Elco R3500 Handleiding

Elco CV Ketel R3500

Bekijk gratis de handleiding van Elco R3500 (192 pagina’s), behorend tot de categorie CV Ketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 165 mensen en kreeg gemiddeld 4.4 sterren uit 3 reviews. Heb je een vraag over Elco R3500 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/192
R3400/R3500/R3600
Operation and Installation manual
for authorized technicians only
Betriebsanleitung
für die autorisierte Fachkraft
Bedienings- en Installatiehandleiding
alleen voor bevoegde vakmensen
Notice d’installation et d’emploi
réservée à l’usage des techniciens agréés
Istruzioni per l'uso
solo per il tecnico autorizzato
05/2014 420010582400

Beoordeel deze handleiding

4.4/5 (3 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Elco
Categorie: CV Ketel
Model: R3500

Handleiding Elco R3500 – volledige tekst

Veiligheid Algemene bepalingen Toepassing Normen en voorschriften 3 Algemene bepalingen Deze documentatie bevat informatie, die dient als basis voor een veilige en bedrijfszekere installatie, inbedrijfname, en levenscyclus van het R3400/R3500/R3600 verwarmingstoestel. Alle hande-lingen beschreven in deze documenta-tie mogen enkel uitgevoerd worden door daarvoor gecertificeerde bedrij-ven. Veranderingen aan deze documentatie kunnen zonder voorafgaande kennisge-ving worden uitgevoerd. Hiermee ver-plichten wij ons niet om eerder gelever-de producten dienovereenkomstig aan te passen. Het vervangen van onderdelen dient uitsluitend te geschieden met originele componenten, bij het gebruik van niet-originele componenten vervalt de ga-rantie. Toepassing De R3400/R3500/R3600 mag enkel gebruikt worden voor de verwarming van water in verwarmings- en warmwa-tersystemen.

Het toestel dient te wor-den aangesloten in gesloten systemen met een maximale watertemperatuur van 100ºC (maximaalthermostaat), Normen en voorschriften Installatie, gebruik en onderhoud van de R3400/R3500/R3600 dient altijd te geschieden met inachtneming van alle geldende (Europese en lokale) normen en voorschriften, waaronder: Lokale voorschriften met betrekking tot het installeren van luchttoevoer- en rookgasafvoersystemen; Voorschriften met betrekking tot het aansluiten van electrische toestellen op de electrische hoofdvoorziening; Voorschriften met betrekking tot het aansluiten van verwarmingstoestelen op het gasnet; Normen en voorschriften voor veilig-heidsvoorzieningen in verwarmingsin-stallaties; Alle aanvullende lokale wetten en voorschriften betrekking hebbende op het installeren en gebruiken van ver-warmingsinstallaties.

Constructie Opbouw van het toestel Werkingsprincipe 4 Opbouw van het toestel De R3400/R3500/R3600 is opgebouwd uit de volgende hoofdcomponenten: 1 retouraansluiting 2 rookgasafvoeraansluiting 3 stromingsschakelaar 4 veiligheidsventiel 5 aanvoeraansluiting 6 vul-/aftapkraan 7 deksel 8 verdeelplaat 9 brander 10 1ste warmtewisselaar 11 gasfilter 12 2de warmtewisselaar 13 gasstraat 14 frame 15 wateromloopleiding 16 compensator 17 rookgasafvoer 18 condensverzamelkast 19 rookgasverzamelkast 20 verbrandingskamer 21 invoermogelijkheid elektrisch 22 condensafvoer 23 hoofdgasklep 24 ventilator 25 aansluitkast 26 bedieningspaneel 27 beplating 28 luchtinlaatdemper 29 vlinderklep 30 hoofdmengkanaal 31 aansteekgasklep 32 aansteekmengkanaal 33 ketelpomp 34 3de warmtewisselaar (alleen R3600) A lucht B gas C rookgassen D condensaat Werkingsprincipe De R3400/R3500/R3600 is een trap-loos modulerend verwarmingstoestel.

De regelunit in het toestel past de mo-dulatiegraad van het toestel automa-tisch aan de warmtevraag van het sys-teem aan. Dit wordt gedaan door mid-del van het variëren van de snelheid van de ingebouwde ventilator. Het gas/lucht mengsysteem zal vervolgens automatisch de gashoeveelheid aanpassen aan de gekozen ventilator-snelheid, om een optimale verbranding en bijbehorend rendement te garande-ren. Na verbranding worden de rook-gassen, met behulp van de ventilator, van boven naar beneden door de De KM628 regelunit controleert het toestel tijdens bedrijf via: Constante aanvoertemperatuur (stand alone bedrijf); Weersafhankelijke regeling (met optioneel verkrijgbare regelaar); 0 -10V externe aansturing (temperatuur of belasting) door gebouwenbeheersysteem. warmtewsisselaar getransporteerd, waarna deze het toestel aan de achter-zijde verlaten via de rookgasadapter.

Installatie Transport 16 Transport De R3400/R3500/R3600 wordt volledig samengebouwd en ingesteld geleverd. Het toestel kan met behulp van een palletwagen met vorken van minimaal 1m worden getransporteerd. De pallet-wagen kan van de zijkant onder het toestel geplaatst worden. Wanneer intern transport dit vereist, kan het toestel worden gedemonteerd en in kleinere delen worden getranspor-teerd. De tabel hieronder geeft voor de hoofdbestanddelen in gedemonteerde toestand aan met welke gewichten en afmetingen rekening gehouden dient te worden. Wanneer de R3400/R3500/R3600 met behulp van een kraan wordt getrans-porteerd, dient altijd eerst de beplating verwijderd te worden. Bevestig de kraan altijd met hijsbanden aan het frame van het toestel.

Installatie Opstelling Opstelling Het toestel dient te worden opgesteld in een vorstvrije ruimte. In geval van een dakopstelling dient het systeem dusda-nig te worden aangelegd, dat het toe-stel niet het hoogste punt van de instal-latie is. Het toestel dient geplaatst te worden met inachtneming van voldoen-de vrije ruimte aan de verschillende zijden, zie afbeelding voor minimale vrije ruimte. Wanneer het toestel zon-der of met te weinig vrije ruimte wordt opgesteld, bemoeilijkt dit de onder-houdswerkzaamheden. Wanneer het toestel juist is gepositio-neerd, kunnen de houten blokken wor-den verwijderd en de verstelbare voe-ten (met dempers) op de juiste hoogte worden afgesteld. Alle aansluitingen op het toestel dienen pas te worden aan-gesloten nadat de voeten juist zijn afge-steld, aangezien de afstelling invloed heeft op de hoogte van de aansluitin-gen.

19 800 1000 De R3407- R3410 worden niet geleverd op houten blokken, maar op wielen. Wanneer het toestel juist is gepositio-neerd, dienen de verstelbare voeten (met dempers) op de juiste hoogte te worden afgesteld. De wielen dienen vervolgens te worden verwijderd. Alle aansluitingen op het toestel dienen pas te worden aangesloten nadat de voeten juist zijn afgesteld, aangezien de afstel-ling invloed heeft op de hoogte van de aansluitingen.

Installatie Aansluiten 20 Aansluiten Dit hoofdstuk geeft aan hoe de volgen-de aansluitingen op een correcte ma-nier te maken: Waterzijdige aansluitingen (1, 3) Condensafvoer (7) Gasaansluiting (6) Rookgasafvoer (5) Luchtinlaat (alleen bij gebruik als ge-sloten toestel, apart bestellen (2) ) Electrische aansluitingen (4) Het toestel dient te worden aangesloten met inachtneming van de (inter-)nationale en lokale normen en voor-schriften, de installateur is verantwoor-delijk voor de naleving hiervan. Waterzijdige aansluitingen Het toestel dient op dusdanige wijze te worden aangesloten, dat waterstroming door het toestel tijdens bedrijf gegaran-deerd wordt. Sluit de aanvoerleiding (3) en retourleiding (1) van het systeem spanningsvrij aan op de aansluitingen van het toestel.

Wanneer het toestel wordt gebruikt in een systeem met twee retourleidingen (Alleen R3600 Split System), dan dient de retourleiding als koude retour. De 2e retourleiding dient dan als warme retour . Condensafvoer (7) De sifon (inclusief in leveromvang toe-stel) dient, na deze met water te heb-ben gevuld, te worden gemonteerd op de aansluiting aan de onderzijde van de condensbak De aan-sluiting op het afvoersysteem dient altijd een open verbinding te zijn, om overstroming van het toestel te voorko-men in geval van verstopping van de afvoer. 4 5 6 7 1 2 3

Installatie Aansluiten 21 De lengte van de rookgasafvoerbuis dient zo kort mogelijk gehouden te worden (zie planningsdocumentatie voor maximale afvoerlengte) Horizontale afvoerdelen dienen onder een afschot van tenmiste 3º te wor-den gemonteerd Luchtinlaat (2) Indien het toestel als gesloten uitvoe-ring gebruikt zal worden. De luchtinlaat kan worden aangesloten wanneer het toestel als gesloten uitvoering besteld is. De diameter van de inlaatbuis dient, samen met de rookgasafvoer, bere-kend te worden volgens de geldende lokale voorschriften. De totale weer-stand van rookgasafvoer en luchtinlaat mag niet groter zijn dan de maximaal toelaatbare weerstand (zie hoofdstuk “Technische gegevens”). Electrische aansluitingen (4) De electrische aansluitingen mogen uitsluitend door gecertificeerde bedrij-ven worden aangesloten.

Hierbij dienen de (inter-)nationale en lokale normen en voorschriften in acht genomen te worden. De voeding van het toestel dient te worden aangesloten middels een all-polige hoofdschakelaar met een mini-male contactafstand van 3 mm. Deze schakelaar kan tevens worden gebruikt om het toestel spanningsloos te maken voor onderhoudswerkzaamheden. Alle kabels kunnen via de kabelbalken en doorvoeringen aan de achterzijde van het aansluitpaneel aan de voorzijde van het toestel worden doorgevoerd. Sluit alle kabels aan op de klemmen-strook, zie electroschema (in envelop aan achterzijde van het toestel) voor de betekenis van de aanwezige klemmen. Gasaansluiting (6) De gasaansluiting mag uitsluitend door gecertificeerde bedrijven worden aangesloten. Hierbij dienen de (inter-)nationale en lokale normen en voor-schriften in acht genomen te worden.

Sluit de gasleiding van het systeem spanningsvrij aan op de gas- aansluiting (6) van het toestel. Er dient een gasafsluiter direct achter het toestel geplaatst te worden. Rookgasafvoer (5) Regelgevingen met betrekking tot de constructie van rookgasafvoersys-temen zijn per land zeer verschillend.

Bij aansluiten van de rookgasafvoer van het toestel dienen alle lokaal gel-dende voorschriften ten behoeve van rookgasafvoersystemen in acht geno-men te worden. Sluit de rookgasafvoerbuis aan op de aansluiting (5) van het toestel, maak hierbij uitsluitend gebruik van afvoer-systemen met een naadloze aanslui-ting. Een aparte condensafvoer voor het rookgasafvoersysteem is niet noodzakelijk, aangezien het conden-saat via de sifon van het toestel afge-voerd kan worden. Let op volgende punten: Gebruik van RVS rookgasafvoer-systemen wordt aanbevolen De diameter van het rookgasafvoer-systeem dient te worden berekend volgens de geldende lokale normen 6 2 4 4 5.

Inbedrijfstelling Water en hydraulisch systeem Minimale werkdruk [bar] Aanvoer temperatuur [ºC] > 1. 5 90 > 1. 0 80 Hydraulisch systeem Controleer of het toestel op dusdanige wijze is aangesloten, dat waterstroming over het toestel tijdens bedrijf te allen tijde kan worden gegarandeerd. De waterstroming wordt bewaakt middels een stromingsschakelaar, welke het toestel vergrendeld in geval van te lage waterstroming. Waterdruk Open de afsluiters naar het systeem. Controleer de waterdruk in het sys-teem. Indien de waterdruk te laag is (zie tabel), moet water worden bijge-vuld tot minimaal de in de tabel vermel-de waterdruk. Voor het bijvullen kan gebruik worden gemaakt van de vul- en aftapkraan (2) op de retouraansluiting (1) van het toestel. Nominaal vermogen [kW] Max. concentratie Ca(HCO3)2 [mol/m3] Max. totale hardheid [dºH] 600 - 2000 1. 5 8.

Bij inbedrijf-nemen van het toestel door niet-gecertificeerde personen vervalt de garantie. Een inbedrijfstellingsrapport dient te worden ingevuld (zie einde van dit hoofdstuk voor voorbeeld van inbe-drijfstellingsrapport).

Waterkwaliteit De PH-waarde van het systeemwater moet zich tussen 8,0 en 9,5 bevinden. Het chloridegehalte mag niet hoger zijn dan 50 mg/l. Binnendringen van zuur-stof door diffusie dient te allen tijde worden voorkomen. Schade aan de warmtwisselaar door zuurstofdiffusie valt niet onder garantie. In installaties met grote watervolumes dient rekening gehouden te worden met maximale (bij)vul-waarden in combi-natie met de hardheid van het vulwater, een en ander zoals vastgelegd in de duitse norm VDI2035. In de tabel hier-naast zijn de nominale waarden voor (bij)vulwater te vinden voor de R3400/R3500/R3600, gerelateerd aan de VDI2035. De tabel hiernaast geeft een indicatie van de relatie tussen waterkwaliteit en het maximale (bij)vulvolume gedurende de levensduur van het toestel. Raad-pleeg de originele tekst van de VDI2035 voor verdere informatie. 22 1 2.

Inbedrijfstelling Gastoevoer Condensafvoer Rookgasafvoer en luchtinlaat 23 Gastoevoer Controleer de gasaansluiting naar de ketel op lekkage. Indien lekkage wordt vastgesteld, dient de aansluiting te wor-den hersteld alvorens het toestel te starten! Ontlucht de gasleiding tot aan het gas-blok. Hiervoor kan gebruik worden ge-maakt van de meetnippel (1) op de gasdrukschakelaar. Vergeet niet om de nippel na ontluch-ten te sluiten! Controleer de gassoort en verbran-dingswaarde, raadpleeg eventueel uw gasbedrijf voor verdere informatie. Condensafvoer Verwijder de sifon (2) van de aan-sluiting onder de condensbak. Vul de sifon met water en monteer deze terug onder de condensbak. De sifon moet gevuld zijn voordat het toestel wordt gestart, om te voorkomen dat rookgas-sen via de sifon in het ketelhuis gebla-zen worden.

Rookgasafvoer en luchtinlaat Controleer of de rookgasafvoer en luchtinlaat voldoen aan de lokaal gel-dende voorschriften. Installaties die niet voldoen aan de voorschriften, mogen niet inbedrijf genomen worden. Controleer of alle doorlaatopeningen vrij zijn. De diameter van de rookgasafvoer en luchtinlaat mogen niet worden geredu-ceerd. 2 1

Inbedrijfstelling Toestel voorbereiden voor start 24 1 2 3 3 4 5 Toestel voorbereiden voor start Open gaskraan; Schakel hoofdschakelaar in voor voe-dingsspanning naar het toestel; Schakel toestel in via aan/uit-schakelaar (1) Selecteer bedrijfsmodus “standby” (2) met behulp van draaischakelaar (3); Controleer de draairichting van de pomp: Ontlucht de pomp, verwijder de eind-kap van de motorbehuizing; Het wordt aanbevolen om het toestel na de start een tijdje op 50% belasting te laten draaien ter stabilisatie van de verbrandingswaarden. Dit kan als volgt worden ingesteld: Open de klep van de regelaar; Ga met behulp van de draaischa-kelaar (3) naar parameter P9 in het menu; Stel P9 (5) in op 50% (druk program-meerknop (4), verander waarde met draaischakelaar (3), druk program-meerknop (4) ter bevestiging; Sluit de klep van de regelaar.

Inbedrijfstelling Verbrandingsanalyse 25 Verbrandingswaarden aardgas G20 / G25 Alle ketels CO2, max % 10. 0 ± 0. 2 COmax ppm < 1000 Aansteekbrander CO2, min % 10. 2 ± 0. 2 COmin ppm < 1000 Verbrandingswaarden propaan G31 Alle ketels CO2, max % 11. 0 ± 0. 2 COmax ppm < 1000 CO2, min % 11. 2 ± 0. 2 COmin ppm < 1000 Aansteekbrander parameterwijziging noodzakelijk P19 : 100%  86% Instellen verbrandingswaarde bij vollast Start het toestel op servicebedrijf vol-last (W2). Wanneer P9 is gereduceerd tot 50% (zie vorige paragraaf), zal het toestel op 50% belasting blijven. Laat het toestel 3 minuten in bedrijf, alvo-rens P9 stapsgewijs te verhogen tot 100%. Controleer de gasdruk aan de inlaat van het gasblok gedurende het opmoduleren naar 100%: de gasdruk mag niet onder de minimaal voorge-schreven waarde komen (zie techni-sche gegevens).

Stel de minimale gas-drukschakelaar (1) in op 50% van de benodigde gasdruk. Controleer ten eerste de verbrandings-waarden van de aansteekbrander via het meetbuisje achterop de ketel (3). Indien noodzakelijk kunnen de verbran-dingswaarden worden gecorrigeerd met behulp van de instelschroef op het aan-steekgasblok (2). Controleer vervolgens de verbrandings-waarden van de hoofdbrander via een meetpunt in de schoorsteen (4). Indien noodzakelijk kunnen de verbrandings-waarden worden gecorrigeerd met behulp van de V-instelschroef op het hoofdgasblok (5). Instellen verbrandingswaarde bij minimumlast Schakel het toestel om naar servicebe-drijf minimumlast (W1). Controleer de verbrandingswaarden op dezelfde wijze als beschreven voor vollast. De ver-brandingswaarden voor de aansteek-brander kunnen, indien noodzakelijk, worden gecorrigeerd met behulp van de stelschroef op het aansteekgasblok (6).

Controleren verbrandingswaarde bij 50% belasting Het is aanbevolen om de verbrandings-waarde bij 50% belasting te meten als referentie voor een stabiele gas/lucht-verhouding over het gehele modula-tiegebied van het toestel. De CO2-waarde dient zich te bevinden tussen de ingestelde waarden bij vollast en minimumlast. De CO-waarde moet ongeveer gelijk zijn aan de waarden bij vollast en minimumlast. Vergeet niet om na de verbrandings-analyse de regelaar om te schakelen naar automatische bedrijf (F). 1 Verbrandingswaarden aardgas G20 / G25 Alle ketels CO2, max % 10. 0 ± 0. 2 COmax ppm < 30 Hoofdbrander CO2, min % 9. 3 ± 0. 2 COmin ppm < 30 Verbrandingswaarden propaan G31 Alle ketels CO2, max % 11. 0 ± 0. 2 COmax ppm < 30 CO2, min % 11. 0 ± 0. 2 COmin ppm < 30 Hoofdbrander parameterwijziging noodzakelijk P19 : 100%  86% 2 6 5 7 4 3.

Inbedrijfstelling Luchtdrukschakelaar 26 Instellen luchtdrukschakelaar Sluit de manometer aan op de aange-geven meetpunten op de luchtdruk-schakelaar (1). Start het toestel op ser-vicebedrijf minimumlast (W1). Meet ver-volgens het drukverschil over de scha-kelaar, dit dient  0.8 mbar te zijn. Draai de knop op de luchtdrukscha-kelaar (2) linksom tot het einde. Ver-laag de instelling op pameter P17 stapsgewijs totdat het gemeten druk-verschil 0.4 mbar bedraagt. Draai ver-volgens de knop op de luchtdrukscha-kelaar langzaam rechtsom totdat het toestel op storing gaat. Stel P17 weer in op de originele waarde!! Reset de storing. Start het toestel vervolgens weer en controleer of het luchtdruk-schakelaarcontact bij 0.4 mbar sluit (pijltje bij DW in display van de ketelre-gelaar) (3). Herhaal desnoods boven-staande procedure. 1 2 3

Inbedrijfstelling Waterstroming 27 qactueel = (Tnominaal / Tgemeten) * qnominaal [m3/h] qactueel = (pgemeten / pnominaal) * qnominaal [m3/h] Gegevens waterstroming R3401 - R3405 bij T 20K R3401 R3402 R3403 R3404 R3405 Nominale waterstroming [m3/h] 28.5 31.6 37.0 41.8 46.8 p bij nom. waterstroming [kPa] 46 53 36 43 50 Waterstroming De waterstroming door het toestel kan op twee manieren worden gecontro-leerd. Hieronder volgen voor beide ma-nieren de handelingsmethode. T meting Meet het temperatuurverschil over het toestel (T aanvoer-retour) wanneer het toestel in bedrijf is op vollast. De nominale T is 20K, de actuele waarde dient zich altijd tussen 15K en 25K te bevinden om een goede functionaliteit te garanderen. Een indicatie van de actuele waterstroming (qactueel) kan wor-den gevonden met de nevenstaande berekening (zie onderstaande tabellen voor nominale waarden).

p meting Meet het drukverschil over het toestel (p aanvoer-retour) wanneer de pomp is ingeschakeld op maximaal toerental (brander hoeft niet ingeschakeld te zijn). De nominale p voor elk type R3400/R3500/R3600 is te vinden in onderstaande tabel, de actuele p dient zich te bevinden tussen: 0.35*pnominaal  P  1.75*pnominaal. Een indicatie van de actuele waterstro-ming (qactueel) kan worden gevonden met de nevenstaande berekening (zie onderstaande tabellen voor nominale waarden):. Gegevens waterstroming R3406 - R3410 bij T 20K R3406 R3407 R3408 R3409 R3410 Nominale waterstroming [m3/h] 51,6 56,1 64,1 72,1 80,1 p bij nom. waterstroming [kPa] 58 91 60 130 165 Gegevens waterstroming R3501 - R3505 bij T 20K R3501 R3502 R3503 R3504 R3505 Nominale waterstroming [m3/h] 26,4 30,8 34,9 39,0 43,0 p bij nom.

Inbedrijfstelling Controle van veiligheidsrelevante componenten Controle op gasdichtheid Toestel uit bedrijf nemen 28 Controle van veiligheidsrelevante componenten De functionaliteit van alle veiligheids-relevante componenten dient te worden gecontroleerd. Betreffende componen-ten op een standaard toestel zijn de aanvoervoeler, waterstromings-schakelaar, minimum gasdruk-schakelaar en ionisatie-electrode. Aanvoervoeler (1) Verwijder de stekker van de aanvoer-voeler terwijl de ketel is ingeschakeld. Dit dient te resulteren in een storing met nummer 12. Terugplaatsen van de stekker leidt tot automatisch resetten van de storing door de regelaar, de ketel begint bij warmtevraag aan de startprocedure. Waterstromingsschakelaar (2) Sluit de afsluiter (langzaam. ) in de aan-voer van het toestel terwijl het toestel in bedrijf is op minimumlast.

Wanneer de afsluiter bijna gesloten is en de waterstroming niet meer toerei-kend is, zal de waterstromings-schakelaar het toestel vergrendelen en zal in het display een storing met nummer 40 verschijnen. Open nu de afsluiter, een handmatige reset is ver-eist om de storing ongedaan te maken. Minimum gasdrukschakelaar (4) Sluit de gaskraan terwijl het toestel in standby positie (K) staat. Open lang-zaam de meetnippel op de gasklep (3), meet tegelijkertijd de gasdruk op de meetnippel van de gasdrukschakelaar (5). In het display van de regelaar ver-schijnt een storing met nummer 2 zodra de gasdruk onder de op de schakelaar ingestelde waarde is geko-men. Controleer het schakelpunt van de schakelaar op de drukmeter zodra de storing in het display verschijnt. Ver-geet niet alle meetnippels te sluiten en de gaskraan te openen na de test.

Ionisatie-electrode (6) Verwijder de stekker van de ionisatie-electrode terwijl het toestel in bedrijf is, dit resulteert in een storing met num-mer 5. Het toestel zal proberen te herstarten.

Wanneer stekker van de ionisatie-electrode nog steeds is verwij-derd, zal de herstart resulteren in een storing met nummer 4. Wanneer de stekker is teruggeplaatst, zal de ketel succesvol herstarten. De ionisatiestroom kan worden geme-ten door een multimeter (ingesteld op µA ) aan te sluiten tussen de ionisatie-electrode en de stekker. De ionisatie-stroom dient altijd hoger te zijn dan 1. 2 µA, in normale condities zal de ionisa-tiestroom minimaal 6 µA bedragen. Controle op gasdichtheid Controleer na inbedrijfname alle aan-sluitingen op gasdichtheid, gebruik hier-voor gaslek spray of geschikte electro-nische meetapparatuur.

Te meten aansluitingen zijn: Meetnippels; Toestelaansluitingen; Aansluitingen gas/luchtmengsysteem, Toestel uit bedrijf nemen Wanneer het toestel voor langere perio-de buiten gebruik gesteld wordt, dient het toestel middels volgende procedure uitgeschakeld te worden: Schakel het toestel in standby positie (K); Schakel het toestel uit met de aan/uit schakelaar op het bedieningspaneel (7); Maak het toestel spanningsloos via de hoofdschakelaar in de ketelruimte; Sluit de gaskraan. 7 1 2 6 5 4 3.

Bediening De ingebouwde regeling heeft 2 menu’s: het hoofdmenu (bedrijfsmodus) wanneer het klepje is gesloten, en het parameter menu (informatie/programmeer-modus) wanneer het klepje is geopend. Beide menu’s worden uitgelegd in de volgende par-agrafen. Hoofdmenu (bedrijfsmodus) klepje gesloten Met behulp van de draaischakelaar (1) kan de gewenste bedrijfsmodus (2) worden gekozen de beschikbare modi zijn: K Standby bedrijf (alleen vorstbeveiliging) F Automatisch bedrijf (cv en ww) F Zomerbedrijf (alleen ww, geen cv) W1 Servicebedrijf minimumlast W2 Servicebedrijf vollast (begrenst door P9) In het display wordt tevens de actuele aanvoertemperatuur (3) weergegeven. In geval van een storing zal een waarschuwingsindicatie (4) worden weergegeven in combinatie met een storingscode (5). De betekenis van de verschillende storingscodes zijn te vinden in het hoofdstuk “Storingen”.

Parameter menu (informatie/programmeer-modus) klepje open Met behulp van de draaischakelaar (1) kunnen parameter- waarden worden uitge-lezen of veranderd. Een pijltje onder in het display (2) geeft aan welke parameter is geselecteerd. Beschikbare waarden/parameters zijn: P1 Actuele / setpoint aanvoertemperatuur [ºC] P2 Actuele / setpoint tapwatertemperatuur [ºC] P3 Actuele setpoint temperatuur/vermogen naar toestel [ºC]* P4 -- P5 Actuele buitentemperatuur [ºC] (indien voeler aangesloten) P6 Actuele rookgastemperatuur [ºC] P7 -- P8 Actuele temperatuur open verdeler [ºC] (indien voeler aangesloten) P9 Actuele / begrenzing vermogen brander [%] P10 Wachtwoord voor configuratiemenu * P3 geeft het actuele temperatuur-setpoint van het toestel weer, komende van parameter P1/P2 of van een optioneel aan te sluiten (weersafhankelijke) regeling of gebouwenbeheersysteem (2-10V).

Wanneer het toestel op vermogen wordt gestuurd via een cascademana-ger of gebouwenbeheersysteem (2-10V), dan geeft parameter P3 het actuele vermogen-setpoint van het toestel weer.

**Het vrijgavesignaal is af fabriek uitgerust met een overbrugging, het toestel wordt hierdoor altijd vrijgegeven. Wanneer het vrijgavesignaal op een gebouwenbeheersysteem is aangesloten (overbrugging moet verwijderd zijn. ), dient bij uitblijvende vrijgave van het toestel het gebou-wenbeheersysteem op functionaliteit te worden gecontroleerd. Achter het klepje bevinden zich verder een optische aansluiting (6), een reset-/programmeerknop (7) en een alarm-/programmeer-LED (8). In het display kunnen, naast de parameter waarden/instellingen, alle in- en uitganssignalen worden afgelezen. De betekenis van de signalen is als volgt: Ingangssignalen H Ionisatiestroom gedetecteerd SW Waterstroming gedetecteerd DW Luchtdrukschak.

gedecteerd RT Toestel vrijgegeven** Bus Bus-communicatie actief Uitgangssignalen Gasblok ingeschakeld Ontstekingstrafo ingeschakeld Ventilator actief Z Ketelpomp ingeschakeld F Tapwaterpomp/omschakelventiel ingeschakeld Parameters wijzigen Om parameters te wijzigen, in het voor-beeld parameter P2 (ww setpoint), dient de volgende procedure te worden gevolgd: Open het klepje (het pijltje onder in het display wijst parameter P1 aan); Ga met de draaischakelaar naar pa-rameter P2; Druk op de reset-/programmeerknop (de LED is nu aan); Verander de waarde met behulp van de draaischakelaar totdat de gewens-te waarde is bereikt; Druk nogmaals op de reset-/programmeerknop om de wijziging te bevestigen (de LED gaat uit); Sluit het klepje. De nieuwe waarde is nu geactiveerd. Alle overige parameters kunnen op dezelfde wijze worden veranderd.

Onderhoud Controlepunten Electrodes vervangen 31 2 1 Onderhoud aan het toestel mag uitslui-tend worden uitgevoerd door gecertifi-ceerd personeel. Om goed functioneren van de R3400/R3500/R3600 zeker te stellen, dient tenmintse één keer per jaar onderhoud aan het toestel gepleegd te worden. Er dient tevens een onderhoudsrapport ingevuld te worden (zie einde van dit hoofdstuk voor voorbeeld van onder-houdsrapport). Electrodes vervangen De electrodes zijn aan de achterzijde van het toestel gemonteerd. Vervang de ontstekingselectrode (1) en ioni-satie-electrodes (2) zoals weergegeven in de afbeelding.

Controleer de waterstroming door het toestel; Controleer/corrigeer de verbrandings-waarden op vollast en minimumlast met behulp van een rookgasmeter; Controleer de gasdruk naar het toe-stel; Controleer de gasdichtheid van alle afgedichte verbindingen en meetnip-pels; Controleer de functionaliteit van alle veiligheidsrelevante componenten; Maak een onderhoudsrapport. Controlepunten De volgende activiteiten dienen bij on-derhoud te worden uitgevoerd, zie vol-gende paragrafen voor gedetailleerde uitleg van de afzonderlijke punten: Vervang de ontstekings- en ionisatie-electrode; Reinig de condensbak; Reinig de sifon; Controleer de waterdruk in het sys-teem; Controleer de waterkwaliteit van zo-wel het systeem- alsook het vulwater;

Onderhoud Condensbak reinigen Sifon reinigen 32 Condensbak reinigen Verwijder het inspectieluik (2) om toegang te krijgen tot de binnenzijde van de condensbak; Reinig de condensbak (1); Monteer het inspectieluik. 1 2 Sifon reinigen Demonteer de sifon (3) van de aan-sluiting onder de condensbak; Reinig de sifon en vul deze daarna met schoon water; Monteer de sifon onder de condens-bak. 3 Waterdruk en waterkwaliteit Controleer of de waterdruk en water-kwaliteit voldoen aan de gestelde ei-sen. Zie voor meer informatie de para-graaf “Water en hydraulisch systeem” in het hoofdstuk “Inbedrijfstelling”. Waterstroming Controleer of de waterstroming door het toestel zich binnen de gestelde limieten bevindt. Check if the water flow rate through the boiler is within the lim-its. Zie voor meer informatie de para-graaf “Waterstroming” in het hoofdstuk “Inbedrijfstelling”.

Verbrandingsanalyse Controleer de verbranding op vollast en minimumlast, corrigeer de instelling indien noodzakelijk. Een extra analyse op 50% belasting ter referentie wordt aanbevolen. Zie voor meer informatie de paragraaf “Verbrandingsanalyse” in het hoofdstuk “Inbedrijfstelling”. Gasdruk Controleer de dynamische druk van de gastoevoer naar het toestel, wanneer het toestel in bedrijf is op vollast. Wan-neer het toestel deel uitmaakt van een cascade, dienen tijdens de meting alle toestellen op vollast in bedrijf te zijn. Zie technische gegevens voor vereiste drukken. Controle op gasdichtheid Controleer alle aansluitingen op gas-dichtheid, gebruik hiervoor gaslek spray of geschikte electronische meetappara-tuur. Te meten aansluitingen zijn: Meetnippels; Toestelaansluitingen; Aansluitingen gas/lucht-mengsysteem, etc.

No. Type storing Beschrijving Mogelijke oplossing 1 Vergrendelend Aanvoertemperatuur is boven de ingestelde waarde van de maximaalthermostaat (100ºC) gekomen. Controleer of het toestel op automatisch bedrijf (K) is ingesteld, controleer of de waterstroming door het toestel voldoet aan de eisen, contro-leer of (P11+P12) < Instelling maximaalther-mostaat (V9). 2 Blokkerend Gasdruk is beneden de ingestelde waarde van de minimum gasdrukschakelaar gekomen, of een externe veiligheid aangesloten op de blok-kerende ingang is onderbroken (tijdens de start-fase van het toestel). Controleer de gasdruk naar het toestel / con-troleer de op de blokkerende ingang aangeslo-ten externe veiligheden. 3 Blokkerend Gasdruk is beneden de ingestelde waarde van de minimum gasdrukschakelaar gekomen, of een externe veiligheid aangesloten op de blok-kerende ingang is onderbroken (terwijl toestel in bedrijf).

Controleer de gasdruk naar het toestel / con-troleer de op de blokkerende ingang aangeslo-ten externe veiligheden. 4 Vergrendelend Geen ionisatiesignaal gedetecteerd tijdens branderstart. Controleer fase/nul aansluiting van de voeding naar het toestel (fasegevoeligheid. ), controleer de gastoevoer, controleer de ontsteking, ver-hoog de gas/luchtverhouding op het gasblok voor min. last (zeskantschroef). 5 Vergrendelend Ionisatiesignaal valt weg tijdens bedrijf. Controleer de gasdruk tijdens bedrijf, contro-leer de gas/luchtverhouding met behulp van een verbrandingsanalyse. 6 Blokkerend Aanvoertemperatuur is boven de ingestelde waarde van de temperatuurbegrenzer (97ºC) gekomen. Controleer of het toestel op automatisch bedrijf (F) is ingesteld, controleer of de waterstroming door het toestel voldoet aan de eisen, contro-leer of (P11+P12) < Instelling temperatuurbe-grenzer (V10).

Controleer de weerstandswaarde van de voe-ler (zie hoofdstuk “Weerstandswaarden voe-lers”), controleer bedrading tussen verdeler-voeler en regelunit. In geval van een storing wordt in het display, naast een waarschuwingsindicatie (E), een storingscode (knipperend) weerge-geven. Voordat de storing wordt gereset , dient de oorzaak gevonden en opgelost te worden. Wanneer dezelfde storing vaker dan 2 keer binnen 6 minuten optreedt of langer dan 6 minuten aanhoudt, zal de storingscode worden weergegeven met de toevoeging “3”. Onderstaande tabel geeft alle mogelijke storingscodes weer, inclusief een indicatie van de mogelijke oorzaak en oplossing. Storingen 34.

Storingen 20 Vergrendelend Storing gasklep V1, ionisatiesignaal gedetec-teerd langer dan 5 seconden na branderstop. Controleer sluiten van gasklep V1 in gas-combiblok, vervang gasblok. 21 Vergrendelend Storing gasklep V2, ionisatiesignaal gedetec-teerd langer dan 5 seconden na branderstop. Controleer sluiten van gasklep V2 in gas-combiblok, vervang gasblok. 22 Vergrendelend Luchtstroom te klein tijdens voorspoelen, de luchtdrukschakelaar komt niet in tijdens het voorspoelen. Controleer instelling luchtdrukschakelaar, con-troleer of ventilator draait. 23 Vergrendelend Luchtdrukschakelaar valt niet af, de luchtdruk-schakelaar valt niet af terwijl de ventilator uitge-schakeld is. Controleer instelling luchtdrukschakelaar 30 Vergrendelend CRC storing in parameterset ketelparameters (P11-P40).

Vergrendelend (alle storingscodes welke niet voorkomen in hierboven genoemde lijst) Interne storing regelunit Druk resetknop. Vervang de regelunit wanneer de storing niet kan worden gereset of wanneer de storing zich blijft herhalen.

Weerstandswaarden voelers 36 In onderstaande grafieken zijn de weer-standswaarden weergegeven van alle voelers die worden gebruikt in het stan-daardtoestel en de leverbare optiesets. De grafieken zijn een weergave van de gemiddelde waarden, kleine afwijkin-gen als gevolg van toleranties zijn mo-gelijk. Bij het meten van de weerstands-waarde dient het toestel uitgeschakeld te zijn. Meet zo dicht mogelijk bij de voeler, om meetafwijkingen als gevolg van kabelweerstanden te vermijden. Aanvoervoeler en rookgasvoeler (5k NTC) Tapwatervoeler, buitenvoeler en verdelervoeler (1k PTC)

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Elco R3500 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden