Yamaha XSR700 (2020) Handleiding

Yamaha Motor XSR700 (2020)

Bekijk gratis de handleiding van Yamaha XSR700 (2020) (96 pagina’s), behorend tot de categorie Motor. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 20 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over Yamaha XSR700 (2020) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/96
PANTONE285C
MTM690
MTM690-U
HANDLEIDING
BU3-F819D-D1
Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze
machine gaat gebruiken.
[Dutch (D)]

Beoordeel deze handleiding

4.2/5 (5 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Yamaha
Categorie: Motor
Model: XSR700 (2020)

Handleiding Yamaha XSR700 (2020) – volledige tekst

DAU81560Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij demachine te blijven als deze wordt verkocht.DAU81570Conformiteitsverklaring:Hierbij verklaart YAMAHA MOTOR ELECTRONICS Co., Ltd dat de radioapparatuur van het type STARTBLOKKERING,BU2-20 in overeenstemming is met Richtlijn 2014/53/EU.De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring kan worden geraadpleegd op het volgende internetadres:https://global.yamaha-motor.com/eu_doc/Frequentieband: 134.2 kHzMaximaal radiofrequentievermogen: 49.0 [dBμV/m]Fabrikant:YAMAHA MOTOR ELECTRONICS Co., Ltd1450-6 Mori, Mori-machi, Shuchi-Gun, Shizuoka, 437-0292 JapanImporteur:YAMAHA MOTOR EUROPE N.V.Koolhovenlaan 101, 1119 NC Schiphol-Rijk, 1117 ZN, Schiphol, NederlandUBU3D1D0.book Page 1 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM

InleidingDAU10103Welkom in de wereld van Yamaha!Als eigenaar van de MTM690/MTM690-U profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van hetontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uwMTM690/MTM690-U. De Handleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de machine en beschrijft hoeu uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw machine in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzeldan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe.

En vergeet niet, veiligheid voor alles!Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn vankleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recenteproductinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.WAARSCHUWINGDWA10032Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze machine gaat gebruiken.UBU3D1D0.book Page 1 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM

Belangrijke informatie in de handleidingDAU10134Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:*Product en specificaties kunnen zonder voorafgaande aankondiging worden gewijzigd.Dit is het Safety Alert-symbool. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico’s op persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlijden te voorkomen.Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan re-sulteren in ernstig letsel of overlijden.De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om scha-de aan de machine of andere eigendommen te voorkomen.De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen.WAARSCHUWINGLET OPOPMERKINGUBU3D1D0.book Page 1 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM

1-11VeiligheidsinformatieDAU1028CWees een verantwoordelijke eigenaarAls eigenaar van de machine bent u verant-woordelijk voor de veilige en juiste bedie-ning ervan. Motorfietsen zijn tweewielige voertuigen. Voor een veilig gebruik zijn de toepassingvan de juiste rijtechnieken en de ervaringvan de bestuurder van belang. Elke be-stuurder moet bekend zijn met de volgendevereisten alvorens met deze motorfiets tegaan rijden. Hij of zij moet: Door een competente informatiebrongrondig zijn ingelicht over alle aspec-ten van het motorrijden.  Zich houden aan de waarschuwingenen onderhoudseisen zoals vermeld indeze Gebruikershandleiding.  Grondig getraind zijn in veilige en cor-recte rijtechnieken.  Gebruikmaken van professioneletechnische service, zoals aangegevenin deze Gebruikershandleiding en/ofwanneer de mechanische conditiesdit vereisen.

 Ga nooit rijden met een motorfietszonder passende rijopleiding of in-structies. Neem rijlessen. Beginnersmoeten les krijgen van een gediplo-meerd instructeur. Neem contact opmet een bevoegde motorfietsdealervoor informatie over rijlessen bij u inde buurt. Veilig rijdenVoer vóór elke rit de controles voor het rij-den uit om u ervan te verzekeren dat demachine in veilige staat verkeert. Onvol-doende inspectie of onderhoud van de ma-chine vergroot het risico op ongeval ofschade. Zie pagina 4-1 voor een lijst metcontroles voor het rijden.  Deze motorfiets is gebouwd voor hetvervoer van de bestuurder plus eenpassagier.  Het niet opmerken en herkennen vanmotorfietsen door andere weggebrui-kers vormt de belangrijkste oorzaakvan auto-/motorongevallen. Vaakworden ongevallen veroorzaakt door-dat een autobestuurder de motor nietheeft gezien.

Zorg dat u opvalt, datblijkt het meest effectief om het risicoop een dergelijk type ongeval te ver-minderen. Dus:• Draag een jack in felle kleuren. • Wees extra voorzichtig bij het nade-ren en passeren van kruisingen,daar doen ongelukken met motor-fietsen zich namelijk het meestvoor.

• Ga daar rijden waar andere wegge-bruikers u kunnen zien. Ga niet rij-den in de dode zichthoek van eenandere weggebruiker. • Pleeg nooit onderhoud aan eenmotorfiets zonder voldoende ken-nis. Neem contact op met een be-voegde motorfietsdealer voorinformatie over het basisonderhoudvan een motorfiets. Bepaalde on-derhoudswerkzaamheden kunnenalleen worden uitgevoerd door ge-diplomeerd personeel.  Bij veel ongevallen zijn onervaren be-stuurders betrokken. Veelal zijn be-stuurders die bij een ongevalbetrokken waren zelfs niet in het bezitvan een geldig motorrijbewijs. • Zorg dat u bekwaam bent om te rij-den en leen uw motorfiets alleen uitaan ervaren motorrijders. • Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uwbeperkingen helpt u ongelukkenvoorkomen. UBU3D1D0. book Page 1 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM.

