Fiat Tipo (2017) Handleiding
Pagina's 244 Nederlands Auto
Bekijk de handleiding van Fiat Tipo (2017) gratis online of download de PDF. 59 mensen vonden deze handleiding nuttig. Vraag over dit model? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Fiat |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Tipo (2017) |
Handleiding Fiat Tipo (2017) – volledige tekst
Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken.Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.ONLINE INSTRUCTIEBOEKHet volgende symbool is weergegeven in de tekst van het Instructieboek, naast de onderwerpen waarvoor updates worden verschaft.Ga naar de website www.mopar.eu/owner en open uw persoonlijke zone.
Beste klant,Wij feliciteren u en bedanken u dat u voor een Fiat hebt gekozen. Wij hebben dit boekje opgesteld om u te helpen alle kenmerken van dit voertuig te leren kennen en het op de beste manier tegebruiken. Dit boekje bevat informatie, adviezen en belangrijke waarschuwingen voor een juist gebruik van het voertuig, zodat u hetmaximum uit de technologische eigenschappen kunt halen. Het wordt geadviseerd het eerst helemaal te lezen voordat u voor de eerste keer de weg op gaat, om bekend te raken met debedieningselementen en met name die elementen die betrekking hebben op de remmen, stuurinrichting en versnellingsbak,tegelijkertijd kunt u het gedrag van het voertuig op verschillende wegdekken begrijpen. In dit document vindt u een beschrijving van de speciale kenmerken en tips, evenals essentiële informatie over veilig rijden,onderhoud van en zorg voor uw voertuig.
Geadviseerd wordt het instructieboek, nadat u het gelezen hebt, in het voertuig te bewaren, zodat u het in de toekomstgemakkelijk kunt raadplegen en om ervoor te zorgen dat het aan boord van het voertuig blijft indien het verkocht mochtworden. In het bijgevoegde Garantieboekje vindt u ook een beschrijving van de Diensten die Fiat haar klanten biedt, hetGarantiecertificaat en de details van de voorwaarden om de geldigheid ervan te behouden. Wij zijn ervan overtuigd dat u met behulp van deze middelen spoedig vertrouwd zult raken met uw nieuwe auto en de servicevan de mensen bij Fiat zult waarderen. Veel leesplezier gewenst. en goede reis. Dit instructieboekje beschrijft alle voertuigversies.
Bijzonderheden die tijdens de fabricage van het model geïntroduceerd zijn, behalve het speciale verzoek omopties op het moment van de aanschaf, zullen aangegeven worden met de tekst (waar aanwezig). Alle in deze publicatie vermelde gegevens zijn bedoeld om u te helpen uw voertuig op de best mogelijke wijze tegebruiken. FCA Italy S. p. A. streeft naar een constante verbetering van de gefabriceerde voertuigen. Daarombehoudt zij zich het recht voor wijzigingen aan het beschreven model aan te brengen om technische en/ofcommerciële redenen. Neem voor meer informatie contact op met het Fiat Servicenetwerk.
AANDACHTIG LEZENVULINHOUDENBenzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die aan de Europese norm EN228 voldoet. Zie voor nadere details over het gebruik van de correcte brandstof de paragraaf "Tanken" in het hoofdstuk "Starten en rijden". Dieselmotoren: tank uitsluitend dieselolie voor motorvoertuigen die aan de Europese norm EN590 voldoet. Het gebruik van andere productenof mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en derhalve de garantie voor de veroorzaakte schade ongeldig maken. Zie voor nadere details over het gebruik van de correcte brandstof de paragraaf "Tanken" in het hoofdstuk "Starten en rijden".
DE MOTOR STARTENVersies met handmatige versnellingsbak (benzinemotoren): Controleer of de handrem is aangetrokken, zet de versnellingspook in devrijstand, trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal in te trappen, draai de contactsleutel naar de stand AVV en laat hem loszodra de motor start. Versies met handgeschakelde versnellingsbak (Dieselmotoren): controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook inde vrijstand, trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal in te trappen, draai vervolgens de contactsleutel naar MAR en wachttot het lampje uitgaat. Draai de contactsleutel naar AVV en laat deze los zodra de motor start.
Versies met automatische versnellingsbak (waar aanwezig): controleer of de handrem is aangetrokken en of de versnellingspook in P(Parkeren) of N (vrijstand) staat, trap het rempedaal volledig in zonder het gaspedaal in te trappen, draai vervolgens de contactsleutel naar AVVof druk de startknop in; laat de sleutel of de knop los zodra de motor gestart is. PARKEREN BOVEN BRANDBAAR MATERIAALDe katalysator ontwikkelt tijdens zijn werking zeer hoge temperaturen. Parkeer de auto dus niet boven gras, dennennaalden of anderontvlambaar materiaal: brandgevaar.
MILIEUBESCHERMINGHet voertuig is uitgerust met een diagnosesysteem dat continu controles uitvoert op de componenten die verband houden met deuitlaatgasemissie, om het milieu beter te beschermen. ELEKTRISCHE ACCESSOIRESAls na aanschaf van het voertuig besloten mocht worden om elektrische accessoires toe te voegen (met het risico dat de accu langzaamontlaadt), neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. Zij kunnen het totale stroomverbruik berekenen en controleren of de elektrischeinstallatie van het voertuig geschikt is voor het extra stroomverbruik. GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDEen correct onderhoud van de auto is van essentieel belang om de prestaties en de veiligheid van de auto, zijn milieuvriendelijkheid en lagebedrijfskosten gedurende langere tijd te garanderen.
SYMBOLENSommige onderdelen van de auto zijn voorzien van gekleurde plaatjes met daarop symbolen die de voorzorgsmaatregelenaangeven die in acht genomen moeten worden wanneer het betreffende onderdeel wordt gebruikt.Een plaatje waarop deze symbolen zijn samengevat bevindt zich onder de motorkap.VERANDERINGEN/WIJZIGINGEN AAN HET VOERTUIGBELANGRIJK Elke verandering of wijziging aan het voertuig kan ernstige negatieve invloed hebben op de veiligheid en dewegligging ervan, hetgeen kan leiden tot ongevallen waarbij de inzittenden zelfs dodelijk gewond kunnen raken.
