Dacia Jogger Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Dacia Jogger (394 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 115 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Dacia Jogger of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Dacia |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Jogger |
Handleiding Dacia Jogger – volledige tekst
0.1Welkom aan boord van uw autoIn dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:– uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.– de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften.– zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over de mogelijkheden en de nieuwe technieken die erin zijn toegepast.
Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.De volgende symbolen kunnen u helpen: en Deze zijn zichtbaar op de auto en geven aan dat u de handleiding moet raadplegen voor informatie en/of beperkingen op han-delingen met betrekking tot de uitrusting van uw auto.➥ Overal in de handleiding verwijst een overdracht naar een pagina.Vertaald uit het Frans. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de constructeur van de auto.Dit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven.
De aanwezigheid ervan in de auto is af-hankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.Deze handleiding kan ook informatie bevatten over onderdelen die pas op een later tijdstip zullen worden toegepast.In de instructies worden voorbeeldafbeeldingen weergegeven en QR codes kunnen worden gebruikt om online toegang te krijgen tot video's.Wij wensen u een goede reis in uw auto.dit duidt overal in het instructieboekje op een risico, een gevaar of een veiligheidsadvies.
1. 1Hoofdstuk 1: Ken uw autoSleutels, FM-afstandsbediening: algemeen, gebruik. 1. 2Kaart: algemeen, gebruik. 1. 5Portieren vergrendelen, ontgrendelen. 1. 13Portieren openen en sluiten. 1. 17Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden. 1. 19Hoofdsteunen voor, voorstoelen. 1. 20Autogordels. 1. 22Aanvullende veiligheidsvoorzieningen. 1. 28bij de autogordels voorin. 1. 28bij de autogordels achterin. 1. 34aan de zijkant. 1. 35Kinderveiligheid: algemene informatie. 1. 37keuze van de bevestiging van het kinderzitje. 1. 40installatie van het kinderzitje, algemeen. 1. 43Kinderzitjes: bevestiging met de autogordel of met het Isofix-systeem. 1. 45uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin. 1. 61Spiegels. 1. 64Bedieningsorganen. 1. 66Instrumentenpaneel: controle- en waarschuwingslampjes. 1. 74Displays en meters. 1. 80boordcomputer. 1.
1.2SLEUTELS, FM-AFSTANDSBEDIENINGEN: algemene informatie (1/2)FM-afstandsbediening B2 Vergrendelen van alle portieren.3 Ontgrendelen van alle portieren.4 Alleen de achterklep ontgrendelenSleutel A1 Gecodeerde sleutel voor startcontact, deuren, tankdop en, afhankelijk van de auto, alleen de bagageruimte.Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als fles-opener, enz.).BA1423Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por-tieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
1.3SLEUTELS, FM-AFSTANDSBEDIENINGEN: algemene informatie (2/2)Bereik van de FM-afstandsbedieningDit wordt beïnvloed door de omgeving: let er bij het vasthouden van de afstandsbe-diening op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ontgrendeld.Opmerking: als een portier of de kofferbak open is of niet goed is gesloten, wordt de vergrendeling niet uitgevoerd. Er klinkt een geluidssignaal en de alarm- en zijknipper-lichten knipperen niet.RadiostoringenDe werking van de afstandsbediening kan gestoord worden in de omgeving van een zendinstallatie of bij gebruik van apparatuur die werkt op dezelfde frequentie als de af-standsbediening.AdviesStel de afstandsbediening niet bloot aan warmte, koude of vocht.
Vervangen, extra sleutel of afstands-bediening nodigBij verlies van een sleutel of de afstands-bediening of als u een extra exemplaar wilt hebben, kunt u deze uitsluitend be-stellen bij een merkdealer.Voor het vervangen van een sleutel of afstandsbediening moet u altijd met de auto en alle sleutels of afstandsbe-dieningen naar een merkdealer gaan om het hele systeem te laten resetten.Per auto kunt u maximaal vier sleutels of afstandsbedieningen gebruiken.Als de sleutel of afstandsbediening niet werktControleer of de batterij goed en van het juiste model is en correct is geplaatst. De batterijen hebben een levensduur van ongeveer twee jaar.De accu vervangen ➥ 5.42 .
1.4SLEUTELS, FM-AFSTANDSBEDIENING: gebruikPortieren vergrendelenDruk op de vergrendelknop 1.Het vergrendelen ziet u aan het twee keer oplichten van de knipperlichten en de zijknipperlichten.Als een van de portieren of de achterklep open of niet goed gesloten is, mislukt het vergrendelen. De alarmknipperlichten en zij-knipperlichten knipperen dan niet.Ontgrendelen van de portierenDruk op de ontgrendelknop 2.Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zij-knipperlichten.NB: als er binnen (ongeveer) 2 minuten na het ontgrendelen geen portier wordt ge-opend, dan worden de portieren automa-tisch weer vergrendeld.Enkel de achterklep vergrendelenDruk op de knop 3 en houd deze ingedrukt.
De klep van de bagageruimte gaat een klein stukje open en, afhankelijk van de auto, gaat de klep van de bagageruimte vanzelf hele-maal open.Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als fles-opener, enz.).Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por-tieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.123
1.5Bereik van de cardHet bereik van de afstandsbediening wordt beïnvloed door de omgeving. Let er op dat de portieren niet per ongeluk worden ver-grendeld of ontgrendeld doordat u onopzet-telijk op een knop op de kaart drukt.Opmerking: Als een portier of de bagage-ruimte open of niet goed gesloten is, kan de auto niet worden vergrendeld en klinkt er een pieptoon.RadiostoringenDe werking van de kaart kan gestoord worden in de omgeving van een zendinstal-latie of bij gebruik van apparatuur die werkt op dezelfde frequentie als de kaart.Met de kaart kunt u:– Portieren en kleppen vergrendelen/ont-grendelen;– op afstand inschakelen van de autover-lichting (zie de volgende pagina’s).ActieradiusControleer of de batterij van het juiste model en in goede conditie is, en correct geplaatst.
De levensduur is ongeveer twee jaar: moet worden vervangen als het bericht “Batterij kaart bijna leeg” op het instrumentenpaneel wordt weergegeven ➥ 5.44 .1 Ontgrendelen van alle portieren.2 Vergrendelen van alle portieren.3 Alleen de achterklep ontgrendelen4 Op afstand inschakelen van de verlich-ting.KAART: algemeen (1/3)Bij lege batterij, kunt u de auto altijd vergrendelen/ontgrendelen en starten. ➥ 1.13 ➥ 2.5 1234
Hiermee kan uw auto op afstand worden herkend, bij-voorbeeld op een parkeerterrein.NB: nog een druk op knop 4 dooft de ver-lichting.AdviesStel de kaart niet bloot aan warmte, koude of vocht.Berg de card nooit op een plek op waar deze verbogen of per ongeluk bescha-digd zou kunnen worden: dit kan bijvoor-beeld gebeuren als u op de card gaat zitten als deze in uw achterzak zit.Vervangen: extra kaart nodigAls u de kaart verliest of een extra kaart nodig hebt, kunt u deze bestellen bij een merkdealer.Als u een kaart vervangt, moet u met de auto en alle kaarten naar een merkdea-ler gaan om het systeem te resetten.U kunt maximaal vier kaarten per auto gebruiken.4Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por-tieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
1.7KAART: algemeen (3/3)Een polsriem plaatsen 7Schuif de behuizing achter 5 omlaag terwijl u op de zone A drukt.Steek de handriem in het onderdeel 8 en steek het uiteinde van de riem door de gesp.Plaats de riem bij de opening 6 en sluit het patroon.Opmerking: controleer of de diameter van de polsriem 7 past in de opening 6.Steek nooit gereedschap zoals een schroevendraaier in de opening 6.56A78
1.8HANDSFREE-KAART: gebruik (1/5)Er zijn twee manieren voor het vergrende-len/ontgrendelen van de auto: – handsfree, terwijl men naar de auto toe loopt of ervan wegloopt;– de kaart gebruiken in de afstandsbedie-ningsmodus.Bewaar de kaart niet op een plaats waar andere elektronische apparaten (com-puter, telefoon, enz.) de werking ervan kunnen verstoren.De handsfree-functie uit- of inschakelenAfhankelijk van de auto kunt u de ontgren-deling bij het naderen en vergrendeling bij het weglopen van de auto uit-/inschakelen.Ook het geluidssignaal dat klinkt als de auto wordt vergrendeld terwijl men ervan wegloopt, kan worden uit- of ingeschakeld.
➥ 1.97 .Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por-tieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.Laat nooit een kaart in de auto liggen als u de auto verlaat.
1.9HANDSFREE-KAART: gebruik (2/5)Handsfree ontgrendeling bij het naderen van de auto;Als de kaart in de toegangszone 1 is, wordt de auto ontgrendeld.Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zij-knipperlichten.“Handsfree” vergrendelen vanop afstandAls u van de auto wegloopt met de kaart bij u en met de portieren en achterklep geslo-ten, wordt de auto automatisch vergrendeld zodra u de toegangszone 1 verlaat.NB: de afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omgeving.De knipperlichten en de alarmknipperlichten knipperen twee keer om aan te duiden dat de portieren vergrendeld zijn.Het vergrendelen wordt bevestigd met een geluidssignaal.1Gebruik van de card in “handsfree”-modusDe handsfree modus maakt ontgrendeling/vergrendeling mogelijk zonder de knoppen op de kaart te gebruiken, zolang de kaart zich in de toegangszone 1 bevindt.Opmerking: als de auto meer dan 8 dagen niet is gebruikt, schakelt het handsfree sys-teem over op stand-by.
Om de functie op-nieuw in te schakelen, drukt u op de ont-grendelknop van de card.Bijzonderheden met betrekking tot het ontgrendelenAutomatische ontgrendeling bij benadering van de auto wordt uitgeschakeld indien de auto gedurende acht dagen niet is gebruikt.Gebruik de kaart als afstandsbediening (zie volgende pagina’s) om de auto te ontgren-delen en de handsfree modus opnieuw te activeren.Bijzonderheden met betrekking tot het vergrendelenAls een portier geopend of niet goed geslo-ten is, wordt de auto niet vergrendeld als u weg gaat.
1.10HANDSFREE-KAART: gebruik (3/5)Indien de kaart ongeveer 15 minuten binnen de toegangszone 1 blijft, wordt de vergren-deling op afstand uitgeschakeld. Druk op de kaartknop 4 om de auto te vergrendelen (raadpleeg de volgende pagina's).De auto wordt niet vergrendeld als een card aanwezig is in zone 2. Als u de auto ontgren-delt met een druk op de kaartknop maar de portieren of de achterklep niet opent, is de handsfree vergrendeling op afstand uitge-schakeld.12Bijzonderheden met betrekking tot handsfree vergrendelenNadat de auto is vergrendeld met de hands-free-functie, moet u ongeveer drie secon-den wachten voordat u de auto weer kunt ontgrendelen.
Tijdens deze drie seconden kunt u nagaan of de auto goed vergrendeld is door aan de handgrepen van de deuren te trekken.Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, organen te bedienen zoals bij-voorbeeld de ruitbediening, of de portie-ren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
1.11HANDSFREE-KAART: gebruik (4/5)Gebruik van de card met afstandsbedieningOntgrendelen met behulp van de card Druk op de knop 3.Het ontgrendelen wordt aangeduid met één keer knipperen van de alarmknipperlichten en de knipperlichten.Als er vervolgens wordt geprobeerd om een portier te openen door te drukken op de handgreep terwijl ondertussen de por-tieren op afstand worden ontgrendeld, blijft het portier vergrendeld. Om dit te corrigeren, laat u de handgreep los en ontgrendelt u de auto opnieuw door te drukken op de knop 3 op de kaart.Als de motor draait werken de knoppen van de card niet.Vergrendelen met de kaartTerwijl de portieren en achterklep gesloten zijn, druk op de knop 4. De auto vergrendelt.
De alarmknipperlichten en de knipperlich-ten achter knipperen twee keer om aan te duiden dat de auto vergrendeld is.NB: de maximale afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omge-ving.BijzonderhedenDe auto kan niet worden vergrendeld als één een van de portieren of de klep van de bagageruimte open of niet goed gesloten is en er klinkt een pieptoon.34Wanneer de card zich bij een gestarte motor en na het openen en sluiten van een deur niet langer binnen de zone 2 bevindt, waarschuwt de boodschap “Kaart niet ge-detecteerd” u dat de card zich niet langer in de auto bevindt. Dit helpt om bijvoorbeeld te voorkomen dat u wegrijdt nadat een passa-gier is uitgestapt met de kaart bij zich.De waarschuwing verdwijnt zodra de card weer gedetecteerd is.2
1.12HANDSFREE-KAART: gebruik (5/5)Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, organen te bedienen zoals bij-voorbeeld de ruitbediening, of de portie-ren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.Enkel de achterklep vergrendelenDruk op de knop 5 en houd deze ingedrukt. De klep van de bagageruimte gaat een klein stukje open of, afhankelijk van de auto, he-lemaal open.5
1.13PORTIEREN EN ACHTERKLEP VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (1/4)Als de afstandsbediening of, afhankelijk van de auto, de kaart niet werktIn bepaalde gevallen werken de FM-afstandsbediening of de kaart niet:– batterij van de FM-afstandsbediening of kaart leeg, accu van de auto ontladen, enz.– gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de card werken (mobiele telefoon, enz.);– de auto bevindt zich in een sterk elektro-magnetisch veld.In dat geval is het mogelijk:– de FM-afstandsbediening of de noods-leutel die in de kaart is geïntegreerd (af-hankelijk van de auto) gebruiken om het bestuurdersportier te ontgrendelen;– de portieren één voor één met de hand te vergrendelen;– de schakelaar voor het vergrendelen/ont-grendelen van de portieren van binnen-uit te gebruiken (raadpleeg de volgende bladzijden).In de card geïntegreerde sleutelMet de geïntegreerde 2-sleutel kunt u het linkervoorportier vergrendelen of ontgrende-len wanneer de kaart niet werkt.Toegang tot sleutel 2Schuif de behuizing achter 1 omlaag terwijl u op de zone A drukt.1A2
1.14PORTIEREN EN ACHTERKLEP VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (2/4)Gebruik van de sleutel die in de kaart is ingebouwd– Steek het uiteinde van de sleutel 2 in de uitsparing 3 onder aan het afdekkapje B van het portier van de bestuurder.– Beweeg het omhoog om het afdek-plaatje B te verwijderen;– Steek de sleutel 2 in het slot van het por-tier van de bestuurder, vergrendel dit en ontgrendel dit.Zodra u zich in de auto bevindt, steekt u de geïntegreerde sleutel terug in de uitsparing van de kaart.Auto’s met sleutel, afstandsbedieningGebruik van de sleutelSteek de sleutel 4 in het slot van het portier van de bestuurder 5, vergrendel dit en ont-grendel dit.3254B
1.15PORTIEREN EN ACHTERKLEP VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (3/4)Handmatig vergrendelen van de portierenDraai met het portier geopend de hendel 6 (met behulp van het uiteinde van de sleutel) en sluit het portier.Nu is het portier van buitenaf vergrendeld.Het openen kan alleen van binnenuit gebeu-ren of met de noodsleutel voor het portier van de bestuurder.6Van binnenuit(afhankelijk van de auto)Druk de knop 7 omlaag om te vergrendelen, trek de knop 7 omhoog om te ontgrendelen.7Verantwoordelijkheid van de bestuurderBedenk dat het rijden met ver-grendelde portieren een be-lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
1.16PORTIEREN EN ACHTERKLEP VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (4/4)Bij vervoer van een voorwerp met geopende achterklep, kunt u toch de andere portie-ren vergrendelen: druk met de motor langer dan vijf seconden op de schakelaar 8 om de andere portieren te vergrendelen.Controlelampje van de portiervergrendeling(afhankelijk van de auto)Als het contact is ingeschakeld, gaat het controlelampje boven de schakelaar 8 bran-den en informeert u over de status van de portieren en de achterklep:– lampje brandt, de portieren zijn vergren-deld;– lampje uit, de portieren zijn ontgrendeld.Als u de portieren vergrendelt, blijft het con-trolelampje branden en dooft daarna.Vergrendelen van de portieren zonder kaart of sleutelBijvoorbeeld bij een lege batterij of als de kaart of de sleutel tijdelijk niet werkt, enz.Druk met de motor uit en een portier of de achterklep geopend, langer dan vijf secon-den op de schakelaar 8.Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.De auto kan alleen van buitenaf worden ont-grendeld als de kaart zich in de toegangs-zone van de auto bevindt, of met behulp van de sleutel.Laat nooit een sleutel of kaart in de auto liggen als u de auto verlaat.Schakelaar voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren van binnenuitAfhankelijk van de auto, worden de vier por-tieren en de achterklep tegelijk vergrendeld of ontgrendeld.
1.17PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (1/2)Openen van buitenafPlaats, bij vergrendelde portieren, uw hand onder de handgreep 1 en trek deze naar u toe. ➥ 1.13 Openen van binnenuitTrek aan de portierhandgreep 2.Waarschuwingssignaal verlichting brandt nogAls bij het openen van het bestuurderspor-tier de lichten nog branden terwijl het con-tact uit is, klinkt een signaal om u hiervoor te waarschuwen.Waarschuwing portier vergeten te sluitenAfhankelijk van de auto wordt deze waar-schuwing voor het bestuurdersportier of alle portieren gegeven.Als terwijl de auto stilstaat, een portier wordt geopend of niet goed wordt gesloten, gaat het waarschuwingslampje 2 branden.
Zodra de auto een snelheid van ongeveer 20 km/u bereikt, gaat het waarschuwings-lampje 2 branden en klinkt er een geluids-signaal.BijzonderheidAfhankelijk van de auto stoppen de acces-soires (radio enz.) met werken zodra de motor wordt uitgeschakeld of de portieren worden vergrendeld.1Uit veiligheidsoverwegingen mag u de deur alleen openen en sluiten als de auto stilstaat.2
1.18PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (2/2)Veiligheid van de kinderenEen achterportier kan niet van binnenuit worden geopend als u het knopje 3 omzet. Controleer of het portier inderdaad niet van binnenuit geopend kan worden. Herhaal dit bij het andere achterportier.Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por-tieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.3
Als ze goed gesloten zijn en het probleem aan-houdt, raadpleeg dan een merkdealer.Controleer ook of de vergrendeling niet per ongeluk uitgeschakeld staat.In dat geval activeert u opnieuw.AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDENDe werking van het systeemNa het wegrijden van de auto, vergrende-len de portieren automatisch als de auto een snelheid van ongeveer 10 km/u heeft bereikt.De portieren ontgrendelen automatisch:– Door te drukken op de schakelaar van de portiervergrendeling 1;– bij stilstaande auto, door een voorportier te openen van in de auto.Opmerking: na het openen of sluiten van een portier wordt dit automatisch weer ver-grendeld zodra de auto ongeveer 10 km/u rijdt.Inschakelen/Uitschakelen van de functieOm te activeren: druk, bij stilstaande auto met draaiende motor, op de schakelaar 1 tot u een geluidssignaal hoort.Deactiveren: druk, bij stilstaande auto met draaiende motor, op de schakelaar 1 tot u twee geluidssignalen hoort.Verantwoordelijkheid van de bestuur- der Bedenk dat het rijden met ver-grendelde portieren een be-lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.1
1.20HOOFDSTEUNEN VOORHoofdsteun hoger zettenTrek de hoofdsteun tot de gewenste stand omhoog. Controleer de vergrendeling.Hoofdsteun lager zettenDruk op de knop 2 en duw de hoofdsteun tot de gewenste stand omlaag. Controleer de vergrendeling.De hoofdsteun is een veilig-heidsorgaan, dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld. Hij geeft een maximale beveiliging als de boven-kant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin en de afstand tussen het achterhoofd en de hoofdsteun bij A zo klein mogelijk is.Verwijderen van de hoofdsteunZet deze in de hoogste stand (zet de rug-leuning indien nodig schuin naar achteren).
Eén geïntegreerd waarschu-wingslampje gaat branden;– druk een derde keer om de verwarming uit te schakelen.Het systeem regelt automatisch de tempe-ratuur voor de stoel. Als dit is ingeschakeld, bepaalt het systeem of de stoelverwarming nodig is of niet.12 3Voer deze verstellingen uit-sluitend uit als de auto stil-staat.Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.Laat geen spullen op de vloer (bij de be-stuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de be-stuurder deze niet meer goed kan bedie-nen.4Controleer na het afstellen of de rugleuningen goed zijn ver-grendeld.
1.22Gebruik tijdens het rijden altijd de autogor-del. Het niet dragen van de gordel is ge-vaarlijk en strafbaar. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindtStel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzittenden de au-togordel om de beste bescherming te krijgen.AUTOGORDELS (1/6)Een verkeerd afgestelde of ge-draaide autogordel kan bij een ongeval letsel veroorzaken.Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene.Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen. Let in dat geval op dat de heupgordel niet te veel op de onderbuik drukt, zonder de gordel te los te dragen.De juiste zithouding– Ga goed diep in uw stoel zitten (na uw mantel, jas, enz. uitgetrokken te hebben). Dit is belangrijk voor een goede onder-steuning van de rug;– verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen.
Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u de peda-len nog net geheel kunt indrukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de bovenkant van het stuurwiel te kunnen komen;– stel de hoofdsteun af. De afstand tussen de hoofdsteun en uw achterhoofd moet zo klein mogelijk zijn;– stel de hoogte van het zitkussen af. Met deze afstelling kunt u de stoelpositie selecteren die u zo goed mogelijk zicht biedt op het verkeer; – stel de stand van het stuurwiel af.Zorg ervoor dat de achterbank goed is vergrendeld zodat de autogordels achter correct werken. ➥ 3.37 .
1.23AUTOGORDELS (2/6)VergrendelenTrek de riem langzaam en rustig over u heen en druk de gesp 3 in de sluiting 5 (con-troleer de vergrendeling door aan de gesp 3 te trekken).Als de gordel blokkeert, laat hem dan een stuk teruggaan en rol hem opnieuw af.Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken. Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.OntgrendelenDruk op de knop 4, de gordel wordt door het oprolmechanisme teruggetrokken.
Begeleid hem.ßWaarschuwingslampje autogor-del van de bestuurder vergeten en, afhankelijk van de auto, van de voor-passagierDit verschijnt op het centrale display A wan-neer het contact wordt ingeschakeld terwijl de veiligheidsgordel van de bestuurder en/of de passagier voorin (als de passagiersstoel bezet is) niet is vastgemaakt.Afstellen van de autogordelGa goed tegen de rugleuning aan zitten.De band van de schoudergordel 1 moet zo dicht mogelijk langs de hals over de schou-der lopen, zonder dat de gordel de hals raakt.De band van de heupgordel 2 moet vlak over de heupen langs het bekken lopen.De autogordel moet zo direct mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Bijv.: niet over te dikke kleding of over ertussen gesto-ken voorwerpen, enz.153452Als er, afhankelijk van de auto.
iemand op de stoel zit en een van deze twee veilig-heidsgordels niet is vastgemaakt of wordt losgemaakt terwijl de auto harder dan circa 20 km/u rijdt, knippert het waarschuwings-lampje ß en klinkt er gedurende circa 120 seconden een pieptoon.Let op: een voorwerp op de zitting van de passagiersstoel kan in sommige gevallen het waarschuwingslampje inschakelen.A
1.24Waarschuwing van het niet dragen van de achtergordel(afhankelijk van de auto)Het 6 pictogram verschijnt op het instrumen-tenpaneel wanneer het contact wordt inge-schakeld.
Dit informeert de bestuurder elke keer over de bevestigingsstatus van elk van de veiligheidsgordels achterin:– bij inschakeling van het contact.– openen van een portier;– vast- of losmaken van een veiligheidsgor-del achter.6afspelen van 6 afbeelding:– wit symbool: autogordel vastgemaakt;– zwart symbool: autogordel losgemaakt.Wanneer de voertuigsnelheid minder is dan circa 20 km/u, verschijnt het pictogram 6 gedurende ongeveer 60 seconden, telkens wanneer een van de veiligheidsgordels achter wordt vast- of losgemaakt.Als de voertuigsnelheid 20 km/u, bereikt of overschrijdt en een van de veiligheidsgor-dels achter tijdens de rit wordt losgemaakt:– knippert het controlelampje ß op het centrale display;en – klinkt ongeveer 30 seconden een piep-toon; en– verschijnt het pictogram 6 minstens 60 seconden en verandert de indicator van de desbetreffende stoel in zwart.Controleer altijd of de passagiers achterin hun gordel hebben vastgemaakt en of het aangegeven aantal vastgemaakte gordels overeenkomt met het aantal bezette zitplaat-sen achterin.AUTOGORDELS (3/6)6
Rol de gordel 17 langzaam af.Klik de verschuifbare gesp 18 vast in de slui-ting met de overeenkomstige rode ontgren-delingsknop 19.Bij elke verandering van de achter-stoelen van de derde rij, moet de band van de autogordel 17 aan het haakje A worden vastgemaakt om de gordel of bagageafdekplaat niet te beschadigen (als uw auto hiermee uitgerust is).Controleer of de autogordels achterin nog goed op hun plaats zitten en goed werken na elke verandering aan de achterstoelen.Gebruiksmogelijkheden van de achter-stoelen ➥ 3.38 ➥ 3.40 .A171819
1.27AUTOGORDELS (6/6)– Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan. Raadpleeg voor speciale gevallen (bv. installatie van een kinderzitje) een merkdealer.– Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes, enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.– Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.– Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.– De gordel mag niet gedraaid zijn.– Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen.
Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen.– Let er bij het terugplaatsen van de achterbank op dat de autogordels en sluitingen goed zitten, zodat deze weer op de juiste wijze kunnen worden gebruikt.– Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.– Zorg dat er geen voorwerp in de sluiting van de gordel kan komen waardoor de werking belemmerd wordt.– Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.
1. 28AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (1/6)Afhankelijk van de auto, kunnen deze be-staan uit:– gordelspanners van het oprolmecha-nisme van de autogordel;– krachtbegrenzers voor de bescher-ming van de borstkas;– airbags bestuurder en passagier voorin. Deze voorzieningen worden gelijktijdig of af-zonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale bot-sing. Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem de volgende middelen ac-tiveren:– de blokkering van de autogordel;– de gordelspanner van het oprolmecha-nisme van de autogordel (die in werking komt om de speling van de autogordel op te heffen);– de airbag en krachtbegrenzer. KrachtbegrenzerVanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het li-chaam uitoefent te begrenzen tot een draag-lijk niveau.
– Laat al deze veiligheidsvoor-zieningen controleren na een aanrijding. – Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (airbag, reken-eenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten, zelfs als deze identiek is. – Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uit-sluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de aanvullende vei-ligheidsvoorzieningen voor werken. – Het elektrische ontstekingsmecha-nisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd. – Laat de gaspatronen van de gor-delspanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
1.29AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (2/6)Elk airbagsysteem bestaat uit:– een airbag en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier voorin;– een rekeneenheid die het systeem be-waakt en de elektrische ontsteking van de gaspatroon bestuurt;– een gemeenschappelijk waarschuwings-lampje å op het instrumentenpa-neel;– aparte opname-elementen (afhankelijk van de auto).Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats. Daarom komen bij het ont-plooien van de airbag warmte en rook vrij zonder enig brandgevaar en klinkt er een luide knal.
De airbag die onmiddellijk naar buiten komt, kan onge-vaarlijke, lichte schaafwonden of ander ongemak veroorzaken.1Airbags van bestuurder en passagier voorinDeze bevinden zich bij de linker en rechter voorstoel.De aanwezigheid van deze uitrusting wordt aangeduid met het woord “Airbag” op het stuurwiel, het dashboard (in zone airbag 1) en, afhankelijk van de auto, een pictogram aan de onderkant van de voorruit.
1.30AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (3/6)WerkingHet systeem werkt alleen als het contact aanstaat.Bij een zware frontale aanrijding, wordt of worden de airbag(s) snel opgeblazen om de klap van het hoofd en de borstkas van de be-stuurder tegen het stuurwiel en van de pas-sagier tegen het dashboard op te vangen. Daarna lopen ze direct weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.Storingenå Dit controlelampje licht op bij het starten van de motor en dooft na ongeveer drie secondes.Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als blijft branden, wijst dit op een storing in het systeem.Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer.Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is.
1.31AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (4/6)In de volgende gevallen kunnen de gor-delspanners of airbags in werking treden.Bij een frontale botsing tegen een star (niet-vervormbaar) oppervlak, met een snel-heid van 25 km/u of hoger.Bij een frontale botsing met een ander, ge-lijkaardig of zwaarder voertuig, met een con-tactzone van meer dan 40% en een snelheid van 40 km/u of hoger voor de twee voertui-gen.Bij een botsing tegen de zijkant door een ander, gelijkaardig of zwaarder voertuig, met een snelheid van 50 km/u of hoger.
1.32AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (5/6)In de volgende voorbeelden kunnen de gordelspanners en airbags in werking treden:– Botsing onder de auto, zoals een stoe-prand;– gaten in het wegdek;– een val of harde landing;– stenen;– ...In de volgende voorbeelden treden de gordelspanners en airbags wellicht niet in werking:– botsing van achteren, zelfs een zware;– als de auto omslaat;– ...– aanrijding tegen de zijkant, aan de voor- of achterkant van de auto;– frontale aanrijding, onder de achterkant van een vrachtwagen;– frontale botsing tegen een obstakel met een scherpe hoek;– ...
1.33AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (6/6)Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.Waarschuwingen met betrekking tot de bestuurdersairbag– Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.– Dek de naafdop niet af.– Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel.– Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer mogen deze werkzaamheden uitvoeren.– Ga niet te dicht op het stuurwiel zitten tijdens het rijden: zit met uw armen licht gebogen (zie “De juiste zithouding” ➥ 1.22 ).
Zo blijft er vol-doende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.Waarschuwingen inzake de passagiers airbag– Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo’s, klokjes, telefoonhouder enz.) in de airbagzone.– Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dash-board zetten).– Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn.
Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.– Schakel de aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de passagier voorin direct weer in na het verwijderen van een kinderzitje, om de bescherming van de passagier te garanderen in geval van een botsing.HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN TENZIJ DE AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VAN DE AUTOGORDEL VAN DE VOORPASSAGIER UITGESCHAKELD ZIJN. ➥ 1.61 .
1.34AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN ACHTERINAfhankelijk van de auto, kunnen deze be-staan uit:– Gordelspanners in het oprolmecha-nisme (gordels aan de zijkant);– Krachtbegrenzers voor bescherming van de borstkas.Deze voorzieningen worden gelijktijdig of af-zonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale bot-sing.Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem de volgende middelen ac-tiveren:– de blokkering van de autogordel;– De gordelspanner van het oprolmecha-nisme van de autogordel (die in werking treedt om de speling van de autogordel op te heffen).KrachtbegrenzerVanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het li-chaam uitoefent te begrenzen tot een draag-lijk niveau.1Gordelspanners zijkantDe gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trek-ken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de gordelspan-ner 1 activeren die onmiddellijk de gordel strak trekt.– Laat al deze veiligheidsvoor-zieningen controleren na een aanrijding.– Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.– Om te voorkomen dat het systeem onopzettelijk wordt geactiveerd en verwondingen veroorzaakt, mag uit-sluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de airbags werken.– Het elektrische ontstekingsmecha-nisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.– Laat de gaspatronen van de gor-delspanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
1.35BESCHERMING ZIJKANTZij Airbag(afhankelijk van de auto)Dit is een airbag die aan de kant van het por-tier ondergebracht is in de rugleuning van elk van de voorstoelen en komt in werking om de inzittenden te beschermen bij een zware aanrijding tegen de zijkant.ZijruitAirbagDit type airbag wordt (afhankelijk van de auto) boven langs de zijkant van de auto ge-monteerd. Ze worden geactiveerd langs de zijruiten bij de voor- en achterportieren om de inzittenden te beschermen bij een hevige botsing tegen de zijkant.Waarschuwing betreffende de zijairbag – Stoelhoezen plaatsen: voor stoelen met een airbag zijn stoelhoezen nodig die speciaal voor uw auto zijn ontworpen. Raadpleeg een merkdealer om te weten of dergelijke hoezen leverbaar zijn.
Het gebruik van andere hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model) kan de goede werking van deze airbag belemmeren en daardoor de veiligheid van de inzittenden in gevaar brengen.– Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit af met bijvoorbeeld kleding of accessoires. De werking van de airbag kan hierdoor belemmerd worden en verwon-dingen veroorzaken als de airbag wordt geactiveerd.– Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit ge-beurt door deskundig personeel van de merkdealer.– De spleten in de rugleuningen voor (aan de kant van het portier) komen overeen met de zone waarbinnen de airbag zich kan opblazen: het is verboden hier voorwerpen in te stoppen.
1. 36AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELENHier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen. De airbag is bedoeld als aanvulling op de werking van de autogordel. De airbag en de autogordel vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden ge-dragen. Het niet-dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zware verwondingen. Dit kan ook het risico op lichte oppervlakkige wonden bij het opbla-zen van de airbag verergeren, hoewel dergelijke kleine verwondingen nooit zijn uitgesloten bij gebruik van een airbag. Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspanners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen activeren.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Dacia Jogger stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Dacia
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto