Ygnis Pyronox LR Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Ygnis Pyronox LR (46 pagina’s), behorend tot de categorie CV Ketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 48 mensen. Heb je een vraag over Ygnis Pyronox LR of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Ygnis |
| Categorie: | CV Ketel |
| Model: | Pyronox LR |
Handleiding Ygnis Pyronox LR – volledige tekst
Elektrische installatie 33 6.5. Turbulators 33 6.6. Montage van de bekleding en het ketelschakelpaneel 34 6.7. Aansluiting van de brander en ARF-ventilator 34 6.8. Afvoer van de verbrandingsproducten 36 7. Bedrijfsvoorwaarden 37 7.1. Brandstoffen 37 7.2. Verbrandingslucht 37 7.3. Vullen van de installatie en waterkwaliteit 37 7.4. Corrosiebescherming 37 7.5. Eisen aan het gebruik 37 8. Bediening 38 8.1. Inbedrijfneming 38 8.2. Buiten bedrijf zetten 38 8.3. Zelf storingen verhelpen 39 9. Onderhoud 40 9.1. Regelmatige controles en onderhoudswerkzaamheden 40 9.2. Ketelreiniging 40 9.3. Onderhoud van de brander 40 10. Reserveonderdelen 41 10.1. Pyronox LR 21-26 41 10.2. Pyronox LRK 21-26 42 10.3. Pyronox LR 27-32 43 10.4. Pyronox LRK 27-32 44
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 2 editie 14. 1. 2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 1. VOORSCHRIFTEN GEDRAG BIJ GEVAAR Brandstoftoevoer sluiten, apparaat met nood- of hoofdschakelaar (buiten de stookplaats) van het net scheiden. Voor het blussen geschikte brandblussers gebruiken. Optreden van gasreuk (gasapparaten) - De betreffende ruimtes goed luchten door de deuren en vensters te openen. - Geen elektronische apparaten (mobiele telefoon, etc. ) gebruiken. - Geen elektrische contacten activeren (licht, motor, lift, deurbel, enz. ). - Geen lucifer of aansteker ontsteken, niet roken. - Gasbedrijf of verwarmingsmonteur waarschuwen. VERPAKKING Verwijder de complete verpakking en ga na of de inhoud volledig is. Stel het apparaat in geval van twijfel niet in bedrijf, maar neem contact op met uw leverancier.
Deponeer de verpakking op de daarvoor voorziene plaatsen. HET APPARAAT De goede werking van het apparaat en de fabrieksgarantie zijn alleen gewaarborgd, als de montage, bediening en het onderhoud conform deze handleiding plaatsvinden. Houd het toestel buiten het bereik van kinderen en ongeschoolde personen. Het apparaat mag enkel gebruikt worden voor het beoogde doeleinde. Iedere andere toepassing is gevaarlijk. Het ingestelde minimum- en maximumvermogen van de brander en alle drukken en temperaturen moeten overeenkomen met de in dit document vermelde waarden. Het is verboden het apparaat om te bouwen ten behoeve van andere doeleinden. Onderdelen mogen enkel en alleen geopend of aangeraakt worden tijdens het onderhoud van het apparaat. Raak de warme onderdelen van het apparaat niet aan. Deze onderdelen (rookkast en gasafvoerbuis, kijkglas, branderonderdelen, etc.
Indien het apparaat gedurende een bepaalde periode moet worden stopgezet, wordt geadviseerd de elektrische hoofdschakelaar te openen en de afsluitklep op de brandstofleiding naar het apparaat te sluiten. Het apparaat bevat onderdelen van synthetische siliciumhoudende minerale vezels (keramische en glasvezels, isolatiewol). Deze onderdelen moeten aan het einde van hun levenscyclus volgens de geldende voorschriften correct gedeponeerd worden. INSTALLATIE EN INSTELLING VAN HET APPARAAT Het apparaat mag uitsluitend door vakpersoneel conform de instructies in deze handleiding en in overeenstemming met de geldende normen en bouwvoorschriften geïnstalleerd en ingesteld worden. STOOKPLAATS De stookplaats moet afsluitbaar zijn en over buitenuitlaten conform de geldende voorschriften beschikken.
Bij twijfel moet het CO2 –gehalte bij een met het maximumvermogen functionerende brander en slechts door de luchttoevoer naar de brander geventileerde ruimte, en daarna nogmaals met geopende deur worden gemeten. Het CO2 -gehalte moet in beide gevallen gelijk zijn. Als er in de ruimte meerdere apparaten aanwezig zijn die samen kunnen functioneren, wordt er bij alle tegelijkertijd werkende apparaten gemeten. Sluit de ventilatieopeningen van de ruimte, de aanzuigopening van de ventilator, eventuele luchtkokers en aanzuig- of dissipatieroosters nooit af. Het apparaat moet beschermd worden tegen verwering. De stookplaatsruimte moet schoon en vrij van zwevende deeltjes zijn, die door de ventilator worden aangezogen en een verstopping zouden kunnen veroorzaken. De verbrandingslucht moet vrij zijn van halogenen (chloor-, fluorverbindingen).
Bij twijfel moet de goede kwaliteit van de verbrandingslucht gewaarborgd worden door middel van een externe luchtaanzuiging. VOEDING Doe een beroep op vakpersoneel voor de elektrische aansluitingen en volg de geldende voorschriften op.
Controleer of de spanning van het stroomnet overeenkomt met de waarde die op het typeplaatje van de brander vermeld staat. Het apparaat moet volgens de betreffende voorschriften correct worden geaard. Ga na of de aarding goed werkt. Let erop dat de nulleider en fase niet verwisseld worden. Voer de aansluiting op het stroomnet uit met een combinatie stekker/stopcontact, zodat een faseverwisseling tussen de stroomvoerende geleider en nulleider wordt voorkomen. Voor de verwarmingscentrale dient volgens de geldende normen een hoofdschakelaar te worden aangebracht. De elektrische installatie, met name de diameter van de kabel, moet overeenkomen met het door het apparaat opgenomen maximumvermogen, dat op het typeplaatje vermeld staat. Indien een stroomkabel is beschadigd, mag deze uitsluitend door vakpersoneel worden vervangen.
Trek niet aan de stroomkabels en houd ze buiten het bereik van warmtebronnen. BRANDSTOF Het apparaat moet worden gevuld met de brandstof die op het typeplaatje van de brander staat aangegeven. De druk van de brandstof mag de waarden in de branderhandleiding niet overschrijden. De afmetingenen veiligheids- en controlevoorzieningen van de brandstoftoevoerleiding naar de brander moeten voldoen aan de geldende normen en wetten plus aan de specificaties in de branderhandleiding en volkomen dicht zijn. De leiding moet schoon zijn en mag tijdens de installatie niet vuil worden. Olie: - De olietank moet worden beschermd tegen het binnen-dringen van vuil en water. In de zomer moet de tank gevuld blijven, zodat er geen condensatie ontstaat. - De tank moet vóór het vullen zorgvuldig gereinigd worden. Voorkom dat de tank overvol raakt.
- De tank en toevoerleiding naar de brander moeten worden beschermd tegen vorst. - Olieverbruik en tankinstallatie moeten regelmatig worden gecontroleerd, zodat een lekkage tijdig kan worden vastgesteld.
Gas: - Bij de inbedrijfstelling en na iedere verbreking van de verbinding moet de gasstraat worden gecontroleerd op lekkages. STORINGEN Probeer het apparaat bij aanhoudende storingsuitschakelingen nooit zelf te repareren, maar verwijder de spanning en wendt u tot vakpersoneel. De eventuele reparatie mag uitsluitend worden uitgevoerd door een bedrijf dat tot het servicenetwerk van de fabrikant behoort, waarbij alleen originele onderdelen gebruikt mogen worden. Indien u deze adviezen niet opvolgt, kan de veiligheid van het apparaat afnemen. Storingen en schade als gevolg van ondeskundige behandeling of beschadiging d. m. v. geweld ontheffen de fabrikant van zijn garantieplicht. ONDERHOUD Het apparaat moet regelmatig, minstens één keer per jaar , worden onderhouden door vakpersoneel.
Voor aanvang van iedere onderhoudsbeurt aan het apparaat moet de spanning door de hoofdschakelaar van de installatie weggenomen en de brandstoftoevoer afgesloten worden. Alleen de onderdelen uit de onderdelencatalogus van de fabrikant mogen worden vervangen. Om elk gezondheidsrisico te voorkomen, moeten bij werkzaam-heden met onderdelen van synthetische siliciumhoudende minerale vezels (keramische en glasvezels, isolatiewol) geschikte kleding en een ademhalingsmasker gedragen worden.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 3 editie 14. 1. 2008 2. Beschrijving 2. 1. Algemeen De warmwaterketel Pyronox LR is een energiespaarketel met hoog rendement in het vermogensgebied van 530 tot 3000 kW of te wel van 450 tot 2600 kW voor low-NOx applicaties. Hij is geschikt voor gebruik met olie- en/of gasbranders. De ketel is een drietreks-vlambuis-rookbuisketel in low-NOx-technologie. De aan deze techniek aangepaste verbrandingskamergeometrie, de lage belasting van de verbrandingskamer, gecombineerd met het door Ygnis gepatenteerde vlamafstroomsysteem, zorgen voor lage emissiewaarden en veilig gebruik conform de voorschriften van de overheid. lr_4-26a. SKD LR355-7. SKD Desgewenst zijn de Pyronox LR en LRK ketels met een geïntegreerde, watergekoelde rookgasrecirculatie (ARF) verkrijgbaar. De derde keteltrek is voorzien van turbulators.
Door het genereren van turbulenties wordt de warmteoverdracht extra verbeterd, wordt gebruik met lage temperaturen voor de rookgassen mogelijk en wordt er voor optimaal brandstofgebruik gezorgd. Een consequente warmte-isolatie met glasvezelmatten levert zeer geringe stilstandverliezen. De warmte-isolatie van keteldeur bestaat uit een zeer temperatuurbestendige keramische vezel. De opvallendste eigenschappen van het materiaal zijn de geringe warmtegeleiding en de lage warmtecapaciteit. Dit leidt tot een verdere vermindering van stilstandverliezen. Door het gebruik van een als accessoire verkrijgbare geluidsisolatiekap over het hele ketelfront kan het brander- en ventilatorgeluid geminimaliseerd worden en kan de warmteuitstraling extra gereduceerd worden. Het ketelfront kan weggeklapt worden voor een goede toegang tot de met rookgas in aanraking komende delen van de ketel.
De verzamelkast voor rookgassen aan het achterste deel van de ketel is voorzien van een reinigingsopening. De zeer dichte ketelbekleding is eenvoudig en snel monteerbaar. De bekledingsplaten worden met een milieuvriendelijke methode van een coating voorzien en zo duurzaam tegen corrosie beschermd. In de uitvoering LR-NT zijn de ketels in het achterste deel van de derde keteltrek voorzien van dubbelwandige buizen en het met water in aanraking komende deel van de rookkamer voorzien van een dubbele wand. Deze voorkomen het condenseren van de rookgassen ook bij retourtemperaturen lager dan de gebruikelijke grenzen. Daardoor is bij deze uitvoering gebruik mogelijk met retourvoorwaarden die alleen met lagetemperatuurketels mogelijk zijn.
De uitvoering LRK is voorzien van een geïntegreerde recuperator voor verbrandingsproducten van speciaal edelstaal, die ook bestemd is voor gebruik met olie- en/of gas-ventilatorbranders. In deze combinatie wordt de LRK een hoog-rendement-eenheid, die gebruik maakt van de condensatiewarmte van de in de rookgassen aanwezige waterdamp, waardoor het rendement bij lage retourtemperatuur tot meer dan 107 % (t. o. v. de laagste verwarmingswaarde) kan stijgen. lrk4-261. skd © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden! 9 editie 14.1.2008 4.5.4. Versie met rookgasrecirculatie (ARF) Voor aansluitingsafmetingen zie hoofdstuk 6.7. 4.5.5. Gedeelde versie / ter plaatse montage Eveneens als special model leverbaar is een gedeelde versie. Dank de kleinere afmetingen van de enkele delen is deze versie uiters geschikt bij moeilijke inbrengsituaties. De enkele delen worden ter plaatse aan elkaar gelast. Opgelet: Dit werk mag alleen door een vakman met licencie voor laswerk aan drukvaten verricht worden.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden! 26 editie 14.1.2008 4.8. Correctiewaarden bij afwijkende bedrijfsomstandigheden 4.8.1. Correctiewaarden temperatuur rookgassen LR, LR-NT Gemiddelde ketelwatertemperatuur tm °C 50 60 70 80 90 100 Verschil temp. verbrandingsprod. ∆t K - 16 - 8 ± 0 + 8 + 16 + 24 Luchtoverschot λ 1.10 1.15 1.20 1.25 1.30 1.35 Verschil temp. verbrandingsprod. ∆t K -6 -3 ± 0 +3 +6 +8 4.8.2. Modulatiebereik In hoofdstuk 4.5 zijn modulatiebereiken aangeven voor een gemiddelde ketelwatertemperatuur tm = 70°C. Gezien het minimale vermogen voor de ketel door de minimaal toegelaten rookgastemperatuur bepaald wordt, is de modulatie bij hogere watertemperaturen groter. Dit is in de onderstaande grafiek in vorm van een voorbeeld voor stookolie met een minimale rookgastemperatuur van 120° getoond.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 29 editie 14. 1. 2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 5. Ketelschakelpaneel 5. 1. Beschrijving Voor de verwarmingsketel Pyronox LR bestaan verschillende schakelpaneelvarianten. Het schakelpaneel in de basisuitrusting is geschikt voor gebruik van een 2-niveaus brander. De uitgebreide modulaire versie maakt de keus van een voor de installatie specifieke uitrusting met moderne microprocessorgestuurde digitale regelaars voor ketel-, brander-, verwarmings- en tapwaterregeling mogelijk. De apparaten zijn intern aansluitklaar bedraad. Alle bedrijfstoestanden en storingsmeldingen zijn bovendien op klemmen geschakeld. De behuizing is van staalplaat gemaakt en voor de montage, naar keuze links of rechts, op de keteldeksel (LR 21-26) of aan de ketelzijde (LR 27-32) voorbereid.
Het elektrisch schema van het schakelpaneel inclusive alle gekozen opties is met het paneel meegeleverd. 5. 2. Basisuitrusting - Branderschakelaar AAN/UIT - Beveiliging 6,3A traag - Veiligheidstemperatuurbegrenzer - Dubbele temperatuurregelaar 1e en 2e niveau - Storingslamp veiligheidstemperatuurbegrenzer - Storingslamp brander - Thermometer - Test toets (TÜV) 5. 3. Optionele uitrustingen - Urenteller 1e en 2e niveau - Impulsteller 1e en 2e niveau - Relaismodule externe signalisatie voor oververhitting, branderstoring, 1e en 2e niveau, externe storing - Module branderreset - Module zomer/winter modus - 3-phasen brander- of pompverzorging 5. 4. Regelaarvarianten Verwarmingsregelaar RDO 243 Verwarmingsregelaar met branderregeling voor 1-/2-niveaus of modulerende branders, 1 mengkring en automatische warmwaterlader.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 30 editie 14. 1. 2008 6. Installatieaanwijzingen 6. 1. Stookplaats / stookplaatsventilatie De stookplaats moet volgens de geldende normen en de nationale bouwrechtelijke voorschriften uitgevoerd zijn. Met name moet op correcte beluchting en ontluchting worden gelet. De verbrandingsluchttoevoer moet gegarandeerd zijn (niet-afsluitbare luchtopening). Minimale luchtbehoefte: 1,6 m3/h per kW ketelvermogen. Minimale vrije dwarsdoorsnee voor de opening van de verbrandingslucht: 6 cm2 per kW ketelvermogen. Belangrijk: De verbrandingslucht mag geen hoge stofconcentraties hebben. De verbrandingslucht moet verder vrij zijn van halogenen (chloor-, fluorverbindingen). Een overmatige halogeenbelasting van de verbrandingslucht leidt tot grote corrosieschade.
De maximaal toegestane halogeenbelasting van de verbrandingslucht bedraagt 5 ppm. Halogeenverbindingen bevinden zich o. a. in spuitbussen, verdunners, reinigings-, ontvettings- en oplosmiddelen. Verder bestaat in de buurt van chemische reinigingen, kapsalons, zwembaden, drukkerijen en in dezelfde ruimte opgestelde wasmachines een grote kans op halogeenemissies. In twijfelgevallen moet de goede kwaliteit van de verbrandingslucht met een externe luchtaanzuigvoorziening gewaarborgd worden. Daarbij moet op minimale drukverliezen worden gelet, omdat deze het vermogen van de brander nadelig kunnen beïnvloeden. 6. 2. Dispositiematen 6. 2. 1. Benodigde ruimte De deur van de verbrandingskamer incl. brander moet 90° open geklapt kunnen worden (deurhengsel bij aflevering rechts, kan ter plaatse omgewisseld worden naar links).
E = Branderlengte A = E + d + 150 mm Bij gebruik van een geluidsdempingskap moet de maat D met de afmetingen van de kap worden gecontroleerd (zie 4. 4) 6. 2. 2. Ketelsokkel Als de vloer van de stookplaats vochtig of los is, moet er voor een voldoende hoge ketelsokkel worden gezorgd. Vocht is niet goed voor elektrische apparaten.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 32 editie 14. 1. 2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 6. 3. Hydraulische aansluiting 6. 3. 1. Algemene aanwijzingen Voor de hydraulische aansluiting van de verwarmingsinstallatie en eventuele waterverhitters – met name met betrekking tot de veiligheidstechnische inrichtingen zoals veiligheidsventielen, expansievat, etc. – verwijzen wij naar de algemeen geldige regels van de techniek en naar de betrokken nationale normen en voorschriften. Als ketels in dakverwarmingscentrales of op de hoogste plaats van de verwarmingsinstallatie worden geplaatst, moeten ze worden voorzien van extra veiligheidsorganen (b. v. watergebrekbeveiliging). Neem hiervoor de lokale veiligheidsvoorschriften van de overheid in acht. Verder moet de minimale bedrijfsdruk volgens paragraaf 4. 2 aangehouden worden.
Vóór de aansluiting van de ketel aan een oude installatie moet heel de verwarmingsinstallatie gespoeld worden. Ook een slibvanger wordt aanbevolen. De minimaal toegestane retourtemperatuur volgens paragraaf 4. 1 moet met een automatische temperatuurregeling aangehouden worden. Als een verwarmingsketel Pyronox LR/LRK met een waterverhitter wordt gecombineerd, moet erop worden gelet dat grootte en capaciteit daarvan corresponderen met het geïnstalleerde ketelvermogen. Het overschrijden van de bedrijfsoverdruk in de waterverhitter moet voorkomen worden door een per component getest membraan-veiligheidsventiel; deze mag door de waterverhitter niet gesloten kunnen worden. Bij gebruik van waterverhitters met extra elektrische verhitting moet in de laadleiding tussen ketel en waterverhitter een betrouwbaar werkend terugslagventiel ingebouwd worden.
Schade door corrosie kan optreden als er via open installaties, te kleine expansievaten, vloerverwarming met niet-zuurstofdichte buismaterialen, etc. voortdurend zuurstof in het verwarmingswater komt. Als dit niet kan worden voorkomen, zijn er extra maatregelen nodig in de vorm van vakkundig toegepaste zuurstofbindmiddelen of chemicaliën. Als een installatie zonder het binnendringen van zuurstof niet realiseerbaar is, moet er een systeemscheiding met warmtewisselaar worden ingericht. 6. 3. 2. Speciale aanwijzingen voor Pyronox LRK, LRK-NT: 6. 3. 2. 1. Waterdoorstroomhoeveelheid Het is aan te bevelen de waterdoorstroomhoeveelheid van de recuperator zo groot mogelijk te kiezen (zie 4. 7). Belangrijk: De ketel mag niet in bedrijf genomen worden zonder dat de recuperator aangesloten en met water doorgespoeld wordt. Als er verder b. v.
bij oliestook geen condensatie gewenst is, moet er ter plaatse voor worden gezorgd dat de temperatuur van het binnenkomende water in de recuperator hoog gehouden wordt (min. 50 °C). 6. 3. 2. 2. Condensaatafvoer De bij de condensatie ontstane condensaten bevatten afhankelijk van de soort brandstof meer of minder zure verbrandingsproducten. Een eventueel vereiste toelating om de condensaten naar de riolering af te voeren, moet bij de plaatselijk bevoegde autoriteiten worden aangevraagd. Een vereiste neutralisatieset voor condensaten is als optie verkrijgbaar. Als de condensaten direct naar de riolering worden afgevoerd, moet dit gebeuren via een open vultrechter. De leiding tot aan de vultrechter moet licht hellend verlopen en mag geen doorhang vertonen. Belangrijk: De recuperator wordt met een binnen de bekleding geplaatste sifon geleverd.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 33 editie 14. 1. 2008 6. 4. Elektrische installatie 6. 4. 1. Algemene aanwijzingen Die hele elektrische installatie van de verwarmingsinstallatie mag alleen door een vakman met vergunning uitgevoerd worden. De geldende regels van de techniek en de nationale voorschriften en normen dienen in acht genomen te worden. Het elektrische schema van het schakelpaneel is met het paneel meegeleverd. Belangrijk: Installaties ter plaatse (kabelkanalen, etc. ) mogen niet aan de ketelbekleding bevestigd worden. Elektrische aansluitingen, met name de aansluiting aan het net, mogen pas na het voltooien van alle andere montage- en installatiewerkzaamheden uitgevoerd worden. 6. 4. 2.
Aansluiting aan het elektriciteitsnet De externe voeding vindt plaats met 1-fase-wisselstroom 230 V AC, 50 Hz of 3-fasen-wisselstroom 400VAC, 50Hz, allebei max. 16A. Het apparaat is intern met 6,3AT en bovendien met 6,3 AT per regelaar of module gezekerd. De kwaliteit van de voeding moet aan de norm EN50160 voldoen (spanning +10% max. , frequentie +1%). De netaansluitkabel en alle externe aansluitingen op de ketelregeling moeten ter plaatse geschikt geleid worden. Een vrijschakelinrichting volgens DIN VDE 0116 moet ter plaatse gemaakt worden. 6. 4. 3. Aansluiting van de brander De elektrische aansluitingen van de brander (stroomvoorziening en besturing) moeten ter plaatse worden gemaakt in overeenstemming met de eisen van de brander. 6. 5. Turbulators Door de in de rookbuizen geschoven turbulators is een vergaande regeling van de temperatuur van de rookgassen mogelijk.
Alle rookbuizen van de derde trek moeten altijd gelijkmatig van turbulators worden voorzien. Daarbij gaat het om de buizen die naar achteren in de richting van de verzamelkast voor rookgassen open zijn. Zie hiervoor ook de separate montageinstructies.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden! 34 editie 14.1.2008 6.6. Montage van de bekleding en het ketelschakelpaneel De montage van de bekleding en het schakelpaneel geschiedt volgens de separaat meegeleverde montageinstructies. De ketelbekleding mag pas gemonteerd worden nadat de ketel hydraulisch aangesloten is. Anders bestaat het gevaar van beschadiging. De bekleding moet wel gemonteerd worden, vóór dat de ketel aan de schoorsteen aangesloten wordt. 6.7. Aansluiting van de brander en ARF-ventilator 6.7.1.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 35 editie 14. 1. 2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 6. 7. 2. Montage van de brander De frontdeur is voorzien van een normconforme branderflens. Voor het bevestigen van de brander is eventueel een tussenflens vereist. De tussenflens met schroeven moet door de branderfirma worden geleverd. Belangrijk: De tussenruimte tussen branderbuis en deurboring moet voor de inbedrijfneming van de brander met de bijgeleverde isolatie worden opgevuld (zie ook montageinstructies). 6. 7. 3. Aansluiting aan de brandstofvoorziening De hele installatie mag alleen door een installatiefirma met vergunning uitgevoerd worden. De installaties moeten volgens de plaatselijke voorschriften uitgevoerd worden. In het bijzonder moet verhinderd zijn, dat de brander bij geopende keteldeur kan starten.
Goede praktijk is om de brander zo aan de brandstofvoorziening aan te sluiten, dat deze geopend moet worden om de keteldeur te kunnen openen. Alternatief moeten de branderkabels met klembekmoffen zodanig bevestigd worden, dat de deur alleen geopend kan worden, nadat de stekkers op de brander getrokken zijn. Ter plaatse aanwezige installaties (olieleidingen etc. ) mogen niet aan de ketelbekleding bevestigd worden. 6. 7. 3. 1. Gasbrander Neem de aparte handleiding van de brander in acht. De gasinstallatie moet in overeenstemming met de gasdoorstroming en de beschikbare gasdruk gedimensioneerd zijn. In de gastoevoerleiding naar de brander moet een afsluitventiel worden aangebracht. Belangrijk: Voor de aansluiting aan de gasleiding moet ervoor worden gezorgd dat deze doorgeblazen is en vrij is van deeltjes en slijpsel.
Bij de inbedrijfneming en na elk openen van de gastoevoer moet de gasstraat op lekken worden gecontroleerd (lekzoekspray). De installatie mag alleen worden gebruikt met de daarvoor bestemde gaskwaliteit – let op het plaatje op de brander. 6. 7. 3. 2. Oliebrander Neem de aparte handleiding van de brander in acht.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 36 editie 14. 1. 2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 6. 8. Afvoer van de verbrandingsproducten De algemeen geldige regels van de techniek en de nationale normen en voorschriften moeten in acht genomen worden. De verwarmingsketel Pyronox LR is volgens de nieuwste kennis van de techniek ontwikkeld. Door een nauwkeurige afstemming van ketel en afvoer van de verbrandingsproducten wordt een optimaal gebruik van de brandstof en zo een economische exploitatie bereikt. 6. 8. 1. Bepaling van de diameters De diameters voor verwarmingsketels moeten zonder trekbehoefte berekend worden. Voor de bepaling van de diameters zijn met name de aard van de brandstof, het vermogen van de verwarmer resp.
van het verbrandingsaggregaat, temperatuur en hoeveelheid van de verbrandingsproducten en constructie en hoogte van de schoorsteen bepalend. 6. 8. 2. Afvoerbuis Pyronox LR, LR-NT Het is aan te bevelen de afvoerbuis te maken van een materiaal dat ongevoelig voor vocht en corrosiebestendig is. Hij moet gunstig voor de stroming en met 30 tot 45° stijging in de schoorsteen geleid worden. Dit moet zo gebeuren dat er geen condenswater vanuit de schoorsteen naar de verwarmingsketel terug kan stromen. Om de overdracht van mechanische trillingen te voorkomen moeten de invoerplaatsen van afvoerbuizen met geschikte wandvoeringsbuizen of aansluitbeugels worden voorzien. Aansluitingen van meer dan 1 m lengte moeten geïsoleerd worden. Let er daarbij op dat er meetstompen uit de isolatie steken en dat beugels en schoonmaakdeksel toegankelijk moeten blijven.
De schoorsteen moet gas- en overdrukdicht zijn, ongevoelig voor vocht en zuurbestendig uitgevoerd zijn. 6. 8. 3. Afvoerbuis Pyronox LRK, LRK-NT De verbrandingsproducten worden in de recuperator afhankelijk van de retourtemperatuur onder het dauwpunt afgekoeld en verlaten de ketel met 100 % vochtigheid.
Door het afkoelen van de verbrandingsproducten in de afvoerbuis wordt verder condensaat uitgescheiden. De afvoer van de verbrandingsproducten moet daarom niet alleen gas- en overdrukdicht, maar ook absoluut zuurbestendig en condensaatdicht zijn. De afvoerbuis moet gunstig voor de stroming en met 30 tot 45° stijging in de schoorsteen geleid worden. Om de overdracht van mechanische trillingen te voorkomen moeten de invoerplaatsen van afvoerbuizen met geschikte wandvoeringsbuizen of aansluitbeugels worden voorzien. Aansluitingen van meer dan 1 m lengte moeten geïsoleerd worden. Let er daarbij op dat er meetstompen uit de isolatie steken en dat beugels en schoonmaakdeksel toegankelijk moeten blijven.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 37 editie 14. 1. 2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 7. Bedrijfsvoorwaarden 7. 1. Brandstoffen De Pyronox LR ketel is ontworpen voor gebruik van huisbrandolie en aardgas. Belangrijk: Het gebruik van andere brandstoffen, zoals biogas, is alleen toegestaan met uitdrukkelijke toestemming van de fabrikant. 7. 2. Verbrandingslucht De verbrandingslucht mag geen hoge stofconcentraties hebben. Belangrijk: De verbrandingslucht moet verder vrij zijn van halogenen (chloor-, fluorverbindingen). Een overmatige halogeenbelasting van de verbrandingslucht leidt tot grote corrosieschade. Let erop dat er geen verf, verdunner, reinigings-, ontvettings- of oplosmiddelen, chloor e. d. in de ketelruimte worden opgeslagen. 7. 3.
Vullen van de installatie en waterkwaliteit Voor het definitief vullen van de installatie moet er grondig gespoeld worden. Controleer als er de eerste keer of later gevuld wordt de kwaliteit van het water volgens de richtwaarden in paragraaf 4. 2. Slechte waterkwaliteit leidt in verwarmingsinstallaties tot schade door steenvorming en corrosie. Met goed geconditioneerd water kunnen de levensduur, de werkingszekerheid en het economisch gebruik juist verbeterd worden. Tijdens het vullen moeten de circulatiepompen uitgeschakeld zijn en moeten alle ontluchtingsventielen geopend zijn, zodat de in het systeem aanwezige lucht volledig kan ontsnappen. Het vulproces is voltooid als de bedrijfsdruk bereikt is. 7. 4.
Corrosiebescherming In de regel treden in goed uitgevoerde en volgens de instructies gebruikte verwarmingssystemen geen corrosieproblemen op en is het gebruik van chemische toevoegingen onnodig. Toch kan schade bij onvoldoende waterkwaliteit of door het binnendringen van luchtzuurstof in het verwarmingssysteem (open expansievat, te klein druk-expansievat, kunststofbuis zonder diffusieblokkering in vloerverwarming) niet uitgesloten worden.
Als in uw installatie chemische toevoegingen worden gebruikt, vergewis u er dan bij de fabrikant van dat ze effectief en onschadelijk zijn en vooral dat ze geschikt zijn voor delen van de installatie die van verschillende materialen zijn gemaakt. Een jaarlijkse controle van de waterkwaliteit in het verwarmingssysteem door een gespecialiseerde firma is in zulke gevallen vereist en voorkomt schade. 7. 5. Eisen aan het gebruik De maximale bedrijfsdruk en de maximale temperatuur zijn op het typeplaatje aangegeven. De aan te houden minimale bedrijfstemperaturen zijn in paragraaf 4. 1 aangegeven. Het wordt dringend aanbevolen, de ketel na een koude start over meerdere uren in bedrijf te houden. Hierdoor kann het condensaat, dat bij een koude start onvermijdelijk onstaat, weer verdampen en de rookgas voerende delen kunnen drogen.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 38 editie 14. 1. 2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 8. Bediening Lees dit deel van de documentatie en de gebruiksaanwijzing van de brander aandachtig door en laat u de verwarmingsinstallatie en de regel- en controle-elementen door uw installateur uitleggen. Als het vermoeden bestaat dat de ketel of een deel van het systeem bevroren is, mag de installatie niet in bedrijf genomen worden. Neem ook de bedrijfsvoorwaarden in paragraaf 7 in acht. 8. 1. Inbedrijfneming Voor inbedrijfneming moeten de volgende punten worden gecontroleerd: - Zijn brander en brandstofsysteem getest en de instellingen van de brander in overeenstemming met het vereiste vermogen van het apparaat. Neem de instructies voor inbedrijfneming van de brander in acht. - Zijn alle voorwerpen die er niet horen verwijderd uit de vuurkamer van de ketel.
- Zijn de turbulators correct gemonteerd (zie sticker op de keteldeur). - Is de tussenruimte rond de branderbuis met isolatiemateriaal opgevuld. - Is de keteldeur goed gesloten. - Is het verwarmingssysteem met water gevuld en volledig ontlucht. - Zijn de thermostaten goed ingesteld en is de regelaar correct geparametreerd. - Functioneren de regel- en veiligheidsinrichtingen foutloos. - Zijn alle noodzakelijke afsluitventielen aan water- en branderzijde geopend. - Lopen de circulatiepompen. - Is de luchttoevoer gewaarborgd en is de rookafvoer vrij. Het apparaat wordt in bedrijf genomen met de schakelaar op het schakelpaneel (positie I). 8. 2. Buiten bedrijf zetten Het apparaat wordt buiten bedrijf gezet met de schakelaar op het schakelpaneel (positie O). Als de unit een aantal weken buiten bedrijf is gezet, moeten de volgende maatregelen worden genomen: - De brandstoftoevoer afsluiten.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden! 39 editie 14.1.2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 8.3. Zelf storingen verhelpen Voer bij bedrijfsstoringen controles uit volgens de volgende checklist. Let daarbij ook op de instelling van het regelapparaat. Als de storing niet verholpen kan worden, bel dan uw verwarmingsinstallateur of de klantendienst. Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Brander loopt niet Geen stroom aanwezig Zekering controleren, hoofd- en evt.
LR, LRK, LR-NT, LRK-NT 21 - 32 Maat- en constructiewijzigingen voorbehouden. 40 editie 14. 1. 2008 © Copyright YGNIS AG CH-Ruswil 9. Onderhoud Voor het behoud van het hoge rendement van het apparaat is regelmatig onderhoud van het apparaat nodig. Afhankelijk van de gebruikswijze is jaarlijks of halfjaarlijks onderhoud aan te bevelen. Ketel- en verbrandingscontrole moeten door een gekwalificeerd vakman worden uitgevoerd volgens de voorschriften van de overheid. Voor elke werkzaamheid aan het apparaat moet de verbinding van het apparaat met het net verbroken worden en moet de brandstoftoevoer gesloten worden. Het apparaat bevat onderdelen van synthetische siliciumhoudende minerale vezels (keramische en glasvezels, isolatiewol). Om elk gezondheidsrisico te voorkomen, moeten bij werkzaamheden aan of met deze onderdelen geschikte kleding en een ademhalingsmasker gedragen worden. 9. 1.
Regelmatige controles en onderhoudswerkzaamheden - Manometer controleren terwijl de circulatiepomp uitgezet is en bij te lage waterpeil resp. druk water in het verwarmingssysteem bijvullen. - Werking van expansievat controleren. - Veiligheidsventielen en ontluchters in het verwarmings- en warmwatersysteem controleren. - Brander volgens aanbevelingen controleren (zie daarvoor de aparte handleiding van de brander). - Oliestand controleren. - Ketel- en schoorsteenreiniging. 9. 2. Ketelreiniging Het reinigen van de ketel moet door een gekwalificeerd vakman worden uitgevoerd. De cilindrische bouw van de ketel maakt in principe een eenvoudige mechanische reiniging mogelijk. Het is echter algemeen aan te bevelen verwarmingsvlakken van met olie gestookte ketels met geschikte chemische middelen te reinigen. Uw schoorsteenveger geeft u als vakman graag advies.
- Brander uitschakelen - Branderstekker uittrekken - Schroeven aan de keteldeur losdraaien en deze met de brander uitklappen - Turbulators verwijderen - Vlambuis en rookbuizen reinigen - Reinigingsdeksel aan de achterkant van de ketel demonteren en verzamelkast voor rookgassen reinigen. - Gereinigde turbulators volgens paragraaf 6. 5 weer inzetten. - Reinigingsdeksel aanbrengen en vuurdeur sluiten. - Brander in bedrijf nemen. 9. 3. Onderhoud van de brander Het regelmatige onderhoud van de brander (lichaam, mondstuk, branderkop, ontsteking, pompfilter) moeten volgens de handleiding van de brander door een gekwalificeerd vakman uitgevoerd worden. Na deze werkzaamheden moeten de instellingen van de brander gecontroleerd worden om vast te stellen of ze in overeenstemming zijn met het vereiste vermogen van het apparaat.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Ygnis Pyronox LR stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding CV Ketel Ygnis
Handleiding CV Ketel
Nieuwste handleidingen voor CV Ketel