GEBRUIK VAN HET INSTRUCTIEBOEKBEDIENINGSAANWIJZINGENElke keer als er aanwijzingen over de richting van het voertuig worden gegeven (links/rechts of vooruit/achteruit), dan moetendeze begrepen worden als gezien door een inzittende op de bestuurdersstoel. Speciale uitzonderingsgevallen op deze regelzullen duidelijk in de tekst zijn aangegeven. De afbeeldingen in het Instructieboek zijn alleen bedoeld als voorbeeld: dit betekent dat sommige details van de afbeelding nietovereen kunnen komen met de daadwerkelijke uitrusting van uw voertuig. Bovendien is het Instructieboek geschrevenuitgaande van voertuigen met het stuurwiel aan de linkerkant; het is dus mogelijk dat bij voertuigen met het stuur rechts,sommige plaatsen of constructie van bedieningselementen niet de exacte afspiegeling is ten opzichte van de afbeelding.
Om het hoofdstuk te vinden met de informatie die u nodig hebt, kunt u de inhoudsopgave aan het eind van dit Instructieboekraadplegen. Hoofdstukken kunnen gemakkelijk gevonden worden dankzij de speciale grafische tabbladen, aan de zijkant van elke onevenpagina. Enkele pagina's verderop vindt u een verklaring om de volgorde van de hoofdstukken en de bijbehorende symbolen opde tabbladen te leren kennen. Er is in ieder geval een aanwijzing in tekst van het betreffende hoofdstuk aan de zijkant van elkeeven pagina. WAARSCHUWINGEN EN VOORZORGSMAATREGELENTijdens het lezen van dit Instructieboek zult u een reeks aantreffen om handelswijzen te voorkomen dieWAARSCHUWINGENtot schade aan uw voertuig zouden kunnen leiden.
Er zijn ook die zorgvuldig moeten worden opgevolgd om onjuist gebruik van de onderdelenVOORZORGSMAATREGELENvan het voertuig te voorkomen, die zouden kunnen leiden tot ongevallen of letsel. Daarom moeten alle en altijd zorgvuldig in acht genomen worden. WAARSCHUWINGEN VOORZORGSMAATREGELENWAARSCHUWINGEN VOORZORGSMAATREGELENen worden in de tekst aangegeven met de volgende symbolen:veiligheid van de inzittenden;veiligheid van het voertuig;milieubescherming.
2 van desleutel kunnen de volgende slotenbediend worden:het contactslot;het slot van het bestuurdersportier.Druk op knop 2 om de metalen baardin/uit te klappen.1)WERKINGOntgrendeling portieren enbagageruimteDruk kort op de knop : ontgrendelingvan de portieren en bagageruimte,tijdgestuurde inschakelingbinnenverlichting en dubbel knipperenvan de richtingaanwijzers (indienaanwezig).De portieren kunnen altijd ontgrendeldworden door de metalen baard in hetslot van het bestuurdersportier teplaatsen.Portieren en slot van bagageruimtevergrendelenDruk kort op de knop " :FIAT"vergrendeling van de portieren en debagageruimte en eenmaal knipperenvan de richtingaanwijzers (indienbeschikbaar).Als een of meer portieren open zijn,worden ze niet vergrendeld. Dit wordtaangegeven door het snel knipperenvan de richtingaanwijzers (waaraanwezig).
De portieren wordenvergrendeld ook als de achterklep openstaat.De portieren kunnen altijd vergrendeldworden door de metalen baard in hetslot van het bestuurdersportier teplaatsen.Bagageruimte openenDruk kort op de knop om debagageruimte op afstand te openen.De richtingaanwijzers knipperen tweemaal om aan te geven dat debagageruimte geopend is.VERZOEK OM EXTRASLEUTELSSleutel met afstandsbedieningHet systeem kan maximaal 8 sleutelsmet afstandsbediening herkennen.DuplicaatsleutelsAls een nieuwe sleutel metafstandsbediening nodig is, ga dan naarhet Fiat Servicenetwerk en neem eenidentiteitsbewijs en deeigendomsdocumenten van de automee.BELANGRIJK1) Druk knop 2 alleen in wanneer de sleutelver genoeg van het lichaam (vooral deogen) en van voorwerpen die snelbeschadigen (bijvoorbeeld kleding) isverwijderd.
Alle elektrischeapparaten/systemen kunnen werken;AVV: motor starten.Het contactslot is voorzien van eenbeveiliging: als de motor bij de eerstepoging niet aanslaat, moet de sleutelteruggedraaid worden naar de standSTOP om opnieuw te kunnen starten.Bij versies met automatischeversnellingsbak (indien aanwezig) kande contactsleutel alleen verwijderdworden als de versnellingspook in P(Parkeren) staat.2) 3)STUURSLOTInschakelenWanneer de sleutel in de STOP-standstaat, de sleutel verwijderen en hetstuurwiel verdraaien tot het vergrendelt.BELANGRIJK Als de contactsleutel vande stand MAR naar de stand STOP isgedraaid, kan het stuurslot nietingeschakeld worden tot de sleutel uithet contactslot is verwijderd.UitschakelenDraai het stuur enigszins en draai desleutel in de stand MAR.4) 5) 6) 7)BELANGRIJK2) Als er geknoeid is aan het contactslot(bijv.
een poging tot diefstal), dan moet ditgecontroleerd worden bij het FiatServicenetwerk voordat er verder geredenwordt.3) Neem de sleutel altijd mee als hetvoertuig wordt verlaten, om te voorkomendat iemand onverhoeds gebruik van debedieningselementen maakt. Vergeet nietde parkeerrem in te schakelen. Laatkinderen nooit zonder toezicht in de autoachter.304026J0001EM10KENNISMAKING MET DE AUTO
4) After-market werkzaamheden waarbijwijzigingen van de stuurinrichting of destuurkolom betrokken zijn (bijv. bij montagevan een alarmsysteem) zijn ten strengsteverboden. Dergelijke werkzaamhedenkunnen de prestaties van het systeem ende garantie in gevaar brengen en het kanook ernstige veiligheidsproblemenveroorzaken of erin resulteren dat de autoniet meer aan de typegoedkeuring voldoet. 5) Verwijder de mechanische sleutel nooitterwijl het voertuig rijdt. Het stuurwiel zalautomatisch vergrendeld worden zodraeraan gedraaid wordt. Dit geldt ook voorauto's die gesleept worden. 6) Alvorens het voertuig te verlaten ALTIJDde parkeerrem inschakelen, de wielendraaien, de eerste versnelling inschakelenbij een helling omhoog en deachteruitversnelling bij een helling omlaag.
Zet de versnellingspook, bij versies metautomatische versnellingsbak (waaraanwezig), in P (Parkeren) en druk op destartinrichting om deze op STOP te zetten. Als het voertuig op een steile helling wordtgeparkeerd, blokkeer de wielen dan met ofwiggen of stenen. Bij het verlaten van hetvoertuig, altijd de portieren sluiten door ophet knopje op de sleutel te drukken. 7) Op versies met automatischeversnellingsbak (waar aanwezig) is hetraadzaam de versnelling in P te zetten, hetrempedaal veilig los te laten en dan demotor te stoppen om de sleutel zachtjeslos te laten. FIAT CODEHet Fiat Codesysteem verhindertongeautoriseerd gebruik van hetvoertuig, door het starten van de motoronmogelijk te maken. Het systeem hoeft niet te wordenin-/uitgeschakeld: de werking isautomatisch, onafhankelijk van het feitof de portieren van het voertuig al danniet zijn vergrendeld.
Wanneer de startinrichting op MARwordt gezet, identificeert het FiatCodesysteem de code die door desleutel wordt verzonden. Als de codeherkend wordt als geldig, maakt hetFiat Codesysteem het starten van demotor mogelijk.
Wanneer de startinrichting weer naarSTOP wordt gezet, schakelt het FiatCodesysteem de motorregeleenheid uit,zodat de motor niet gestart kanworden. Zie voor de correcte procedures om demotor te starten, de aanwijzingen in deparagraaf "De motor starten" in hethoofdstuk "Starten en rijden". ONREGELMATIGE WERKINGAls de code van de sleutel, tijdens hetstarten, niet correct herkend wordt,wordt het pictogram op hetinstrumentenpaneel weergegeven (ziede aanwijzingen in paragraaf "Lampjesen berichten" in hoofdstuk"Kennismaking met hetinstrumentenpaneel"). Dezeomstandigheid leidt er toe dat de motorna 2 seconden wordt uitgeschakeld. Draai in dat geval de startinrichting naarSTOP en daarna naar MAR; als demotor geblokkeerd blijft, probeer hetdan met de andere bijgeleverdesleutels. Neem contact op met het FiatServicenetwerk als de motor nogsteeds niet gestart kan worden.
Als het pictogram tijdens het rijdenwordt weergegeven, betekent dit dathet systeem een zelfdiagnose uitvoert(bijv. bij een spanningsval). Neem, alshet probleem aanhoudt, contact op methet Fiat Servicenetwerk. 11.
PORTIERENPORTIERENVERGRENDELEN/ONTGRENDELEN VANBINNENUITAutomatische vergrendeling tijdensrijden(waar aanwezig)Als alle portieren goed gesloten zijnworden ze automatisch vergrendeldzodra het voertuig de snelheid van20 km/h overschrijdt (functie"Autoclose"). Deze functie kan ookuitgeschakeld worden via het menu ophet instrumentenpaneel.Handmatige vergrendeling/ontgrendelingDruk op de knop getoond in fig. 4 ophet centrale dashboardpaneel.LED op knop aan: portieren gesloten.LED op knop uit: portieren geopend.BELANGRIJK Het activeren van dehendel van het voorportier zorgt voorhet openen van alle portieren en hetachterportier.
De LED wordt vervolgensuitgeschakeld als een willekeurig portierwordt geopend.PORTIERENVERGRENDELEN/ONTGRENDELEN VANBUITENAFDe portieren vergrendelen vanbuitenafDruk, bij gesloten portieren, op de knop" " op de sleutel of steek enFIATdraai de metalen baard in het slot vanhet bestuurdersportier.Het portierslot kan in ieder gevalbediend worden met alle portierenvergrendeld en de achterklep geopend(voor bepaalde versies/markten, waaraanwezig).
Zodra de knop " FIAT" opde sleutel wordt ingedrukt, worden allesloten vergrendeld, met inbegrip vanhet slot van de geopende achterklep.Wanneer de open achterklep geslotenwordt, wordt deze vergrendeld en kanniet meer van buitenaf geopendworden.8)2) 3)Portieren ontgrendelen van buitenafDruk op de knop op de sleutel ofsteek en draai de metalen baard in hetslot van het bestuurdersportier.Initialisatie mechanisme portieropenen/sluitenAls de accu is losgekoppeld of als eenzekering is doorgebrand, dan moet hetopen-/sluitmechanisme als volgtopnieuw geïnitialiseerd worden:sluit alle portieren;druk op de knop van deafstandsbediening;druk op de knop van deafstandsbediening.404056J0001EM12KENNISMAKING MET DE AUTO
KINDERSLOT9) 10)Dit systeem zorgt ervoor dat deachterportieren van binnenuit nietgeopend kunnen worden. Het systeem 2 fig. 5 kan alleen bijgeopende portieren wordeningeschakeld:stand A: kinderslot ingeschakeld(portier vergrendeld);stamd B: kinderslot uitgeschakeld(portier kan van binnenuit wordengeopend). Het kinderslot blijft ingeschakeld ook alsde portieren elektrisch ontgrendeldworden. BELANGRIJK De achterportierenkunnen niet van binnenuit wordengeopend als het kinderslot isingeschakeld. Passagierszijde voorportier enachterportiernoodvergrendelingssysteemGebruikt om portieren te vergrendelenwanneer er geen elektrischestroomvoorziening is. Breng de metalenbaard van de contactsleutel in stand1 aangeduid in fig. 5 (passagierszijdevoorportier) of 1 fig. 6 (achterportiers)en draai de sleutel rechtsom enverwijder hem dan uit stand 1.
Om de startconditie van deportiersloten te herstellen (alleen als deacculading hersteld is) druk op de knopop de afstandsbediening of de knopop het instrumentenpaneel, of steekde metalen baard van de contactsleutelin het slot aan bestuurderszijde; trekvervolgens aan de binnenhandgreepvan het portier. BELANGRIJK8) Als bij ingeschakeld kinderslot en dehiervoor beschreven vergrendelingswijzede binnenhandgreep van een achterportierwordt bediend, lukt het niet om het portierte openen, om het portier te openen moetde handgreep aan de buitenkant gebruiktworden. Bij inschakeling van denoodvergrendeling wordt de knop van decentrale portiervergrendeling/ontgrendelingniet buiten werking gesteld. 9) Laat kinderen NOOIT zonder toezichtachter in de auto, laat staan dat u de autoverlaat met ontgrendelde portieren op eenplaats die gemakkelijk toegankelijk is voorkinderen.
Kinderen kunnen zich ernstig ofzelfs dodelijk verwonden. Zorg er ook voordat kinderen de parkeerrem, het rempedaalof de pook van de automatischeversnellingsbak niet per ongeluk kunnenbedienen (waar aanwezig). 10) Gebruik dit systeem altijd wanneer erkinderen worden vervoerd.
BELANGRIJK2) Verzeker u ervan de sleutel mee tenemen nadat een portier of de achterklep isvergrendeld, om te voorkomen dat desleutel zelf in het voertuig wordtopgesloten. Als de sleutel binnen isopgesloten, kan hij alleen teruggekregenworden met de bijgeleverde tweede sleutel.3) Als bij ingeschakeld kinderslot en dehiervoor beschreven vergrendelingswijze debinnenhandgreep van een achterportierwordt bediend, lukt het niet om het portierte openen, om het portier te openen moetde handgreep aan de buitenkant gebruiktworden. De knop voor centralevergrendeling/ontgrendeling wordt door deinschakeling van de noodvergrendeling nietbuiten werking gesteld.STOELENVOORSTOELEN METHANDMATIGEVERSTELLING11)4)Afstelling in de lengteTil hendel 1 fig.
ELEKTRISCHEVERWARMINGVOORSTOELEN(indien aanwezig)14) 15)Druk met de startinrichting in de standMAR op de knoppen fig. 9 op hetdashboard.Na het selecteren van destoelverwarming, moet u twee tot vijfminuten wachten totdat het effectwordt gemerkt.BELANGRIJK Om de acculading tebehouden, kan deze functie nietingeschakeld worden als de motor uitstaat.ACHTERBANKGedeeltelijke uitbreiding van debagageruimte (1/3 of 2/3)(indien aanwezig)13)Bij het uitbreiden van de bagageruimteaan de rechterkant, kunnen er tweepassagiers links op de achterbankplaatsnemen. Bij het uitbreiden van debagageruimte aan de linkerkant kan erslechts één passagier plaatsnemen.Ga als volgt te werk:zet de hoofdsteunen van deachterstoelen helemaal naar beneden;de veiligheidsgordel middenlosmaken: druk op de rode knop 2fig.
10 die zich voorop in de zone vande sluiting bevindt, met gebruik van delosse gesp 1 en bevrijd de gesp uit delinker sluiting. Ontgrendel deveiligheidsgordel waardoor dezevolledig in het spoelapparaat achter derugleuning terugloopt;bedien ontgrendelingsmechaniek 1(rechts of links) fig. 11 om het gewenstegedeelte van de rugleuning in teklappen.Volledige uitbreiding van debagageruimteDoor het volledig naar voren klappenvan de achterbank verkrijgt u demaximale laadruimte.9P2000018-000-00010 04066J0010EM11 04066J0007EM15
Ga als volgt te werk:zet de hoofdsteunen van deachterstoelen helemaal naar beneden;bedien ontgrendelingsmechanismen1 om de rechter en linker gedeelten vande rugleuning in te klappen, en ga tewerk als hiervoor beschreven. Terugzetten van de rugleuningen13)Til de rugleuningen op en druk de zenaar achteren zodat beidevergrendelingen hoorbaar vastklikken. Controleer visueel of de rodemerktekens van deontgrendelingsmechaniek 1 fig. 11 zijnverdwenen. Het rode merkteken geeftaan dat de rugleuning niet isvergrendeld. In de linker sluiting (zonderde rode ontgrendelingsknop op desleuf) de eerste gesp inbrengen die zichbevindt aan het einde van de diagonalesectie van de veiligheidsgordel middenachterin.
14) Mensen die geen pijn op de huidvoelen door vergevorderde leeftijd,chronische ziekten, diabetes, beschadigingvan het ruggenmerg, medicatie, alcohol,uitputting of andere fysieke condities,moeten voorzichtig zijn met het gebruik vande stoelverwarming. Deze kanbrandwonden veroorzaken zelfs bij eenlage temperatuur, in het bijzonder bijgebruik voor lange periodes. 15) Plaats geen voorwerpen op de stoel ofop tegen de rugleuning die de warmtekunnen isoleren, zoals een afdekking of eenkussen.
Het kan ervoor zorgen dat hetstoelverwarmingssysteem oververhit raakt. Zitten op een oververhitte stoel kanernstige brandwonden veroorzaken doorde toename van de temperatuur op hetoppervlak van de stoel. BELANGRIJK4) De bekleding van uw voertuig isontworpen om bestand te zijn tegen slijtagebij normaal gebruik van het voertuig. Ermoeten wel enkele voorzorgsmaatregelengetroffen worden. Vermijd excessiefschuren tegen kledingaccessoires zoalsmetalen gespen en klittenband die, als zeveel druk uitoefenen in een klein gebied,zouden kunnen afbreken, met beschadigingvan de bekleding als gevolg. 16KENNISMAKING MET DE AUTO.
12 aan de zijkanten van de tweesteunen, en verwijder de hoofdsteun.BELANGRIJK Zet de hoofdsteunenaltijd weer op hun plaats als zeverwijderd zijn alvorens normaal verderte rijden.HOOFDSTEUNENACHTER16)VerstellenTwee hoofdsteunen aan de zijkant eneen centrale (waar voorzien) kunnen in3 standen in hoogte worden versteld(volledig omhoog / tussenstand /volledig omlaag) en zijn voorzien voorde achterbankOmhoog verstellen: breng dehoofdsteun omhoog tot deze op zijnplaats vastklikt.Het wordt afgeraden om met personenop de achterbank met de hoofdsteunenin de ongebruikte (volledig lage) standte reizen.Op bepaalde versies herinnert het labelgetoond in fig.
13 de passagier die deachterste centrale stoel bezet eraan dehoofdsteun correct te verstellen doorhet omhoog te brengen naar een vande mogelijke standen.BELANGRIJK Voor maximalezichtbaarheid voor de bestuurder,worden de hoofdsteunen naar deruststand, volledig omlaag, gebrachtindien deze niet worden gebruikt.Omlaag verstellen: druk op knop 1fig. 14 en breng de hoofdsteun omlaag.12 04076J0001EM13 04076J0002EM14 04076J0003EM17
VerwijderenGa als volgt te werk om de hoofdsteunte verwijderen:trek de hoofdsteun tot demaximumhoogte uit;druk op knoppen 1 and 2 fig. 14 aande zijkanten van de twee steunen, enverwijder dan de hoofdsteun.Voor versies met opvouwbarerugsteunen achter, gebruik deontgrendelingsmechaniek om derugleuningen ongeveer 45 graden tevouwen om het gemakkelijker te makende hoofdsteunen te verwijderen.BELANGRIJK Zet de hoofdsteunenaltijd weer op hun plaats als zeverwijderd zijn alvorens normaal verderte rijden.BELANGRIJK16) De hoofdsteunen moeten zodanigversteld worden dat het hoofd en niet denek er tegenaan steunt. Alleen op dezemanier oefenen ze hun beschermendewerking uit.
Elke verwijderde hoofdsteunmoet weer correct op zijn plaats gezetworden, om de inzittenden in geval van eenaanrijding te beschermen: volgbovenstaande aanwijzingen op.STUURWIEL17) 18)INSTELLINGENHet stuurwiel kan zowel in hoogte alsaxiaal versteld worden.Verstel de stand door de hendel 1fig. 15 omlaag te drukken in stand Bwaarna het stuurwiel in de gewenstestand kan worden versteld en daarinvergrendeld, door de hendel 1 weer instand A te brengen.BELANGRIJK17) De verstelling mag alleen bij stilstaandeauto en uitgeschakelde motor gebeuren.18) After-market werkzaamheden waarbijwijzigingen van de stuurinrichting of destuurkolom betrokken zijn (bijv. bij montagevan een alarmsysteem) zijn ten strengsteverboden.
Verwarmde spiegelsDoor op de knop te drukken(verwarmde achterruit) op het centraledashboardpaneel wordt hetontwasemen/ontdooien van de externeachterruiten geactiveerd.BELANGRIJK19) De buitenspiegel is bolvormig; hierdoorwordt de afstandswaarneming ietwatvertekend.BUITENVERLICHTINGDe linkerhendel 1 fig. 21 bedient demeeste soorten buitenverlichting. Debuitenverlichting schakelt ook inwanneer de contactsleutel in de MARstand staat. Bij inschakeling van debuitenverlichting, worden hetinstrumentenpaneel en verschillendebedieningselementen op het dashboardverlicht.AUTOMATISCHE FUNCTIE(Schemersensor)(waar aanwezig)Dit is een infrarood-ledsensor diesamen met de regensensor werkt endie zich op de voorruit bevindt.
Dezekan variaties in het buitenlichtdetecteren op basis van delichtgevoeligheid die ingesteld is in hetMenu van het display of hetUconnect™ systeem (waar voorzien).Hoe hoger de gevoeligheid, des teminder buitenlicht er nodig is om debuitenverlichting automatisch in teschakelen.Inschakeling van de functieZet de linker ring in stand .BELANGRIJK De functie kan alleenworden ingeschakeld met destartinrichting in stand MAR.Uitschakeling van de functieOm de functie uit te schakelen, delinker ring naar een andere stand dandraaien.DIMLICHTDraai, met de contactsleutel in de standMAR, de ring 1 fig. 21 op . Als hetdimlicht ingeschakeld wordt, wordt dedagverlichting uitgeschakeld en hetstadslicht, dimlicht enkentekenverlichting wordeningeschakeld.
automatisch aan; de andere lampen ende binnenverlichting blijven uit. Als dedagverlichting wordt uitgeschakeld(voor bepaalde uitvoeringen/markten),gaat er bij de ring in stand geenlampje branden. MISTVOORLICHTEN(indien aanwezig)Druk op knop 1 fig. 22 om demistlampen in te schakelen. Wanneerde mistlampen zijn ingeschakeld, gaathet lampje op hetinstrumentenpaneel tegelijkertijdbranden. De mistlampen voor wordeningeschakeld als het dimlicht aan is. Druk nogmaals op knop 1 om delichten uit te schakelen. FlanklichtenDe functie wordt geactiveerd met hetgrootlicht ingeschakeld bij een snelheidlager dan 40 km/h - bij brede hoekenvan de wielomwentelingen of bij hetschakelen van de richtingaanwijzer gaater een lampje branden (ingebouwd inhet voorste mistlicht), die naar de zijdeverwijst waarnaar gedraaid wordt en dezichthoek in het donker verlengt.
MISTACHTERLICHT(indien aanwezig)Wanneer het dimlicht is ingeschakeld,kunnen deze worden ingeschakelddoor het indrukken van knop 1 fig. 23. Bij brandende mistlampen gaat hetwaarschuwingslampje op hetinstrumentenpaneel branden. Druk opnieuw op de knop om het uit teschakelen: het mistachterlicht schakeltook automatisch uit bij het uitschakelenvan het dimlicht of de mistlampen voor. PARKEERLICHTENDeze lichten kunnen wordeningeschakeld met de contactsleutel inde stand STOP of verwijderd, door delinker ring eerst naar de stand envervolgens naar de stand. Het controlelampje op hetinstrumentenpaneel gaat branden. Herhaal dezelfde handeling om ze uit teschakelen. VERTRAGINGUITSCHAKELINGKOPLAMPEN (Follow mehome)InschakelenZet de startinrichting op STOP.
GROOTLICHTDuw, met de draaischakelaar in stand, de hendel naar voren naar hetdashboard (stabiele stand). Hetcontrolelampje op hetinstrumentenpaneel gaat branden. Alsde hendel naar het stuurwiel wordtgetrokken gaan ze uit.GrootlichtsignaalTrek hendel 1 fig. 24 naar u toe, in destabiele stand; de hendel keert terugnaar de middelste stabiele standwanneer de hendel wordt losgelaten.Wanneer het grootlicht is ingeschakeld,gaat tegelijkertijd het lampje op hetinstrumentenpaneel branden.RICHTINGAANWIJZERSZet de linkerhendel 1 fig.
24 in de(stabiele) stand:omhoog: wordt de richtingaanwijzerrechts ingeschakeld;omlaag: wordt de richtingaanwijzer linksingeschakeld.Het lampje of gaat op hetinstrumentenpaneel knipperen.De richtingaanwijzers wordenautomatisch uitgeschakeld wanneer hetstuurwiel wordt rechtgezet of wanneerde dagrijlichten (DRL)/parkeerlichtenworden ingeschakeld.HOOGTEREGELINGKOPLAMPENHoogteregeling koplampenDe hoogteregeling koplampen werktmet de startinrichting op MAR eningeschakeld dimlicht.Druk op en op hetbedieningspaneel.Het display op het instrumentenpaneelgeeft een visuele indicatie van deingestelde stand aan.Stand 0: een of twee personen opde voorstoelen;Stand 1: 4 of 5 passagiers;Stand 2: 4 of 5 passagiers + bagagein de bagageruimte;Stand 3: bestuurder + maximumtoegestane lading uitsluitend in debagageruimte.BELANGRIJK Controleer de afstellingvan de koplampen elke keer als hetgewicht van de te vervoeren ladingverandert.24 04126J0002EM25 04126J0003EM22KENNISMAKING MET DE AUTO
INSTELLINGLICHTSTERKTEINSTRUMENTENPANEELEN SYMBOLENBEDIENINGSTOETSENDe lichtsterkte voor hetinstrumentenpaneel en debedieningstoetsen kunnen wordeningesteld met het hoofdmenu op hetinstrumentenpaneel (zie de"Herconfigureerbaar multifunctioneeldisplay" paragraaf).BELANGRIJK20) De dagverlichting is een alternatief voorhet dimlicht in landen waarin het verplicht isom de lichten overdag in te schakelen,waar dit niet verplicht is, is het gebruik vande dagverlichting toegestaan.21) De dagverlichting mag het dimlicht nietvervangen tijdens het rijden in het donkeren in tunnels. Het gebruik van dedagverlichting wordt geregeld door dewegenverkeerswetgeving van het landwaar u rijdt. Neem de wettelijkevoorschriften in acht.INTERIEURVER-LICHTINGPLAFONDVERLICHTINGVOORPlafondverlichting met enkelpeertjeDruk op de knop fig.
26 om deplafondverlichting in- en uit teschakelen:ingedrukt op 1: interieurverlichtingaltijd uit;ingedrukt op 2: interieurverlichtingaltijd aan;stand 0: het plafondlampje gaatbranden wanneer een portier wordtgeopend.Plafondverlichting met meerlampenSchakelaar 1 fig. 27 wordt gebruikt omde plafondverlichting in/uit te schakelen.Standen schakelaar 1:middenpositie: lampjes 2 en5 worden in- resp. uitgeschakeld als deportieren geopend resp.
geslotenworden;links ingedrukt (OFF): de lampjes2 en 5 blijven altijd gedoofd;rechts ingedrukt ( ): de lampjes2 en 5 blijven altijd ingeschakeld.De verlichting gaat geleidelijk aan/uit.Schakelaar 3 schakelt lampje 2 aan/uit.Schakelaar 4 schakelt lampje 5 aan/uit.Tijdregeling plafondverlichtingBij sommige versies zijn er om hetin-/uitstappen in het donker en opslecht verlichte plaatsen tevergemakkelijken twee tijdregelingenvoorzien:Tijdregeling bij het instappen;Tijdregeling bij het uitstappen.26 F1B0043C27 04136J0001EM23
RUITENSPROEIER /WISSERDeze werken alleen met destartinrichting in de stand MAR. VOORRUITWISSERS / -SPROEIERSWerking22)5) 6)Ring 1 fig. 28 kan in de volgendestanden gezet worden:ruitenwissers uitlangzaam wissen met intervalsnel wissen met intervallangzaam continu wissensnel continu wissenMIST-functieBeweeg de hendel omhoog (onstabielestand) om de MIST-functie in teschakelen: de werking wordt beperkttot de tijd dat de hendel in deze standwordt gehouden. Bij het loslaten keertde hendel terug naar de beginstand enwordt de werking van de ruitenwissersafgebroken. Deze functie is handig omeen dun laagje vuil of ochtenddauw vande voorruit te verwijderen. BELANGRIJK Met deze functie wordtde ruitensproeier niet geactiveerd; erwordt dus geen ruitensproeiervloeistofop de voorruit gesproeid. Omruitensproeiervloeistof op de voorruit tesproeien, moet de sproeifunctiegebruikt worden.
Met draaischakelaar 1 fig. 28 in stand, worden de ruitenwissers nietingeschakeld. In stand duurt depauze tussen de slagen van deruitenwisser 10 seconden, ongeacht derijsnelheid. In stand is de pauzetussen twee slagen van de ruitenwisseringesteld volgens de rijsnelheid:naarmate de rijsnelheid toeneemt,neemt de tijd tussen twee slagen af. Instand of bewegen deLOW HIGHruitenwissers constant, oftewel zonderpauze tussen twee slagen. "Intelligente" wis-/wasfunctieTrek de hendel naar het stuur(onstabiele stand) om de ruitensproeierin te schakelen. Als langer dan een halve seconde aande hendel wordt getrokken, wordt deruitenwisser bewogen met actievebediening. Als de bestuurder de hendelloslaat, maakt de ruitenwisser drieslagen. Als de bediening daarna instand staat, wordt de wascyclus naeen pauze van 6 seconden afgeslotenmet één laatste slag.
Laat de inschakeling vande "Automatische wis-/wasregeling"niet langer dan 30 seconden duren. Schakel de wis-/wasregeling niet in alshet reservoir leeg is. Functie "Servicestand"Met deze functie kunnen deruitenwissers worden vervangen ofbeschermd in omstandigheden van ijsen/of sneeuw. Hij kan alleen worden geactiveerd nadatde motor is uitgeschakeld. 28 P04146J00124KENNISMAKING MET DE AUTOHIGHLOW.
De "Service Position"-functie kanexpliciet worden vereist binnen tweeminuten nadat de motor isuitgeschakeld, wanneer deruitenwissers correct zijn teruggekeerdin de parkeerpositie. De functie kan worden ingeschakelddoor de draaischakelaar in stand tedraaien en de hendel meer dan driekeer naar boven te bewegen, naar deMIST-stand. De activeringenworden gebruikt om de ruitenwissers inde stand te plaatsen die men wil. Defunctie wordt gedeactiveerd wanneerhet voertuig ingeschakeld is, met eenwisverzoek of wanneer het voertuigrijdend is (snelheid boven de 5 Km/h). BELANGRIJK Zorg ervoor dat wanneeru de motor inschakelt, de voorruit vrij isvan sneeuw of ijs, voordat u decontactsleutel omdraait. REGENSENSOR(indien aanwezig)7) 8)De sensor wordt geactiveerd wanneerstartinrichting op MAR is gedraaid enwordt gedeactiveerd in de STOP stand. Deze bevinst zich achter deachteruitkijkspiegelfig.
29, raakt devoorruit, meet de hoeveelheid regen enschakelt de automatische wisregelingvan de voorruit in aan de hand van dehoeveelheid water op de ruit. Deregensensor wordt geactiveerd als destartinrichting naar MAR is gedraaid. Alsgeen regen wordt gedetecteerd, maaktde ruitenwisser geen slagen. Als hetregent, beweegt de ruitenwissernaargelang de hoeveelheid regengemeten door de sensor. Activering/deactivering: gebruik hetdisplaymenu of het Uconnect™systeem (waar voorzien). BELANGRIJK22) Als de ruit schoongemaakt moetworden, controleren of het systeemuitgeschakeld is en of de sleutel op STOPstaat. BELANGRIJK5) Gebruik de ruitenwissers nooit omopgehoopte sneeuw of ijs van de voorruitte verwijderen. Onder dergelijkeomstandigheden wordt bij overbelastingvan de ruitenwisser de beveiligingingeschakeld, waardoor de ruitenwisserenkele seconden wordt uitgeschakeld.
Alshierna de ruitenwisser niet meer werkt (ookniet na de motor opnieuw te hebbengestart), neem dan contact op met het FiatServicenetwerk. 6) Schakel de ruitenwissers niet met van deruit opgeheven wisserbladen in.
KLIMAATREGELING1)LUCHTROOSTERS ININTERIEURVerstelbare uitstroomopeningenDeze bevinden zich aan de zijkantenfig. 30 en in het midden fig. 31 van hetdashboard.Om ze te gebruiken:regel het middelste luchtrooster1 om de luchtstroom daar waar nodigte richten;draai aan wieltje 2 om deluchtstroom te regelen / af te sluiten.Vaste uitstroomopeningenTevens zijn de vasteuitstroomopeningen 3fig. 30 beschikbaar, die de luchtomhoog en naar de zijruiten richten.Het systeem wordt gecompleteerd dooreen vaste middelste uitstroomopening,gesitueerd aan de onderkant van devoorruit, en de uitstroomopeningen dielucht naar de voeten van de voor- enachterpassagiers richten.30 04156J0001EM31 04156J0002EM26KENNISMAKING MET DE AUTO
3 — luchtcirculatie aan/uit schuiver;Beweeg schuiver naar stand om interne lucht te hercirculeren.Beweeg schuiver naar stand om interne luchtcirculatie uit te schakelen.4 — knop voor luchtdistributie:luchtstroom uit roosters in het midden en aan de zijkantluchtstroom uit roosters in het midden, aan de zijkant en roosters beenruimten voor/achterluchtstroom uit de luchtroosters beenruimten voor en achter en tevens een lichte luchtstroom uit de luchtroosters aan dezijkant op het dashboardluchtstroom uit de luchtroosters beenruimten voor en achter, naar de voorruit, de zijruiten en tevens een lichte luchtstroomuit de luchtroosters aan de zijkant op het dashboardluchtstroom naar de voorruit, de zijruiten en tevens een lichte luchtstroom uit de luchtroosters op het dashboard5 - aan/uit-knop klimaatregelingDruk op de knop 5 fig.
32 (led op knop aan) om de klimaatregeling in te schakelen.Druk opnieuw knop 5 (LED op knop gaat uit) om het klimaatregelingssysteem uit te zetten.Extra Verwarming(indien aanwezig)De extra verwarming garandeert een snellere verwarming van het interieur.Deze wordt onder koude weersomstandigheden ingeschakeld, als de volgende situaties optreden:lage buitentemperatuur;lage koelvloeistoftemperatuur;motor gestart;ventilatorsnelheid ingesteld op de 1stesnelheid;knop 1 volledig naar rechts gedraaid in de rode sectie.De verwarming wordt uitgeschakeld als minstens een van bovengenoemde situaties niet langer wordt vastgesteld.Opmerking: Het vermogen van de elektrische verwarming wordt gemoduleerd in overeenstemming met de accuspanning.28KENNISMAKING MET DE AUTO
AUTOMATISCHE KLIMAATREGELINGBedieningselementen1 - instellingsknop voor temperatuur passagierscompartiment; de ingestelde temperatuur wordt getoond op het display;2 - MAX A/C functie op knop;3 - aan-/uitknop compressor klimaatregeling;4 - knop voor activering MAX DEF functie (snelle ontdooiing/ontwaseming voorruit);5 - aan/uit-knop klimaatregeling;6 - instellingsknop voor ventilatorsnelheid; de ingestelde temperatuur wordt getoond op het display;7 - luchtverdeelknoppen;8 - knop voor inschakeling/uitschakeling achterruitverwarming;33 P2000028-000-00029
9 - aan/uit-knop interne luchtrecirculatie;10 - inschakelingsknop AUTO-functie (automatische werking). Stop/Start(indien aanwezig)De automatische klimaatregeling regelt het Stop&Startsysteem (motor wordt afgezet wanneer de voertuigsnelheid gelijk is aan0 km/h) om een passend comfort in het interieur te garanderen. De klimaatregeling schakelt het Stop/Start met name uit als:de klimaatregeling is ingesteld op de AUTO-modus (led op de knop brandt) en de temperatuuromstandigheden in hetvoertuig verre van comfortabel zijn;de klimaatregeling is ingesteld op MAX A/C;de klimaatregeling is ingesteld op MAX DEF.
Wanneer het Stop&Start-systeem werkt (motor afgezet en voertuigsnelheid is gelijk aan 0 km/h), zal de klimaatregeling ominschakeling van de motor verzoeken als het comfort in het interieur snel verslechterd (of als de gebruiker om maximale koeling– LO – of snelle ontwaseming – MAX-DEF – vraagt). Wanneer het Stop&Start-systeem werkt (motor afgezet en voertuigsnelheid is gelijk aan 0 km/h), wordt de luchtstroom zo veelmogelijk beperkt, om de comfortabele toestand in het interieur langer te handhaven. De regeleenheid van de klimaatregelingprobeert het door het uitschakelen van de motor verminderde comfort zo goed mogelijk te beheren (door de compressor en demotorkoelvloeistofpomp uit te schakelen). Om voorrang te geven aan de werking van de klimaatregeling, is het in elk gevalmogelijk het Stop/Start-systeem uit te schakelen door de knop midden op het dashboardpaneel in te drukken.
OPMERKING Onder bijzonder extreme klimaatomstandigheden wordt aanbevolen het gebruik van het Stop&Start-systeem tebeperken om te voorkomen dat de compressor continu wordt in- en uitgeschakeld, waardoor de ramen snel beslaan envochtophoping plaatsvindt, met een onaangename geur in het interieur als gevolg.
OPMERKING Wanneer het Start&Stopsysteem is ingeschakeld (motor uit en voertuig stilstaand), wordt de automatischerecirculatiefunctie met lucht van buitenaf uitgeschakeld om de kans op beslagen ruiten te verminderen (aangezien decompressor is uitgeschakeld). BELANGRIJK1) Het systeem gebruikt een koelmiddel dat compatibel is met de wetten die van kracht zijn in de landen waar het voertuig wordt verkocht,R134a of R1234yf. Gebruik voor het bijvullen alleen het gas dat is aangeduid op het plaatje in de motorruimte. Het gebruik van anderekoelmiddelen heeft invloed op de efficiency en de conditie van het systeem. Het smeermiddel dat voor de compressor wordt gebruikt, is ookstrikt gekoppeld aan het type koelgas; raadpleeg het Fiat Servicenetwerk. 30KENNISMAKING MET DE AUTO.
35 te openen.Wanneer een van de toetsen op devoor- of achterportieren kort wordtingedrukt, beweegt de ruit in "stappen";als de knop ingedrukt wordt gehouden,wordt de "continue automatische"werking geactiveerd (indien aanwezig).Als er opnieuw op de toets wordtgedrukt, stopt de ruit in de gewenstestand.Ruit sluitenTrek de knoppen omhoog om degewenste ruit fig. 36 te sluiten.Wanneer een van de toetsen op devoor- of achterportieren kort wordtingedrukt, beweegt de ruit in "stappen";de "continue automatische" werking isalleen mogelijk voor de ruiten van devoorportieren aan bestuurderszijde.De achterruiten kunnen alleen instappen gesloten worden.34 04166J0001EM35 F1B0067C36 F1B0068C31
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Fiat Tipo (2017) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden