven in W I10 MWh th De totaal berekende warmwaterproductie wordt weergegeven in MWh sinds de laatste keer dat alles werd gereset I11 EL MWh Het elektriciteitsverbruik van de elektrische weerstand in MWh sinds de laatste keer dat alles werd geresetR R1 Extra* De werking van het extra relais, bijvoorbeeld voor het gebruik van een circulatiepomp R2 Ontd De werking van het relais dat de elektromagnetische klep regelt voor de ontdooifunctie wordt weergegeven R3 Vent De ventilatorsnelheid wordt weergegeven in %.
287.3. BedrijfsmodusEr kunnen verschillende strategieën om het water te verwarmen worden geselecteerd in het bedieningspaneel door op 5 of 6 te drukken (scroll omlaag of omhoog) vanuit het beginscherm.
De mogelijke bedrijfsmodi waaruit kan worden gekozen, zijn te vinden in de volgende tabel: Figuur 18 – Bedrijfsmodi Klasse Code Menu-item OmschrijvingEr Er1 Error 1 Temperatuursensor T1 is buiten bereik Er2 Error 2 Temperatuursensor T2 is buiten bereik Er3 Error 3 Temperatuursensor T3 is buiten bereik Als T3 Fout optreedt, verwarmt de warmtepomp het water op geen enkele wijze Er4 Temperatuursensor T4 is buiten bereik Fout Er4 wordt Error T4*genegeerd en de warmtepomp loopt normaal Er5 Temperatuursensor T5 is buiten bereik Fout Er5 wordt Error T5*genegeerd en de eenheid loopt normaal Er6 Err HP De drukschakelaar wordt geopend wanneer de druk in het koudemiddel circuit boven de grens is van de druk die wordt aangegeven op de hogedrukschakelaar Er7 Err Ford De temperatuursensor T2 is boven T1 + 2° C gedurende meer dan een uur Er8 Err C Ford Temperatuur T2 is onder - 25° C Er9 Err H Ford Temperatuur T2 is boven D11 (Verdamper T-max) Er10 Filter Vervang filter Het alarm wordt weergegeven op het hoofd-scherm, maar de werking van de warmtepomp wordt niet beïnvloed.
29Opmerking: de eenheid kan worden uitgeschakeld door over te schakelen naar de VAKANTIE-modus. Code Naam instelpunt Omschrijving P1 AUTOMA-TISCHDe warmtepomp verwarmt het water wanneer dat wordt gewenst, nor-maal via de werking van de warmtepomp. De warmtepomp start wanneer de temperatuur van het water T3 meer dan 5° C onder A1 (T Automatisch) is en stopt wanneer deze temperatuur is bereikt. Als de luchttemperatuur buiten de haalbare grenzen is, wordt het water verwarmd met de elektri-sche verwarming. P2 ECO De warmtepomp verbruikt zo weinig mogelijk energie. De warmtepomp heeft een lager watertemperatuurinstelpunt A2 (T ECO). De warmtepomp verwarmt het water tot een lagere temperatuur in vergelijking met de andere bewerkingen. P3 BOOST De warmtepomp en het elektrisch verwarmingselement werken tegelij-kertijd indien mogelijk.
De eenheid start wanneer de temperatuur van het water T3 meer dan 5° C onder A3 is (T BOOST) en stopt wanneer deze temperatuur is bereikt. Als A3 (T BOOST) hoger is dan D33 (T HP max), stopt de compressor wanneer de temperatuur D33 (T HP max) is bereikt. De resterende temperatuurstijging wordt bereikt met alleen het elek-trisch verwarmingselement. P4 BACKUP Dit is een noodmodus. Wanneer een fout optreedt, waardoor de warm-tepomp niet kan werken, kan het water niet worden verwarmd. Op het display wordt de gebruiker de mogelijkheid geboden om de BACK-UP-mo-dus te activeren. In de BACK-UP-modus wordt het water verwarmd door de elektrische verwarming op een lagere dan de gewenste temperatuur. De legionellacontrole is in elke situatie actief. De eenheid start wanneer de temperatuur van het water T3 meer dan 5° C onder D12 (BACKUP T) is en stopt wanneer deze temperatuur is bereikt.
P5 STIL De ventilatorsnelheid gaat terug tot een minimum om het geluid van de werkende warmtepomp te minimaliseren. De warmtepomp start wanneer de temperatuur van het water T3 meer dan 5° C onder T1 (T Automatisch) is en stopt wanneer deze temperatuur is bereikt.
P6 VAKANTIE De warmtepomp wordt uitgeschakeld en alleen het LCD-display is actief. De warmtepomp wordt niet gestart wanneer waterverwarming is vereist. De compressor is UIT behalve tijdens LEGIONELLA-controle waarin deze kan worden geactiveerd. De VAKANTIE-modus is aangesloten op de Warm op tijd-functie B4 (Warm op tijd). Nadat de VAKANTIEperiode is voltooid, gaat de eenheid terug naar de vorige bedrijfsmodus.
307.4. HoofdmenuDit menu openen vereist een goed inzicht in de werking van de eenheid. Het wordt zeer aanbevolen om de beschrijving van de volgende menu-items te lezen en goed te begrij-pen. Het wijzigen van deze instelpunten kan grote gevolgen hebben voor hoe het toe-stel werkt en presteert. Het hoofdmenu is onderverdeeld in vier delen:• Temperaturen• Functies• Algemeen • Installateur 7.4.1. TemperaturenDe temperatuurinstelpunten kunnen worden gewijzigd onder het menupunt "tempera-turen". Verschillende temperatuurinstelpunten kunnen worden aangepast overeen-komstig de relatieve bedrijfsmodus. Alle temperaturen zijn in ° C.CodeNaam instel-punt Omschrijving Bereik Fabrieksin-stelling A1 Het temperatuurniveau waarbij de warmtepomp T AUTOhet water verwarmt wanneer de Automa-tisch-modus is geselecteerd.
De warmtepomp wordt gestart als de temperatuur van het water in T3 5°C onder het instelpunt komt. 50 - 60 53 A2 T ECO Het temperatuurniveau waarbij de warmtepomp het water verwarmt wanneer de ECO-modus is geselecteerd. De warmtepomp wordt gestart als de temperatuur van het water in T3 5°C onder het instelpunt komt. 50 - 55 50 A3 T BOOST Het temperatuurniveau waarbij de eenheid het water verwarmt wanneer de BOOST-modus is geselecteerd. De warmtepomp wordt gestart als de temperatuur van het water in T3 5°C onder het instelpunt komt. 50 - 65 55Figuur 19 – Hoofdmenu
317. 4. 2. FunctiesDe functies zijn vergelijkbaar met de bedrijfsmodi maar ze kunnen niet rechtstreeks worden geopend vanuit de openingsweergave en ze kunnen van eenheid tot eenheid variëren. Aangezien SOLAR, VLOER en KOELING (zogenaamde extra functies) niet gelijktijdig kunnen worden gebruikt, moet de keuze van deze functies plaatsvinden vanuit het menu Installateur (D26 Extra functie). In het functiemenu wordt normaal gesproken slechts één van deze extra functies weergegeven. Het functiemenu wordt beschreven in de volgende tabel. Code Naam instelpunt Omschrijving Bereik Fabrieksin-stellingB1UIT De ventilator wordt uitgeschakeld wanneer de warmtepomp niet draait. UIT/Enkele snelheid/Dubbele snelhedenUITEnkele snelheidDe ventilator loopt altijd op een vaste snelheid (B2 ventilatorsnelheid), zowel als de warmte-pomp werkt als wanneer deze niet werkt.
Dubbele snelhedDe ventilator is altijd in werking maar loopt nor-maal op een hogere snelheid D6 (Automatische snelheid) wanneer de warmtepomp actief is en op (B2 Ventilator snelheid) als de pomp niet actief is. B2 Ventilator snelheidDe belangrijkste ventilatorsnelheidsregeling voor de ventilatorfunctie. Er zijn drie ventilatieniveaus waaruit kan worden gekozen: LAAG D5 (Min. ventilator snelheid), MEDIUM D4 (Med. ventilator snelheid) HOOG D3 (Max. ventilator snelheid). LAAG/ MEDIUM/HOOGHOOGB3StandaardMet het laag tarief is het mogelijk dat het elektrisch verwarmingselement en de warmte-pomp alleen werken tijdens perioden met lage energieprijzen, volgens het menu-item dat het programma van het laag tarief regelt, D17/D18 (Laag tarief dordeweeks/weekenden). De eenheid werkt alleen tijdens de vooraf gedefi-nieerde uren van de dag.
UIT/Stan-daard/Optimale 1/Optimale 2UITOptimale 1Met deze functie is het mogelijk om optimaal ren-dement te halen uit de lagere elektriciteitsprijs met het nachttarief tussen 00:00 en 05:00 u. Optimale 2Met deze functie is het mogelijk om optimaal ren-dement te halen uit de lagere elektriciteitsprijs met het nachttarief tussen 00:00 en 05:00 u. Overdag werkt de eenheid volgens de daltarieven D17 en D18. VentilatieLaag tarief.
32Code Naam instelpunt Omschrijving Bereik Fabrieksin-stellingB4 Heet op tijdDe warmtepomp kan worden geprogrammeerd om warm water te leveren van 1 tot 30 dagen vanaf het moment waarop de functie is geactiveerd en de VAKANTIE-modus is geselecteerd. De warmte-pomp schakelt over naar de Automatisch-modus in het gewenste aantal dagen. Als UIT is geselec-teerd, is de functie niet actief. UIT/AAN UITB5UIT*De PV-functie is niet actief. Als deze functie is geactiveerd, kunnen de warmtepomp en de elektrische verwarming alleen starten als de in-gangsspanning in GC1 (0-10V) langer dan D22 (PV min tijd) hoger is dan D20/D21 (PV min Voltage WP/EL).UIT/ ECO/OP-SLAG UITPV ECO*De PV-functie maakt waterverwarming alleen met de warmtepomp mogelijk totdat het tempera-tuurinstelpunt is bereikt, dat is bepaald door de Bedrijfsmodus.
PV OPSLAG*Dankzij de PV-functie kan de waterverwarming het maximale temperatuurniveau bereiken, waar-bij prioriteit wordt gegeven aan de werking van de warmtepomp als de modus BOOST of BACKUP niet actief is. De warmtepomp werkt alleen tot de maximum toegestane temperatuur van de warmtepompwerking D33 (T HP Max) is bereikt. De elektrische verwarming werkt alleen vanaf D33 tot de maximum toegestane temperatuur D9 (T-water max). B6 Solar*Met de Solar-functie kan het water worden verwarmd door de zonnecollector, waarbij een waterpomp wordt geactiveerd, geregeld door het extra relais (GP1). De pomp start wanneer T5 > T3 + D24 (Solar DT min). De pomp stopt als de tem-peratuur in het reservoir boven D23 gaat (Solar T max) komt of als T5 lager is dan T3. UIT/AAN UIT B7 Vloer*De vloerverwarmingsfunctie activeert een externe circulatiepomp.
Als de temperatuur in de bodem van het reservoir T4 (T buff t) hoger is dan het instellingsmenu D25 (Vloer T start), wordt de vloerverwarmingsfunctie geactiveerd. Als de extra temperatuur T5 (T Extra) hoger is dan de vloerverwarmingstemperatuur (B8 Vloer T), stopt de circulatiepomp (Extra relais GP1).UIT/AAN UITFotovoltaïsch
337.4.3. AlgemeenIn Algemeen worden alle standaardinstellingen verzameld, die weinig of geen effect hebben op de werking van de warmtepomp, behalve het menu-item Reset. Het activeren van de functie Reset brengt alle instelpunten terug naar de fabrieksin-stellingen. De instelpunten van het menu Algemeen worden beschreven in de onderstaande tabel Code Naam instelpunt Omschrijving Bereik Fabrieksin-stelling B8 Vloer T* De gewenste vloerverwarmingstemperatuur in °C met hysteresis van 1K 15 - 40 35 B9 Koeling* De Koelfunctie kan worden geactiveerd. Zie Installateurmenu D28 (Koeling type).UIT/AAN UIT B10 Koeling T*Het luchttemperatuurinstelpunt (°C) waaronder de warmtepomp stopt, wanneer de warmtepomp in de Koelfunctie loopt. 10 - 30 21CodeNaam instel-punt Omschrijving Bereik Fabrieksin-stelling C0 ResetDe instelpunten in het gebruikersmenu worden gereset.
De meer geavanceerde instellingen kunnen worden gereset in het menu Installateur. De informatie als aantal uren van de compressor en de ventilator kan niet worden gereset. UIT/AAN UIT C1 Info De softwareversie wordt weergegeven. - - C2 Tijd Hier kan de tijd worden aangepast. - - C3 Datum Hier kan de datum worden aangepast. - - C4 Dag De dag van de week kan worden geselecteerd. - Maandag C5 Taal Er kunnen meer talen worden geselecteerd. - EngelsC6 Contrast De helderheid van het scherm kan worden aangepast. 0 -10 5
347. 4. 4. InstallateurHet menu Installateur moet alleen worden gebruikt door erkende installateur. Enkele instelpunten die in dit menu kunnen worden geregeld, kunnen grote gevolgen hebben voor de prestaties van de warmtepomp afhankelijk van het soort inbedrijfstelling en installatie. Er moet een goede match zijn tussen de installateur-instelpunten en het type installatie voor het optimaliseren van de prestaties en de levensduur van de warmtepomp. Om het menu Installateur te openen moet een wachtwoord van 4 cijfers worden ingevoerd. Het wachtwoord: 2016. Alle temperaturen worden uitgedrukt in °C. Code Naam instelpunt Omschrijving Bereik Fabrieksin-stelling D0 Reset allesAlle instelpunten worden teruggezet naar de oorspronkelijk fabrieksinstellingen. Ook worden het informatiemenu en de installateur-instel-punten gewijzigd.
UIT/AAN UIT D1 Errors Hier kunnen de alarmen van de warmtepomp worden gecontroleerd. - -D2 D2. 0 Adres Modbus-adres. Het Modbus-adres moet worden geselecteerd tussen 1 en 247. 1 -247 30D2. 1 BaudrateModus-baudrate De Modbus-baudrate moet worden geselecteerd tussen 19200 en 9600. 9600/ 19200 19200D2. 2 PariteitModbus-pariteit. Als Modbus-pariteit kan Even of Oneven worden gekozen maar de pariteit kan ook worden uitgeschakeld. Even / Oneven / GeenEvenD2. 3 Schrijf inschakelenModbus wijzigen. Als deze functie is geacti-veerd, kunnen de instelpunten worden gewijzigd voor ontwikkeling met een datalogger. UIT/AAN AAND3Max. ventilator snelheidDe maximale ventilatorsnelheid (%) kan worden geregeld. Dit is de hoogste limiet waarop de ventilator kan draaien wanneer de ventilatie-functie actief is en wanneer de warmtepomp in standaardmodus draait. 0 -100 70D4Med.
0 -100 40D6 AUTO-snel-heidDe automatische snelheid van de ventilator (%) wanneer de warmtepomp draait in AUTO- en ECO-modus kan worden geregeld. Dit is een nominale waarde, terwijl de snelheid van de ventilator automatisch de snelheid op een hoger niveau varieert, afhankelijk van de bedrijfsom-standigheden. 0 -100 57Modbus.
35Code Naam instelpunt Omschrijving Bereik Fabrieksin-stellingD7 T-lucht minDe minimale luchttemperatuur die is toege-staan tijdens de werking van de warmtepomp kan hier worden geregeld. Als T1 onder Air T min is, start de elektrische verwarming en deze werkt alleen totdat het instelpunt is bereikt. (Zelfs als de temperatuur van de lucht in de tussentijd stijgt).(-7) - (+10) -7D8 T-lucht max De maximale luchttemperatuur die is toege-staan tijdens de werking van de warmtepomp kan hier worden geregeld. 30 -40 40D9 T-water maxDe maximaal toegestane temperatuur in het reservoir. 55 -65 65D10 T-Stop ontdooienDe temperatuur van T2 waarbij de ontdooi-functie stopt. De ontdooifunctie is automa-tisch en komt niet vaker voor dan eens per uur. 0 -10 4D11 Verdam-per T-max De maximale luchttemperatuur die is toege-staan tijdens de werking van de warmtepomp kan hier worden geregeld.
Als T2 een hogere temperatuur dan de het instelpunt heeft, gebruik dan de elektrische verwarming. Deze functie is 10 minuten actief nadat de com-pressor is gestart. 10 -40 30 D12 Backup TDe watertemperatuur waarop de eenheid de back-upmodus stopt met alleen de elektri-sche verwarming. 0 -65 35 D13 LegionellaDe legionellafunctie kan worden geactiveerd. De legionellafunctie schakelt de warmtepomp niet in, maar voert de opwarmcyclus op tot een hogere temperatuur D14 (Legionella T). De legionellafunctie werkt alleen met de warmtepomp tot 60°C. De resterende tem-peratuurstijging wordt bereikt met alleen de elektrische verwarming. UIT/AAN UITD14 Legionel-la THet legionella-temperatuurinstelpunt kan worden geregeld. 60 -65 60D15 Legionella dag De legionella-weekdag kan worden ingesteld Maandag/ Zondag Zondag
36Code Naam instelpunt Omschrijving Bereik Fabrieksin-stellingD16 Gedwongen gebruikDe gedwongen werking van de warmtepomp kan hier worden geactiveerd. De warmtepomp start zelfs als er geen behoefte is aan warm water. De eenheid zal stoppen wanneer de maximum-temperatuur toegestaan door de warmtepomp is bereikt. Deze functie is te gebruiken voor testdoeleinden. Hij gaat weer UIT nadat een warmtecyclus is voltooid. UIT/AAN UITD17 Laag tarief dordeweeksDe start- en stoptijd van de lage elektriciteit-stariefperiode voor weekdagen. Er kunnen drie perioden worden geselecteerd.0 -230 -230 -23000D18 Laag tarief weekendenDe start- en stoptijd van de lage elektriciteit-stariefperiode voor weekends. Er kunnen drie perioden worden geselecteerd.0 -230 -230 -23000D19 Licht bespa-rings tijdZomertijd kan worden uitgeschakeld.
UIT/AAN AAND20 PV min Vol-tage WP*De minimale spanning (V) nodig om de HP te starten wanneer de PV-functie actief is. 0 -10 0D21 PV min Vol-tage EL*De minimale spanning (V) nodig om het elektrisch verwarmingselement te starten wanneer de PV-functie actief is. 0 -10 0 D22 PV min tijd*De minimumtijd (minuten) waarop de ingangs-spanning van het PV-paneel boven het instel-punt D20/D21 (PV min Voltage WP/EL) moet zijn om de elektrische verwarming of warmte-pomp te starten wanneer de PV-functie actief is. D22 regelt ook de minimale operationele tijd van de warmtepomp wanneer gestart door de PV-functie. 1 -120 15 D23 Solar T max* De maximaal toegestane temperatuur (°C) in de zonnecollector. 55 -89 89D24 Solar DT min*Het minimumtemperatuurverschil (°C) tussen de zonnecollector en het reservoir.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Nibe MT-WH21-026-FS stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Warmtepomp Nibe
Handleiding Warmtepomp
Nieuwste handleidingen voor Warmtepomp