Veiligheidsinformatie1-21• We raden aan om het motorrijden teoefenen op plekken waar geen ver-keer is, totdat u grondig bekendbent met de motor en zijn bedie-ning.  Ongelukken worden vaak veroorzaaktdoor een fout van de motorbestuur-der. Veel bestuurders houden bij hetingaan van een bocht een te hoge rij-snelheid aan of gaan onvoldoendeschuinliggen voor de rijsnelheid,waardoor ze wijd uit de bocht komen. • Neem altijd de maximumsnelheid inacht en rijd nooit sneller dan dewegcondities en het verkeer toe-staan. • Geef altijd richting aan voordat u af-slaat of van rijstrook wisselt. Zorgdat andere weggebruikers u kun-nen zien.  De zithouding van de bestuurder ende passagier is belangrijk voor eengoede besturing. • De bestuurder moet tijdens het rij-den beide handen aan het stuurhouden en beide voeten op de be-stuurdersvoetsteunen, om zo demacht over het stuur te behouden.

• De passagier hoort steeds de be-stuurder, de zadelband of de hand-greep, indien aanwezig, met beidehanden vast te houden en beidevoeten op de passagiersvoetsteu-nen te houden. Neem nooit eenpassagier mee die niet in staat isom beide voeten stevig op de pas-sagiersvoetsteunen te zetten.  Rijd nooit onder invloed van alcohol ofandere drugs.  Deze motorfiets is uitsluitend ontwor-pen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-roadgebruik. Beschermende uitrustingMotorongelukken met dodelijke afloop be-treffen meestal hoofdletsel. Het dragen vaneen helm is de belangrijkste factor bij hetvoorkomen of reduceren van hoofdletsel.  Draag altijd een goedgekeurde helm.  Draag ook een vizier of een veilig-heidsbril. Zonder oogbeschermingkan uw zicht door de rijwind verslech-teren, waardoor u gevaren mogelijk telaat opmerkt.

 Draag nooit loszittende kleding, dezekan blijven haken aan bedienings-handgrepen of door de wielen wordengegrepen en zo een ongeval of letselveroorzaken.  Draag altijd beschermende kledingdie uw benen, enkels en voeten be-dekt. De motor en het uitlaatsysteemkunnen tijdens en na het rijden zeerheet zijn en brandwonden veroorza-ken.  De hierboven vermelde voorzorgs-maatregelen gelden ook voor passa-giers. Voorkom koolmonoxidevergiftigingDe uitlaatgassen van verbrandingsmotorenbevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kan hoofd-pijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid,verwarring en uiteindelijk de dood veroor-zaken. Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos,smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijnals u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Hetkoolmonoxideniveau kan zeer snel oplo-pen, waardoor u het bewustzijn kunt verlie-zen en uzelf niet meer kunt redden.

Veiligheidsinformatie1-31symptomen van koolmonoxidevergiftigingervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk,ga naar de open lucht en ROEP MEDISCHEHULP IN.  Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatorenof open ramen en deuren kan de hoe-veelheid koolmonoxide snel oplopentot gevaarlijke niveaus.  Laat de motor niet draaien in slechtgeventileerde of deels afgeslotenruimtes zoals schuren of garages.  Laat de motor niet buiten draaien opplaatsen waar de uitlaatgassen in eengebouw kunnen worden getrokken viaopeningen zoals ramen en deuren. BeladenHet monteren van accessoires of het ver-voer van bagage kan een negatief effecthebben op de rijstabiliteit en het wegge-drag als hierdoor de gewichtsverdeling vande motor verandert. Wees uiterst voorzich-tig bij het monteren van accessoires of hetbeladen van uw motor, om zo mogelijkeongevallen te vermijden.

Pas extra op wan-neer u op een motor rijdt die beladen is ofwaaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast de informatie overaccessoires enkele richtlijnen voor het be-laden van uw motorfiets:Het totale gewicht van de bestuurder, pas-sagier, accessoires en bagage mag demaximale gewichtslimiet niet overschrij-den. Rijden met een te zwaar belastemachine kan leiden tot een ongeval. Let op het volgende wanneer u tot deze ge-wichtslimiet belaadt: Het zwaartepunt van bagage en ac-cessoires moet zo laag mogelijk lig-gen en zo dicht mogelijk bij de motor. Bevestig zware goederen zo dichtmogelijk bij het midden van de machi-ne en verdeel het gewicht zo gelijkma-tig mogelijk over beide zijden omonbalans of instabiliteit te minimalise-ren.  Als gewicht gaat schuiven kan zicheen plotselinge onbalans voordoen.

• Pas de vering aan de te vervoerenbagage aan (alleen voor modellenmet instelbare vering) en controleerde toestand en spanning van uwbanden. • Bevestig nooit omvangrijke of zwa-re goederen aan het stuur, de voor-vork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusiefbagage als slaapzakken, plunjezak-ken of tenten, kunnen een instabielweggedrag of een te trage reactieop het stuur veroorzaken.  Deze machine is niet ontworpenvoor het trekken van een aanhangerof bevestiging van een zijspan. Originele Yamaha accessoiresDe keuze van accessoires voor uw machi-ne vormt een belangrijke beslissing. Origi-nele Yamaha accessoires, die alleenverkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijndoor Yamaha ontwikkeld, getest en goed-gekeurd voor gebruik op uw machine. Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aanYamaha produceren onderdelen en acces-soires of bieden aanpassingssets voorYamaha voertuigen.

Yamaha kan niet alleproducten testen die deze bedrijven produ-ceren. Om die reden kan Yamaha acces-soires die niet door Yamaha zijn verkocht ofwijzigingen die niet door zijn Yamaha zijnaangeraden niet goedkeuren of aanbeve-len, zelfs niet als deze zijn verkocht engeenstalleerd door een Yamaha dealer. Maximale belasting:172 kg (379 lb)UBU3D1D0. book Page 3 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM.

Veiligheidsinformatie1-41In de handel verkrijgbare onderdelen,accessoires en aanpassingssetsHoewel er producten verkrijgbaar zijn diequa ontwerp en kwaliteit sterk lijken op ori-ginele Yamaha accessoires, dient u te be-seffen dat sommige in de handelverkrijgbare accessoires of aanpassings-sets niet geschikt zijn vanwege mogelijkeveiligheidsrisico’s voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbareproducten of het verrichten van aanpassin-gen die de ontwerp- of bedieningskenmer-ken van uw machine wijzigen kan het risicoop ernstig letsel of overlijden van uzelf ofanderen vergroten. U bent verantwoordelijkvoor letsel dat voortvloeit uit wijzigingenaan de machine. Volg bij de montage van accessoires de on-derstaande richtlijnen en die vermeld onderhet kopje “Beladen”.

 Monteer nooit accessoires en vervoernooit bagage als deze een nadelige in-vloed hebben op de prestaties van uwmotor. Inspecteer het accessoirezorgvuldig alvorens het te gebruikenom te waarborgen dat het de grond-speling of de hellinghoek op geen en-kele manier vermindert, de veerweg,de stuuruitslag of de bediening nietbeperkt en geen lampen of reflectorsafdekt. • Accessoires die aan of nabij hetstuur of de voorvork zijn gemon-teerd zullen mogelijk instabiliteitveroorzaken door een foutieve ge-wichtsverdeling of door aerodyna-mische effecten. Accessoires aanhet stuur of nabij de voorvork moe-ten zo licht mogelijk zijn en tot eenminimum worden beperkt. • Omvangrijke accessoires kunnendoor hun aerodynamisch effect vaninvloed zijn op de rijstabiliteit van demotor. De motor kan door rijwindworden opgetild of bij zijwind insta-biel worden.

Zulke accessoireskunnen ook instabiliteit veroorza-ken terwijl u grote voertuigen in-haalt of door deze wordt ingehaald. • Sommige accessoires dwingen debestuurder om een andere dan denormale zitpositie in te nemen.

Zo’nverkeerde zitpositie beperkt de be-wegingsvrijheid van de bestuurderen kan een comfortabele bedieninghinderen, zodat we dergelijke ac-cessoires sterk afraden.  Wees voorzichtig bij het aanbrengenvan elektrische accessoires. Als elek-trische accessoires de capaciteit vanhet elektrisch systeem van de motor-fiets te boven gaan, kan zich een ge-vaarlijke elektrische storing voordoenwaardoor de verlichting of de motoruitvalt. In de handel verkrijgbare banden en vel-genDe banden en velgen die bij uw motorfietswerden geleverd, zijn ontworpen om demogelijkheden van de motorfiets te onder-steunen en bieden de beste combinatie vanrijprestaties, remvermogen en comfort. An-dere banden, velgen, maten of combinatieszijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-15voor de bandenspecificaties en informatieover het onderhouden en vervangen vanuw banden.

Veiligheidsinformatie1-51 Schakel een versnelling in (bij model-len met een handgeschakelde ver-snellingsbak). Zet de motorfiets vast met spanban-den of andere geschikte banden aanstevige delen van de motorfiets, zoalshet frame of de bovenste voorvork-klem (en niet aan, bijvoorbeeld, hetstuur, de richtingaanwijzers of onder-delen die kunnen afbreken). Kies deplaats voor de spanbanden zorgvuldigom te voorkomen dat deze tijdens hettransport schuurplekken op de lakveroorzaken. Zorg indien mogelijk dat de vering ietsdoor de spanbanden wordt ingedrukt,zodat de motorfiets tijdens het trans-port niet overmatig kan stuiteren.UBU3D1D0.book Page 5 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-13DAU10979StartblokkeersysteemDit voertuig is voorzien van een startblok-keersysteem waarmee diefstal kan wordenbemoeilijkt door de codering van de stan-daardsleutels te wijzigen. Het systeem be-staat uit de volgende onderdelen: een codeersleutel twee standaardsleutels een transponder (in elke sleutel) een startblokkeereenheid (op hetvoertuig) een ECU (op het voertuig) een controlelampje voor het systeem(pagina 3-5)Over de sleutelsDe sleutel met het rode bovendeel wordtgebruikt om de twee standaardsleutels tecoderen. Bewaar de codeersleutel op eenveilige plaats. Ga als dat nodig is met demachine en alle drie sleutels naar eenYamaha dealer om de sleutels opnieuw telaten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeelniet om met het voertuig te rijden.

Dezesleutel dient uitsluitend te worden gebruiktvoor het opnieuw coderen van de stan-daardsleutels. Gebruik altijd een stan-daardsleutel om met het voertuig te rijden. OPMERKING Bewaar de standaardsleutels en desleutels van andere startblokkeersy-stemen altijd op een andere plek dande codeersleutel.  Houd sleutels van andere startblok-keersystemen altijd uit de buurt vanhet contactslot, want anders kunnenze signaalstoring veroorzaken. LET OPDCA11823ZORG DAT U DE CODEERSLEUTELNIET VERLIEST. NEEM DIRECT CON-TACT OP MET UW DEALER ALS U HEMVERLOREN HEBT. Als u de codeersleu-tel bent verloren, kan de machine nogworden gestart met de bestaande stan-daardsleutels. Het is echter niet meermogelijk om een nieuwe standaardsleu-tel te registreren. Als alle sleutels zijnverloren of beschadigd, moet het volle-dige startblokkeersysteem worden ver-vangen. Ga daarom zorgvuldig met desleutels om.

 Dompel ze niet onder in water.  Stel ze niet bloot aan hoge tempe-raturen.  Plaats ze niet in de buurt van mag-neten.  Plaats ze niet in de buurt van appa-raten die elektrische signalen uit-zenden.  Ga er niet ruw mee om.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-23DAU10474Contactslot/stuurslotVia het contactslot/stuurslot worden hetontstekingssysteem en de verlichtingssy-stemen bediend en wordt het stuur ver-grendeld. De diverse standen wordenhierna beschreven.OPMERKINGGebruik de standaardsleutel (zwarte greep)voor regelmatig gebruik van de machine.Bewaar de codeersleutel (rode greep) opeen veilige plaats en gebruik deze uitslui-tend voor hercodering om het risico op ver-lies te minimaliseren.DAU38531ONAlle elektrische circuits worden voorzienvan stroom; de instrumentenverlichting, hetachterlicht, de kentekenverlichting en hetparkeerlicht gaan branden en de motor kanworden gestart.

De sleutel kan niet wordenuitgenomen.OPMERKINGDe koplamp gaat automatisch branden alsde motor wordt gestart en blijft aan totdatde sleutel naar “OFF” wordt gedraaid, zelfsals de motor afslaat.DAU10662OFFAlle elektrische systemen zijn uitgescha-keld. De sleutel kan worden uitgenomen.WAARSCHUWINGDWA10062Draai nooit de sleutel naar “OFF” of“LOCK” terwijl de machine rijdt. Hier-door worden de elektrische systemenuitgeschakeld, wat mogelijk kan leidentot verlies van de controle of een onge-val.DAU1068BLOCKHet stuur is vergrendeld en alle elektrischesystemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kanworden uitgenomen.Om het stuur te vergrendelen1. Draai het stuur helemaal naar links.2. Druk de sleutel in de “OFF”-stand inen draai deze dan naar “LOCK”.3. Neem de sleutel uit.OPMERKINGAls het stuur niet wordt vergrendeld, pro-beer het dan iets terug naar rechts te draai-en.PONOFFLOCK1. Drukken.2.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-33Om het stuur te ontgrendelenDruk de sleutel in de stand “LOCK” in endraai deze dan naar “OFF”. DAU59680 (Parkeren)De alarmverlichting en richtingaanwijzerskunnen worden ingeschakeld, maar alle an-dere elektrische systemen zijn uit. De sleu-tel kan worden uitgenomen. Het stuur moet zijn vergrendeld om desleutel naar “ ” te kunnen draaien. LET OPDCA20760Als u de alarmverlichting of de richting-aanwijzers langdurig gebruikt, kan dit deaccu ontladen. DAU4939DControlelampjes en waarschu-wingslampjesDAU11032Controlelampjes richtingaanwijzers“” en“”Elk controlelampje gaat knipperen wanneerde bijbehorende richtingaanwijzer knippert. DAU11061Vrijstandcontrolelampje “ ”Dit controlelampje brandt terwijl de versnel-lingsbak in de vrijstand staat.

DAU11081Controlelampje grootlicht “ ”Dit controlelampje brandt terwijl de kop-lamp is ingeschakeld voor grootlicht. DAU59962Waarschuwingslampje oliedruk “ ”Dit waarschuwingslampje gaat branden alsde motoroliedruk laag is. Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutelnaar “ON” te draaien. Het waarschu-wingslampje moet weer gaan branden na-dat het kort is uitgegaan, en dan blijvenbranden totdat de motor is gestart. Als het waarschuwingslampje niet gaatbranden als de sleutel naar “ON” wordt ge-draaid, vraag dan een Yamaha-dealer omhet elektrische circuit te controleren. LET OPDCA21210Als het waarschuwingslampje gaatbranden terwijl de motor draait, zet demotor dan onmiddellijk uit en controleerhet olieniveau. Als het olieniveau bene-den het minimumniveau staat, vul danvoldoende olie van de aanbevolen soort1. Drukken. 2. Draaien. 121.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-43bij tot het correcte niveau. Als het waar-schuwingslampje oliedruk blijft brandenterwijl het olieniveau in orde is, zet danonmiddellijk de motor af en laat hetvoertuig controleren door een Yamaha-dealer. OPMERKINGAls het waarschuwingslampje niet uitgaatnadat de motor is gestart, controleer danhet motorolieniveau en vul indien nodig oliebij. (Zie pagina 6-10. )Als het waarschuwingslampje blijft brandennadat u olie hebt bijgevuld, vraag dan eenYamaha-dealer om het voertuig te contro-leren. DAU11447Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur “ ”Dit waarschuwingslampje gaat branden alsde motor oververhit raakt. Zet in zo’n gevalde motor onmiddellijk af en geef deze detijd om af te koelen. Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutelnaar “ON” te draaien.

Het waarschu-wingslampje moet enkele seconden oplich-ten en dan uitgaan. Licht het waarschuwingslampje niet met-een op wanneer u de sleutel naar “ON”draait of blijft het lampje branden, laat hetelektrisch circuit dan door een Yamahadealer controleren. LET OPDCA10022Laat de motor niet draaien terwijl dezeoververhit is. OPMERKING Bij machines met een of meer radia-torkoelvinnen schakelt de radiator-koelvin automatisch in of uit op basisvan de koelvloeistoftemperatuur in deradiator.  Als de motor oververhit raakt, staanop pagina 6-38 nadere instructies ver-meld. DAU73171Waarschuwingslampje motorstoring“”Dit waarschuwingslampje gaat branden alser een storing wordt gedetecteerd in demotor of een ander regelsysteem van demachine. Vraag in dat geval een Yamahadealer het boorddiagnosesysteem te con-troleren.

Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutelnaar “ON” te draaien. Het waarschu-wingslampje moet enkele seconden oplich-ten en dan uitgaan.

Als het waarschuwingslampje niet gaatbranden wanneer de sleutel naar “ON”wordt gedraaid of blijft branden, vraag danuw Yamaha dealer om de machine na tezien. DAU69891ABS-waarschuwingslampje “ ” Onder normale omstandigheden gaat ditwaarschuwingslampje branden als de sleu-tel naar “ON” wordt gedraaid en gaat het uitzodra met een snelheid van 10 km/h(6 mi/h) of hoger wordt gereden. Als het ABS-waarschuwingslampje: niet gaat branden wanneer de sleutelnaar “ON” wordt gedraaid gaat branden of knipperen tijdens hetrijden niet uitgaat wanneer met een snelheidvan 10 km/h (6 mi/h) of hoger wordtgeredenWerkt het ABS-systeem mogelijk niet goed. Vraag als een van de bovenstaande geval-len zich voordoet zo snel mogelijk eenYamaha dealer het systeem te controleren. (Zie pagina 3-14 voor uitleg over de wer-king van het ABS-systeem. )ABSUBU3D1D0. book Page 4 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-53WAARSCHUWINGDWA16041Als het ABS-waarschuwingslampje nietuitgaat zodra met een snelheid van 10km/h (6 mi/h) of hoger wordt gereden, ofals het waarschuwingslampje tijdenshet rijden gaat branden of knipperen,keert het remsysteem terug naar con-ventioneel remmen. Als een van de bo-venstaande gevallen zich voordoet, ofals het waarschuwingslampje helemaalniet gaat branden, rij dan extra voorzich-tig om te voorkomen dat de remmen innoodsituaties blokkeren. Laat het rem-systeem en de elektrische circuits zosnel mogelijk door een Yamaha dealercontroleren. DAUM3621Controlelampje startblokkering “”Als de sleutel naar “OFF” wordt gedraaid,begint het controlelampje na 30 secondencontinu te knipperen om aan te geven dathet startblokkeersysteem is ingeschakeld.

Het controlelampje stopt na 24 uur metknipperen, maar het startblokkeersysteemblijft ingeschakeld. Het elektrisch circuit voor het controle-lampje kan worden gecontroleerd door desleutel naar “ON” te draaien. Het controle-lampje moet enkele seconden oplichten endan uitgaan. Als het controlelampje niet gaat brandenwanneer de sleutel naar “ON” wordt ge-draaid, blijft branden of in een patroonknippert, laat de machine dan nazien dooreen Yamaha dealer. (Als er een probleemwordt gedetecteerd in het startblokkeersy-steem, gaat het controlelampje startblok-kering in een patroon knipperen. )OPMERKINGAls het controlelampje startblokkeringknippert in het patroon 5 keer langzaam ge-volgd door 2 keer snel, betreft dit mogelijkeen storing in het transpondersignaal. Alsdeze fout zich voordoet, probeer dan hetvolgende. 1. Houd andere startblokkeersleutels uitde buurt van het contactslot.

Het aanbrengen van wijzigingen tij-dens het rijden kan u afleiden envergroot het risico op een ongeval.De multifunctionele meter biedt de volgen-de voorzieningen: een snelheidsmeter een toerenteller een brandstofniveaumeter een eco-controlelampje een aanduiding voor de ingeschakel-de versnelling een multifunctioneel displayOPMERKING Draai de sleutel naar “ON” alvorens deonderste en bovenste insteltoets tegebruiken, behalve bij het wisselennaar de helderheidsregeling of om deklok weer te geven. Voor Verenigd Koninkrijk: Om te wis-selen tussen de kilometer- en mijlen-weergave van de snelheidsmeter enhet multifunctionele display, zet u hetmultifunctionele display in de kilome-tertellermodus of een rittellermodusen houdt u vervolgens de onderste in-steltoets drie seconden lang inge-drukt.SnelheidsmeterDe snelheidsmeter geeft de rijsnelheid vanhet voertuig aan.ToerentellerMet de toerenteller kan de bestuurder hetmotortoerental controleren en dit binnenhet ideale bereik houden.LET OPDCA10032Laat de motor niet draaien terwijl de toe-renteller in de rode zone wijst.Rode zone: 10000 tpm en hoger1.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-73BrandstofniveaumeterDe brandstofniveaumeter geeft aan hoe-veel brandstof in de tank aanwezig is. Dedisplaysegmenten van de brandstofniveau-meter verdwijnen van “F” (volle tank) naar“E” (lege tank) naarmate het brandstofni-veau daalt. Als het laatste segment en deomkadering beginnen te knipperen, dient uzo snel mogelijk te tanken.OPMERKINGDeze brandstofniveaumeter is voorzien vaneen zelfdiagnosesysteem. Als er een pro-bleem wordt gedetecteerd in het elektri-sche circuit van de brandstoftank, gaan desegmenten en omkadering van de brand-stofniveaumeter en “ ” knipperen. Als ditzich voordoet, vraag dan een Yamaha-dea-ler de machine te controleren.Eco-controlelampjeDit controlelampje gaat aan wanneer demachine wordt gebruikt op een milieuvrien-delijke, energiezuinige manier.

Het contro-lelampje gaat uit als u de machine stopt.OPMERKINGHierna volgen enkele tips om het brand-stofverbruik te verlagen: Voer het motortoerental tijdens acce-lereren niet te hoog op. Rijd met een constante snelheid. Selecteer de versnelling die geschiktis voor de snelheid van de machine.Aanduiding ingeschakelde versnellingDeze aanduiding geeft aan welke versnel-ling is ingeschakeld. De vrijstand wordtaangegeven door “–” en door het vrijstand-controlelampje.Multifunctioneel display1. Frame2. BrandstofniveaumeterZAUM13311121. Eco-controlelampje “ECO”ZAUM133211. Vrijstandcontrolelampje “ ”2. Aanduiding ingeschakelde versnelling1. Multifunctioneel displayZAUM133312ZAUM13341UBU3D1D0.book Page 7 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-83Het multifunctionele display toont de vol-gende voorzieningen: een kilometerteller twee rittellers een ritteller brandstofreserve een weergave huidig brandstofver-bruik een weergave gemiddeld brandstof-verbruik een weergave koelvloeistoftempera-tuur een weergave luchttemperatuur een klok een helderheidsregelingDe kilometerteller toont de totale afstanddie met de machine is afgelegd. De rittellers tonen de afgelegde afstandsinds de tellers voor het laatst werden te-ruggesteld. OPMERKING De kilometerteller wordt vergrendeldbij 999999 en kan niet worden terug-gesteld.  De ritteller wordt teruggesteld naar 0en blijft tellen nadat 9999. 9 is bereikt.

_ MPG → _ _ °C → Air__ °C → Clock _ _ :_ _ → ODOOPMERKING Druk op de bovenste insteltoets om inomgekeerde volgorde te wisselen tus-sen de weergaven.  De brandstofreserve-ritteller en fout-codes worden automatisch weerge-geven, maar de helderheidsregelingmoet afzonderlijk worden geselec-teerd. Als het onderste segment en de omkade-ring van de brandstofniveaumeter begin-nen te knipperen, wisselt de weergaveautomatisch naar de brandstofreserve-rit-teller “TRIP F” en wordt de afgelegde af-stand vanaf dat punt aangegeven. In datgeval wordt door het indrukken van de on-derste insteltoets in de onderstaande volg-orde gewisseld tussen de diverseweergaven van rittellers, kilometerteller enbrandstofverbruik:TRIP F → km/L of L/100 km → AVE_ _. _km/L of AVE_ _.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-93Om een ritteller op nul terug te stellen, se-lecteert u deze door op de onderste instel-toets te drukken en dan de bovensteinsteltoets een seconde lang ingedrukt tehouden. Als u de brandstofreserve-ritteller niethandmatig terugstelt, wordt deze automa-tisch teruggesteld zodra u na het tanken 5km (3 mi) hebt gereden. De ritteller ver-dwijnt dan vanzelf van het display. Huidig brandstofverbruikDe weergave van het huidige brandstofver-bruik kan worden ingesteld op “km/L” of“L/100 km”, en op “MPG” of “km/L” of“L/100 km” voor het Verenigd Koninkrijk.  “km/L”: De afstand die onder de huidi-ge rijomstandigheden kan worden af-gelegd met 1. 0 L brandstof.  “L/100 km”: De hoeveelheid brandstofdie nodig is om onder de huidige rij-omstandigheden 100 km af te leggen.

 “MPG”: De afstand die onder de huidi-ge rijomstandigheden kan worden af-gelegd met 1. 0 Imp. gal brandstof. Houd de onderste insteltoets twee secon-den lang ingedrukt om te wisselen tussende weergaven voor het huidige brandstof-verbruik. OPMERKINGBij snelheden onder 20 km/h (12 mi/h)wordt “_ _. _” weergegeven. Gemiddeld brandstofverbruikDeze weergave toont het gemiddeldebrandstofverbruik sinds de weergave opnul is teruggezet. De weergave van het gemiddelde brand-stofverbruik kan worden ingesteld op“AVE_ _. _ km/L”, “AVE_ _. _ L/100 km” of“AVE_ _. _ MPG” (voor het Verenigd Ko-ninkrijk).  “AVE_ _. _ km/L”: De gemiddelde af-stand die kan worden afgelegd op1. 0 L brandstof.  “AVE_ _. _ L/100 km”: De gemiddeldehoeveelheid brandstof die nodig is om100 km af te leggen.  “AVE_ _. _ MPG”: De gemiddelde af-stand die kan worden afgelegd op1. 0 Imp. gal brandstof.

Om de weergave van het gemiddeldebrandstofverbruik terug te stellen, houdt ude bovenste insteltoets een seconde langingedrukt. OPMERKINGNadat u de weergave van het gemiddeldebrandstofverbruik hebt teruggesteld, wordt“_ _. _” weergegeven totdat 1 km (0. 6 mi)met de machine is afgelegd. 1. Weergave huidig brandstofverbruikZAUM133511. Weergave gemiddeld brandstofverbruikZAUM13361UBU3D1D0. book Page 9 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM.

Deweergegeven temperatuur kan afwijkenvan de werkelijke omgevingstemperatuur.OPMERKING Bij een luchttemperatuur onder –9 °Cwordt “Lo” weergegeven. De nauwkeurigheid van de tempera-tuuraflezing kan worden beïnvloeddoor langzaam rijden (onder 20 km/h[12.5 mi/h]) of door het oponthoud bijverkeerslichten, spoorwegovergan-gen etc.KlokDe klok geeft de tijd weer in een 12-uursin-deling. Zelfs wanneer de sleutel niet in destand “ON” staat, kan de klok 10 secondenworden weergegeven door op de ondersteinsteltoets te drukken.De klok instellen1. Draai de sleutel naar “ON”.2. Houd de onderste insteltoets en bo-venste insteltoets tegelijk twee secon-den lang ingedrukt, en deurenaanduiding begint te knipperen.3. Druk op de bovenste insteltoets omde uren in te stellen.4. Druk op de onderste insteltoets en deminutenaanduiding begint te knippe-ren.1. Weergave koelvloeistoftemperatuurZAUM133711.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-1135. Druk op de bovenste insteltoets omde minuten in te stellen.6. Druk op de onderste insteltoets om deinstellingen te bevestigen en de klokaan te zetten.OPMERKING Druk bij het instellen van de uren enminuten kort op de bovenste instel-toets om de waarde in stappen vanéén te verhogen, of houd de toets in-gedrukt om de waarde doorlopend teverhogen.HelderheidsregelingDe weergavehelderheid van de multifuncti-onele meter kan worden aangepast aan devoorkeur van de bestuurder.Om de helderheid in te stellen1. Draai de sleutel naar “OFF”.2. Druk op de onderste insteltoets enhoud deze vast.3. Draai de sleutel naar “ON” en blijf deonderste insteltoets ingedrukt houdentotdat de weergave wisselt naar dehelderheidsregeling.4. Druk op de bovenste insteltoets omhet helderheidsniveau in te stellen.5.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-123DAU12352Lichtsignaalschakelaar “ ”Druk deze schakelaar in om de koplampeen lichtsignaal te laten afgeven. OPMERKINGAls de dimlichtschakelaar is ingesteldop “ ”, heeft de lichtsignaalschakelaargeen effect. DAU12401Dimlichtschakelaar “ / ”Zet deze schakelaar op “ ” voor groot-licht en op “ ” voor dimlicht. DAU12461Richtingaanwijzerschakelaar “ / ”Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaannaar rechts aan te geven. Druk deze scha-kelaar naar “ ” om afslaan naar links aante geven. Na loslaten keert de schakelaarterug naar de middenstand. Om de rich-tingaanwijzers uit te schakelen wordt deschakelaar ingedrukt nadat hij is terugge-keerd in de middenstand. DAU12501Claxonschakelaar “ ”Druk deze schakelaar in om een claxonsig-naal te geven.

DAU68270Startschakelaar/noodstopschakelaar“//”Om de motor te starten met de startmotor,zet u deze schakelaar op “ ” en schuift ude schakelaar vervolgens naar “ ”. Ziepagina 5-1 voor startinstructies voordat ude motor start. Zet deze schakelaar op “ ” om de motordirect uit te schakelen in een noodgeval,zoals wanneer de machine omslaat of alsde gaskabel blijft hangen. DAU12735Schakelaar alarmverlichting “” Met de sleutel in de stand “ON” of “ ”kan deze schakelaar worden gebruikt voorhet inschakelen van de alarmverlichting(gelijktijdig knipperen van alle richtingaan-wijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in eennoodgeval of om andere verkeersdeelne-mers te waarschuwen als uw machine stil-staat in een mogelijk gevaarlijkeverkeerssituatie. LET OPDCA10062Gebruik de alarmverlichting niet gedu-rende langere tijd als de motor nietdraait omdat hierdoor de accu kan ont-laden.

Voor een soepelewerking van de koppeling moet de hendelsnel ingetrokken worden en langzaam wor-den losgelaten. De koppelingshendel is voorzien van eensperschakelaar die deel uitmaakt van hetstartspersysteem. (Zie pagina 3-22. )1. Koppelingshendel1UBU3D1D0. book Page 12 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-133DAU12874SchakelpedaalHet schakelpedaal bevindt zich aan de lin-kerzijde van de motor. Beweeg de schakel-hendel omhoog om te schakelen naar eenhogere versnelling. Beweeg het schakelpe-daal omlaag om te schakelen naar een la-gere versnelling. (Zie pagina 5-2.)DAU26826RemhendelDe remhendel bevindt zich aan de rechter-zijde van het stuur. Trek de hendel naar degasgreep toe om de voorrem te bekrachti-gen.De remhendel is voorzien van een stelwielvoor de positie van de remhendel. Om deafstand tussen de remhendel en de gas-greep af te stellen, trekt u de remhendel ietsvan de gasgreep af en draait u het stelwiel.Zorg dat het nummer van de instelling ophet stelwiel is uitgelijnd met het merktekenop de remhendel.DAU12944RempedaalHet rempedaal bevindt zich aan de rechter-zijde van de motorfiets.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-143DAU63040ABSHet Yamaha ABS (anti-blokkeervoorzieningremsysteem) bestaat uit een dubbel uitge-voerd elektronisch regelsysteem dat devoorrem en achterrem onafhankelijk aan-stuurt.Gebruik de remmen met ABS net zoalsconventionele remmen. Bij activering vanhet ABS-systeem kan een pulsatie wordengevoeld in de remhendel of het rempedaal.Ga in dat geval door met remmen en laathet ABS-systeem het werk doen.

Ga niet“pompend” remmen, dit vermindert de re-meffectiviteit.WAARSCHUWINGDWA16051Houd altijd een veilige afstand tot voor-liggers, zelfs als uw voertuig is uitgerustmet ABS. Het ABS-systeem functioneert heteffectiefst over lange remwegen. Op bepaalde oppervlakken, zoalsslechte wegen of grindwegen, kande remafstand met het ABS-sy-steem langer zijn dan zonder ABS-systeem.Het ABS-systeem wordt bewaakt door eenECU die het systeem bij een storing laat te-rugkeren naar conventioneel remmen.OPMERKING Het ABS-systeem voert een zelfdiag-nosetest uit telkens nadat de sleutelop “ON” is gezet en het voertuig rijdtmet een snelheid van 10 km/h (6 mi/h)of hoger. Tijdens deze test hoort u een“klikkend” geluid van de hydraulischeregeleenheid en wanneer u de rem-hendel of het rempedaal licht bedient,kan een trilling in de hendel of het pe-daal voelbaar zijn.

Dit duidt niet op eenstoring. Dit ABS-systeem is uitgerust met eentestfunctie waarbij de bestuurder pul-saties kan voelen in de remhendel ofhet rempedaal terwijl het ABS-sy-steem actief is. Er is echter speciaalgereedschap vereist, dus neem con-tact op met uw Yamaha dealer.LET OPDCA20100Let op dat de wielsensor en de rotor vande wielsensor niet beschadigd raken,anders kan het ABS-systeem niet meernaar behoren werken.1. Voorwielsensor2. Opneemring voorwielsensor1. Achterwielsensor2. Opneemring achterwielsensor1212UBU3D1D0.book Page 14 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-153DAU13076TankdopOpenen van de tankdopOpen het slotplaatje op de tankdop, steekde sleutel in het slot en draai hem dan 1/4slag rechtsom. Het slot wordt ontgrendelden de tankdop kan worden verwijderd.Sluiten van de tankdopDuw de brandstoftankdop omlaag terwijlde sleutel nog in het slot zit. Draai de sleutel1/4 slag linksom, neem de sleutel uit ensluit dan het slotplaatje.OPMERKINGDe tankdop kan alleen worden geslotenmet de sleutel in het slot. Bovendien kan desleutel niet worden uitgenomen als de tank-dop niet correct gesloten en vergrendeld is.WAARSCHUWINGDWA11092Na het tanken moet de tankdop goedworden aangedraaid. Door brandstof-lekkage ontstaat brandgevaar.DAU13222BrandstofControleer of er voldoende brandstof in debrandstoftank aanwezig is.WAARSCHUWINGDWA10882Benzine en benzinedampen zijn zeerbrandbaar.

Volg de onderstaande in-structies om brand en ontploffing tevoorkomen en het letselrisico tijdens hettanken te verlagen.1. Zet alvorens te tanken de motor af enzorg dat er niemand op de machinezit. Rook nooit tijdens het tanken entank nooit in de nabijheid van vonken,open vuur of andere ontstekingsbron-nen zoals de waakvlammen van gei-sers en kledingdrogers.2. Maak de brandstoftank niet te vol.Steek bij het tanken het vulpistoolgoed in de vulopening van de brand-stoftank. Stop met vullen zodra debrandstof de onderkant van de vulhalsheeft bereikt. Omdat brandstof uitzetals deze warm wordt, kan de warmtevan de motor of de zon ervoor zorgendat brandstof uit de brandstoftankstroomt.1. Slotplaatje tankdop2. Ontgrendelen.12UBU3D1D0.book Page 15 Wednesday, June 6, 2018 11:32 AM

Als u benzine op uw kledingmorst, trek dan andere kleding aan.DAU75300LET OPDCA11401Gebruik uitsluitend loodvrije benzine.Loodhoudende benzine veroorzaakternstige schade aan inwendige motor-onderdelen als kleppen en zuigerverenen ook aan het uitlaatsysteem.OPMERKING Deze markering geeft de aanbevolenbrandstof voor dit voertuig aan zoalsgespecificeerd in de Europese voor-schriften (EN228). Controleer bij het tanken of het vulpi-stool dezelfde markering draagt.Uw Yamaha motorblok is gebouwd op hetgebruik van loodvrije superbenzine met eenoctaangetal van RON 95 of hoger. Als demotor gaat detoneren (pingelen), gebruikdan benzine van een ander merk. Doorloodvrije benzine te gebruiken gaan bou-gies langer mee en blijven de onderhouds-kosten beperkt.GasoholEr bestaan twee typen gasohol: gasoholmet ethanol en gasohol met methanol.Gasohol met ethanol kan worden gebruikt,1.

Functies van instrumenten en bedieningselementen3-173mits het ethanolgehalte niet hoger is dan10% (E10). Gasohol met methanol wordtniet aangeraden door Yamaha aangeziendeze schade kan toebrengen aan hetbrandstofsysteem of problemen kan ople-veren met de voertuigprestaties.DAU55512Tankbeluchtingsslang en over-loopslangAlvorens de motorfiets te gebruiken: Controleer alle slangaansluitingen. Controleer alle slangen op scheurenof beschadiging en vervang indien no-dig. Controleer voor alle slangen of het uit-einde ervan niet is verstopt en reinigindien nodig. Controleer of alle slangen door deklem worden geleid. Controleer of het verfmerkteken opalle slangen onder de klem is ge-plaatst.DAU13434UitlaatkatalysatorDit model is uitgerust met een uitlaatkataly-sator.WAARSCHUWINGDWA10863Het uitlaatsysteem is heet nadat de mo-tor heeft gedraaid.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Yamaha XSR700 (2020) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden