A.O. Smith SGS 120 Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van A.O. Smith SGS 120 (120 pagina’s), behorend tot de categorie Ketel & boiler. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 38 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over A.O. Smith SGS 120 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/120
0310920
Innovationhasaname.
Installatie-,Gebruikers-en
Servicehandleiding
HR-Condenserende
gas-zonneboiler
SGS-28/30/50/60/80/100/120
SGS

Beoordeel deze handleiding

4.2/5 (6 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: A.O. Smith
Categorie: Ketel & boiler
Model: SGS 120

Handleiding A.O. Smith SGS 120 – volledige tekst

Instructiehandleiding SGS 3gisLees deze handleiding zorgvuldigWaarschuwingLees deze handleiding zorgvuldig voordat u het toestel in gebruik neemt. Het niet lezen van deze handleiding en het niet opvolgen van de instructies in deze handleiding kan leiden tot ongevallen en schade aan personen en het toestel. Copyright © 2012 A. O. Smith Water Products CompanyAlle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd, verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van A. O. Smith Water Products Company. A. O. Smith Water Products Company behoudt zich het recht voor de specificaties zoals vermeld in deze handleiding te wijzigen. HandelsmerkenAlle in deze handleiding genoemde merknamen zijn geregistreerde handelsmerken van de desbetreffende leveranciers. AansprakelijkheidA. O.

Smith Water Products Company is niet aansprakelijk voor claims van derden veroorzaakt door ondeskundig gebruik anders dan vermeld in deze handleiding en overeenkomstig de Algemene Voorwaarden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Zie verder de Algemene Voorwaarden. Deze kunt u kostenloos bij ons opvragen. Hoewel grote zorg is besteed aan het waarborgen van correcte en waar nodig, volledige beschrijving van de relevante onderdelen, kan het voorkomen dat de handleiding fouten en onduidelijkheden bevat. Mocht u toch fouten of onduidelijkheden in de handleiding ontdekken, dan vernemen wij dat graag van u. Het helpt ons de documentatie verder te verbeteren. Meer informatieIndien u opmerkingen of vragen heeft aangaande specifieke onderwerpen die betrekking hebben op het toestel, aarzelt u dan niet contact op te nemen met:A. O.

2 Algemene werking van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 132. 3 Opwarmcyclus van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 152. 4 Beveiliging van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 162. 5 Veiligheid van de installatie- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 172. 6 Beveiliging van het zonnesysteem - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 182. 7 Veiligheid van het zonnesysteem - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 183 Installatie - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 213. 1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 213. 2 Verpakking - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 213. 3 Omgevingscondities - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 213. 4 Technische specificaties - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 233.

2 In bedrijf nemen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 699. 3 Opwarmcyclus van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 6910 Uit bedrijf nemen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 7110. 1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 7110. 2 Toestel een korte periode buiten bedrijf stellen- - - - - - - - - - - - - - - 7110. 3 Toestel spanningsloos maken - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 7110. 4 Toestel voor een lange periode buiten bedrijf stellen - - - - - - - - - - - - 7111 Hoofdmenu - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 7311. 1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 7311. 2 Notatiewijze voor bediening van het menu - - - - - - - - - - - - - - - - - 7311. 3 De "ON-mode" inschakelen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 7311.

7 Het standaard aanwezige weekprogramma wijzigen - - - - - - - - - - - - 7411. 8 Tijdstippen aan een weekprogramma toevoegen- - - - - - - - - - - - - - 7611. 9 Tijdstippen van een weekprogramma verwijderen - - - - - - - - - - - - - 7711. 10 Extra periode - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 7811. 11 Instellingen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 7912 Serviceprogramma - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8112. 1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8112. 2 De hysterese instellen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8112. 3 De storingshistorie uitlezen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8112. 4 De toestelhistorie uitlezen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8112. 5 De toestelselectie uitlezen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8212.

6 Het service interval instellen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8212. 7 Servicebedrijf - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8212. 8 De legionellapreventie instellen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8312. 9 Zonnesysteem configuratie - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8312. 10 De CV configuratie instellen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8413 Storingen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8513. 1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8513. 2 Storingstabel voor algemene storingen - - - - - - - - - - - - - - - - - - 8613. 3 Storingstabel voor storingen op het display - - - - - - - - - - - - - - - - 8913. 4 Waarschuwingen op het display - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 9914 Onderhoudsfrequentie - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 10114.

Instructiehandleiding SGS 9gis1 Inleiding1. 1 Over het toestelDeze handleiding beschrijft de installatie, service en het gebruik van een SGS-toestel. Het SGS-toestel is een condenserende boiler, met een ventilator in de luchttoevoer. Het toestel wordt altijd geleverd met een voorraadvat voorzien van een op zonne-energie aangesloten warmtewisselaar. De SGS kan zowel als een gesloten als een open toestel geïnstalleerd worden. Het toestel heeft standaard een concentrische schoorsteenaansluiting, maar kan ook als parallelsysteem worden aangesloten. De mogelijke toesteltypes zijn B23, C13, C33, C43, C53 en C63. De informatie in deze handleiding geldt voor de types: SGS 28, SGS 30, SGS 50, SGS 60, SGS 80, SGS 100 en SGS 120. De bouwwijze en de uitrusting van het toestel zijn volgens de Europese norm voor gas gestookte warmwatervoorraadtoestellen voor sanitair gebruik (EN 89).

De toestellen voldoen daarmee aan de Europese Richtlijn voor Gastoestellen en hebben daarom het recht de CE-markering te dragen. WaarschuwingLees deze handleiding zorgvuldig voordat u de installatie in gebruik neemt. Het niet lezen van de handleiding en het niet opvolgen van de beschreven instructies kan leiden tot persoonlijke ongevallen en schade aan het toestel. 1. 2 Wat te doen bij gasluchtWaarschuwingBij gaslucht:Geen open vuur. Niet roken. Vonkvorming vermijden. Geen elektrische schakelaars gebruiken, ook geen telefoon, stekker of bel. Ramen en deuren openen. Hoofdgasafsluitinrichting sluiten. Bewoners waarschuwen en gebouw verlaten. Waarschuw na verlaten van het gebouw de gasdistributiemaatschappij of installateur. 1.

Inleiding10 Instructiehandleiding SGS1gis• voorschriften m.b.t. binnenriolering in gebouwen;• voorschriften van brandweer, energiebedrijven en gemeente.Verder dient de installatie te voldoen aan de voorschriften van de fabrikant.OpmerkingVoor alle voorschriften, eisen en richtlijnen geldt dat aanvullingen of latere wijzigingen en/of toevoegingen op het moment van installeren van toepassing zijn.1.4 DoelgroepenDe drie doelgroepen voor deze handleiding zijn:• (eind)gebruikers;• installateurs;• service- en onderhoudsmonteurs.Op iedere pagina wordt met symbolen aangegeven voor welke doelgroep de informatie bedoeld is.

Zie de tabel.Symbolen per doelgroepLet opDit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke vermogens, of die gebrek aan ervaring of kennis hebben, tenzij iemand die verantwoordelijk is voor hun veiligheid toezicht op hen houdt of hen heeft uitgelegd hoe het apparaat dient te worden gebruikt.Let opDit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door kinderen. Houd toezicht op kinderen om te voorkomen dat ze met het apparaat gaan spelen.1.5 OnderhoudEen onderhoudsbeurt dient minimaal één maal per jaar zowel waterzijdig als gaszijdig te worden uitgevoerd.

De frequentie van het onderhoud is afhankelijk van ondermeer de waterkwaliteit, het gemiddeld aantal branduren per dag en de ingestelde watertemperatuur.OpmerkingOm de juiste onderhoudsfrequentie te bepalen, wordt aanbevolen de service- en onderhoudsmonteur het toestel drie maanden na installatie water- en gaszijdig te laten controleren. Aan de hand van deze controle kan de onderhoudsfrequentie worden vastgesteld.OpmerkingRegelmatig onderhoud verlengt de levensduur van het toestel.Symbool Doelgroep(Eind)gebruikerInstallateurService- en onderhoudsmonteur

Instructiehandleiding SGS 11gisZowel de eindgebruiker als de service- en onderhoudsmonteur zijn verantwoordelijk voor regelmatig onderhoud. Zij dienen hier duidelijke afspraken over te maken.OpmerkingIndien het toestel niet regelmatig onderhouden wordt, vervalt het recht op garantie.1.6 NotatiewijzenIn deze handleiding wordt gebruik gemaakt van de volgende notatiewijzen:OpmerkingOpgelet belangrijke mededeling.Let opHet negeren van deze tekst kan leiden tot beschadiging van het toestel.WaarschuwingHet negeren van deze tekst kan leiden tot ernstige beschadiging van het toestel en tot gevaarlijke persoonlijke situaties.1.7 Overzicht van dit documentHoofdstuk Doelgroepen OmschrijvingWerking van het toestelDit hoofdstuk beschrijft de werking van het toestel.InstallatieDit hoofdstuk beschrijft de uit te voeren installatiehandelingen alvorens u het toestel definitief in bedrijf kunt stellen.

Ombouw naar een andere gascategorieDit hoofdstuk beschrijft de uit te voeren handelingen met betrekking tot het gastechnisch ombouwen van het toestel.VullenDit hoofdstuk beschrijft het vullen van het toestel.AftappenDit hoofdstuk beschrijft het aftappen van het toestel.Het bedieningspaneelDit hoofdstuk beschrijft de algemene bediening van het toestel met het display.Status van het toestelDit hoofdstuk beschrijft in welke status (toestand) u het toestel kunt aantreffen, en wat de eventuele daaropvolgende actie is.In bedrijf nemenDit hoofdstuk beschrijft hoe u het toestel in bedrijf neemt. Verder wordt hier de algemene opwarmcyclus van het toestel beschreven.Uit bedrijf nemenDit hoofdstuk beschrijft hoe u het toestel voor kortere of langere tijd uit bedrijf neemt.HoofdmenuDit hoofdstuk beschrijft het hoofdmenu van het display.

Inleiding12 Instructiehandleiding SGS1gisServiceprogramma Dit hoofdstuk beschrijft het servicemenu. Het is in hoofdzaak bedoeld voor de installateur en service- en onderhoudsmonteur. Echter ook een eindgebruiker kan hier aanvullende informatie vinden m.b.t. het toestel.Storingen Dit hoofdstuk is hoofdzakelijk bedoeld voor de installateur en service- en onderhoudsmonteur. Het beschrijft de storingen van het toestel. Deze storingen worden op het display getoond. In een tabel wordt de mogelijke oorzaak en oplossing gegeven. Echter ook een eindgebruiker kan hier aanvullende informatie vinden m.b.t. het toestel.OnderhoudsfrequentieDit hoofdstuk beschrijft hoe u kunt vaststellen met welke frequentie het onderhoud dient te worden uitgevoerd. Zowel de eindgebruiker als de service- en onderhoudsmonteur zijn verantwoordelijk voor regelmatig onderhoud.

Zij dienen hierover duidelijke afspraken te maken.OpmerkingIndien het toestel niet regelmatig onderhouden wordt, vervalt het recht op garantie.Onderhoud uitvoeren Dit hoofdstuk beschrijft het te plegen onderhoud.Garantie (certificaat)Dit hoofdstuk geeft de garantievoorwaarden.Hoofdstuk Doelgroepen Omschrijving

Instructiehandleiding SGS 13gis2 Werking van het toestel2. 1 InleidingIn dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan de orde:• Algemene werking van het toestel;• Opwarmcyclus van het toestel;• Beveiliging van het toestel;• Veiligheid van de installatie;• Beveiliging van het zonnesysteem;• Veiligheid van het zonnesysteem. 2. 2 Algemene werking van het toestelBij dit toestel wordt het koude water, onderaan de tank, ingevoerd bij de koudwaterinlaat (14). Als het toestel en het voorraadvat volledig gevuld zijn met water, staan ze beide voortdurend onder waterleidingdruk. Bij het tappen van warmwater uit het toestel wordt er direct weer warmwater vanuit het voorraadvat aan het toestel toegevoegd en stroomt koudwater het voorraadvat in. De verwarming van het water in het voorraadvat geschiedt middels een warmtewisselaar die in verbinding staat met het zonnesysteem.

Het toestel is uitgerust met een modulerend premix brandersysteem met 1:1 gas-luchtverhoudingsregeling. De lucht die nodig is voor de verbranding wordt aangezogen door de ventilator (18). Het gas wordt via het gasblok (16) en de venturi (30) toegevoerd aan de zuigzijde van de ventilator. Door de 1:1 gas-luchtkopeling wordt altijd een optimale verhouding van het gas-luchtmengsel gewaarborgd. Het opgewarmde tapwater verlaat de tank bij de warmwateruitlaat (2). Door de speciale constructie van de warmtewisselaar (11) worden de rookgassen via de branderkamer eerst naar beneden en vervolgens via de warmtewisselaar naar boven, en weer naar beneden langs het water geleid. Hierbij koelen de rookgassen geleidelijk af. Omdat de afgekoelde rookgassen op het laatst ook nog langs het koude water onderin de tank geleid worden, gaan de rookgassen condenseren.

Bij condenseren komt energie (warmte) vrij die ook aan het water overgedragen wordt, hierdoor verbetert het rendement. Het condenswater dat bij deze verwarming ontstaat wordt afgevoerd via het sifon (23).

Instructiehandleiding SGS 15gis2. 3 Opwarmcyclus van het toestelVoor het in- en uitschakelen van de gasbrander wordt gebruik gemaakt van de watertemperatuur (T1) bovenin het toestel. Voor het in- en uitschakelen van het zonnesysteem wordt gebruik gemaakt van het temperatuursverloop (middels T1 en S2 ) in het toestel. In de figuur is T1 de curve. De besturing berekent deze temperatuur aan de hand van twee meetwaarden: T1 (7) en T2 (13). Daarnaast worden ten behoeve van de besturing van het zonnesysteem de temperaturen S1, S2 en S3 gebruikt. S1 wordt gemeten in de zonnecollector. S2 zit tussen de in- en uitgang van de warmtewisselaar van het voorraadvat. De meting van S3 vindt plaats op de bovenkant van het voorraadvat. Onafhankelijk van of wel of geen warm water getapt wordt, kan warmwater van het voorraadvat naar het toestel gepompt worden. Dit gebeurt als S3 5 oC hoger is dan Ttop (T1).

Er wordt dan water van het toestel naar het voorraadvat gepompt, en zodoende zal er warmwater uit het voorraadvat in het toestel stromen. De pomp schakelt uit zodra S3 gelijk is aan T1. De overige instellingen die het regelgedrag bepalen zijn: •TsetTset is de ingestelde, gewenste, watertemperatuur op het toestel (11. 4. 1 "Watertemperatuur instellen via SETPOINT menu"). Zodra T1 lager is dan Tset wordt de verwarming van het water via het zonnesysteem ingeschakeld, echter alleen als de temperatuur van de verwarmingsvloeistof (S1) een bepaalde (instelbare) waarde hoger is dan de bij het toestel (sensor S2) gemeten temperatuur. Zodra T1 = Tset = Tsolar-limit wordt de verwarming via het zonnesysteem uitgeschakeld. Hierop is één uitzondering en dat is als Tsolar-limit is ingesteld op een hogere waarde dan Tset.

• HystereseOp het moment dat T1 lager wordt dan (Tset - Tsolar-diff - Hysterese) constateert de besturing een dusdanige warmtevraag dat de gasbrander en het zonnesysteem samen het water opwarmen.

Het zonnesysteem wordt alleen ingeschakeld als de temperatuur gemeten met S1 een bepaalde (instelbare) waarde hoger is dan die bij S2. •Tsolar-diff Indien T1 hoger wordt dan (Tset - Tsolar-diff) wordt de gasbrander uitgeschakeld en wordt het water alleen opgewarmd met het zonnesysteem. Als T1 boven Tset (voorwaarde Tset = Tsolar-limit) komt, schakelt het zonnesysteem uit. De waarde van Tsolar-diff is instelbaar (12. 9. 4 "Instellen van solar-differentie"). •Tsolar-limitIngestelde (12. 9. 3 "Instellen van solar-limiet") watertemperatuur waarop de verwarming door het zonnesysteem wordt uitgeschakeld.

Werking van het toestel16 Instructiehandleiding SGS2gisGrafische weergave van de opwarmcyclusOpmerkingT1 kan hoger worden dan Tset. Dit kan echter alleen als Tsolar-limit verhoogt wordt via het service menu.2.4 Beveiliging van het toestel2.4.1 InleidingDe besturing bewaakt de watertemperatuur, zorgt mede voor een veilig gebruik van het zonnesysteem en zorgt voor een veilige verbranding.

Dit gebeurt door:• de Beveiliging watertemperatuur toestel• de Beveiliging watertemperatuur voorraadvat• het Gasblok• de Ventilator• de Drukschakelaar• de Ionisatiepen2.4.2 Beveiliging watertemperatuur toestelDe besturing bewaakt met temperatuursensoren T1 en T2 een aantal temperaturen die betrekking hebben op de veiligheid.De tabel verklaart de werking van deze temperatuursensoren.TemperatuurbeveiligingLegendaA = Gasbrander aanB = Gasbrander uitT1:• = Water wordt niet opgewarmd, omdat er geen warmtevraag is• = Water wordt opgewarmd via zonnesysteem• = Water wordt opgewarmd via zonnesysteem en gasbrandert = tijdT = Temperatuur45 oC = Minimale tapwatertemperatuurTsolar limitTsetSolar diff.Hys.Tmin = 45CBeveiliging OmschrijvingTegen vorst:- T1 < 5°C- T2 < 5°CDe vorstbeveiliging grijpt in.

Het water wordt verwarmd tot 20°C.Maximale watertemperatuur:- T1 > 88°C- T2 > 88°CDe maximaalbeveiliging dient om oververhitting en/of overmatige kalkvorming in het toestel te voorkomen. Indien de maximaalbeveiliging ingrijpt, stopt de verwarming. Hierdoor koelt het water in de tank af. Als het water voldoende is afgekoeld (T1 < 81°C), reset de besturing het toestel.Voor extra veiligheid:- T1 > 93°C - T2 > 93°C Er treedt een vergrendelende storing van de boilerregeling op. De regeling moet handmatig gereset worden alvorens het toestel weer in bedrijf genomen kan worden (8.3 "Storingstoestanden"). De reset kan pas worden uitgevoerd als T1 < 81°C.

Instructiehandleiding SGS 17gis2. 4. 3 Beveiliging watertemperatuur voorraadvatDe besturing van het zonnesysteem bewaakt met temperatuursensoren S2 en S3 een aantal temperaturen, in het voorraadvat, die betrekking hebben op de veiligheid. Temperatuurbeveiliging2. 4. 4 GasblokDe besturing opent het gasblok zodat de gastoevoer naar de brander mogelijk is. Het gasblok heeft als veiligheidsvoorziening twee kleppen. Beide kleppen sluiten de gastoevoer af. 2. 4. 5 VentilatorDe ventilator (18) zorgt voor een optimale luchttoevoer tijdens warmtevraag. Met betrekking tot de veiligheid zorgt de ventilator ervoor dat voor en na de verbranding de eventueel aanwezige gassen uit de branderkamer worden verwijderd. Dit noemen we voorspoelen en naspoelen. Het toerental van de ventilator wordt continu gecontroleerd door de besturing (4).

De besturing grijpt in als het toerental te veel afwijkt van de ingestelde waarde. 2. 4. 6 DrukschakelaarDe drukschakelaar waarborgt alleen de luchttoevoer tijdens het voorspoelen van het toestel. Bij voldoende drukverschil tijdens het voorspoelen, sluit de drukschakelaar. De tabel (3. 4. 2 "Algemene en elektrische gegevens") geeft schakelpunten per toestel. OpmerkingHet schakelpunt van de drukschakelaar kan niet worden bijgesteld. 2. 4. 7 IonisatiepenOm ervoor te zorgen dat er geen gas stroomt als er geen verbranding is, is een ionisatiepen (21) aangebracht. De besturing gebruikt deze pen voor vlamdetectie d. m. v. ionisatiemeting. De besturing sluit de gasklep zodra deze vaststelt dat er geen vlam is terwijl er wel gas vloeit. 2. 5 Veiligheid van de installatieNaast de standaard beveiliging van het toestel (2.

4 "Beveiliging van het toestel") moet de installatie verder beveiligd worden met een inlaatcombinatie, reduceerventiel en een T&P-ventiel. 2. 5. 1 Inlaatcombinatie en reduceerventielEen te hoge druk in de tank kan de geëmailleerde laag (in het toestel) of de tank beschadigen. Een inlaatcombinatie en drukreduceerventiel voorkomen dit.

De inlaatcombinatie functioneert als afsluiter, terugslagklep en overstortventiel. Indien de waterleidingdruk te hoog (3. 4. 2 "Algemene en elektrische gegevens") is moet een drukreduceerventiel worden toegepast. Beide onderdelen dienen in de koudwaterleiding (3. 6. 1 "Koudwaterzijdig") gemonteerd te worden. Beveiliging OmschrijvingTegen vorst:- S2, S3 < 5°CDe vorstbeveiliging grijpt in. Het water wordt verwarmd tot 20°C. Op maximale watertemperatuur:- S2, S3 > 85°CDe maximaalbeveiliging dient om oververhitting en/of overmatige kalkvorming in het voorraadvat te voorkomen. Indien de maximaalbeveiliging ingrijpt, stopt de verwarming. Hierdoor koelt het water in het voorraadvat af. Als het water voldoende is afgekoeld (S3 < 78°C), reset de besturing het toestel.

Werking van het toestel18 Instructiehandleiding SGS2gis2. 5. 2 T&P-ventielEen T&P-ventiel (Temperature and Pressure Relief Valve = Temperatuur- en drukreduceerventiel) bewaakt de druk in de tank en watertemperatuur bovenin de tank. Indien de druk in de tank te hoog wordt of de watertemperatuur te hoog wordt, zal het ventiel openen. Het hete water kan nu uit de tank stromen. Omdat het toestel en voorraadvat onder waterleidingdruk staan, zal automatisch koud water de tank in stromen. Het ventiel blijft open totdat de onveilige situatie is opgeheven. Het toestel en voorraadvat hebben standaard een aansluitpunt voor een T&P-ventiel (3. 6. 2 "Warmwaterzijdig"). 2. 6 Beveiliging van het zonnesysteem2. 6. 1 TerugloopvatHet zonnesysteem kan optioneel worden voorzien van een terugloopvat (ook wel drain back genoemd). Dit vat vult zich met de verwarmingsvloeistof als er geen warmtevraag is.

Hiermee wordt oververhitting van het zonnesysteem voorkomen. Door de hoge isolatiewaarde van het vat biedt het ook bescherming tegen bevriezing van de vloeistof. Door toepassing van het vat wordt eveneens de levensduur van de vloeistof verlengd. Het al dan niet aanwezig zijn van het terugloopvat wordt bij de installatie ingesteld. (12. 9. 1 "Instellen van terugloopvat") Raadpleeg de handleiding van het zonnesysteem voor meer details. 2. 6. 2 VloeistoftemperatuurDe warmtewisselaar van het zonnesysteem is gevuld met glycol. Als de temperatuur van de verwarmingsvloeistof te hoog is, wordt een signaal naar de besturing van de zonnecollector gestuurd en de pomp van de zonnecollector wordt uitgeschakeld. Dit signaal wordt door temperatuursensor S1 aan de besturing door gegeven. Temperatuurbeveiliging zonnesysteem2. 7 Veiligheid van het zonnesysteem2. 7.

1 ExpansievatHet zonnesysteem moet uitgerust worden met een expansievat. Een expansievat dient voor het beperken van drukschommelingen in het systeem. Het expansievat in het zonnesysteem kan een maximale druk aan van 600 kPa (6 bar).

De voordruk van het expansievat is afhankelijk van de statische hoogte van het systeem. Naast het expansievat wordt het systeem met een overstortventiel (2. 7. 1 "Expansievat") tegen overdruk beveiligd. Beveiliging OmschrijvingMaximale temperatuur:- S1 > 130°CDe pomp van het zonnesysteem schakelt uit indien de temperatuur van de verwarmingsvloeistof bij S1 boven de maximale waarde komt. Het zonnesysteem valt in storing. Deze storing wordt ook getoond op het display van het SGS-toestel.

Instructiehandleiding SGS 19gis2.7.2 OverstortventielHet zonnesysteem is voorzien van een overstortventiel. Het overstortventiel bewaakt de druk in het zonnesysteem. Indien de druk hoger wordt dan 600 kPa (6 bar) zal het ventiel openen. De vloeistof kan nu uit de installatie stromen. Het ventiel blijft openstaan totdat de onveilige situatie is opgeheven, dus tot de druk weer gezakt is tot beneden de 600 kPa (6 bar).OpmerkingOmdat een gesloten systeem onder druk staat en niet automatisch gevuld wordt zal het systeem opnieuw bijgevuld moeten worden (5 "Vullen") wanneer het overstortventiel geactiveerd is. Een installatie met terugloopvat, systeem met drain back, is drukloos en heeft geen overstortventiel.

Instructiehandleiding SGS 21is3 InstallatieWaarschuwingDe installatie dient te geschieden overeenkomstig de algemeen en plaatselijk geldende voorschriften van gas-, waterleidings-, elektriciteitsbedrijven en brandweer, door een erkend installateur. Het toestel mag alleen in een ruimte geïnstalleerd worden indien die ruimte voldoet aan de vereiste landelijke en plaatselijke ventilatievoorschriften (1. 3 "Voorschriften"). 3. 1 InleidingDit hoofdstuk beschrijft de uit te voeren installatiehandelingen alvorens u het toestel definitief in bedrijf kunt stellen (9 "In bedrijf nemen"), te weten:• Verpakking;• Omgevingscondities;• Technische specificaties;• Aansluitschema;• Wateraansluitingen;• Gasaansluiting;• Luchttoevoer en rookgasafvoer;• Zonnesysteem;• Elektrische aansluiting toestel;• Elektrische aansluiting zonnesysteem;• Voordruk, gasblokdruk, CO2-getal en schakeldruk controleren.

Voor een eventuele ombouw naar een andere gascategorie, zie ombouwen (4 "Ombouw naar een andere gascategorie"). 3. 2 VerpakkingVerwijder de verpakking voorzichtig, zo voorkomt u beschadiging van het toestel. U kunt het toestel het best uitpakken als het op of nabij zijn definitieve plaats staat. Let opHet toestel mag alleen rechtop verplaatst worden. Pas op dat het toestel na het uitpakken niet beschadigd raakt. 3. 3 OmgevingsconditiesHet toestel is geschikt voor zowel een gesloten verbranding als een open verbranding. Indien geïnstalleerd als een gesloten toestel is het voor de benodigde luchttoevoer onafhankelijk van de opstellingsruimte. Er gelden daardoor geen aanvullende ventilatievoorschriften. Wanneer het toestel geïnstalleerd wordt als een open toestel dient er voldaan te worden aan de plaatselijk geldende richtlijnen en ventilatievoorschriften voor open toestellen.

Let opEen open toestel mag in verband met explosiegevaar en corrosie van het toestel niet gebruikt worden in ruimten waar chemische stoffen opgeslagen liggen of gebruikt worden. Sommige drijfgassen, bleekmiddelen, ontvettingsmiddelen e. d. verspreiden explosieve dampen en/of dampen die versnelde corrosie veroorzaken. Indien het toestel gebruikt wordt in een ruimte waar zulke stoffen aanwezig zijn, dan vervalt het recht op garantie.

Installatie22 Instructiehandleiding SGS3is3. 3. 1 Luchtvochtigheid en omgevingstemperatuurDe opstellingsruimte moet vorstvrij zijn, of tegen vorst beveiligd zijn. De tabel geeft de omgevingscondities aan die moeten worden nageleefd om het functioneren van de toegepaste elektronica te kunnen garanderen. Specificaties luchtvochtigheid en omgevingstemperatuur3. 3. 2 Maximale vloerbelastingHoud in verband met het totale gewicht van de installatie rekening met het feit dat de installatie altijd bestaat uit een toestel met daaraan een voorraadvat gekoppeld. Maximale vloerbelasting toestelHoud in verband met het gewicht van het toestel rekening met de maximale vloerbelasting, zie de tabel (3. 4. 2 "Algemene en elektrische gegevens"). Maximale vloerbelasting voorraadvatHoud in verband met het gewicht van het voorraadvat (inclusief water) rekening met de maximale vloerbelasting.

Deze maximale vloerbelasting kan liggen tussen de 400 en 4500 kg. Dit is afhankelijk van het type voorraadvat. 3. 3. 3 WatersamenstellingHet toestel is bedoeld om drinkwater op te warmen. Het drinkwater moet voldoen aan de regelgeving voor drinkwater voor menselijke consumptie. In de tabel ziet u een overzicht van de specificaties. Specificaties waterOpmerkingAls van de in de tabel opgegeven specificaties wordt afgeweken, dan kan de bescherming van het voorraadvat niet worden gegarandeerd (16 "Garantie (certificaat)"). Als de waterhardheid groter is dan 14° dH. Gelieve contact op te nemen met A. O. Smith. 3. 3. 4 WerkruimteIn verband met de bereikbaarheid van het toestel wordt aanbevolen de volgende afstanden in acht te nemen (zie de figuur):• AA: bij de bedieningszuil en de reinigingsopening van het toestel: 100 cm. • BB: rondom het toestel: 50 cm.

Indien dit het geval is dient het toestel bij een vloerafvoer of in een passende metalen lekbak geïnstalleerd te worden.Een lekbak moet een deugdelijke afvoer hebben en minstens 5 cm diep zijn met een lengte en breedte van minimaal 5 cm groter dan de diameter van het toestel.3.3.5 Werkruimte voorraadvatIn verband met de bereikbaarheid van het voorraadvat wordt aanbevolen de volgende afstanden in acht te nemen:• Rondom het voorraadvat: 50 cm.• Bovenzijde van het voorraadvat (ruimte voor het vervangen van de anodes): 100 cm.OpmerkingLet er bij het installeren op of het voorraadvat, bij eventuele lekkage, schade kan toebrengen aan de directe omgeving of lager gelegen verdiepingen. Indien dit het geval is dient het toestel bij een vloerafvoer of in een passende metalen lekbak geïnstalleerd te worden.3.4 Technische specificatiesHet toestel is geleverd zonder accessoires.

Instructiehandleiding SGS 29is3.5 AansluitschemaDe figuur geeft het aansluitschema weer. Dit schema wordt gebruikt in de paragrafen waarin het eigenlijke aansluiten wordt beschreven.AansluitschemaLet opIn het aansluitschema zit een pompstation met een geïntergreerde terugslagklep. Dit type pompstation mag alleen gebruikt worden bij gesloten systemen. Bij systemen met terugloopvat, systemen met drain back, is het gebruik van een pompstation met een terugslagklep verboden. Voor deze systemen zijn speciale pompstations. Neem contact op met de leverancier van het pompstation.LegendaNiet vermelde nummers zijn niet van toepassing. 1. drukreduceerventiel (verplicht indien de waterleidingdruk te hoog is)2. inlaatcombinatie (verplicht)3. T&P-ventiel (verplicht)4. afsluiter (aanbevolen)5. terugslagklep (verplicht)6 circulatie pomp (optioneel), pompdebiet1500 ltr/uur, bv Grundfos ST 15/11-28.

Installatie30 Instructiehandleiding SGS3is3.6 WateraansluitingenWaarschuwingDe installatie dient te geschieden door een erkend installateur en overeenkomstig de algemeen en plaatselijke geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").3.6.1 KoudwaterzijdigZie (A) in het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema").1. Indien de waterleidingdruk meer dan de voorgeschreven (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens") druk is, plaats dan een goedgekeurd reduceerventiel (1).2. Plaats koudwaterzijdig een goedgekeurde inlaatcombinatie (2) overeenkomstig de geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").3. Sluit de overstortzijde van de inlaatcombinatie (2) aan op een open waterafvoerleiding.Let opEen inlaatcombinatie is verplicht.

Monteer deze zo dicht mogelijk bij het toestel.WaarschuwingTussen inlaatcombinatie en het toestel mag nooit een afsluiter of terugslagklep geplaatst worden.3.6.2 WarmwaterzijdigZie (B) in het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema").OpmerkingIsolatie van lange warmwaterleidingen voorkomt onnodig energieverlies.1. Optioneel: monteer een temperatuurmeter (12) ter controle van de temperatuur van het tapwater.2. Monteer het T&P-ventiel (3).3. Monteer een afsluiter (11) in de warmwateruitgangleiding ten behoeve van servicedoeleinden.4. Is een circulatieleiding nodig, ga dan verder met het monteren van de circulatieleiding (3.6.3 "Circulatieleiding").3.6.3 CirculatieleidingZie (C) in het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema"). Indien men direct warm water ter beschikking wil hebben bij tappunten kan een circulatiepomp geïnstalleerd worden. Dit verhoogt het comfort en voorkomt waterverspilling.1.

Monteer een circulatiepomp (6) met een capaciteit overeenkomend met de grootte en weerstand van het circulatiesysteem.2. Monteer een terugslagklep (5) na de circulatiepomp om de circulatierichting te garanderen.3. Monteer voor servicedoeleinden twee afsluiters (4).4. Sluit de circulatieleiding aan volgens het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema").

Instructiehandleiding SGS 31is3. 6. 4 Condensafvoer1. Monteer onder afschot een afvoerpijpje aan het sifon (13) voor condensafvoer en sluit deze met een open verbinding aan op de waterafvoerleiding. Let opWanneer condensafvoer niet middels een open verbinding wordt aangesloten op de waterafvoerleiding kan dit leiden tot storingen. 3. 7 GasaansluitingWaarschuwingDe installatie dient te geschieden door een erkend installateur en overeenkomstig de algemeen en plaatselijke geldende voorschriften (1. 3 "Voorschriften"). Let opZorg ervoor dat de diameter en de lengte van de gastoevoerleiding zo gedimensioneerd zijn dat er voldoende capaciteit geleverd kan worden voor het toestel. Zie (D) in het aansluitschema (3. 5 "Aansluitschema"). 1. Monteer een gaskraan (10) in de gastoevoerleiding. 2. Blaas voor gebruik de gasleiding schoon. 3. Sluit de gaskraan. 4.

Monteer de gastoevoerleiding op het gasblok. WaarschuwingControleer na montage op lekkages. 3. 8 ZonnesysteemOpmerkingVoor de aansluiting van het zonnesysteem wordt verwezen naar het aansluitschema (3. 5 "Aansluitschema"). electrisch schema (17. 4 "Elektrisch schema zonnesysteem") en het aansluitblok (3. 11. 1 "Voorbereiding"). 1. Sluit de aanvoer vanuit de zonnecollector aan op de ingang (F) van de warmtewisselaar. 2. Sluit de retourleiding naar de zonnezollector aan op de uitgang (G) van de warmtewisselaar. 3. Sluit de kabel aan op de besturing van het zonnesysteem en sensor S2, zie:- elektrisch schema (17. 4 "Elektrisch schema zonnesysteem") en - aansluittabel (3. 10. 2 "Voorbereiding"). 4. Sluit de communicatiekabel tussen besturing van het zonnesysteem en het toestel aan, zie: - elektrisch schema (17. 4 "Elektrisch schema zonnesysteem") en - aansluittabel (3. 10. 2 "Voorbereiding").

WaarschuwingIn het aansluitschema zit in een pompstation met een geïntergreerde terugslagklep. Dit type pompstation mag alleen gebruikt worden bij gesloten systemen.

Installatie32 Instructiehandleiding SGS3is3.9 Luchttoevoer en rookgasafvoer3.9.1 InleidingIn deze paragraaf worden de volgende onderwerpen beschreven:• Eisen voor rookgasafvoermateriaal• Concentrische aansluitingen• Parallelle aansluitingen3.9.2 Eisen voor rookgasafvoermateriaalWaarschuwingDe installatie dient te geschieden door een erkend installateur en overeenkomstig de algemeen en plaatselijke geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").Afhankelijk van de gekeurde toesteltypes zijn verschillende aansluitingen van de luchttoevoer en rookgasafvoer mogelijk.De toestellen zijn gekeurd voor de toesteltypes B23, C13, C33, C43, C53 en C63.In deze manual worden de toesteltypes C13 en C33 uitvoerig behandeld. Indien het toestel moet functioneren volgens B23, C43, C53 of C63 kunt u voor nadere informatie contact opnemen met A.O. Smith.De figuur en tabel geven informatie over deze toesteltypes.

Installatie34 Instructiehandleiding SGS3isVerklaring toesteltypeOpmerkingZorg ervoor dat de rookgasafvoer in een uitmondingsgebied geplaatst wordt waarin dit toegestaan is voor het desbetreffende toesteltype.

3.9.3 Concentrische aansluitingenDe tabel geeft de eisen weer waaraan de concentrische systemen moeten voldoen.WaarschuwingMonteer rookgasafvoermateriaal onder een afschot van 5 mm per meter naar het toestel toe.Eisen rookgasafvoer voor concentrische systemen (C13, C33)Let opAan beide voorwaarden in de tabel moet worden voldaan.Als u minder dan het maximale aantal bochten gebruikt, mag u toch niet meer dan de maximale pijplengte gebruiken.Als u minder dan de maximale pijplengte gebruikt, mag u toch niet meer dan het maximale aantal bochten gebruiken.Een en ander wordt verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld.Praktijkvoorbeeld concentrische rookgasafvoerVoorbeeldDe figuur geeft een SGS 30 weer. Het toestel moet worden voorzien van 25 m concentrische pijp (C13/C33) en vier bochten van 90 graden.

Er moet worden getoetst of deze configuratie voldoet aan de in de tabel gestelde eisen.Toesteltype OmschrijvingB23 Verbrandingslucht wordt uit installatieruimte onttrokken.C13 Concentrische en / of parallelle muurdoorvoerC33 Concentrische en / of parallelle dakdoorvoerC43 Toestellen op gezamenlijke aan- en afvoer (concentrisch en / of parallel) in geval van etagebouw.C53 Toe- en afvoer in verschillend drukvlak.C63 Toestellen geleverd zonder rookgasafvoermaterialen en / of terminal. Deze toestellen dienen te worden geïnstalleerd volgens de plaatselijk geldende richtlijnen.Toestel Diameter Maximale lengteMaximaal aantal bochten 90oSGS 28, 30, 50, 60 100/150 mm 40 m 7SGS 80, 100, 120 130/200 mm 15 m 4

Instructiehandleiding SGS 35isToestel met concentrisch rookgasafvoermateriaalVolgens de tabel is de maximale lengte 40 meter en het toegestane aantal 90 graden bochten 7. Aan beide eisen is voldaan.SpecificatiesLet opVoor de C13 en C33 toesteltypes schrijft A.O. Smith het gebruik voor van een voor het toestel goedgekeurde dak- of muurdoorvoer. Gebruik van een verkeerde dak- of muurdoorvoer kan leiden tot een storing.Specificatie concentrische muurdoorvoer C13IMD-0791 R0Onderwerp OmschrijvingMuurdoorvoerset:• 1x Muurdoorvoer (incl. muurplaat & klemband)• 1x Pijp 500 mm• 1x Bocht 90oArt. Nr.

Installatie36 Instructiehandleiding SGS3isSpecificatie concentrische dakdoorvoer C333. 9. 4 Parallelle aansluitingenDe tabel geeft de maximale pijplengte voor parallelle systemen weer. De maximale pijplengte is afhankelijk van de gekozen diameter. WaarschuwingMonteer rookgasafvoermateriaal onder een afschot van 5 mm per meter naar het toestel toe. Eisen rookgasafvoer voor parallelle systemenVoor het berekenen van de pijplengte moet u de langste pijp gebruiken. Is bijvoorbeeld de rookgasafvoerpijp 10 meter en de luchttoevoerpijp 8 meter dan gebruikt u 10 meter als rekenlengte. Vervolgens telt u voor iedere 90°-bocht en 45°-bocht, in zowel de luchttoevoer en rookgasafvoer het Lequivalent op bij deze 10 meter. Een en ander wordt toegelicht aan een praktijkvoorbeeld. Onderwerp OmschrijvingDakdoorvoerset:• 1x Dakdoorvoer (incl. klemband)• 1x Pijp 1000 mm• 1x PlakplaatArt. Nr.

Wanneer de maximale strekkende lengte voor diameter 100 mm niet toereikend is, moet diameter 130 mm worden toegepast. Wanneer de maximale strekkende lengte voor diameter 130 mm niet toereikend is, moet diameter 150 mm worden toegepast.

Instructiehandleiding SGS 37isEisen rookgasafvoer voor parallelle systemenVoor het berekenen van de pijplengte moet u de langste pijp gebruiken. Is bijvoorbeeld de rookgasafvoerpijp 10 meter en de luchttoevoerpijp 8 meter dan gebruikt u 10 meter als rekenlengte. Vervolgens telt u voor iedere 90°-bocht en 45°-bocht, in zowel de luchttoevoer en rookgasafvoer het Lequivalent op bij deze 10 meter. Een en ander wordt toegelicht aan een praktijkvoorbeeld. Praktijkvoorbeeld parallelle rookgasafvoerVoorbeeldDe figuur geeft een SGS 30 weer. Deze moet worden voorzien van 10 m parallelle pijp, 100 mm doorsnede, en acht bochten van 90 graden. Er moet worden getoetst of de configuratie voldoet aan de in de tabel gestelde eisen. Toestel met parallel rookgasafvoermateriaalVoor de toetsing aan de maximale lengte moet de langste pijp worden gebruikt. In dit geval is dat de rookgasafvoerpijp.

Deze is 10 meter. Deze 10 meter is opgebouwd uit het pijpmateriaal deel 1, 2, 3, 4 en 5. De lengte van het broekstuk hoeft u niet mee te tellen. Het totaal aantal gebruikte bochten, in de rookgasafvoer en luchttoevoer, is 8. De bocht in het broekstuk hoeft u niet mee te tellen. Volgens de tabel moet per bocht moet 4,6 meter worden gerekend. De totale pijplengte wordt hiermee:(4,6 x 8) + 10 = 36,8 + 10 = 46,8 m. Dit is kleiner dan de in de tabel weergegeven lengte van 55 meter. De installatie voldoet dus aan de eisen. Toestel Diameter1Maximale strekkende lengteLequivalentbocht 90ºLequivalentbocht 45ºSGS 28, 30, 50, 60 100 mm 55 m 4,6 m 1,2 mSGS 80, 100, 120 130 mm 65 m 2,4 m 1,4 mSGS 28, 30, 50, 60 130 mm 100 m 2,4 m 1,4 mSGS 80, 100, 120 150 mm 100 m 2,6 m 1,6 m1) Parallelle systemen met diameter 100 of 130 mm.

Wanneer de maximale strekkende lengte voor diameter 100 mm niet toereikend is, moet diameter 130 mm worden toegepast. Wanneer de maximale strekkende lengte voor diameter 130 mm niet toereikend is, moet diameter 150 mm worden toegepast.

Installatie38 Instructiehandleiding SGS3is3.10 Elektrische aansluiting toestelWaarschuwingDe installatie dient te geschieden door een erkend installateur en overeenkomstig de algemeen en plaatselijke geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").3.10.1 Inleidingn deze paragraaf komen achtereenvolgens aan de orde:• Voorbereiding• Netspanning aansluitenOptioneel kunnen een scheidingstransformator, een regeling gestuurde pomp (pomp tussen voorraadvat en toestel), een extra ON-mode schakelaar en een extra storingsmelder op het toestel worden aangesloten.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met A.O. Smith SGS 120 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden