Elco R600 Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van Elco R600 (164 pagina’s), behorend tot de categorie CV Ketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 17 mensen en kreeg gemiddeld 4.6 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Elco R600 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/164
R600
Operation and Installation manual
for authorized technicians only
Betriebsanleitung
für die autorisierte Fachkraft
Bedienings- en Installatiehandleiding
alleen voor bevoegde vakmensen
Notice d’installation et d’emploi
réservée à l’usage des techniciens agréés
Istruzioni per l'uso
solo per il tecnico autorizzato
07/2010 DOC3070 / 12099579

Beoordeel deze handleiding

4.6/5 (8 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Elco
Categorie: CV Ketel
Model: R600

Handleiding Elco R600 – volledige tekst

Veiligheid Algemene bepalingen Toepassing Normen en voorschriften 3 Algemene bepalingen Deze documentatie bevat informatie, die dient als basis voor een veilige en bedrijfszekere installatie, inbedrijfname, en levenscyclus van het R600 verwar-mingstoestel. Alle handelingen be-schreven in deze documentatie mogen enkel uitgevoerd worden door daarvoor gecertificeerde bedrijven. Veranderingen aan deze documentatie kunnen zonder voorafgaande kennisge-ving worden uitgevoerd. Hiermee ver-plichten wij ons niet om eerder gelever-de producten dienovereenkomstig aan te passen. Het vervangen van onderdelen dient uitsluitend te geschieden met originele componenten, bij het gebruik van niet-originele componenten vervalt de ga-rantie. Toepassing De R600 mag enkel gebruikt worden voor de verwarming van water in ver-warmings- en warmwatersystemen.

Het toestel dient te worden aangesloten in gesloten systemen met een maximale watertemperatuur van 100ºC (maximaalthermostaat), maximaal in-stelbare gewenste waarde is 90ºC. Normen en voorschriften Installatie, gebruik en onderhoud van de R600 dient altijd te geschieden met inachtneming van alle geldende (Europese en lokale) normen en voor-schriften, waaronder: Lokale voorschriften met betrekking tot het installeren van luchttoevoer- en rookgasafvoersystemen; Voorschriften met betrekking tot het aansluiten van electrische toestellen op de electrische hoofdvoorziening; Voorschriften met betrekking tot het aansluiten van verwarmingstoestelen op het gasnet; Normen en voorschriften voor veilig-heidsvoorzieningen in verwarmingsin-stallaties; Alle aanvullende lokale wetten en voorschriften betrekking hebbende op het installeren en gebruiken van ver-warmingsinstallaties.

Constructie Opbouw van het toestel Werkingsprincipe 4 Opbouw van het toestel De R600 is opgebouwd uit de volgende hoofdcomponenten: 1 Beplating 2 Voorpaneel 3 Stelvoeten 4 Bedieningspaneel (onder afdekkap) 5 Rookgasaansluiting 6 Luchtinlaat (onder beplating) 7 Gasaansluiting 8 Anvoeraansluiting waterzijdig 9 Retouraansluiting waterzijdig 10 2e (warme) retouraansluiting (voor gebruik als split system) 11 Vul/aftap kraan 12 Doorvoer tbv electrische aansluitingen 13 Frame 14 Brander/1e warmtewisselaar 15 2e/3e warmtewisselaar 16 Waterverdeelstukken 17 Condensbak 18 Whirlwind gas/lucht mengsysteem 19 Ventilator 20 Gasblok 21 Gasdrukschakelaar 22 Inspectieluik verbrandingskamer 23 Onstekings- en ionisatie-electrode 24 Sifon 25 Rookgasadapter Werkingsprincipe De R600 is een traploos modulerend verwarmingstoestel.

De regelunit in het toestel past de modulatiegraad van het toestel automatisch aan de warmte-vraag van het systeem aan. Dit wordt gedaan door middel van het variëren van de snelheid van de ingebouwde ventilator. Het Whirlwind gas/lucht mengsysteem zal vervolgens automa-tisch de gashoeveelheid aanpassen aan de gekozen ventilatorsnelheid, om een optimale verbranding en bijbeho-rend rendement te garanderen. Na ver-branding worden de rookgassen, met behulp van de ventilator, van boven De LMS14 regelunit controleert het toestel tijdens bedrijf via: Ketelregeling (stand alone bedrijf); Weersafhankelijke regeling (met opti-oneel verkrijgbare buitenvoeler); 0 -10V externe aansturing (temperatuur of belasting) door ge-bouwenbeheersysteem. getransporteerd, waarna deze het toe-stel aan de achterzijde verlaten via de rookgasadapter.

Het water wordt vervolgens van beneden naar boven getransporteerd, waar het na doorstroming van de brander het toestel verlaat via de aanvoeraanslui-ting. Het tegenstroomprincipe (water omhoog, rookgassen omlaag) garan-deert zeer effici:ente verbrandingswaar-den. 1 5 4 2 7 6 3 8 12 9 10 14 22 23 18, 19, 20, 21 25 13 24 15 16 17 11.

Leveromvang Standaard toestel Accessoires 7 Standaard toestel Een standaard toestel bevat volgende componenten: Component Aantal Verpakking R600 Verwarmingstoestel, compleet samengebouwd en getest 1 Gemonteerd op houten blokken incl houten stoot-rand, gesealed in PE folie Stelvoeten 4 Gemonteerd onder frame van het toestel Sifon voor condensaataansluiting 1 Kartonnen doos op warmtewisselaar (onder bepla-ting) Ombouwset tbv aardgas L en propaan incl. instructie 1 Kartonnen doos op warmtewisselaar (onder bepla-ting) Bedienings- en Installatiehandleiding 1 In map, bevestigd aan achterzijde toestel Onderdelenlijst 1 In map, bevestigd aan achterzijde toestel Electroschema’s 1 In map, bevestigd aan achterzijde toestel Accessoires Naast het verwarmingstoestel kunnen volgende accessoires besteld en gele-verd zijn: Standaard 3-traps pomp incl. aan-sluitset; Toerengeregelde pomp incl.

Installatie Transport 8 Transport De R600 wordt volledig samenge-bouwd en ingesteld geleverd. De breedte van het toestel is 670mm voor de typen R601-R603 en 770mm voor de typen R604-R607, hierdoor is het mogelijk het toestel door een normale deur te transporteren zonder compo-nenten te demonteren. Het toestel kan met behulp van een palletwagen wor-den getransporteerd, de palletwagen kan van de voorzijde of de zijkant onder het toestel geplaatst worden. Wanneer intern transport dit vereist, kan het toestel worden gedemonteerd en in kleinere delen worden getranspor-teerd. De tabel hieronder geeft voor de hoofdbestanddelen in gedemonteerde toestand aan met welke gewichten en afmetingen rekening gehouden dient te worden. Wanneer de R600 met behulp van een kraan wordt getransporteerd, dient altijd eerst de beplating verwijderd te wor-den.

Installatie Opstelling Opstelling Het toestel dient te worden opgesteld in een vorstvrije ruimte. In geval van een dakopstelling dient het systeem dusda-nig te worden aangelegd, dat het toe-stel niet het hoogste punt van de instal-latie is. Het toestel dient geplaatst te worden met inachtneming van voldoen-de vrije ruimte aan de verschillende zijden, zie afbeelding voor minimale vrije ruimte. Wanneer het toestel zon-der of met te weinig vrije ruimte wordt opgesteld, bemoeilijkt dit de onder-houdswerkzaamheden. Wanneer het toestel juist is gepositio-neerd, kunnen de houten blokken (1) worden verwijderd en de verstelbare voeten (2) (met dempers) op de juiste hoogte worden afgesteld. Alle aanslui-tingen op het toestel dienen pas te wor-den aangesloten nadat de voeten juist zijn afgesteld, aangezien de afstelling invloeg heeft op de hoogte van de aan-sluitingen. 10 1 2 2

Installatie Aansluiten 11 Aansluiten Dit hoofdstuk geeft aan hoe de volgen-de aansluitingen op een correcte ma-nier te maken: Waterzijdige aansluitingen Condensafvoer Gasaansluiting Rookgasafvoer Luchtinlaat (onder beplating) Electrische aansluitingen Het toestel dient te worden aangesloten met inachtneming van de (inter-)nationale en lokale normen en voor-schriften, de installateur is verantwoor-delijk voor de naleving hiervan. Waterzijdige aansluitingen Het toestel dient op dusdanige wijze te worden aangesloten, dat waterstroming door het toestel tijdens bedrijf gegaran-deerd wordt. Sluit de aanvoerleiding (4) en retourleiding (5) van het systeem spanningsvrij aan op de aansluitingen van het toestel. Wanneer het toestel wordt gebruikt in een systeem met twee retourleidingen, dan dient de retourlei-ding als koude retour.

De 2e retourlei-ding (6) dient dan als warme retour (verwijder kap/blindflens voor aansluiten). De (optionele) set met veiligheids-ventiel, manometer en ontluchter dient op de aanvoeraansluiting (4) van het toestel te worden gemonteerd, alvorens deze aan te sluiten op de aanvoerlei-ding van het systeem. De (optionele) pompset dient op de retouraansluiting (5) van het toestel te worden gemonteerd, alvorens deze aan te sluiten op de retourleiding van het systeem. Condensafvoer (7) De sifon (inclusief in leveromvang toe-stel) dient, na deze met water te heb-ben gevuld, te worden gemonteerd op de aansluiting aan de onderzijde van de condensbak. Leid de slang onder het frame van het toestel en sluit deze aan op het afvoersysteem in het ketelhuis.

De aansluiting op het afvoersysteem dient altijd een open verbinding te zijn, om overstroming van het toestel te voorkomen in geval van verstopping van de afvoer. 8 1 3 4 5 6

Installatie Aansluiten 12 Sluit de rookgasafvoerbuis aan op de aansluiting (7) van het toestel, maak hierbij uitsluitend gebruik van afvoer-systemen met een naadloze aanslui-ting. Een aparte condensafvoer voor het rookgasafvoersysteem is niet nood-zakelijk, aangezien het conden-saat via de sifon van het toestel afge-voerd kan worden. Let op volgende punten: Gebruik van RVS of kunststof (PPS) rookgasafvoersystemen wordt aanbe-volen De diameter van het rookgasafvoer-systeem dient te worden berekend volgens de geldende lokale normen. De lengte van de rookgasafvoerbuis dient zo kort mogelijk gehouden te worden (zie palnningsdocumentatie voor maximale afvoerlengte) Horizontale afvoerdelen dienen onder een afschot van tenmiste 3º te wor-den gemonteerd Luchtinlaat (3) De luchtinlaat kan worden aangesloten wanneer het toestel als gesloten uitvoe-ring wordt gebruikt.

Verwijder de afdek-plaat (3) en sluit de aanzuigbuis aan op de aansluiting in de ketel. De diameter van de inlaatbuis dient, samen met de rookgasafvoer, berekend te worden volgens de geldende lokale voorschrif-ten. De totale weerstand van rook-gasafvoer en luchtinlaat mag niet groter zijn dan de maximaal toelaatbare weer-stand (zie hoofdstuk “Technische gege-vens”). Wanneer het toestel als open toestel wordt geïnstalleerd, dient er een lucht-inlaatbuis met verticaal leidingdeel tot boven het toestel te worden aangeslo-ten. 11 1 7 3 2 Electrische aansluitingen De electrische aansluitingen mogen uitsluitend door gecertificeerde bedrij-ven worden aangesloten. Hierbij dienen de (inter)nationale en lokale normen en voorschriften in acht genomen te worden. De voeding van het toestel dient te worden aangesloten middels een all-polige hoofdschakelaar met een mini-male contactafstand van 3 mm.

Alle kabels kunnen via de doorvoering aan de achterzijde van de ketel (10) door de kabelbalk (11) geleid worden tot in het aansluit- paneel (12) aan de voorzijde van het toestel. Sluit alle kabels aan op de klemmen-strook, zie electroschema (in envelop aan achterzijde van het toestel) voor de betekenis van de aanwezige klemmen. Gasaansluiting (1) De gasaansluiting mag uitsluitend door gecertificeerde bedrijven worden aangesloten. Hierbij dienen de (inter)nationale en lokale normen en voor-schriften in acht genomen te worden. Sluit de gasleiding van het systeem spanningsvrij aan op de gas- aansluiting (1) van het toestel. Er dient een gasafsluiter direct achter het toestel geplaatst te worden. Een gasfilter (optioneel) kan direct op het toestel worden aangesloten, alvo-rens de gasleiding van het systeem te monteren.

Inbedrijfstelling Water en hydraulisch systeem 13 Minimum operating pressure [bar] Flow tempe-rature [ºC] > 1. 5 90 > 1. 0 80 1 2 Hydraulisch systeem Controleer of het toestel op dusdanige wijze is aangesloten, dat waterstroming over het toestel tijdens bedrijf te allen tijde kan worden gegarandeerd. De waterstroming wordt bewaakt middels een stromingsschakelaar, welke het toestel vergrendeld in geval van te lage waterstroming. Waterdruk Open de afsluiters naar het systeem. Controleer de waterdruk in het sys-teem. Indien de waterdruk te laag is (zie tabel), moet water worden bijge-vuld tot minimaal de in de tabel vermel-de waterdruk. Voor het bijvullen kan gebruik worden gamaakt van de vul- en aftapkraan (2) op de retouraan-sluiting (1) van het toestel. Nominaal vermogen [kW] Max. concentratie Ca(HCO3)2 [mol/m3] Max. totale hardheid [dºH] 50 - 200 2. 0 11. 2 200 - 600 1. 5 8.

4 Concentratie Ca(HCO3)2 Vermogen van installatie Q (kW) 150 200 250 300 400 500 600 mol/m3 dºH Max. (bij)vulwater volume Vmax [m3] ≤0. 5 ≤2. 8 - - - - - - - 1. 0 5. 6 - - - - - - - 1. 5 8. 4 3 4 5 6 8 10 12 2. 0 11. 2 3 4 5 6 6. 3 7. 8 9. 4 2. 5 14. 0 1. 9 2. 5 3. 1 3. 8 5. 0 6. 3 7. 5 ≥3. 0 ≥16. 8 1. 6 2. 1 2. 6 3. 1 4. 2 5. 2 6. 3 Dit hoofdstuk geeft de inbedrijfstelling van een standaard toestel weer. Indien het toestel is uitgerust met een uitge-breidere regeling (optioneel), dient de bij de regelaar geleverde documen-tatie geraadpleegd te worden voor het inbe-drijfnemen van de regeling. Het inbedrijfstellen van het toestel mag enkel worden uitgevoerd door hiervoor gecertificeerd personeel. Bij inbedrijf-nemen van het toestel door niet-gecertificeerde personen vervalt de garantie.

Een inbedrijfstellingsrapport dient te worden ingevuld (zie einde van dit hoofdstuk voor voorbeeld van inbe-drijfstellingsrapport). Waterkwaliteit De PH-waarde van het systeemwater moet zich tussen 8,0 en 9,5 bevinden. Het chloridegehalte mag niet hoger zijn dan 50 mg/l.

Binnendringen van zuur-stof door diffusie dient te allen tijde worden voorkomen. Schade aan de warmtwisselaar door zuurstofdiffusie valt niet onder garantie. In installaties met grote watervolumes dient rekening gehouden te worden met maximale (bij)vul-waarden in combi-natie met de hardheid van het vulwater, een en ander zoals vastgelegd in de duitse norm VDI2035. In de tabel hier-naast zijn de nominale waarden voor (bij)vulwater te vinden voor de R600, gerelateerd aan de VDI2035. De tabel hiernaast geeft een indicatie van de relatie tussen waterkwaliteit en het maximale (bij)vulvolume gedurende de levensduur van het toestel. Raad-pleeg de originele tekst van de VDI2035 voor verdere informatie.

Inbedrijfstelling Gastoevoer Condensafvoer Rookgasafvoer en luchtinlaat 14 Gastoevoer Controleer de gasaansluiting naar de ketel op lekkage. Indien lekkage wordt vastgesteld, dient de aansluiting te wor-den hersteld alvorens het toestel te starten! Ontlucht de gasleiding tot aan het gas-blok. Hiervoor kan gebruik worden ge-maakt van de meetnippel (1) op de gasdrukschakelaar. Vergeet niet om de nippel na ontluch-ten te sluiten! Controleer de gassoort en verbran-dingswaarde, raadpleeg eventueel uw gasbedrijf voor verder informatie. Raad-pleeg de instructie in de ombouwset wanneer het toestel moet worden om-gebouwd van/naar aardgas H/L of pro-paan. Condensafvoer Verwijder de sifon (2) van de aan-sluiting onder de condensbak. Vul de sifon met water en monteer deze terug onder de condensbak.

De sifon moet gevuld zijn voordat het toestel wordt gestart, om te voorkomen dat rookgas-sen via de sifon in het ketelhuis gebla-zen worden. Rookgasafvoer en luchtinlaat Controleer of de rookgasafvoer en luchtinlaat voldoen aan de lokaal gel-dende voorschriften. Installaties die niet voldoen aan de voorschriften, mogen niet inbedrijf genomen worden. Controleer of alle doorlaatopeningen vrij zijn. De diameter van de rookgasafvoer en luchtinlaat mogen niet worden geredu-ceerd. 1 2

Inbedrijfstelling Toestel voorbereiden voor start 15 Toestel voorbereiden voor start Open gaskraan; Schakel hoofdschakelaar in voor coe-dingsspanning; Schakel toestel in via aan/uit-schakelaar (1); Selecteer bedrijfsmodus „standby“ (K); Controleer de draairichting van de pomp; Ontlucht de pomp, verwijder de eind-kap van de motorbehuizing. Het wordt aanbevolen om het toestel na de start een tijdje op 50% tbelasting te laten draaien ter stabilisatie van de verbrandingswaarden. Dit kan als volgt worden ingesteld: Druk toets I >3 Sek, ketel wordt in regelstop-functie ingeschakeld; Druk Info-toets (G), de actuele ketel-belasting (%) wordt weergegeven; Via „instellen“ (bevestigen met OK-toets) kan nu de ketelbelasting wor-den veranderd, draai met de draai-schakelaar (C) en bevestig de waarde 50% met de OK-toets.

Inbedrijfstelling Verbrandingsanalyse 16 Verbrandingswaarden aardgas G20 / G25 R601-R607 CO2, max % 10. 2 ± 0. 2 COmax ppm < 30 Verbrandingswaarden propaan G31 Ketel ombouwen vóór inbedrijfna-me. zie ombouwinstructie in optieset R601-R607 CO2, max % 11. 9 ± 0. 2 COmax ppm < 30 Instellen verbrandingswaarde bij vollast Start het toestel op regelstopbedrijf in deellast 50%. Wanneer het toestel op 50% belasting brandt, het toestel 3 minuten laten stabiliseren. Verhoog vervolgens stapsgewijs de belasting tot 100%. Controleer de gasdruk aan de inlaat van het gasblok gedurende het opmoduleren naar 100%: de gas-druk mag niet onder de minimaal voorge-schreven waarde komen (zie techni-sche gegevens). Stel de mini-male gas-drukschakelaar (1) in op 75% van de benodigde gasdruk. Controleer de verbrandingswaarden via het meetpunt in de schoorsteen-aansluiting (3).

Indien noodzakelijk kunnen de verbrandingswaarden wor-den gecorrigeerd met behulp van de instelschroef aan de uitlaat van het gasblok (2). Verbrandingswaarden aardgas G20 / G25 R601-R607 CO2, min % 9. 4 ± 0. 2 COmin ppm < 30 Verbrandingswaarden propaan G31 Ketel ombouwen vóór inbedrijf-name. zie ombouwinstructie in optieset R601-R607 CO2, min % 10. 0 ± 0. 2 COmin ppm < 30 Instellen verbrandingswaarde bij minimumlast Schakel het toestel om naar minimum-last (0%). Controleer de verbrandings-waarden op dezelfde wijze als beschre-ven voor vollast. De verbrandingswaar-den kunnen, indien noodzakelijk, worden gecorrigeerd met behulp van de zeskant stelschroef aan de zijkant van het gasblok (4).

Controleren verbrandingswaarde bij 50% belasting Het is aanbevolen om de verbrandings-waarde bij 50% belasting te meten als referentie voor een stabiele gas/lucht-verhouding over het gehele modula-tiegebied van het toestel. De CO2-waarde dient zich te bevinden tussen de ingestelde waarden bij vollast en minimumlast. De CO-waarde moet on-geveer gelijk zijn aan de waarden bij vollast en minimumlast.

Inbedrijfstelling Waterstroming 17 qactueel = (∆Tnominaal / ∆Tgemeten) * qnominaal [m3/h] Gegevens waterstroming R601 R602 R603 R604 R605 R606 R607 Nominale waterstroming [m3/h] 6.1 8.1 10.2 12.2 16.3 20.4 23.1 ∆T bij nom. waterstroming [ºC] 20 ∆p bij nom. waterstroming [kPa] 10 18 28 15 27 42 55 Waterstroming De waterstroming door het toestel kan op twee manieren worden gecontro-leerd. Hieronder volgen voor beide ma-nieren de handelingsmethode. ∆T meting Meet het temperatuurverschil over het toestel (∆T aanvoer-retour) wanneer het toestel in bedrijf is op vollast. De nominale ∆T is 20K, de actuele waarde dient zich altijd tussen 15K en 25K te bevinden om een goede functionaliteit te garanderen.

Een indicatie van de actuele waterstroming (qactueel) kan wor-den gevonden met de volgende bere-kening (zie onderstaande tabel voor nominale waarden): qactueel = √(∆pgemeten / ∆pnominaal) * qnominaal [m3/h] ∆p meting Meet het drukverschil over het toestel (∆p aanvoer-retour) wanneer de pomp is ingeschakeld op maximaal toerental (brander hoeft niet ingeschakeld te zijn). De nominale ∆p voor elk type R600 is te vinden in onderstaande ta-bel, de actuele ∆p dient zich te bevin-den tussen: 0.35*Δpnominaal ≤ ∆P ≤ 1.75*∆pnominaal. Een indicatie van de actuele waterstro-ming (qactueel) kan worden gevonden met de volgende berekening (zie on-derstaande tabel voor nominale waar-den):

Inbedrijfstelling Controle van veiligheidsrelevante componenten Controle op gasdichtheid Toestel uit bedrijf nemen 18 Controle van veiligheidsrelevante componenten De functionaliteit van alle veiligheids-relevante componenten dient te worden gecontroleerd. Betreffende componen-ten op een standaard toestel zijn de aanvoervoeler, rookgasvoeler, water-stromingsschakelaar, minimum gas-drukschakelaar en ionisatie-electrode. Aanvoervoeler (1) Verwijder de stekker van de voeler ter-wijl de ketel is ingeschakeld. Dit dient te resulteren in een storing met nummer 20. Terugplaatsen van de stekker leidt tot automatisch resetten van de storing door de regelaar, de ketel begint bij warmtevraag aan de startprocedure. Retourvoeler (2) Verwijder de stekker van de voeler ter-wijl de ketel is ingeschakeld. Dit dient te resulteren in een storing met nummer 40.

Terugplaatsen van de stekker leidt tot automatisch resetten van de storing door de regelaar, de ketel begint bij warmtevraag aan de startprocedure. Rookgasvoeler (2) Verwijder de stekker van de voeler ter-wijl de ketel is ingeschakeld. Dit dient te resulteren in een storing met nummer 28. Terugplaatsen van de stekker leidt tot automatisch resetten van de storing door de regelaar, de ketel begint bij warmtevraag aan de startprocedure. Minimum gasdrukschakelaar (5) Sluit de gaskraan terwijl het toestel in standby positie (K) staat. Open lang-zaam de meetnippel in de gasleiding (4), meet tegelijkertijd de gasdruk op de meetnippel van de gasdrukschakelaar (5). In het display van de regelaar ver-schijnt een storing met nummer 2 zodra de gasdruk onder de op de schakelaar ingestelde waarde is geko-men.

Controleer het schakelpunt van de schakelaar op de drukmeter zodra de storing in het display verschijnt. Ver-geet niet alle meet-nippels te sluiten en de gaskraan te openen na de test.

Ionisatie-electrode (6) Verwijder de electrische aansluiting van de ionisatie-electrode terwijl het toestel in bedrijf is, dit resulteert in een storing met nummer 128. Het toestel zal probe-ren te herstarten. Wanneer de electri-sche aansluiting van de ionisatie-electrode nog steeds is verwijderd, zal de herstart resulteren in een storing met nummer 133, wanneer de aanslui-ting is teruggeplaatst, zal de ketel suc-cesvol herstarten. De ionisatiestroom kan worden geme-ten door een multimeter (ingesteld op µA ) aan te sluiten tussen de ionisatie-electrode en de electrische aansluiting. De ionisatiestroom dient altijd hoger te zijn dan 1. 2 µA, in normale condities zal de ionisatie-stroom minimaal 6 µA be-dragen. Controle op gasdichtheid Controleer na inbedrijfname alle aan-sluitingen op gasdichtheid, gebruik hier-voor gaslek spray of geschikte electro-nische meetapparatuur.

Te meten aansluitingen zijn: Meetnippels; Toestelaansluitingen; Aansluitingen gas/luchtmengsysteem, Toestel uit bedrijf nemen Wanneer het toestel voor langere perio-de buiten gebruik gesteld wordt, dient het toestel middels volgende procedure uitgeschakeld te worden: Schakel het toestel in standby positie (K); Schakel het toestel uit met de aan/uit schakelaar op het bedieningspaneel (7); Maak het toestel spanningsloos via de hoofdschakelaar in de ketelruimte; Sluit de gaskraan. 5 4 6 7 1 2 3.

20 Bediening Bediening Bevestigingstoets OK (D) ESC-toets (B) Deze beide toetsen worden samen met de grote draaiknop gebruikt voor het programmeren en configureren van de regeling. Instellingen die niet met de bedieningselementen bediend kunnen worden, gebeuren via de programmering. Door de ESC-toets in te drukken, gaat u telkens een stap terug; veranderde waarden worden daarbij niet over- genomen. Om naar het volgende bedienings- niveau te gaan of de veranderde waarde op te slaan, wordt de OK–toets ingedrukt. Handbedrijf-functietoets (E) Met deze toets gaat de regelaar naar handmatige bediening; alle pompen draaien, de menginrichting wordt niet langer aangestuurd, de ketel wordt op 60 °C ingesteld (weergave door middel van steeksleutel-symbool). Aan/uit schakelaar (A) Positie 0: Het gehele apparaat en de op het apparaat aangesloten elektrische componenten zijn spanningsloos.

De bescherming tegen bevriezing is niet gegarandeerd. Positie I Het apparaat en de op het apparaat aangesloten componenten zijn klaar voor gebruik. Bedrijfsmodustoets tapwater (M) Om de tapwaterbereiding in te schakelen (balk in het display onder de waterkraan). Bedrijfsmodustoets verwarming (I) Om 4 verschillende bedrijfsmodi voor verwarming in te stellen: Auto uur: automatische modus volgens tijdprogramma. Zon 24 uur: verwarmen tot nominale comforttemperatuur Maan 24 uur: verwarmen tot gereduceerde temperatuur Werking met vorstbescherming: verwarming uitgeschakeld, vorstbescherming aan. Display (L) Informatietoets (G) Oproepen van de volgende informatie zonder invloed op de regeling: temperaturen, bedrijfsmodus verwarming/drinkwater, foutmeldingen. Ruimtetemperatuur-regelknop (C)  Om de comfortabele ruimtetemperatuur te veranderen.

 Met deze draaiknop kunnen bij het programmeren instellingen gekozen en veranderd worden. Ontluchtingsfunctie (E) Wordt de handtoets langer dan 3 sec. ingedrukt, wordt de automatische ontluchting aan de kant van het water uitgevoerd bijv.

na het voor de eerste keer vullen van de installatie. Daarbij wordt de installatie in de modus veilige functie geschakeld. De pompen worden verscheidene keren in- en uitgeschakeld. Daardoor wordt de eventueel aanwezige 3-wegklep op warmwaterpositie geschakeld en de pomp(en) worden een aantal keren uit/aan gezet. Aan het einde van deze functie schakelt de ketel naar normaal bedrijf terug. Schoorsteenveger-functietoets (F) Door deze toets kort in te drukken gaat de ketel naar de bedrijfstoestand voor emissiemeting; door de toets opnieuw in te drukken, resp. automatisch na 15 minuten, wordt deze functie opnieuw uitgeschakeld (weergave door middel van steeksleutel-symbool). Reset toets (H) Door het kort indrukken van de toets wordt de vergrendeling van de brander opgeheven.

Onderhoud Controlepunten Electrodes vervangen 23 2 1 Onderhoud aan het toestel mag uitslui-tend worden uitgevoerd door gecertifi-ceerd personeel. Om goed functioneren van de R600 zeker te stellen, dient tenmintse één keer per jaar onderhoud aan het toestel gepleegd te worden. Er dient tevens een onderhoudsrapport ingevuld te worden (zie einde van dit hoofdstuk voor voorbeeld van onderhoudsrap-port). Electrodes vervangen De electrodes zijn in de rechterzijde van het toestel gemonteerd. Vervang de ontstekingselectrode (1) en ioni-satie-electrode (2) zoals weergegeven in de afbeelding.

Controleer de waterstroming door het toestel; Controleer/corrigeer de verbrandings-waarden op vollast en minimumlast met behulp van een rookgasmeter; Controleer de gasdruk naar het toe-stel; Controleer de gasdichtheid van alle afgedichte verbindingen en meetnip-pels; Controleer de functionaliteit van alle veiligheidsrelevante componenten; Maak een onderhoudsrapport. Controlepunten De volgende activiteiten dienen bij on-derhoud te worden uitgevoerd, zie vol-gende paragrafen voor gedetailleerde uitleg van de afzonderlijke punten: Vervang de ontstekings- en ionisatie-electrode; Reinig de condensbak; Reinig de sifon; Inspecteer de verbrandingskamer, reinig deze indien noodzakelijk; Controleer de waterdruk in het sys-teem; Controleer de waterkwaliteit van zo-wel het systeem- alsook het vulwater;

Onderhoud Condensbak reinigen Sifon reinigen Verbrandingskamer inspecteren 24 5 6 7 Condensbak reinigen Verwijder de stekker van de rookgas-voeler (1); Verwijder de interne rookgasbuis (2) van het toestel om toegang te krijgen tot de binnenzijde van de condens-bak; Reinig de condensbak (3): Monteer de rookgasbuis weer in het toestel; Monteer de stekker op de rookgas-voeler. Verbrandingskamer inspecteren Het inspectieluik bevindt zich aan de rechterzijde van het toestel. Verwijder de stralingsplaat (5) van de warmtewisselaar; Verwijder het inspectieluik (6); Inspecteer de verbrandingskamer (7), renig deze indien noodzakelijk; Monteer het inspectieluik en de stra-lingsplaat na inspectie terug op de oorspronkelijke positie.

Onderhoud 25 Waterdruk en waterkwaliteit Controleer of de waterdruk en water-kwaliteit voldoen aan de gestelde ei-sen. Zie voor meer informatie de para-graaf “Water en hydraulisch systeem” in het hoofdstuk “Inbedrijfstelling”. Waterstroming Controleer of de waterstroming door het toestel zich binnen de gestelde limieten bevindt. Check if the water flow rate through the boiler is within the lim-its. Zie voor meer informatie de para-graaf “Waterstroming” in het hoofdstuk “Inbedrijfstelling”. Verbrandingsanalyse Controleer de verbranding op vollast en minimumlast, corrigeer de instelling indien noodzakelijk. Een extra analyse op 50% belasting ter referentie wordt aanbevolen. Zie voor meer informatie de paragraaf “Verbrandingsanalyse” in het hoofdstuk “Inbedrijfstelling”. Gasdruk Controleer de dynamische druk van de gastoevoer naar het toestel, wanneer het toestel in bedrijf is op vollast.

Wan-neer het toestel deel uitmaakt van een cascade, dienen tijdens de meting alle toestellen op vollast in bedrijf te zijn. Zie technische gegevens voor vereiste drukken. Controle op gasdichtheid Controleer alle aansluitingen op gas-dichtheid, gebruik hiervoor gaslek spray of geschikte electronische meetappara-tuur. Te meten aansluitingen zijn: Meetnippels; Toestelaansluitingen; Aansluitingen gas/lucht-mengsysteem, etc. Controle van veiligheidsrelevante componenten Controleer de functionaliteit en instellin-gen van alle aangesloten veiligheidsre-levante componenten. Zie voor meer informatie de paragraaf “Controle van veiligheidsrelevante componenten” in het hoofdstuk “Inbedrijfstelling”.

In geval van een storing wordt in het display, naast een waarschuwingsindicatie ( ), een storingscode (knipperend) weerge-geven. Voordat de storing wordt gereset , dient de oorzaak gevonden en opgelost te worden. Onderstaande tabel geeft alle mogelijke storingscodes weer, inclusief een indicatie van de mogelijke oorzaak en oplossing.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Elco R600 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden