Nefit EnviLine A-W Monoblock E - B Handleiding

Nefit Warmtepomp EnviLine A-W Monoblock E - B

Bekijk gratis de handleiding van Nefit EnviLine A-W Monoblock E - B (60 pagina’s), behorend tot de categorie Warmtepomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 613 mensen en kreeg gemiddeld 4.4 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over Nefit EnviLine A-W Monoblock E - B of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/60
Installatie-instructie
EnviLine A/W Monoblock E / B
6 720 809 064-00.2I
IDU Monoblock 5-9 E/B
IDU Monoblock 13-17 E/B
6 720 817 812 (2015/08)

Beoordeel deze handleiding

4.4/5 (2 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Nefit
Categorie: Warmtepomp
Model: EnviLine A-W Monoblock E - B

Handleiding Nefit EnviLine A-W Monoblock E - B – volledige tekst

▶ Houd de veiligheids- en waarschuwingsinstructies aan. ▶ Houd de nationale en regionale voorschriften, technische regels en richtlijnen aan. ▶ Documenteer uitgevoerde werkzaamheden. Bedoeld gebruikDe warmtepomp mag alleen in gesloten cv-installaties voor privégebruik worden toegepast. Ieder ander gebruik komt niet overeen met de voorschriften. Daaruit re-sulterende schade valt niet onder de fabrieksgarantie. Installatie, inbedrijfstelling en onderhoudInstallatie, inbedrijfstelling en onderhoud mogen alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd. ▶ Gebruik alleen originele reserve-onderdelen. Elektrotechnische werkzaamhedenElektrotechnische werkzaamheden mogen alleen door elektrotechnici worden uitgevoerd. ▶ Voor elektrotechnische werkzaamheden:– Schakel de netspanning over alle polen uit en borg deze tegen herinschakelen. – Controleer de afwezigheid van elektrische spanning.

▶ Houd de aansluitschema's van de overige installatiedelen ook aan. Overdracht aan de eigenaarLeg bij de overdracht aan de gebruiker het gebruik en bediening van de cv-installatie uit. ▶ Leg de bediening uit.

Ga daarbij in het bijzonder in op alle veiligheids-relevante handelingen. ▶ Wijs erop, dat ombouw of reparatie alleen door een erkend installa-teur mag worden uitgevoerd. ▶ Wijs op de noodzaak tot inspectie en onderhoud voor een veilige en milieuvriendelijke werking. ▶ Geef de installatie- en gebruikersinstructies aan de eigenaar in bewa-ring. Veiligheidsinstructies in de tekst worden aangegeven met een gevarendriehoek. Het signaalwoord voor de waarschuwing geeft het soort en de ernst van de gevolgen aan indien de maatregelen ter voorkoming van het gevaar niet worden nageleefd. Belangrijke informatie zonder gevaar voor mens of mate-rialen wordt met het nevenstaande symbool gemar-keerd. Symbool Betekenis▶ Handeling Verwijzing naar een andere plaats in het document• Opsomming– Opsomming (2e niveau)Tabel 1.

1 Informatie over de binnenunitDe binnenunits IDU Monoblock B/E zijn bedoeld voor opstelling binnens-huis en aansluiting op buitenshuis geplaatste buitenunits van het type ODU Monoblock (5-17). Mogelijke combinaties:IDU Monoblock E beschikt over een geïntegreerde elektrische bijverwar-ming. IDU Monoblock B is bedoeld voor een externe bijverwarming in de vorm van een elektrische, oliegestookte of gasgestookte bijverwarming. 3. 2 GebruikDe binnenunit mag alleen in gesloten cv-installaties conform EN 12828 worden ingebouwd. Andere toepassingen zijn niet conform de bedoeling. Daaruit resulteren-de schade valt niet onder de fabrieksgarantie. 6 720 809 064-01. 4T123456121110789De installatie mag alleen door overeenkomstig opgeleid vakpersoneel worden uitgevoerd.

5IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Algemeen 33. 3 Minimale installatievolume en uitvoering van de cv-installatieOmdat de eisen voor verschillende warmtepompinstallaties sterk varië-ren, wordt over het algemeen geen minimum installatievolume opgege-ven. In plaats daarvan gelden voor alle warmtepompinstallaties de volgende voorwaarden:Ongemengd vloerverwarmingscircuit zonder buffervatOm de buitenunit en ontdooifunctie te waarborgen, moet minimaal 22 m² verwarmbaar vloeroppervlak beschikbaar zijn. Verder moet in de grootste ruimte (referentieruimte) een kamerthermostaat zijn geïnstal-leerd. De door de kamerthermostaat gemeten kamertemperatuur wordt meegenomen bij de berekening van de aanvoertemperatuur (principe weersafhankelijke regeling met kamerinvloed). Alle zonekranen van de referentieruimte moeten volledig zijn geopend.

Onder bepaalde omstan-digheden kan de elektrische bijverwarming worden ingeschakeld, om een volledige ontdooifunctie te waarborgen. Dit is afhankelijk van het beschikbare vloeroppervlak. Ongemengd radiatorcircuit zonder buffervatOm de buitenunit en ontdooifunctie te waarborgen, moeten minimaal 4 radiatoren met elk minimaal 500 W vermogen aanwezig zijn. Let erop, dat de thermostaatkranen van deze radiatoren geheel zijn geopend. "Wanneer aan deze voorwaarde binnen een woonzone kan worden vol-daan, wordt een kamerthermostaat voor deze referentieruimte geadvi-seerd, zodat met de gemeten kamertemperatuur bij de berekening van de aanvoertemperatuur rekening kan worden gehouden. Onder bepaal-de omstandigheden kan de elektrische bijverwarming worden ingescha-keld, om een volledige ontdooifunctie te waarborgen. Dit is afhankelijk van het beschikbare radiatoroppervlak.

Let erop, dat de thermostaatkranen van deze radiatoren geheel zijn geopend. Onder bepaalde omstandigheden kan de elektrische bij-verwarming worden ingeschakeld, om een volledige ontdooifunctie te waarborgen. Dit is afhankelijk van het beschikbare radiatoroppervlak. BijzonderhedenWanneer beide cv-circuits verschillende bedrijfstijden hebben, dan moet elk cv-circuit afzonderlijk de buitenunitfunctie kunnen waarbor-gen. Let er in dat geval op dat minimaal 4 radiatorkranen van de onge-mengde cv-groep volledig zijn geopend en voor de gemengde cv-groep (vloer) minimaal 22 m² vloeroppervlak ter beschikking staat. In dit geval worden in de referentieruimten van beide cv-circuits kamerthermosta-ten geadviseerd, zodat met de gemeten kamertemperatuur bij de bere-kening van de aanvoertemperatuur rekening kan worden gehouden.

Onder bepaalde omstandigheden kan de elektrische bijverwarming wor-den ingeschakeld, om een volledige ontdooifunctie te waarborgen. Wan-neer beide cv-circuits identieke bedrijfstijden hebben, heeft het gemengde cv-circuit geen minimaal oppervlak nodig, omdat met de 4 constant doorstroomde radiatoren de buitenunitfunctie wordt gewaar-borgd. Een kamerthermostaat in de buurt van de geopende radiatoren is raadzaam, zodat de buitenunit de aanvoertemperatuur automatisch aanpast. Alleen gemengde cv-groepen (geldt ook voor cv-groepen met venti-latorconvectoren)Om te waarborgen dat voldoende energie voor de ontdooifunctie be-schikbaar is, is een buffervat met minimaal 50 liter voor de buitenunits ODU 5s t/m 9s nodig en 120 liter voor de buitenunits ODU 13t t/m 17t nodig. 3. 4 TypeplaatDe typeplaat van de binnenunit bevindt zich op de schakelkast achter defrontafdekking. 3.

5 Transport en opslagDe binnenunit moet altijd rechtop worden getransporteerd en opgesla-gen. Deze kan indien nodig tijdelijk worden gekanteld. De binnenunit niet bij temperaturen onder – 10 °C transporteren of op-slaan. 3. 6 Opstellen van de binnenunit• Binnenunit binnenshuis opstellen.

De leidinginstallatie tussen de bui-tenunit en de binnenunit moet zo kort mogelijk zijn. Geïsoleerde lei-dingen gebruiken ( hoofdstuk 7. 6). • Uit het overstortventiel ontsnappend water weg van de binnenunit leiden naar een vorstvrije afvoer. • De opstellingsruimte moet een afvoer hebben. 3. 7 Voor de installatie te controleren▶ Controleer of alle leidingaansluitingen intact zijn en tijdens transport niet zijn losgeraakt. ▶ Voor de inbedrijfstelling van de binnenunit de cv-installatie en even-tueel aanwezige boiler en de buitenunit vullen en ontluchten. ▶ Sensor- en CAN-BUS-kabels moeten met een minimale afstand van 100 mm tot spanningvoerende kabels worden geïnstalleerd. 3. 8 WerkingsprincipeDe functie is gebaseerd op een vraaggestuurde regeling van het com-pressorvermogen met bijschakelen van de geïntegreerde/externe bij-verwarming via de binnenunit.

De bedieningsunit HMC300 stuurt de buitenunit aan conform de ingestelde stooklijn. Wanneer de buitenunit de warmtevraag van het huis niet alleen kan af-dekken, start de binnenunit automatisch de bijverwarming of externe bijverwarming, die samen met de buitenunit de gewenste temperatuur in het huis genereert. De warmwaterbereiding heeft voorrang ten opzichte van de verwarming en wordt via de sensor TW1 in de boiler (voor zover geïnstalleerd) aan-gestuurd. Tijdens de opwarmfase van de boiler wordt het cv-bedrijf van de cv-installatie tijdelijk via een 3-wegklep (accessoire) uitgeschakeld. Na het opwarmen van de boiler wordt het cv-bedrijf via de buitenunit voortgezet. CV- en warmwaterbedrijf bij uitgeschakelde buitenunitBij buitentemperaturen onder –20 °C (instelbaar) wordt de buitenunit automatisch uitgeschakeld.

In dit geval neemt de bijverwarming van de binnenunit of de externe bijverwarming de verwarming en warmwater-voorziening over. Om overmatig veel start/stop-cycli, een onvolledige ont-dooiing en onnodige alarmen te voorkomen, moet in de installatie voldoende energie worden opgeslagen.

2 Technische gegevens – binnenunit met elektrische bijverwarmingEenheid IDU Monoblock 5-9 B IDU Monoblock 13-17 B Elektrische gegevensStroomvoorziening V 2301)1) ~1N AC, 50 Hz, 2301)Aanbevolen zekering2)2) Zekeringkarakteristiek gL/CA10 10Aansluitvermogen kW 0,5 0,5Cv-systeemAansluittype (cv-aanvoer, buitenunit en aanvoer/retour van de bij-verwarming)1"-buitendraad 1"-buitendraadAansluittype (cv-retour) 1"-binnendraad 1"-binnendraadMaximale bedrijfsdruk kPa/bar 300/3,0 300/3,0Expansievat Niet geïntegreerd Niet geïntegreerdBeschikbare drukafname voor leidingen en onderdelen tussen de buiten- en de binnenunit kPa 3)3) Afhankelijk van de aangesloten buitenunit dient de installatie-instructie voor de buitenunit te worden geraadpleegd. 3)Minimaal debiet (bij ontdooiing) l/s 0. 32 0.

7IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Technische instructies 44. 3 Installatie-oplossingenBij bepaalde configuraties van de installatie zijn accessoires (buffervat, 3-wegklep, mengmodule, pomp) vereist. Wanneer een cv-pomp (PC1) is geinstalleerd, wordt deze door de regelaar in de binnenunit aange-stuurd. In de volgende situaties wordt aanbevolen om een elektrisch verwar-mingselement in de boiler te installeren:▶ Externe bijverwarming (cv-toestel) heeft een groot watervolume. ▶ Thermische desinfectie ter voorkoming van legionella met behulp van bijverwamer nodigDoor deze maatregelen bespaart u kosten en voorkomt u, dat het grote volume van de bijverwarmer alleen voor de thermische desinfectie op temperatuur wordt gebracht. 4. 3. 1 Legenda installatie-oplossingen4. 3. 2 Bypass in de cv-installatieAfb. 2 Binnenunit met cv-circuit en bypass[1] Bypass ( afb. 4) ( [1] tab.

8)[2] Aanvoer leidingdiameter ( [2] tab. 8)[3] Retour leidingdiameter ( [3] tab. 8)Afb. 3 Binnenunit (IDU) met cv-circuit en warmwatervoorziening[1] Bypass ( afb. 4) ( [1] tab. 8)[2] Aanvoer leidingdiameter ( [2] tab. 8)[3] Retour leidingdiameter ( [3] tab. 8)Afb. 4 Bypass detailaanzicht ( [1] afb. 2 en 3)[L] Minimumlengte bypass[D] DoorlaatDe buiten- en de binnenunit mogen alleen overeenkom-stig de officiële installatie-oplossingen van de fabrikant worden geïnstalleerd. Afwijkende installatie-oplossingen zijn niet toegestaan. Schade en problemen die ontstaan door een ontoelaat-bare installatie zijn van de aansprakelijkheid uitgesloten. Bij een externe bijverwarming zonder geintegreerde cir-culatiepomp moet extern een circulatiepomp worden ge-monteerd.

AlgemeenHC100 Installatieprintplaat in binnenunit geintegreerdHMC300 BedieningseenheidModuLine 1000H Kamerthermostaat (accessoire)T1 BuitentemperatuursensorMK2 Dauwpuntsensor (accessoire)CW1 Boiler (accessoire)VW1 3-wegklep (accessoire)TW1 Boilertemperatuursensor (accessoire, meegele-verd met IDU Monoblock 5-9 B/E en IDU Mono-block 13-17 B/E)PW2 Warmwatercirculatiepomp (accessoire)Tabel 5 AlgemeenZ1 Ongemengd cv-circuitPC1 Circulatiepomp, cv-circuitT0 Sensor aanvoertemperatuurTabel 6 Z1Z2 Menggroep (accessoire)MM100 Mengmodule (regelaar voor gemengde cv-groep)PC1 Pomp, cv-groep 2VC1 MengerTC1 Aanvoertemperatuursensor, cv-groep 2MC1 Verwarmingsafsluitklep, cv-groep 2Tabel 7 Z2Als geen buffervat is geïnstalleerd, is een bypass vereist. De bypass moet buiten een diameter van 22 mm (Cu) hebben en tussen aanvoer en retourleiding worden geïn-stalleerd.

• De CE markering geeft aan dat de apparaten die in deze handleiding worden beschreven, voldoen aan de volgende richtlijnen:– Europese Richtlijn 2004-108 van het Europees Parlement en de Raad van Europa over elektromagnetische compatibiliteit. – Europese Richtlijn 2006-95 van het Europees Parlement en de Raad van Europa over laagspanning. – Europese Richtlijn 1997-23 van het Europees Parlement en de Raad van Europa over de druk van apparatuur. – Europese richtlijn 2007-1494 van de Commissie van 17 decem-ber 2007 tot vaststelling, overeenkomstig richtlijn 2006-842 van het Europees Parlement en de Raad van Europa, van de vorm van etiketten. – En aanvullende etiketteringseisen betreffende producten en ap-paratuur die bepaalde gefluoresceerde broeikasgassen bevatten.

4 CV-installatie spoelenDe binnenunit is een onderdeel van een cv-installatie. Storingen aan de binnenunit zijn mogelijk door een gebrekkige waterkwaliteit in de radia-toren of slangen van de vloerverwarming of door een aanhoudend hoog zuurstofgehalte in de installatie. Door zuurstof worden corrosieproducten gevormd in de vorm van mag-netiet en afzettingen. Magnetiet heeft een slijpende werking, die in pompen, ventielen en on-derdelen met turbulente stroming tot uiting komt, bijvoorbeeld in de condensator. In cv-installaties die regelmatig moeten worden bijgevuld of waarbij ge-nomen watermonsters niet helder zijn, moeten voor de installatie van de buitenunit maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld door inbouwen van magnetietfilters en ontluchters. 7. 5 Checklist1. Aanvoer- en retourleidingen van de binnenunit monteren. 2.

Leidingafmetingen (mm) IDU Monoblock 5-17 BIDU Monoblock 5-17 EAanvoer cv-installatie 1"-buitendraad 1"-buitendraadRetour cv-installatie 1"-binnendraad 1"-binnendraadAanvoer/retour van de externe bijverwarming1"-buitendraadAanvoer/retour tussen binnen-en buitenunit1"-buitendraad 1"-buitendraadAfvoer overstortventiel Ø 32 Ø 32Tabel 10 LeidingafmetingenOPMERKING: Gevaar voor storingen door verontreini-gingen in de leidingen. Vaste stoffen, metaal-/kunststofspanen, hennep- en weefselbandresten en dergelijke materialen kunnen zich in pompen, ventielen en warmtewisselaars afzetten. ▶ Voorkom het binnendringen van vaste stoffen in het leidingsysteem. ▶ Leidingcomponenten en -verbindingen niet direct op de vloer plaatsen. ▶ Zorg er bij het ontbramen voor, dat geen spanen in de leidingen achterblijven.

OPMERKING: Let er bij het vervangen van de sensor op dat u de juiste sensor met de bijbehorende eigenschap-pen ( pagina 56) gebruikt. Gebruik van sensoren met andere eigenschappen veroorzaakt problemen, omdat de verkeerde temperatuur wordt aangestuurd. Dit kan leiden tot persoonlijk letsel of brandwonden dan wel ma-teriële beschadigingen door een te hoge of te lage tem-peratuur. Ook minder comfort kan het gevolg zijn van het gebruik van een verkeerde sensor. De kogelkraan met het deeltjesfilter wordt in de retour van de cv-installatie horizontaal gemonteerd. Let op de doorstroomrichting van het filter.

De afblaasleiding van het overstortventiel in de binnen-unit moet beschermd tegen vorst worden gemonteerd en zichtbaar eindigend in een afvoer uitmonden. Waterkwaliteit Waterhardheid < 3°dHZuurstofgehalte < 1 mg/lKoolstofdioxide, CO2< 1 mg/IChloorionen, Cl– < 200 mg/I1)1) Zie aanbeveling beschermingsanode in de documentatie van de boiler (voor zover aanwezig). Wanneer een beschermingsanode aanwezig is, moet deze bij de inbedrijfname worden bevestigd. Sulfaat, SO42– < 100 mg/IGeleidbaarheid < 350 μS/cmTabel 11 WaterkwaliteitOPMERKING: Schade aan de installatie door resten in de leidingen. Resten en deeltjes in de cv-installatie beïnvloeden de doorstroming en veroorzaken storingen. ▶ Spoel het leidingsysteem grondig door voor het aan-sluiten van de buitenunit, om vreemde deeltjes eruit te verwijderen. Elke installatie is individueel verschillend.

15IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Algemene installatie-instructie 78. Eventuele accessoires monteren (mengmodule, zonnemodule, zwembassinmodule enz. ). 9. Indien nodig EMS-BUS-kabel op accessoire aansluiten (hoofdstuk 8. 2). 10. Boiler vullen en ontluchten. 11. Indien ook accessoires worden gebruikt, moet de bijbehorende in-stallatie-instructie worden geraadpleegd. 12. voor de bedrijfsstart de cv-installatie vullen en ontluchten (hoofdstuk 9. 3. 1 of hoofdstuk 10. 3. 1). 13. Binnen- en buitenunit op het elektriciteitsnet aansluiten (hoofdstuk 8). 14. CV-installatie in bedrijf stellen. Daarvoor de benodigde instellingen via de bedieningsunit HMC300 uitvoeren (installatie-instructies bedieningseenheid HMC300). 15. CV-installatie ontluchten (hoofdstuk 11). 16. Controleer of alle sensoren correcte waarden weergeven (hoofdstuk 15). 17.

Deeltjesfilter controleren en reinigen (hoofdstuk 15). 18. Werking van de cv-installatie na de bedrijfsstart controleren ( in-stallatie-instructies bedieningsunit HMC300). 7. 6 IsolatieAlle warmtetransporterende leidingen moeten van een geschikte warm-te-isolatie conform de geldende voorschriften worden voorzien. Bij koelbedrijf moeten alle aansluitingen en leidingen conform de gel-dende voorschriften van een voor koeling geschikte isolatie worden voorzien. 7. 7 Bedrijf zonder buitenunit (standalone-bedrijf)De binnenunit kan zonder aangesloten buitenunit in bedrijf worden ge-nomen, bijvoorbeeld wanneer de buitenunit pas later wordt gemon-teerd. Dit wordt standalone-bedrijf genoemd. In standalone-bedrijf gebruikt de binnenunit uitsluitend de geïntegreer-de of de externe bijverwarming voor het verwarmen en voor de warmwa-terbereiding.

1 Dauwpuntsensoren (accessoire voor koelbedrijf) monte-renDe bewaking met dauwpuntsensoren stopt het koelbedrijf, wanneer condensvorming ontstaat op de leidingen van de cv-installatie. Conden-saat vormt zich tijdens koelbedrijf, wanneer de temperatuur van de cv-installatie onder de betreffende dauwpunttemperatuur ligt. Het dauwpunt varieert afhankelijk van de temperatuur van de luchtvoch-tigheid. Des te hoger de luchtvochtigheid, des te hoger moet de aanvoer-temperatuur zijn, zodat het dauwpunt wordt overschreden en er geen condensatie optreedt. De dauwpuntsensoren zenden een signaal aan de besturing, zodra deze condensvorming constateren. Het koelbedrijf wordt daardoor gestopt. Handleidingen voor installatie en gebruik zijn met de dauwpuntsensoren meegeleverd. OPMERKING: Materiële schade door vorst. Bij stroomuitval kan het water in de leidingen bevriezen.

Indien de binnenunit en de cv-installatie voor het aanslui-ten van de buitenunit worden gevuld, de aanvoer en re-tour richting de buitenunit met elkaar verbinden om circulatie te waarborgen. ▶ Alle eventueel aanwezige afsluiters in het circuit ope-nen. OPMERKING: Materiële schade door vocht. Alleen binnenunits met geïntegreerde elektrische bijver-warming zijn voor het koelbedrijf onder het dauwpunt voldoende tegen condensatie geïsoleerd. ▶ Binnenunits voor externe bijverwarming (bivalente installaties) mogen niet voor koelbedrijf onder het dauwpunt worden gebruikt. Een voorwaarde voor het koelbedrijf is de installatie van een kamerthermostaat (accessoire ModuLine 1000H en dauwpuntsensoren).

De installatie van een kamerthermostaat met geïnte-greerde vochtsensor (ModuLine 1000H; accessoire) vergroot de betrouwbaarheid van het koelbedrijf, omdat de aanvoertemperatuur in dit geval automatisch via de bedieningseenheid HMC300 in overeenstemming met het actuele dauwpunt wordt geregeld. OPMERKING: Materiële schade door vocht. Koelbedrijf onder het dauwpunt veroorzaakt neerslag van vocht op aangrenzende materialen (vloer). ▶ Vloerverwarmingen niet voor het koelbedrijf onder het dauwpunt gebruiken. ▶ De aanvoertemperatuur conform de installatie-in-structies van de bedieningseenheid HMC300 cor-rect instellen.

16 IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Algemene installatie-instructie77. 8. 2 Koeling alleen met ventilatorconvectorenIn bivalente installaties is onder het dauwpunt geen koelbedrijf mogelijk. Koelbedrijf met ventilatorconvectoren in bivalente installaties is alleen toegestaan als de ventilatorconvectoren zijn geconfigureerd voor bedrijf boven het dauwpunt en ook alleen in combinatie met kamerthermostaat ModuLine 1000H en dauwpuntsensoren. Wanneer uitsluitend ventilatorconvectoren met condensafvoer en geïso-leerde leidingen worden gebruikt, mag de aanvoertemperatuur tot 7 °C worden ingesteld. Voor een stabieler koelbedrijf wordt een temperatuur van minimaal 10 °C aanbevolen, omdat bij 5 °C de vorstbeveiliging wordt geactiveerd. 7.

9 Hoogrendement-circulatiepomp (PC0)De circulatiepomp PC0 (in IDU Monoblock 5-9 B/E en IDU Monoblock 13-17 B/E Geintegreerd) beschikt over een PWM-regeling (toerentalge-stuurd). De pompinstellingen worden op de bedieningseenheid HMC300 van de binnenunit overeenkomstig de betreffende cv-installa-tie uitgevoerd (handleiding bedieningseenheid HMC300). De pompsnelheid wordt automatisch ingesteld, zodat een optimaal be-drijf wordt gerealiseerd. 7. 10 Circulatiepomp voor cv-installatie (PC1)7. 11 Warmwaterboiler (accessoire) aansluitenAfb. 11 Toestel[1] KeerklepBoilers in verschillende afmetingen zijn leverbaar als accessoire. 7. 11. 1 Warmwatertemperatuursensor TW1Wanneer een boiler is aangesloten en de warmwatertemperatuursensor TW1 (meegeleverd met IDU Monoblock 5-9 B/E en IDU Monoblock 13-17 B/E) met de installatie is verbonden, wordt deze bij de start automa-tisch bevestigd.

▶ Warmwatertemperatuursensor TW1 op de installatieprintplaat HC100 in de binnenunit op klem TW1 aansluiten. 7. 11. 2 3-wegklep (accessoire)Bij installatie-oplossingen met boiler is een 3-wegklep (VW1) nodig. De aansluiting van de 3-wegklep wordt in een afzonderlijke handleiding be-schreven. 7. 11.

3 Bivalente boiler voor gebruik van zonne-energieEen bivalente boiler voor het gebruik van zonne-energie is als accessoire leverbaar. Handleidingen voor de installatie en het gebruik worden met de boiler meegeleverd. 7. 11. 4 Warmwatercirculatiepomp PW2 (accessoire)De pompinstellingen worden via de bedieningseenheid HMC300 op de binnenunit vastgelegd ( installatie-instructies bedieningseenheid HMC300). OPMERKING: Materiële schade door vocht. Wanneer de condensatie-isolatie niet volledig is, kan het vocht naar aangrenzende materialen overslaan. ▶ Bij koelbedrijf alle leidingen en aansluitingen tot en met de ventilatorconvector van condensatie-isolatie voorzien. ▶ Voor het isoleren een materiaal gebruiken dat ge-schikt is voor koelsystemen met condensvorming. ▶ Afvoer aan het riool aansluiten. ▶ Bij koelbedrijf onder het dauwpunt geen dauwpunt-sensoren gebruiken.

Afhankelijk van de configuratie van de cv-installatie is een cv-pomp nodig, die conform de eisen aan debiet en drukverlies wordt geselecteerd. PC1 moet altijd overeenkomstig het elektrische schakel-schema op de installatieprintplaat HC100 van de bin-nenunit worden aangesloten. Maximale last aan de relaisuitgang van de circulatiepomp PC1: 2 A, cos> 0,4. Bij hogere belasting montage van een tussenrelais. Indien de boiler lager dan de buitenunit wordt geïnstal-leerd (bijv. in de kelder), kan zelfcirculatie optreden die leidt tot warmteverlies in de boiler. ▶ Keerklep in het circuit monteren die zelfcirculatie voorkomt, indien de installatiehoogte van de boiler lager is dan die van de buitenunit. Zie de documentatie van de boiler voor de aansluithand-leiding.

Bij gebruik van een buffer- of combinatieboiler in de cv-installatie moet de boiler uitgerust zijn met een automa-tische ontluchter en moet bij de aanvoer in de boiler een automatische ontluchter met microbellenafscheider ge-monteerd worden. CW1TW116 720 809 064-35. 2I.

17IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Algemene installatie-instructie 77. 12 Installatie met zwembad▶ Zwembad installeren ( instructie zwembad)▶ Mengmodule zwembad (VC1) installeren. ▶ Alle leidingen en aansluitingen isoleren. ▶ MP100 installeren ( instructie voor het aanvullen: MP100). ▶ Looptijd van de mengmodule voor zwembad bij de inbedrijfstelling instellen ( installatie-instructies voor de bedieningseenheid HMC300). ▶ De benodigde instellingen voor het zwembadbedrijf uitvoeren ( in-stallatie-instructies bedieningseenheid HMC300). ▶ Aanvoertemperatuursensor TC1 in het zwembad installeren. Afb. 12 Voorbeeld weergave van een zwembadinstallatie[1] MP100[2] Zwembad[3] Binnenunit[VC1] Omschakelventiel zwembad[HS] Cv-systeem7.

13 Kamerthermostaat monterenIn de fabrieksinstelling regelt de bedieningseenheid HMC300 de aan-voertemperatuur automatisch afhankelijk van de buitentemperatuur. Voor nog meer comfort kan een kamerthermostaat worden geïnstal-leerd. Wanneer koelbedrijf beoogd is, is een kamerthermostaat absoluut noodzakelijk. 7. 13. 1 Kamerthermostaat (accessoire, zie afzonderlijke handlei-ding)▶ Kamerthermostaat monteren ( handleiding van de kamerthermos-taat). ▶ Kamerthermostaat in de schakelkast van de binnenunit op klem EMS aansluiten. ▶ Kamertemperatuur conform de handleiding van de bedieningseen-heid HMC300 instellen. Wanneer op de EMS-klem al een component is aangesloten, de aanslui-ting conform afb. 13 op dezelfde klem parallel uitvoeren. Indien in de in-stallatie meerdere -modules worden geïnstalleerd, deze conform afb. , hoofdstuk aansluiten. Afb.

OPMERKING: Gevaar voor functiestoringen. Indien de (VC1) binnen de installatie op de verkeerde plaats wordt gemonteerd, is geen koelfunctie mogelijk. Ook andere bedrijfsstoringen kunnen een gevolg hier-van zijn. ▶ De mengmodule voor het zwembad in de retourlei-ding naar de binnenunit monteren ( [VC1] afb. 12). ▶ T-stuk in de aanvoer van de binnenunit voor de by-pass monteren. ▶ De mengmodule voor het zwembad niet als cv-groep in de installatie monteren. Een voorwaarde voor de toepassing van de zwembad-verwarming is de installatie van een zwembadmodule MP100 (accessoire). 6 720 810 933-10. 4I1MVC1HS12MWanneer de kamerthermostaat na de inbedrijfname van de installatie wordt geinstalleerd, moet deze in het inbe-drijfnamemenu als bedieningseenheid voor het betref-fende cv-circuit worden ingesteld ( handleiding bedieningseenheid HMC300). 6 720 809 156-42. 2IEMS NSC/IP.

18 IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Elektrische aansluiting – algemeen87. 13. 3 Buitentemperatuursensor T1Een buiten geïnstalleerde temperatuursensorkabel moet minimaal aan de volgende eisen voldoen:Kabeldiameter: 0,5 mm2Weerstand: max. 50 Ohm/km Aantal aders: 2▶ Sensor aan de koudste zijde van het huis monteren (normaal gespro-ken de noordzijde). Afb. 14 Aanbrengen van buitentemperatuursensoren7. 14 Meerder cv-circuits (accessoire mengermodule, zie afzonderlijke handleiding)Met de bedieningseenheid HMC300 kan in de fabrieksinstelling een on-gemengd cv-circuit worden geregeld. Wanneer meerdere circuits moe-ten worden geinstalleerd, is voor elk circuit een mengermodule nodig. Er kunnen maximaal 4 mengermodules per installatie worden geinstal-leerd. ▶ Mengermodule, menger, circulatiepomp en overige componenten overeenkomstig de gekozen installatie-oplossing installeren.

▶ Mengermodule op de installatieprintplaat HC100 in de schakelkast van de binnenunit op klem EMS aansluiten. ▶ Instellingen voor meerdere cv-circuits uitvoeren conform de handlei-ding van de bedieningseenheid HMC300. Wanneer op de EMS-klem al een component is aangesloten, de aanslui-ting conform afb. 13 op dezelfde klem parallel uitvoeren. Indien in de in-stallatie meerdere -modules worden geïnstalleerd, deze conform afb. , hoofdstuk aansluiten. 8 Elektrische aansluiting – algemeen▶ Gebruik aderdiameters en kabeltypen conform de betreffende zeke-ringen en de installatiewijze. ▶ Sluit de buitenunit aan conform het aansluitschema. Er mogen geen andere verbruikers worden aangesloten. ▶ Bij vervangen van de printplaat de kleurcodering respecteren. Gebruik een afgeschermde kabel, wanneer de lengte van de kabel van de temperatuursensor buiten meer dan 15 m is.

De componenten van de buitenunit staan onder span-ning. ▶ Koppel de componenten los van de netvoeding voor aanvang van werkzaamheden aan de elektrische in-stallatie. OPMERKING: Schade aan de installatie bij inschakelen zonder water. Wanneer de installatie voor het vullen van water wordt ingeschakeld, kunnen componenten van de cv-installa-tie oververhit raken. ▶ Boiler en cv-installatie voor het inschakelen van de cv-installatie vullen, ontluchten en de juiste druk ac-tiveren. De elektrische aansluiting van de binnenunit moet op een veilige wijze kunnen worden onderbroken. ▶ Een afzonderlijke veiligheidsschakelaar installeren, die de binnenunit compleet spanningsloos schakelt. Bij een gescheiden voeding is voor elke voedingska-bel een afzonderlijke veiligheidsschakelaar nodig. De compressor wordt voor het starten voorverwarmd. Dat kan afhankelijk van de buitentemperatuur tot 2 uur duren.

De start vindt plaats als de compressortempera-tuur (TR1) 10 K boven de luchttoetredingstemperatuur (TL2) ligt. Deze temperaturen worden weergegeven in het diagnosemenu ( installatie-instructies van de be-dieningseenheid HMC300).

19IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Elektrische aansluiting – algemeen 88. 1 CAN-BUSDe buitenunit en de binnenunit worden via een communicatiekabel, de CAN-BUS, met elkaar verbonden. Als CAN-BUS kabel is een LIYCY-kabel (TP) 2 x 2 x 0,75 (of gelijkwaar-dig) geschikt. Als alternatief kunnen voor het buitengebruik toegelaten twisted-pair-kabels met een minimale doorsnede van 0,75 mm2 worden gebruikt. Daarbij de afscherming aan slechts één zijde (binnenunit) te-gen de behuizing aarden. De maximale kabellengte is 30 m. De verbinding tussen de printplaten wordt via vier aders uitgevoerd, die ook de 12 V spanning tussen de printplaten verbinden. Op de printpla-ten bevindt zich een markering voor de 12 V- en voor de CAN-BUS-aan-sluiting. De schakelaar Term markeert begin en einde van de CAN-BUS-verbin-ding.

Let erop dat de juiste printplaaten zijn afgesloten en dat alle overi-ge niet zijn afgesloten. Afb. 15 CAN-BUS-afsluiting[On] CAN-BUS afgesloten[Off] CAN-BUS niet afgesloten8. 2 EMS-BUSDe bedieningseenheid HMC300 wordt via de EMS-BUS met de installa-tieprintplaat HC100 in de binnenunit verbonden. De bedieningseenheid HMC300 wordt via de BUS-kabel gevoed. De po-ling van de twee -kabels is irrelevant. Voor accessoires die op de EMS-BUS worden aangesloten geldt het vol-gende (zie ook installatie-instructie van de betreffende accessoires):▶ Wanneer meerdere BUS-eenheden zijn geïnstalleerd, moeten deze onderling een minimale afstand van 100 mm hebben. ▶ Wanneer meerdere BUS-eenheden zijn geïnstalleerd, moeten deze in serie of stervormig worden aangesloten. ▶ Gebruik kabel met een minimale doorsnede van 0,5 mm2.

3 Omgang met printplatenPrintplaten met besturingselektronica zijn zeer gevoelig voor elektrosta-tische ontladingen (ESD - ElectroStatic Discharge). Om schade aan de componenten te voorkomen, is daarom bijzondere voorzichtigheid ge-boden. Afb. 16 ArmbandDe schade is meestal latent. Een printplaat kan bij de inbedrijfstelling optimaal functioneren en problemen treden vaak pas later op. Opgela-den objecten zijn alleen in de nabijheid van de elektronica een probleem. Houd een veiligheidsafstand aan van minimaal een meter tot schuimrub-ber, beschermfolie en ander verpakkingsmateriaal, bekledingsstukken van kunstvezel (bijv. fleece truien) en dergelijke, voordat u met de werk-zaamheden begint. Een goede ESD-beveiliging bij het werken met elektronica biedt een op de aarde aangesloten geaarde armband.

Deze armband moet gedragen worden, voordat de afgeschermde metaalzak/verpakking wordt ge-opend, of voordat een gemonteerde printplaat wordt blootgelegd. De armband moet gedragen worden, tot de printplaat weer in de afge-schermde verpakking wordt gedaan of in een gesloten schakelkast is aangesloten. Ook vervangen printplaten, die moeten worden teruggege-ven, moeten op deze wijze worden behandeld. OPMERKING: Verkeerde werking door storingen. Krachtstroomkabels (230/400 V) in de nabijheid van een communicatiekabel kunnen functiestoringen van de binnenunit veroorzaken. ▶ Afgeschermde CAN-BUS-kabel gescheiden installe-ren van netkabels. Minimale afstand 100 mm. Een gemeenschappelijke installatie met sensorkabels is wel toegestaan. OPMERKING: Installatiestoring bij het verwarren van de 12-V- en CAN-BUS-aansluitingen.

Krachtstroomkabels (230/400 V) in de nabijheid van een communicatiekabel kunnen storingen van de bin-nenunit veroorzaken. ▶ EMS-BUS-kabel van netkabels gescheiden leggen. Minimale afstand 100 mm. Een gemeenschappelijke installatie met sensorkabels is wel toegestaan. 6 720 809 156-24. 1IEMS-BUS en CAN-BUS zijn niet compatibel. ▶ EMS-BUS-units en CAN-BUS-units niet gezamenlijk aansluiten. VOORZICHTIG: Schade door elektrostatische oplading. ▶ Bij het omgaan met niet ingekapselde printplaten een geaarde armband dragen. 6 720 614 366-24. 1I.

20 IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Elektrische aansluiting – algemeen88. 4 Externe aansluitingenOm inductieve invloeden te voorkomen, alle laagspanningskabels met 100 mm afstand tot stroomgeleidende 230 V- of 400 V-kabels installe-ren. Gebruik voor het verlengen van de aansluitkabels van temperatuursen-soren de volgende aderdiameters:• tot 20 m kabellengte: 0,75 tot 1,50 mm2• tot 30 m kabellengte: 1,0 tot 1,50 mm2De relaisuitgang PK2 is in koelbedrijf actief en kan voor het aansturen van het koel-/verwarmingsbedrijf van een ventilatorconvector of een cir-culatiepomp worden gebruikt of voor het aansturen van vloerverwar-mingscircuits in vochtige ruimten. De uitgang VC0 is in het koelbedrijf actief en stuurt een 3-wegklep voor de circulatie aan die het wisselen tussen warmwaterbereiding en koelbe-drijf vergemakkelijkt. 8. 4.

1 Externe aansluitingenDe externe ingangen I1, I2, I3 en I4 kunnen voor de afstandsbediening van afzonderlijke functies van de bedieningseenheid HMC300 worden gebruikt. De functies, die door de externe ingangen worden geactiveerd, worden in de installatie-instructies van de bedieningseenheid HMC300 beschre-ven. De externe ingang wordt op een handmatige schakelaar of een besturing met 5 V-relaisuitgang aangesloten. 8. 5 accessoiresOp de CAN-BUS aan te sluiten accessoires, bijvoorbeeld vermogenscon-trole, wordt op de installatieprintplaat HC100 in de binnenunit parallel aan de CAN-BUS-aansluiting voor de buitenunit aangesloten. 8. 6 EVUDe blokkering voor energiebedrijven (EVU) heeft drie niveaus: EVU 1 blokkeert zowel de compressor in de buitenunit als de elektrische bijver-warmer in de binnenunit. EVU 2 blokkeert alleen de compressor. EVU 3 blokkeert alleen de elektrische bijverwarmer.

Door gebruik te maken van een van deze drie niveaus kan de stroomvoorziening tussen verschil-lende gebruikers in balans worden gebracht op piekmomenten in het elektriciteitsnet. Het EVU-relais met 3 hoofdcontacten en 1 hulpcontact moet overeen-komstig het vermogen van de elektrische bijverwarming zijn gedimensi-oneerd. Het relais moet door de installateur of het energiebedrijf worden geleverd. De bedieningseenheid HMC300 heeft een potentiaalvrij ope-nen/sluiten signaal nodig overeenkomstig de instellingen van de bedie-ningseenheid HMC300. Bij een actieve EVU verschijnt op het display van de bedieningseenheid HMC300 een bijbehorend symbool. 8. 7 Smart GridDe buitenunit is Smart Grid Ready. De EVU-uitschakeling is een deel van deze functionaliteit. Met de EVU-uitschakeling kan het energiebedrijf de buitenunit uitscha-kelen.

De smart grid-functie breidt de ingrijpmogelijkheden van het energiebedrijf uit doordat deze de buitenunit op bepaalde tijden een startcommando kan geven, bijvoorbeeld wanneer voordelige stroom be-schikbaar is. Naast de aansluiting voor de uitschakeling door de energieleverancier is een tweede aansluiting van de meterkast naar de buitenunit nodig, om de smart grid-functionaliteit te gebruiken. Opmerking: neem contact op met uw energiebedrijf voor het mogelijke gebruik van de Smart-Grid-functie. De smart grid-functionaliteit is automatisch ingeschakeld, wanneer de externe ingang 1 voor de uitschakeling door de energieleverancier is ge-configureerd. Het verwarmingssysteem moet een voldoende groot buffervat en uitslui-tend gemengde cv-groepen bevatten, zodat een startcommando van kracht kan worden.

De buitenunit werkt afhankelijk van de signalen, die het energiebedrijf via de twee smart grid-verbindingskabels overdraagt. • Deze wordt uitgeschakeld conform de EVU-uitschakeling 1/2/3. • Deze werkt normaal conform de warmtevraag uit het verwarmingssy-steem. • Of ontvangt een startcommando, om het buffervat te laden.

Een la-ding kan echter alleen plaatsvinden, wanneer de temperatuur in het buffervat onder de maximale tempratuur ligt. Anders blijft de buiten-unit uitgeschakeld. 8. 8 Binnenunit aansluiten▶ Neem de mantel weg. ▶ Deksel van de schakelkast afnemen. ▶ Aansluitkabel door de kabeldoorvoeren in de schakelkast leiden. ▶ Kabel conform het elektrische schema aansluiten. ▶ Deksel van de schakelkast en de mantel van de binnenunit weer mon-teren. Afb. 17 Kabeldoorvoeren (vooraanzicht)[1] Kabeldoorvoeren voor sensoren, CAN-BUS en EMS-BUS[2] Kabeldoorvoer voor stroomingangOPMERKING: Materiële schade door verkeerde aanslui-ting. Door de aansluiting op een verkeerde spanning of stroomsterkte is schade aan elektrische componenten mogelijk. ▶ Op externe aansluitingen van de binnenunit mogen alleen onderdelen worden aangesloten, die voor be-drijf met 5 V en 1 mA geschikt zijn.

21 Binnenunit voor externe bijverwarming, afmetingen in mm (on-deraanzicht)[1] Kabeldoorvoeren voor sensoren, CAN-BUS en EMS-BUS[2] Kabeldoorvoer voor voedingsspanning[3] Primair circuit van de buitenunit[4] Retourleiding naar de bijverwarmer[5] Aanvoer van bijverwarmer[6] Aanvoer naar de cv-installatie[7] Overdrukafvoer van overstortventiel[8] Primair circuit naar de buitenunit[9] Manometer[10] Retour uit de cv-installatieDe installatie mag alleen door een erkende installateur worden uitgevoerd. De installateur moet de geldende re-gels, voorschriften en instructies in de installatie- en ge-bruikersinstructie respecteren.6 720 809 064-14.2T14326 720 809 064-15.2I6 720 809 064-16.1I12345678109

22 Aansluiting van de binnenunit voor externe bijverwarming op de cv-installatie en de bijverwarming[1] Retour naar bijverwarming[2] Aanvoer van bijverwarming[3] Aanvoer naar de cv-installatie[4] Overdrukafvoer van overstortventiel[5] Retour uit de cv-installatie[6] Deeltjesfilter9.2.2 Pomp voor externe bijverwarmingBij een bijverwarmer zonder geïntegreerde pomp moet extern een pomp worden gemonteerd.Voor informatie over de besturing van deze pomp kunt u contact opne-men met de fabrikant van de bijverwarmer.6 720 809 064-07.4I12TT3546

24 IDU Monoblock 5-17 E/B • 6 720 817 812 (2015/08)Installatie van de binnenunit voor externe bijverwarming (IDU Monoblock B)99. 3 Vullen cv-installatieVerwarmingssysteem eerst spoelen. Wanneer een boiler op het systeem is aangesloten, moet deze eerst met water worden gevuld. Vul daarna het cv-systeem. 9. 3. 1 Buiten- en binnenunit vullenAfb. 23 Binnenunit voor bivalent bedrijf Monoblock B en cv-installatie[Z1] Ongemengde cv-installatie[1] Externe bijverwarming[2] BuitenunitZie afb. 23:1. De stroomvoorziening van de buitenunit en de binnenunit is uitge-schakeld. De voedingsspanning mag pas voor de inbedrijfstelling worden ingeschakeld nadat de installatie volledig gevuld en ontlucht is. 2. Automatische ontluchting via VL1 activeren. Daarvoor de schroef met enkele omwentelingen losdraaien, zonder hem er volledig uit te draaien. 3.

Ventielen naar de cv-installatie; deeltjesfilter SC1 en VC3 sluiten. 4. Een slang op de aftapkraan VA0 aansluiten, het andere uiteinde naar een afvoer leiden. De aftapkraan openen. 5. Vulventiel VW2 openen en water in de naar de buitenunit leidende lei-ding vullen. 6. Vulprocedure voortzetten totdat uit de slang in de afvoer water komt. 7. Aftapkraan en vulventiel VW2 sluiten. 8. Slang aan de aftapkraan voor cv-installatie VC2 omzetten. 9. Ventiel VC3, aftapkraan VC2 en vulventiel VW2 openen en cv-instal-latie vullen. 10. Vulprocedure voortzetten totdat uit de slang in de afvoer water komt. 11. Aftapkraan VC2 sluiten. 12. CV-toestel conform de bijbehorende instructie grondig ontluchten. 13. Deeltjesfilter SC1 openen en vullen, totdat de manometer GC1 2 bar aangeeft. 14. Vulventiel VW2 sluiten. 15. Slang van VC2 verwijderen. 16. Hoofdstuk 11.

Indien de binnenunit en de cv-installatie voor het aanslui-ten van de buitenunit moeten worden gevuld, de aanvoer en retour naar de buitenunit met elkaar verbinden om circulatie te waarborgen. ▶ Alle eventueel aanwezige afsluiters in het primaire circuit openen.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Nefit EnviLine A-W Monoblock E - B stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden