Intergas Prestige CW6 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Intergas Prestige CW6 (56 pagina’s), behorend tot de categorie CV Ketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 422 mensen. Heb je een vraag over Intergas Prestige CW6 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Intergas |
| Categorie: | CV Ketel |
| Model: | Prestige CW6 |
| Kleur van het product: | Wit |
| Gewicht: | 64000 g |
| Breedte: | 870 mm |
| Diepte: | 450 mm |
| Hoogte: | 1070 mm |
| Ondersteuning voor plaatsing: | Verticaal |
| Temperatuur (max): | 60 °C |
| Maximaal vermogen: | - W |
| Efficientie: | 108 procent |
| Verwamingslocatie: | Binnen |
| Brandstof: | Natuurlijk gas |
| Boiler systeem: | Combi-boilersysteem |
| Warmwatercapaciteit: | - l/min |
| Gas inspectie label: | CW, NZ, SV |
| HR Gaskeur: | 107 |
| CW Gaskeur klasse: | 6 |
| Type boiler (NL-label): | HR |
| Watercapaciteit ( 40 ° C ): | 20 l/min |
| Watercapaciteit ( 60 ° C ): | 12 l/min |
Foutcodes Intergas Prestige CW6
Foutcodes uit de officiële handleiding, met betekenis en oplossing.
| Code | Betekenis | Oplossing | Pagina |
|---|---|---|---|
| 0 | Sensorfout na zelfcontrole | 1. Vervang S1 en/of S2. | 42 |
| 1 | Temperatuur te hoog | 1. Ontlucht de ketel en cv-installatie. 2. Controleer of de pomp draait. 3. Controleer de doorstroming in de installatie (radiatoren mogen niet dicht zitten, verhoog pompstand indien nodig). 4. Controleer of de stromingsschakelaar niet blijft hangen. | 42 |
| 10 | Sensorfout S1 | 1. Ontlucht de ketel en cv-installatie om lucht te verwijderen. 2. Controleer de bedrading van S1 op breuken. 3. Vervang S1 indien nodig. | 42 |
| 11 | Sensorfout S1 | 1. Ontlucht de ketel en cv-installatie om lucht te verwijderen. 2. Controleer de bedrading van S1 op breuken. 3. Vervang S1 indien nodig. | 42 |
| 12 | Sensorfout S1 | 1. Ontlucht de ketel en cv-installatie om lucht te verwijderen. 2. Controleer de bedrading van S1 op breuken. 3. Vervang S1 indien nodig. | 42 |
| 13 | Sensorfout S1 | 1. Ontlucht de ketel en cv-installatie om lucht te verwijderen. 2. Controleer de bedrading van S1 op breuken. 3. Vervang S1 indien nodig. | 42 |
| 14 | Sensorfout S1 | 1. Ontlucht de ketel en cv-installatie om lucht te verwijderen. 2. Controleer de bedrading van S1 op breuken. 3. Vervang S1 indien nodig. | 42 |
| 2 | Verwisseling S1 en S2 | 1. Controleer de kabelboom op correcte verbindingen. 2. Vervang S1 of S2 indien nodig. | 42 |
| 20 | Sensorfout S2 | 1. Controleer de bedrading van S2 op breuken. 2. Vervang S2 indien nodig. | 42 |
| 21 | Sensorfout S2 | 1. Controleer de bedrading van S2 op breuken. 2. Vervang S2 indien nodig. | 42 |
| 22 | Sensorfout S2 | 1. Controleer de bedrading van S2 op breuken. 2. Vervang S2 indien nodig. | 42 |
| 23 | Sensorfout S2 | 1. Controleer de bedrading van S2 op breuken. 2. Vervang S2 indien nodig. | 42 |
| 24 | Sensorfout S2 | 1. Controleer de bedrading van S2 op breuken. 2. Vervang S2 indien nodig. | 42 |
| 27 | Kortsluiting buitenvoeler | 1. Controleer de bedrading van de buitenvoeler. 2. Hef de kortsluiting op. 3. Vervang de buitenvoeler indien nodig. 4. Controleer of de branderautomaat geschikt is voor deze toepassing; vervang deze voor de juiste versie indien nodig. | 42 |
| 29 | Gasklep relais defect | 1. Vervang de branderautomaat. | 42 |
| 30 | Gasklep relais defect | 1. Vervang de branderautomaat. | 42 |
| 4 | Geen vlamsignaal | 1. Controleer of de gaskraan open is. 2. Controleer de ontsteekafstand. 3. Controleer of de gasvoordruk voldoende is. 4. Controleer of het gasblok en de ontsteekunit spanning krijgen. | 42 |
| 5 | Slecht vlamsignaal | 1. Controleer of de condensafvoer verstopt is en maak deze vrij. 2. Controleer en stel de gasblok afstelling bij. | 42 |
| 6 | Vlam detectie fout | 1. Vervang de ontsteekkabel en bougiedop. 2. Vervang de ontsteekunit. 3. Vervang de branderautomaat indien nodig. | 42 |
| 8 | Ventilatortoerental niet juist | 1. Controleer of de ventilator tegen de mantel loopt. 2. Controleer de bedrading tussen ventilator en mantel op slechte contacten. 3. Controleer alle draadverbindingen. 4. Vervang de ventilator indien nodig. | 42 |
Alle foutcodes Intergas CV Ketel Intergas Verwarming BV kan derhalve niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade voortvloeiend uit de van de standaard uitvoering afwijkende specificaties van het product. De beschikbare informatie is met alle mogelijke zorg samengesteld, maar Intergas Verwarming BV kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele fouten in de informatie of voor de gevolgen daarvan. Intergas Verwarming BV kan niet aansprakelijk gesteld worden voor schade voortvloeiend uit werkzaamheden die door derden zijn uitgevoerd. Wijzigingen voorbehouden. Intergas Verwarming BV 3 Deze handleiding Met deze handleiding kunt u het toestel op veilige wijze monteren, installeren en onderhouden. Volg de instructies nauwkeurig op. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant. Bewaar dit installatievoorschrift bij het toestel. Gebruikte afkortingen en benamingen Omschrijving Te noemen als Hoog Rendement HR Intergas Prestige A cw6 gaswandketel Toestel Toestel met leidingwerk voor centrale verwarming CV-installatie Toestel met leidingwerk voor warm tapwater WW-installatie Pictogrammen In deze handleiding is het volgende pictogram gebruikt: VOORZICHTIG Procedures die –als ze niet met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd worden– schade aan het product, de omgeving, het milieu of lichamelijk letsel tot gevolg kunnen hebben. Intergas Verwarming BV 4 1 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN De fabrikant Intergas Verwarming BV aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade of letsel veroorzaakt door het niet (strikt) naleven van de veiligheidsvoorschriften en -instructies, dan wel door onachtzaamheid tijdens het installeren van de Intergas Kombi Kompakt Hoog Rendement gaswandketel en de eventueel bijbehorende accessoires. Voor de verschillende disciplines zijn de voorschriften gescheiden vermeld. 1.1 Algemeen De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • Deze installatievoorschriften. • NEN 1087: Ventilatie van woongebouwen. • NEN 3215: Binnenriolering in woningen en woongebouwen. • Het bouwbesluit. • Plaatselijke voorschriften van gemeente, brandweer en nutsbedrijven. 1.2 CV-Installatie De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • NEN 3028: Veiligheidseisen voor CV installaties. 1.3 Gasinstallatie De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • NEN 1078 (1987). • NPR 1088: Toelichting op NEN 1087. • NPR 3378: Toelichting bij NEN 1078. • NEN 2920: Eisen voor huishoudelijke gasverbruikinstallaties. 1.4 Elektrische installatie De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • NEN 1010. 1.5 Drinkwaterinstallatie • NEN 1006: Algemene voorschriften voor drinkwater installaties. Intergas Verwarming BV 5 2 TOESTELOMSCHRIJVING 2. 1 Algemeen De Intergas Prestige is een gesloten toestel. Het toestel is bedoeld om warmte te leveren aan het water van een CV-installatie en de WW-installatie. De luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer kunnen door middel van twee aparte leidingen op het toestel aangesloten worden. Een concentrische aansluiting kan op aanvraag geleverd worden. Het toestel is in combinatie met de Intergas combidoorvoer gekeurd, maar het toestel kan ook aangesloten worden op combidoorvoeren die voldoen aan de universele keuringseisen voor combidoorvoeren en voorzien zijn van een gaskeur. Het toestel wordt in hanteerbare delen geleverd die tijdens de montage samen gevoegd worden. De Intergas Prestige is voorzien van het CE keurmerk en de Gaskeur labels HR, SV, NZ en CW6. Het CW6 toestel is geschikt voor; het tappen van 7,5 liter water per minuut van 60°C, gelijktijdig met een douchefunctie van 3,6 liter tot tenminste 7,5 liter water per minuut van 60°C (dit komt overeen met 6 tot 12,5 liter water per minuut van 40°C); het vullen van een bad met 150 liter water van 40°C gemiddeld, binnen 10 minuten, gelijktijdig met het tappen van 7,5 liter water per minuut van 60°C of het vullen van een bad met 200 liter water van 40°C gemiddeld, binnen 10 minuten zonder gelijktijdigheid met een andere functie. Het is mogelijk om het toestel alleen te gebruiken voor warmwater of alleen voor verwarming. Het niet gebruikte systeem hoeft niet aangesloten te worden. Het toestel wordt standaard geleverd voor aardgas (K-gas, G25. 3). Het toestel kan eventueel omgebouwd worden naar een andere gassoort m. b. v. een ombouwset (zie § 7. 8) 2. 2 Werking De Intergas Prestige is een modulerende HR ketel. Dit houdt in dat het vermogen wordt aangepast aan de gewenste warmtebehoefte. In de aluminium warmtewisselaar zijn twee dubbelwandig van elkaar gescheiden koperen circuits geïntegreerd. Door de gescheiden uitgevoerde circuits voor CV- en warmwater kunnen de verwarming en warmwatervoorziening onafhankelijk van elkaar werken. De warmwatervoorziening heeft voorrang ten opzichte van de verwarming. Beide kunnen niet gelijktijdig werken. Om snel en zonder tapdrempel over warm tapwater te kunnen beschikken is een Quickfillboiler ingebouwd. Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die bij iedere warmtevraag van de verwarming of de warmwatervoorziening de ventilator aanstuurt, de gasklep opent, de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt en regelt, afhankelijk van het gevraagde vermogen. 2. 3 Bedrijfstoestanden Op het service display van het bedieningspaneel wordt door een code de bedrijfstoestand van het toestel aangegeven. Uit Het toestel is buiten bedrijf, maar staat wel onder elektrische spanning. Op vragen voor warm tapwater of CV water wordt niet gereageerd. De toestelvorstbeveiliging is wel actief. Dit houdt in dat de pomp gaat draaien en de wisselaar wordt opgewarmd indien de temperatuur van het daarin aanwezige water te ver daalt. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code zichtbaar(opwarmen wisselaar). Wachtstand De LED bij de aan/uit toets brandt. Het toestel is gereed voor het beantwoorden van een vraag naar CV- of tapwater. Intergas Verwarming BV 6 Nadraaien CV of opwarmen boiler Na het einde van CV bedrijf draait de CV-pomp na. De nadraaitijd staat van fabriekswege ingesteld op de waarde volgens Zie § 7. 3 Blz. :33. Deze instelling kan gewijzigd worden. Bovendien gaat de pomp automatisch 1 keer per 24 uur gedurende 10 seconden draaien om vastzitten te voorkomen. Deze automatische inschakeling van de pomp vindt plaats op het tijdstip van de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient op het gewenste tijdstip de kamerthermostaat even omhoog gezet te worden. Na het opwarmen van de Quickfill boiler zorgd het nadraaien van de tapwaterpomp er voor dat de restwarmte van de wisselaar in de boiler wordt gebracht. De nadraaitijd van de beide pompen (cv en tapwater) wordt onderbroken als er zich een tapwatervraag voordoet. Gewenste temperatuur bereikt De branderautomaat kan de warmtevraag tijdelijk blokkeren. De brander wordt dan gestopt. De blokkering vindt plaats omdat de gevraagde temperatuur is bereikt. Als de temperatuur voldoende gezakt is wordt de blokkering opgeheven. Zelftest Regelmatig worden door de branderautomaat de aangesloten sensoren gecontroleerd. Tijdens de controle voert de automaat geen andere taken uit. Ventileren Bij het starten van het toestel wordt allereerst de ventilator naar het starttoerental gebracht. Als het starttoerental is bereikt wordt de brander ontstoken. Code is eveneens zichtbaar als er na het stoppen van de brander wordt nageventileerd. Ontsteken Als de ventilator het starttoerental heeft bereikt vindt de ontsteking van de brander middels elektrische vonken plaats. Tijdens het ontsteken is code zichtbaar. Indien de brander niet ontsteekt dan vindt na ongeveer 15 seconden een nieuwe ontsteekpoging plaats. Als na 4 ontsteekpogingen de brander nog niet brandt dan valt de automaat in storing. Zie § 8. 2. 1. CV Bedrijf Op de automaat kan een aan/uit of een OpenTherm thermostaat eventueel in combinatie met een buitenvoeler aangesloten worden. Zie het elektrische schema. Bij een warmtevraag afkomstig van een thermostaat volgt na het aanlopen van de ventilator (code ) het ontsteken (code ) en de CV bedrijfstoestand (code ). Tijdens CV bedrijf wordt het toerental van de ventilator en daarmee het vermogen van het toestel aangepast zodanig dat de temperatuur van het CV water naar de ingestelde CV-aanvoertemperatuur toe geregeld wordt. In het geval van een aan/uit thermostaat wordt de CV-aanvoertemperatuur op het bedieningspaneel ingesteld. In het geval van een OpenTherm thermostaat wordt de gewenste CV-aanvoertemperatuur door de thermostaat bepaald. Bij een buitenvoeler wordt de CV-aanvoertemperatuur bepaald door de in de branderautomaat geprogrammeerde stooklijn. Tijdens CV bedrijf wordt de gevraagde CV-aanvoertemperatuur op het bedieningspaneel weergegeven. De weerstand R kan verwijderd worden als de kamerthermostaat geen anticipatiestroom nodig heeft. Zie § 10. 2. Tijdens CV bedrijf kan de maximale CV-aanvoertemperatuur ingesteld worden tussen 30 en 90°C en wordt de ingestelde CV-aanvoertemperatuur op het bedieningspaneel weergegeven. Tijdens CV bedrijf kan door de service toets in te drukken de werkelijke CV-aanvoertemperatuur afgelezen worden. Tapwaterbedrijf De warmwatervoorziening heeft voorrang op de verwarming. Tijdens het tappen wordt warmwater onttrokken aan de boiler. Als de temperatuur van de boiler daalt zal het toestel aanslaan. Na het aanlopen van de ventilator (code ) en het onsteken (code ) komt het toestel in tapwaterbedrijf (code ). Het water wordt nu opgewarmd in het tapspiraal van de warmtewisselaar. Zolang de gewenste temperatuur nog niet is bereikt zal het water de boiler instromen. Als het water de gewenste temperatuur heeft bereikt zal het thermostatisch omschakelventiel omschakelen en wordt het water uit de boiler aangevuld met het water uit de warmtewisselaar aan de WW-installatie geleverd. Door het schakelen van het omschakelventiel wordt de in -, en uitstroom van de boiler minder. De doorstroming van de warmtewisselaar is beperkt, bij een afname van meer warmwater wordt de bypass aangesproken. De in-, en uitstroom van de boiler wordt hierdoor vergroot. De tapwatertemperatuur kan ingesteld worden met het thermostatisch mengventiel in het tapwater circuit. (zie §7. 7). Intergas Verwarming BV 7 Opwarmen boiler De boiler wordt opgewarmd als de temperatuur van de boilersensor is gedaald. De tapwaterpomp zorgt voor de circulatie van het water. Het omschakelventiel zorgt ervoor dat er alleen water van 60 °C de boiler instroomt. Zolang het water de gewenste temperatuur niet heeft bereikt zal er alleen circulatie plaatsvinden over de warmtewisselaar. Als het omschakelventiel heeft geschakeld zal het water de boiler instromen. Als de boilersensor de gewenste temperatuur heeft bereikt wordt de brander uitgeschakeld. De nadraaitijd van de tapwaterpomp zorgt ervoor dat de restwarmte van de wisselaar in de boiler wordt gebracht. De nadraaitijd van de beide pompen (cv en sanitair) wordt onderbroken als er zich een tapwatervraag voordoet. 2. 4 PC Interface De automaat is voorzien van een interface voor een PC. Door middel van een speciale kabel en bijbehorende software kan een PC aangesloten worden. Met deze voorziening is het mogelijk om het gedrag van de automaat, het toestel en de verwarmingsinstallatie over een lange periode te volgen. 2. 5 Testprogramma’s In de branderautomaat is een voorziening aangebracht om het toestel in een test status te brengen. Door het activeren van een testprogramma zal het toestel in bedrijf komen met een vast ventilator toerental, zonder dat de regelfuncties zullen ingrijpen. De veiligheidsfuncties blijven wel actief. Het testprogramma wordt beëindigd door de “+” en “-“ gelijktijdig in te drukken, of na 10 minuten automatisch. Testprogramma's Omschrijving programma Toets combinaties Display uitlezing Brander aan met minimum ww vermogen (zie parameter d §7. 3) Service " en "-" “L” Brander aan met maximaal CV vermogen (zie parameter 3 §7. 3) "service" en "+" (2x) "H" Uitschakelen testprogramma "+" en "-" Actuele bedrijfssituatie Uitleesmogelijkheden Als het toestel in test bedrijf is kunnen de volgende gegevens via het display worden uitgelezen: • Door de toets blijvend in te drukken wordt op het display de gemeten ionisatiestroom getoond. 2. 5. 1 Vorstbeveiliging • Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een toestelvorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag wordt, schakelt de brander in, en gaat de pomp draaien tot de temperatuur van de warmtewisselaar voldoende is. Als de toestelvorstbeveiliging ingrijpt dan is code zichtbaar (opwarmen wisselaar). • Als de installatie (of een deel daar van) kan bevriezen, moet er op de koudste plaats een (externe) vorstthermostaat op de retourleiding aangebracht worden. Deze moet volgens het bedradingschema aangesloten worden. Zie § 10. 2. Opmerking Als het toestel buiten bedrijf is ( - op het service display) is de toestelvorstbeveiliging wel actief ,op een warmte vraag van een (externe) vorstthermostaat wordt echter niet gereageerd. Intergas Verwarming BV 11 4.2 Opstellingsruimte Het toestel, dient aan een wand gemonteerd te worden die voldoende draagkracht heeft. (Het gewicht van het met water gevulde toestel bedraagt ±110kg.) Bij lichte wand constructies bestaat de mogelijkheid dat er resonantiegeluiden optreden. Binnen een afstand van 1 m van het toestel moet een wandcontactdoos met randaarde zitten. Als het toestel als open toestel wordt geïnstalleerd dient de opstellingsruimte te zijn voorzien van de noodzakelijke openingen voor de verbrandingslucht toevoer. Zie § 5.5.2 Blz.:17 Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden. Houdt ten behoeve van montage en onderhoud ruimte vrij rond het toestel (de minimale maten zijn aangegeven in § 4.1 Blz. 10) 4.2.1 Schermplaatonder en frontpaneel afnemen Voor diverse werkzaamheden aan het toestel dienen schermplaatonder, de voorhelft van de mantel en de deksel van het ketelunit verwijderd te worden. Ga hierbij als volgt te werk: • Schuif de schermplaat (A) naar voren en neem hem naar beneden toe weg. • Draai de beide kwartslagsluitingen (B) achter het display venster los • Pak het frontpaneel aan onder en bovenkant beet , draai hem naar rechts open en neem hem uit de scharnierhaken aan de rechterkant. • Neem de beugelsluiting aan de onderzijde van de deksel (E) van het ketelunit los en verwijder de deksel A E Intergas Verwarming BV 12 4.3 Montage (zie ook de uitgebreide montage handleiding) Het toestel wordt in delen geleverd en tijdens de installatie samengevoegd. 1. Pak het toestel uit. 2. Controleer de inhoud van de verpakking, deze bestaat uit: • Ophangprofiel/aansluitbeugel (met aansluitkoppelingen) en bevestigingsmateriaal (pluggen en schroeven) • Manteldelen (achter- en frontpaneel mantel, schermkappen boven en onder, boilerbol 2x) • Warmtewisselaarunit • Boiler • Leidingenset • Doos met sifon, overstortventiel, vul/aftapkraan, gaskraan. • Installatievoorschrift • montagehandleiding • Gebruikershandleiding • Garantiekaart 3. Controleer het toestel op eventuele beschadigingen: meld beschadigingen direct aan de leverancier. 4.3.1 Ophangen frame 1. Boor de gaten voor het bevestigen van het ophangprofiel overeenkomstig het boorpatroon Zie ook § 4.1. Het linkergat van het ophangprofiel dient zich minimaal 290mm onder het plafond te bevinden en er dient links van dit gat 220mm vrije ruimte op de muur te zijn. 2. Monteer het ophangprofiel met de bijgeleverde bevestigingsmaterialen, horizontaal aan de wand. 3. Monteer de knie voor gasaansluiting in de juiste stand in de montagebeugel. 4. Boor de gaten voor de aansluitbeugel. 5. Monteer de aansluitbeugel aan de wand. 6. De verbindigsplaat tussen ophangprofiel en aansluitbeugel dient hierbij vlak tegen de wand te liggen. 7. Nu kan eerst de installatie op de aansluitbeugel aangesloten worden 8. Zorg er daarbij voor dat de leidingen spannigsvrij aangesloten worden. 9. Dicht de uitgangen van de T-stukken die niet gebruikt gaan worden af met de meegeleverde afsluitkapjes 4.3.2 Opbouwen toestel Hang de achterhelft van de mantel op de ophangstrip. Intergas Verwarming BV 13 Vul de sifon en monteer hem onder het ketelunit Monteer het overstortventiel in het T-stuk en sluit de aanvoerbuis m.b.v. het T-stuk en de andere afgebeelde onderdelen aan op de koppeling in de montagebeugel. Monteer de vulaftapkraan in de retourbuis en het geheel tussen de CV-pomp en de koppeling in de montage beugel Monteer de buizenset. Koppelingen handvast monteren in lettervolgorde van de afbeelding daarna na trekken met passend gereedschap. Monteer de gastoevoerleiding tussen de gaskraan en het ketelunit. Plaats schermplaat boven. Plaats de “bollen” (lange lip links). Plaats de voorhelft van de mantel, rechts inhaken en dicht draaien. Afsluiten met de kwartslag sluitingen achter het display venster. Plaats tot slot de schermkap onder met de haken in de getrapte sleuven in de onderzijde van de mantel en schuif hem naar achteren. FEBDCA HG Intergas Verwarming BV 14 5 AANSLUITEN 5.1 CV-installatie aansluiten 1. Spoel de CV-installatie goed schoon. 2. Monteer de aanvoerleiding (B) en retourleiding (A) aan de montagebeugel. Alle leidingen moeten spanningsvrij gemonteerd worden om tikken van de leidingen te voorkomen. Bestaande verbindingen mogen niet verdraaid worden om lekkages te voorkomen. De CV-installatie dient voorzien te zijn van: • Een aftapkraan op het laagste punt van de installatie. • Een expansievat in de retourleiding. • Een terugslagklep, als er op korte afstand van het toestel leidingen naar boven lopen. Hiermee wordt voorkomen dat er tijdens tapwaterbedrijf van het toestel thermosifonwerking optreedt. (Een niet veerbediende terugslagklep, moet verticaal gemonteerd worden.) De Intergas Prestige A cw6 is reeds voorzien van een • Een vul/aftapkraan (A) in de retourleiding direct onder het toestel. • Een overstortventiel (B) van 3 bar in de aanvoerleiding. 5.1.1 Thermostatische radiatorkranen Als alle radiatoren zijn uitgevoerd met thermostatische of afsluitbare radiatorkranen, moet er een shuntleiding aangebracht worden om een minimale watercirculatie te waarborgen. De shuntleiding moet minimaal 6 m van het toestel verwijderd zijn om oververhitting van het toestel te voorkomen. 5.1.2 Vloerverwarming Voor een goede werking van de warmtapwatervoorziening mag er geen ongewenste circulatie door het toestel zijn door een tweede pomp in het CV-circuit. Sluit een vloerverwarming indirect hydraulisch neutraal aan, of voorzie het circuit van een elektrische afsluiter (E)(tweewegklepset) of terugslagklep (D) die doorstroming door het toestel voorkomt als er geen CV-warmtevraag is. Aansluitschema vloerverwarming A. Ketel B. Pomp C. Thermostatische regelafsluiter D. Intergas Verwarming BV 15 5.2 Warmwater-installatie aansluiten 1. Spoel de installatie goed schoon. 2. Monteer indien voorgeschreven een inlaatcombinatie. 3. Monteer de koud- en warmwaterleiding (A en B) aan de montagebeugel. Opmerkingen • Het toestel voldoet aan het CW-label klasse 6. De specifieke leidinglengte bij een leiding diameter 12/10 mm bedraagt voor de Prestige A cw6 27,6 m. Bij een leiding diameter van 15/13 mm bedraagt deze voor de Prestige A cw6 16,2 m. • Als het toestel alleen voor de warmwatervoorziening wordt gebruikt, kan de verwarmingsfunctie met de servicecode op het bedieningspaneel uitgeschakeld worden. De CV-installatie behoeft dan niet aangesloten of gevuld te worden. • Als het toestel tijdens de winter buiten bedrijf wordt gesteld en van het lichtnet afgesloten wordt, moet het sanitairwater afgetapt worden om bevriezing te voorkomen. Hiervoor moet de tapwateraansluitingen onder het toestel los genomen worden. Weerstandgrafiek tapcircuit toestel A. Prestige A cw6 X. Drukverlies toestel in bar Y. Tapdebiet in liters per minuut 5.2.1 Toestel met Naverwarming Zonneboiler Het toestel is voorzien van het NZ-label: geschikt voor ”Naverwarming Zonneboiler”. Hiervoor is op bestelling een mengventiel beschikbaar. Aansluitschema Naverwarming Zonneboiler A. Toestel B. Zonneboiler C. Koud water in D. T max 85°C E. Inlaatcombinatie F. Warm water T>60° G. Thermostatisch mengventiel 35° - 65° (instellen op ca 62,5°) H. Gemengd water uit Opmerking In combinatie met een zonne-energiesysteem moet er na het toestel altijd een thermostatisch mengventiel geplaatst worden, ingesteld op ca 62,5°C. Deze kan besteld worden bij Intergas art.nr.:842177 5.3 Gas aansluiten 1. Plaats een gaszeef in de aansluiting voor het toestel als het gas vervuild kan zijn. 2. Sluit het toestel aan op de gasleiding. Controleer de gasvoerende delen op lekkage op een druk van maximaal 500 mmwk. Intergas Verwarming BV 16 5. 4 Elektrisch aansluiten VOORZICHTIG Een wandcontactdoos met randaarde mag maximaal 1 meter van het toestel verwijderd zijn. De wandcontactdoos moet gemakkelijk bereikbaar zijn. Voor opstelling in vochtige ruimten is een vaste aansluiting verplicht. Neem bij werkzaamheden aan het elektrisch circuit de steker uit de wandcontactdoos 1. Draai de beide kwartslagsluitingen achter het display venster los 2. Pak het frontpaneel aan onder en bovenkant beet , draai hem naar rechts open en neem hem uit de scharnierhaken aan de rechterkant. 3. Draai de schroef (A) los en trek de branderautomaat (B) naar voren toe. 4. Raadpleeg § 5. 4 en § 10. 2 voor het maken van de aansluitingen. 5. Sluit na het maken van de gewenste aansluitingen het toestel aan op een wandcontactdoos met randaarde. 5. 4. 1 Elektrische aansluitingen Temperatuurregeling Connector X4 Opmerkingen Kamerthermostaat 6 - 7 - Modulerende thermostaat 11 - 12 - Buitentemperatuurvoeler 8 - 9 - Vorstthermostaat 6 - 7 Parallel over kamerthermostaat 5. 4. 2 Kamerthermostaat aan/uit 1. Sluit de kamerthermostaat aan. Zie § 5. 4. 1. 2. Stel de terugkoppelweerstand van de kamerthermostaat in op 0,1 A Meet bij twijfel de stroom en stel deze overeenkomstig in. De maximale weerstand van de thermostaatleiding en de kamerthermostaat bedraagt totaal 15 Ohm. 5. 4. 3 Buitentemperatuurvoeler Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler. De buitentemperatuurvoeler kan in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat of een OpenTherm* thermostaat toegepast worden. Sluit de buitentemperatuurvoeler aan. Zie § 5. 4. 1. Voor de stooklijninstelling, zie Weersafhankelijke regeling. Zie §7. 6 Blz:. 35 * Bij OpenTherm bepaald de thermostaat de stooklijn. Het toestel geeft alleen de buitentemperatuur door. 5. 4. 4 Modulerende thermostaat Het toestel is geschikt voor het aansluiten van een modulerende thermostaat, volgens het OpenTherm communicatie protocol. De belangrijkste functie van de modulerende thermostaat is het berekenen van de aanvoertemperatuur bij een gewenste kamertemperatuur, om een optimaal gebruik te maken van het moduleren. Bij elke warmtevraag wordt op het display van het toestel de gewenste aanvoer temperatuur aangegeven. Sluit de modulerende thermostaat aan. Zie § 5. 4. 1. Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van de thermostaat. Intergas Verwarming BV 17 5. 5 Rookgasafvoer en luchttoevoer • De leidingen voor verbrandingsgassen en luchttoevoer moeten een diameter hebben van ø 80 mm. Neem voor andere diameters contact op met de fabrikant. • Een concentrische afvoer moet minimaal diameters hebben van ø80x125 mm of 60x110mm. 5. 5. 1 Doortocht, materialen en isolatie Leiding Diameter Materiaal Luchttoevoer ø 80 mm Volgens de plaatselijke voorschriften van brandweer en/of energiebedrijf. Spiralobuis, enkelwandig aluminium, verzinkt plaatstaal, roestvast staal of kunststof. Eventueel geïsoleerd met 10 mm dampdicht isolatie materiaal of kunststof. Verbrandings-gasafvoer ø 80 mm Volgens tabel 8 van (1987). NEN 1078Isolatie - 10 mm dampdicht isolatiemateriaal, bij kans op condensatie aan de buitenzijde, door een lage wandtemperatuur en een hoge ruimtetemperatuur met een hoge relatieve vochtigheid. 5. 5. 2 Open toestelaansluiting VOORZICHTIG Zorg voor de benodigde ventilatie van de opstellingsruimte. 1. Verwijder t. b. v. de luchttoevoer de uitbreekring rond de rookgasafvoer uit de afdekkap aan de bovenzijde van het toestel. 2. Monteer de pijp voor de verbrandingsgasafvoer in de afvoer. De ingebouwde siliconen afdichtring zorgt voor een luchtdichte aansluiting. 5. 5. 3 Gesloten toestel aansluitingen. Tweepijps aansluiting 1. Verwijder t. b. v. de luchttoevoer de linker uitbreekpoort uit de afdekkap aan de bovenzijde van het toestel. 2. Monteer de pijpen voor de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer in de toevoer- en afvoer van het toestel. De ingebouwde siliconen afdichtring zorgt voor een luchtdichte aansluiting. Concentrische aansluiting Met de concentrische adapterset kan een concentrische aansluiting gemaakt worden: 1. Intergas Verwarming BV 18 5.6 Leidinglengten Naarmate de weerstand van de rookgasafvoer- en luchttoevoerleidingen toeneemt zal het vermogen van het toestel afnemen. De maximale toegestane vermogens afname bedraagt 5%. De weerstand van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer is afhankelijk van de lengte, de diameter en alle componenten van het leidingsysteem. Per toestelcategorie is de totale toegestane leidinglengte aangegeven van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer. Bij de opgave van de leidinglengte in meters, wordt uitgegaan van ø 80 mm. 5.6.1 Vervangende lengten Bocht 90° R/D=1 2 m Bocht 45° R/D=1 1 m Knie 90° R/D=0,5 4 m Knie 45° R/D=0,5 2 m Bij grotere of kleinere leidingdiameters is de toelaatbare leidinglengte groter respectievelijk kleiner. Intergas Verwarming BV 19 5. 7 Uitmonding systemen Montage algemeen: Voor alle uitmondingen geldt de onderstaande montage: 1. Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoer van het toestel. 2. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar. Vanaf het toestel moet iedere pijp in de voorgaande geschoven worden. 3. Monteer een niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding op afschot naar het toestel (min. 5mm/m). 4. Monteer felsnaden naar boven gericht in een horizontaal gedeelte. 5. Plak niet gasdichte verbindingen af met hitte en vochtbestendige aluminiumtape. Voor alle luchttoevoerleidingen geldt de onderstaande montage: 1. Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoer van het toestel. 2. Monteer een niet verticale uchttoevoerleiding op afschot naar buiten (min. 5mm/m). 3. Plak niet luchtdichte verbindingen af met vochtbestendige tape. 4. Breng isolatie aan, indien noodzakelijk. Intergas Verwarming BV 20 Montage dubbelpijpsdoorvoer 1. Maak twee sparingen van ø 90 mm op de plaats van uitmonding. 2. Kort de dubbelpijpsdoorvoer in op de juiste lengte. 3. Schuif de toe- en afvoerpijp in de sparingen. 4. Dek de sparingen af met de muurafdekplaten. 5. Monteer de uitblaasroosters op de toe- en afvoerpijp. 6. Bevestig deze aan de pijpen. 7. Monteer de dubbelpijpsdoorvoer op waarbij de luchttoevoer op afschot naar buiten en de rookgasafvoer op afschot naar het toestel. Montage dubbelpijps verlengpijp(en) t.b.v. balkongallerij uitmonding Als de vrije uitmonding wordt gehinderd door een dakoverstek, balkon, galerij of anders, moeten de luchttoevoerleiding en verbrandingsgasafvoerleiding verlengd worden tot minimaal de voorzijde van het overstekende deel. Als de luchttoevoer niet verstoord kan worden door obstakels, zoals een console of scheidingsmuurtje en als de uitmonding zich niet aan de rand van een gebouw bevindt, behoeft de luchttoevoerleiding niet verlengd te worden. 1. Verleng de verbrandingsgasafvoerleiding, en eventueel ook de luchttoevoerleiding, van de dubbelpijpsdoorvoer met een standaard verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding op de juiste lengte volgens de aangegeven maten. 2. Schuif de verbrandingsgasafvoer- en eventueel ook de luchttoevoerleiding in de afvoer- en toevoerpijp van de dubbelpijpsdoorvoer. 3. Monteer de verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding op afschot naar het toestel. 4. Monteer de uitblaasroosters op beide leidingen. Intergas Verwarming BV 21 5.7.2 Gevel- en dakuitmonding combidoorvoer horizontaal Toestelcategorie: C13 VOORZICHTIG Leidingen voor de verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen het toestel en de dubbelpijpsdoorvoer, moeten een diameter hebben van ø 80 mm. • Intergas combidoorvoer-horizontaal. Voor gevel- of dakuitmonding horizontaal. • Intergas combidoorvoer-horizontaal. Voor verlenging van een balkon-/galerij uitmonding. Toegestane leidinglengte Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding: samen 60 meter, exclusief de lengte van de combidoorvoer. Verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding Voor de montage, zie § 5.7 Montage algemeen Montage combidoorvoer-horizontaal geveluitmonding 1. Maak op de plaats van uitmonding een sparing van ø 130 mm. 2. Kort de combidoorvoer in op de juiste lengte volgens de aangegeven maten. 3. Intergas Verwarming BV 22 Montage combiverlengpijp t.b.v. balkon-/galerij uitmonding Als de vrije uitmonding wordt gehinderd door een dakoverstek, balkon, galerij, of anders, moet de combidoorvoer verlengd te worden tot tenminste de voorzijde van het overstekende deel. 1. Monteer de combiverlengpijp op de combidoorvoer. 2. Kort de combidoorvoer of de combiverlengpijp in op de juiste lengte volgens de aangegeven maten. 3. Monteer het uitblaasrooster en bevestig dit aan de binnenpijp. 4. Monteer de combidoorvoer en combiverlengpijp op afschot naar het toestel. Montage combidoorvoer-horizontaal dakuitmonding 1. De uitmonding kan op een willekeurige plaats in het dakvlak gemaakt worden. 2. Monteer een horizontale dakdoorvoerpan (D) (geschikt is voor pijp ø 120 mm) op de plaats van de uitmonding. 3. Monteer het uitblaasrooster op de combidoorvoer en bevestig dit aan de binnenpijp. 4. Intergas Verwarming BV 23 5.7.3 Dakuitmonding combidoorvoer-verticaal en dubbelpijpsdoorvoer-verticaal Toestelcategorie: C33 VOORZICHTIG Als de Intergas combidoorvoer-verticaal niet toegepast kan worden, moeten de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer separaat uitgevoerd worden. • Intergas combidoorvoer-verticaal. Toegestane leidinglengte Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding: samen 60 meter, exclusief de lengte van de combidoorvoer of de dubbelpijpsdoorvoer. Verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding Voor de montage, zie § 5.7 Montage algemeen Montage combidoorvoer-verticaal 1. Monteer een verticale doorvoerpan met schaal op de plaats van uitmonding op een schuin dak. Op een plat dak moet een plakplaat voor een pijp ø 126 mm aangebracht worden. 2. Demonteer het spruitstuk van de combidoorvoer (C). 3. Schuif de combidoorvoer (C) van buiten naar binnen: Bij een schuin dak door de verticale doorvoerpan met schaal. Bij een plat dak door de plakplaat. 4. Monteer het spruitstuk van de combidoorvoer (C) en borg deze met een plaatschroef of popnagel. Intergas Verwarming BV 24 Montage dubbelpijpsdoorvoer-verticaal VOORZICHTIG De uitmondingen van verbrandingsgasafvoer en luchttoevoer dienen in hetzelfde drukvlak gemaakt te worden. De luchttoevoer uit het schuine dakvlak en de verbrandingsgasafvoer door middel van een bouwkundige schoorsteen is ook mogelijk, omgekeerd niet. 1. Monteer een standaard dubbelwandige verbrandingsgasdoorvoer (ø 80 mm) met Giveg-afvoerkap op een schuin dak op de plaats van de uitmonding. 2. Monteer een standaard ventilatiedoorvoer (ø 80 mm) met kruiskap in een bijbehorende dakdoorvoerpan voor de luchttoevoer. 3. Monteer, voor de verbrandingsgasafvoer, een standaard dubbelwandige verbrandingsgasdoorvoer (ø 80 mm) met Giveg-afvoerkap op de plaats van de uitmonding . Monteer bij een plat dak of en bouwkundige schoorsteen en ten behoeve van de luchttoevoer een standaard ventilatie doorvoer (ø 80 mm) met kruiskap in een bijbehorende plakplaat. VOORZICHTIG Twee uitmondingen moeten minimaal op 200 mm van elkaar staan. Intergas Verwarming BV 25 5.7.4 Dakuitmonding prefabschoorsteen Toestelcategorie: C33 Als er in een schacht te weinig ruimte is, kan een dakuitmonding door een prefabschoorsteen noodzakelijk zijn. De prefabschoorsteen dient voorzien te zijn van rookagafvoer en luchttoevoer openingen van tenminste 150cm2 per aangesloten toestel en moet aan de aangegeven minimale maten voldoen. De leverancier moet de goede werking van de prefabschoorsteen, ten aanzien van windaanval, ijsvorming, inregenen enzovoort garanderen. Door de verschillende uitvoeringen en maten, moeten de prefabschoorstenen aangepast worden aan de plaatselijke situatie: Gaskeur behoeft niet aangevraagd te worden. VOORZICHTIG De verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen het toestel en de prefabschoorsteen moet uitgevoerd worden in leidingen van ø 80 mm. Intergas Verwarming BV 26 5.7.5 Dakuitmonding en luchttoevoer vanuit de gevel Toestelcategorie: C53 VOORZICHTIG De luchttoevoer (A) in de gevel moet voorzien worden van een Intergas inlaatrooster. Verbrandingsgasafvoer (B) door een prefabschoorsteen, of door een dubbelwandige dakdoorvoer ø 80 mm met Giveg afvoerkap. De prefabschoorsteen dient voorzien te zijn van rookagafvoer en luchttoevoer openingen van tenminste 150cm2 per aangesloten toestel en moet aan de aangegeven minimale maten voldoen. De leverancier moet de goede werking van de prefabschoorsteen, ten aanzien van windaanval, ijsvorming, inregenen enzovoort garanderen. Toegestane leidinglengte Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding: samen 75 meter, inclusief de lengte van de doorvoer. Verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding Voor de montage, zie § 5.7 Montage algemeen Montage luchttoevoer- horizontaal De luchttoevoer (A) kan op een willekeurige plaats in de gevel gemaakt worden. 1. Maak op de plaats van de toevoer een sparing van ø 90 mm. 2. Kort de luchttoevoerleiding in op de gewenste lengte uit de muur. 3. Monteer het Intergas inlaatrooster en bevestig dit aan de pijp. 4. Schuif de luchttoevoerleiding in de sparing en dek de sparing af met een rozet, indien noodzakelijk. 5. Monteer de luchttoevoer, op de plaats van de geveldoorvoer, op afschot naar buiten, om inregenen te voorkomen. Montage verbrandingsgasdoorvoer - verticaal 1. Monteer een doorvoerpan met schaal in een schuin dakvlak op de plaats van uitmonding. Monteer een plakplaat, geschikt voor een dubbelwandige verbrandingsgasdoorvoer ø 80 mm (diameter ø 96 mm) in een plat dak. 2. Intergas Verwarming BV 27 5.7.6 Luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met gemeenschappelijk afvoersysteem Toestelcategorie: C83 Een luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met een gemeenschappelijk afvoersysteem is toegestaan. VOORZICHTIG De luchttoevoer (A) in de gevel moet voorzien worden van een Intergas inlaatrooster. De minimale doorlaat van het gemeenschappelijk afvoersysteem Aantal toestellen Diameter afvoer 2 130 3 150 4 180 5 200 6 220 7 230 8 250 9 270 10 280 11 290 12 300 Toegestane leidinglengte Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding tussen toestel en gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoer en luchttoevoerleiding: samen 75 meter. Verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding Voor de montage, zie § 5.7 Montage algemeen Gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoer De uitmonding van de verbrandingsgasafvoer kan op een willekeurige plaats in het schuine dakvlak gemaakt worden, mits de uitmonding in het dakvlak dezelfde oriëntatie heeft als de luchttoevoer in de gevel. Bij een platdak moet de uitmonding van de verbrandingsgasafvoer in het “vrije” uitmondingsgebied gemaakt worden. Breng een condensafvoer aan. VOORZICHTIG Het gemeenschappelijk afvoersysteem moet voorzien worden van een trekkende afvoerkap(B). Als het gemeenschappelijk afvoersysteem in de buitenlucht wordt gesitueerd, moet de afvoerleiding dubbelwandig of geïsoleerd uitgevoerd worden. Opmerking Het gemeenschappelijk afvoersysteem is in combinatie met het toestel gekeurd. Intergas Verwarming BV 28 5.7.7 Dakuitmonding CLV-systeem Toestelcategorie : C43 VOORZICHTIG Een dakuitmonding door een Combinatie-LuchttoevoerVerbrandingsgasafvoersysteem (CLV-systeem) is toegestaan. Voor de gemeenschappelijke verbrandingsgas-afvoerkap en luchttoevoerkap is een verklaring van geen bezwaar of een gaskeur van Kiwa (Gastec) nodig. De gemeenschappelijke luchttoevoer en de gemeenschappelijke afvoer van de verbrandingsgassen mogen concentrisch of afzonderlijk uitgevoerd worden. Toegestane leidinglengte Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding tussen toestel en CLV-systeem: samen 75 meter. Verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding Voor de montage, zie § 5.7 Montage algemeen Opmerking De doortocht van het gemeenschappelijke toe- en afvoersysteem dient door de fabrikant van het CLV-systeem opgegeven te worden. Intergas Verwarming BV 29 6 INBEDRIJF STELLEN VAN HET TOESTEL 6.1 Vullen en ontluchten van toestel en installatie WAARSCHUWING Sluit het toestel na het vullen en ontluchten pas aan op de netspanning! 6.1.1 CV-systeem WAARSCHUWING Als een toevoegmiddel aan het CV-water wordt toegevoegd, moet dit geschikt zijn voor de in het toestel toegepaste materialen zoals koper, messing, roestvast staal, staal, kunststof en rubber. 1. Sluit de vulslang aan op de vul-/aftapkraan en vul de installatie met schoon drinkwater, tot een druk van 1 – 2 bar maximaal bij een koude installatie. 2. Ontlucht het toestel met de handontluchter (A). Eventueel kan er een automatische ontluchter op het toestel gemonteerd worden in plaats van de handontluchter. 3. Ontlucht de installatie met de handontluchters op de radiatoren. 4. Vul de CV installatie bij als de druk door het ontluchten te ver is gedaald. 5. Controleer alle koppelingen op lekkage. 6. Vul de sifon met water. 6.1.2 Warmwatervoorziening 1. Open de hoofdkraan om het warmwatergedeelte op druk te brengen. 2. Ontlucht de wisselaar, de boiler en het leidingsysteem door een warmwaterkraan te openen. Laat de kraan open staan tot alle lucht uit het systeem is verdwenen. 3. Controleer alle koppelingen op lekkage. 6.1.3 Gastoevoer 1. Ontlucht de gasleiding met de voordrukmeetnippel (D) op het gasblok. 2. Controleer de koppelingen op lekkage. 3. Controleer de voordruk. (zie § 7.9) Intergas Verwarming BV 30 6. 2 In bedrijf stellen van het toestel Nadat de voorgaande handelingen zijn uitgevoerd, mag het toestel in bedrijf gesteld worden. 1. Druk op de aan/uit knop, om het toestel in bedrijf te stellen. De boiler wordt opgewarmd en op het service display verschijnen , , en (op service display). 2. Stel de pompstand in afhankelijk van het ingestelde maximaal vermogen en de waterzijdige weerstand van de installatie. Voor de opvoerhoogte van de pomp en het drukverlies van het toestel. Zie § 7. 5. 3. Stel de kamerthermostaat hoger in dan de kamertemperatuur. Het toestel gaat nu op CV bedrijf: op het service display. 4. Stook de installatie en het toestel op tot ca. 80°C. 5. Controleer het temperatuurverschil tussen de aanvoer en retour van het toestel en de radiatoren. Dit moet ongeveer 20°C bedragen. Stel hiervoor het maximaal vermogen in op het service paneel. Zie Instelling maximaal vermogen. Stel eventueel de pomp stand en of radiatorafsluiters in. De minimale doorstroom hoeveelheid bedraagt: 175 l/h bij een ingesteld vermogen van 6,1 kW 200 l/h bij een ingesteld vermogen van 7,0 kW 450 l/h bij een ingesteld vermogen van 15,6 kW 750 l/h bij een ingesteld vermogen van 26,2 kW 6. Schakel het toestel (elektrisch) uit. 7. Ontlucht het toestel en de installatie na het afkoelen. (Zonodig bijvullen) 8. Controleer de verwarming en de warmwatervoorziening op de goede werking. 9. Instrueer de gebruiker over het vullen, ontluchten en de werking van de verwarming en de warmwatervoorziening. Opmerkingen • Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt, bij iedere warmtevraag van de verwarming of van de warmwatervoorziening. • De CV-pomp draait automatisch 1 maal per 24 uur gedurende 10 seconden om vastzitten te voorkomen. De automatische inschakeling van de CV-pomp vindt plaats op het tijdstip van de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient de kamerthermostaat op het gewenste tijdstip even hoger gezet te worden. • Voor de warmwatervoorziening draait de CV-pomp niet. Handleiding Intergas Prestige CW6 – volledige tekst
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Intergas Prestige CW6 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding CV Ketel Intergas
Alle Intergas CV Ketel handleidingen