Yamaha MT10 SP (2024) Handleiding

Yamaha Motor MT10 SP (2024)

Bekijk gratis de handleiding van Yamaha MT10 SP (2024) (126 pagina’s), behorend tot de categorie Motor. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 19 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Yamaha MT10 SP (2024) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/126
Lees deze handleiding
aandachtig door voordat u deze
machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
MOTORFIETS
D83-F8199-D0
MTN1000D (MT-10 SP)
1
2
3
4
5
6
7
8
9
1
0
11
Veiligheidsinformatie
Beschrijving
Speciale kenmerken
Functies van instrumenten en
bedieningselementen
Voor uw veiligheid – controles voor het rijden
Gebruik en belangrijke rij-informatie
Periodiek onderhoud en afstelling
Verzorging en stalling van de motorfiets
Specificaties
Gebruikersinformatie
Index
D83-F8199-D0_cover.indd 1D83-F8199-D0_cover.indd 12023/11/09 9:36:162023/11/09 9:36:16

Beoordeel deze handleiding

4.8/5 (9 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Yamaha
Categorie: Motor
Model: MT10 SP (2024)

Handleiding Yamaha MT10 SP (2024) – volledige tekst

Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken.HANDLEIDINGMOTORFIETSD83-F8199-D0MTN1000D (MT-10 SP)1234567891011VeiligheidsinformatieBeschrijvingSpeciale kenmerkenFuncties van instrumenten en bedieningselementenVoor uw veiligheid – controles voor het rijdenGebruik en belangrijke rij-informatiePeriodiek onderhoud en afstellingVerzorging en stalling van de motorfietsSpecificatiesGebruikersinformatieIndexD83-F8199-D0_cover.indd 1D83-F8199-D0_cover.indd 1 2023/11/09 9:36:162023/11/09 9:36:16

DAU81566 Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij demachine te blijven als deze wordt verkocht.DAU81572Conformiteitsverklaring:Hierbij verklaart YAMAHA MOTOR ELECTRONICS Co., Ltd dat de radioapparatuur van het type STARTBLOKKERING,B5Y-00, in overeenstemming is met Richtlijn 2014/53/EU.De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring kan worden geraadpleegd op het volgende internetadres:https://global.yamaha-motor.com/eu_doc/Frequentieband: 134.2 kHzMaximaal radiofrequentievermogen: 49.0 [dBμV/m]Fabrikant:YAMAHA MOTOR ELECTRONICS Co., Ltd1450-6 Mori, Mori-machi, Shuchi-Gun, Shizuoka, 437-0292 JapanImporteur:YAMAHA MOTOR EUROPE N.V.Koolhovenlaan 101, 1119 NC Schiphol-Rijk, 1117 ZN, Schiphol, NederlandD83-F8199-D0_cover.indd 2D83-F8199-D0_cover.indd 2 2023/11/09 9:36:172023/11/09 9:36:17

DAU94372Voor het Verenigd KoninkrijkConformiteitsverklaring:Hierbij verklaart YAMAHA MOTOR ELECTRONICS Co., Ltd dat de radioapparatuur van het type STARTBLOKKERING,B5Y-00, in overeenstemming is met de voorschriften voor radioapparatuur 2017.De volledige tekst van de conformiteitsverklaring kan worden geraadpleegd op het volgende internetadres:https://global.yamaha-motor.com/eu_doc/Frequentieband: 134.2 kHzMaximaal radiofrequentievermogen: 49.0 [dBμV/m]Fabrikant:YAMAHA MOTOR ELECTRONICS Co., Ltd1450-6 Mori, Mori-machi, Shuchi-Gun, Shizuoka, 437-0292 JapanImporteur:YAMAHA MOTOR EUROPE N.V., BRANCH UKUnits A2-A3, Kingswey Business Park, Forsyth Road, Woking, Surrey. GU21 5SA. Verenigd Koninkrijk.

DAU10103Welkom in de wereld van Yamaha!Als eigenaar van de MTN1000D profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpenen fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw MTN1000D. DeHandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de machine en beschrijft hoe u uzelf en anderen kuntbeschermen tegen persoonlijk letsel of schade.Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw machine in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn,aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe.

En vergeet niet, veiligheid voor alles!Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn vankleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recen-te productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.DWA10032WAARSCHUWINGLees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze machine gaat gebruiken.Inleiding

DAU10134Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:Dit is het Safety Alert-symbool. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico’s op per-soonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlij-den te voorkomen.WAARSCHUWINGEen WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan resulte-ren in ernstig letsel of overlijden.LET OPDe aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om schadeaan de machine of andere eigendommen te voorkomen.OPMERKINGDe aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken ofverhelderen.*Product en specificaties kunnen zonder voorafgaande aankondiging worden gewijzigd.Belangrijke informatie in de handleiding

DAU1028CWees een verantwoordelijke eigenaarAls eigenaar van de machine bent u verant-woordelijk voor de veilige en juiste bedie-ning ervan. Motorfietsen zijn tweewielige voertuigen. Voor een veilig gebruik zijn de toepassingvan de juiste rijtechnieken en de ervaringvan de bestuurder van belang. Elke be-stuurder moet bekend zijn met de volgen-de vereisten alvorens met deze motorfietste gaan rijden. Hij of zij moet:l Door een competente informatiebrongrondig zijn ingelicht over alle aspec-ten van het motorrijden. l Zich houden aan de waarschuwingenen onderhoudseisen zoals vermeld indeze Gebruikershandleiding. l Grondig getraind zijn in veilige en cor-recte rijtechnieken. l Gebruikmaken van professioneletechnische service, zoals aangegevenin deze Gebruikershandleiding en/ofwanneer de mechanische conditiesdit vereisen. l Ga nooit rijden met een motorfietszonder passende rijopleiding of in-structies.

Neem rijlessen. Beginnersmoeten les krijgen van een gediplo-meerd instructeur. Neem contact opmet een bevoegde motorfietsdealervoor informatie over rijlessen bij u inde buurt. Veilig rijdenVoer vóór elke rit de controles voor het rij-den uit om u ervan te verzekeren dat demachine in veilige staat verkeert. Onvol-doende inspectie of onderhoud van de ma-chine vergroot het risico op ongeval ofschade. Zie pagina 5-1 voor een lijstmet controles voor het rijden. l Deze motorfiets is gebouwd voor hetvervoer van de bestuurder plus eenpassagier. l Het niet opmerken en herkennen vanmotorfietsen door andere weggebrui-kers vormt de belangrijkste oorzaakvan auto-/motorongevallen. Vaakworden ongevallen veroorzaakt door-dat een autobestuurder de motor nietheeft gezien. Zorg dat u opvalt, datblijkt het meest effectief om het risicoop een dergelijk type ongeval te ver-minderen. Dus:• Draag een jack in felle kleuren.

• Ga daar rijden waar andere wegge-bruikers u kunnen zien. Ga niet rij-den in de dode zichthoek van eenandere weggebruiker. • Pleeg nooit onderhoud aan eenmotorfiets zonder voldoende ken-nis. Neem contact op met een be-voegde motorfietsdealer voorinformatie over het basisonder-houd van een motorfiets. Bepaaldeonderhoudswerkzaamheden kun-nen alleen worden uitgevoerd doorgediplomeerd personeel. l Bij veel ongevallen zijn onervaren be-stuurders betrokken. Veelal zijn be-stuurders die bij een ongevalbetrokken waren zelfs niet in het bezitvan een geldig motorrijbewijs. • Zorg dat u bekwaam bent om te rij-den en leen uw motorfiets alleen uitaan ervaren motorrijders. • Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uwbeperkingen helpt u ongelukkenvoorkomen. • We raden aan om het motorrijdente oefenen op plekken waar geenverkeer is, totdat u grondig bekendVeiligheidsinformatie1-11.

bent met de motor en zijn bedie-ning. l Ongelukken worden vaak veroorzaaktdoor een fout van de motorbestuur-der. Veel bestuurders houden bij hetingaan van een bocht een te hoge rij-snelheid aan of gaan onvoldoendeschuinliggen voor de rijsnelheid,waardoor ze wijd uit de bocht komen. • Neem altijd de maximumsnelheidin acht en rijd nooit sneller dan dewegcondities en het verkeer toe-staan. • Geef altijd richting aan voordat uafslaat of van rijstrook wisselt. Zorgdat andere weggebruikers u kun-nen zien. l De zithouding van de bestuurder ende passagier is belangrijk voor eengoede besturing. • De bestuurder moet tijdens het rij-den beide handen aan het stuurhouden en beide voeten op de be-stuurdersvoetsteunen, om zo demacht over het stuur te behouden.

• De passagier hoort steeds de be-stuurder, de zadelband of dehandgreep, indien aanwezig, metbeide handen vast te houden enbeide voeten op de passagiers-voetsteunen te houden. Neemnooit een passagier mee die niet instaat is om beide voeten stevig opde passagiersvoetsteunen te zet-ten. l Rijd nooit onder invloed van alcohol ofandere drugs. l Deze motorfiets is uitsluitend ontwor-pen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-roadgebruik. Beschermende uitrustingMotorongelukken met dodelijke afloop be-treffen meestal hoofdletsel. Het dragen vaneen helm is de belangrijkste factor bij hetvoorkomen of reduceren van hoofdletsel. l Draag altijd een goedgekeurde helm. l Draag ook een vizier of een veilig-heidsbril. Zonder oogbeschermingkan uw zicht door de rijwind verslech-teren, waardoor u gevaren mogelijk telaat opmerkt.

De motor en het uitlaatsysteemkunnen tijdens en na het rijden zeerheet zijn en brandwonden veroorza-ken. l De hierboven vermelde voorzorgs-maatregelen gelden ook voor passa-giers. Voorkom koolmonoxidevergiftigingDe uitlaatgassen van verbrandingsmotorenbevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kan hoofd-pijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid,verwarring en uiteindelijk de dood veroor-zaken. Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos,smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijnals u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Hetkoolmonoxideniveau kan zeer snel oplo-pen, waardoor u het bewustzijn kunt verlie-zen en uzelf niet meer kunt redden. Inafgesloten of slecht geventileerde ruimteskunnen dodelijke hoeveelheden koolmono-xide dagenlang blijven hangen. Als usymptomen van koolmonoxidevergiftigingervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk,ga naar de open lucht en ROEP MEDI-SCHE HULP IN.

l Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatorenof open ramen en deuren kan de hoe-veelheid koolmonoxide snel oplopentot gevaarlijke niveaus. l Laat de motor niet draaien in slechtgeventileerde of deels afgeslotenruimtes zoals schuren of garages. l Laat de motor niet buiten draaien opplaatsen waar de uitlaatgassen in eengebouw kunnen worden getrokkenvia openingen zoals ramen en deuren. BeladenHet monteren van accessoires of het ver-voer van bagage kan een negatief effecthebben op de rijstabiliteit en het wegge-drag als hierdoor de gewichtsverdeling vande motor verandert. Wees uiterst voorzich-tig bij het monteren van accessoires of hetbeladen van uw motor, om zo mogelijkeongevallen te vermijden. Pas extra op wan-neer u op een motor rijdt die beladen is ofwaaraan accessoires zijn gemonteerd.

Hieronder volgen naast de informatie overaccessoires enkele richtlijnen voor het be-laden van uw motorfiets:Het totale gewicht van de bestuurder, pas-sagier, accessoires en bagage mag demaximale gewichtslimiet niet overschrij-den. Rijden met een te zwaar belastemachine kan leiden tot een ongeval. Maximale belasting:171 kg (377 lb)Let op het volgende wanneer u tot dezegewichtslimiet belaadt:l Het zwaartepunt van bagage en ac-cessoires moet zo laag mogelijk lig-gen en zo dicht mogelijk bij de motor. Bevestig zware goederen zo dichtmogelijk bij het midden van de machi-ne en verdeel het gewicht zo gelijkma-tig mogelijk over beide zijden omonbalans of instabiliteit te minimalise-ren. l Als gewicht gaat schuiven kan zicheen plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of ac-cessoires en bagage stevig aan demotor zijn bevestigd.

Dergelijke voorwerpen, inclusiefbagage als slaapzakken, plunje-zakken of tenten, kunnen een in-stabiel weggedrag of een te tragereactie op het stuur veroorzaken. l Deze machine is niet ontworpenvoor het trekken van een aanhan-ger of bevestiging van een zijspan. Originele Yamaha accessoiresDe keuze van accessoires voor uw machi-ne vormt een belangrijke beslissing. Origi-nele Yamaha accessoires, die alleenverkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijndoor Yamaha ontwikkeld, getest en goed-gekeurd voor gebruik op uw machine. Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aanYamaha produceren onderdelen en acces-soires of bieden aanpassingssets voorYamaha voertuigen. Yamaha kan niet alleproducten testen die deze bedrijven pro-duceren.

Om die reden kan Yamaha ac-cessoires die niet door Yamaha zijnverkocht of wijzigingen die niet door zijnYamaha zijn aangeraden niet goedkeurenof aanbevelen, zelfs niet als deze zijn ver-kocht en geïnstalleerd door een Yamahadealer. Veiligheidsinformatie1-31.

In de handel verkrijgbare onderdelen,accessoires en aanpassingssetsHoewel er producten verkrijgbaar zijn diequa ontwerp en kwaliteit sterk lijken op ori-ginele Yamaha accessoires, dient u te be-seffen dat sommige in de handelverkrijgbare accessoires of aanpassings-sets niet geschikt zijn vanwege mogelijkeveiligheidsrisico’s voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbareproducten of het verrichten van aanpassin-gen die de ontwerp- of bedieningskenmer-ken van uw machine wijzigen kan het risicoop ernstig letsel of overlijden van uzelf ofanderen vergroten. U bent verantwoorde-lijk voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingenaan de machine. Volg bij de montage van accessoires deonderstaande richtlijnen en die vermeldonder het kopje “Beladen”. l Monteer nooit accessoires en vervoernooit bagage als deze een nadeligeinvloed hebben op de prestaties vanuw motor.

Inspecteer het accessoirezorgvuldig alvorens het te gebruikenom te waarborgen dat het de grond-speling of de hellinghoek op geen en-kele manier vermindert, de veerweg,de stuuruitslag of de bediening nietbeperkt en geen lampen of reflectorsafdekt. • Accessoires die aan of nabij hetstuur of de voorvork zijn gemon-teerd zullen mogelijk instabiliteitveroorzaken door een foutieve ge-wichtsverdeling of door aerodyna-mische effecten. Accessoires aanhet stuur of nabij de voorvork moe-ten zo licht mogelijk zijn en tot eenminimum worden beperkt. • Omvangrijke accessoires kunnendoor hun aerodynamisch effectvan invloed zijn op de rijstabiliteitvan de motor. De motor kan doorrijwind worden opgetild of bij zij-wind instabiel worden. Zulke ac-cessoires kunnen ook instabiliteitveroorzaken terwijl u grote voertui-gen inhaalt of door deze wordt in-gehaald.

Zo’n verkeerde zitpositie beperktde bewegingsvrijheid van de be-stuurder en kan een comfortabelebediening hinderen, zodat we der-gelijke accessoires sterk afraden. l Wees voorzichtig bij het aanbrengenvan elektrische accessoires. Als elek-trische accessoires de capaciteit vanhet elektrisch systeem van de motor-fiets te boven gaan, kan zich een ge-vaarlijke elektrische storing voordoenwaardoor de verlichting of de motoruitvalt. In de handel verkrijgbare banden envelgenDe banden en velgen die bij uw motorfietswerden geleverd, zijn ontworpen om demogelijkheden van de motorfiets te onder-steunen en bieden de beste combinatievan rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combi-naties zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagi-na 7-15 voor de bandenspecificaties eninformatie over het onderhouden en ver-vangen van uw banden.

De motorfiets vervoerenVolg de onderstaande instructies als u demotorfiets in een ander voertuig wilt ver-voeren. l Verwijder alle loszittende voorwerpenvan de motorfiets. l Controleer of de brandstofkraan (in-dien aanwezig) in de uitstand staat ener geen brandstoflekkage is. l Schakel een versnelling in (bij model-len met een handgeschakelde ver-snellingsbak). Veiligheidsinformatie1-41.

l Zet de motorfiets vast met spanban-den of andere geschikte banden aanstevige delen van de motorfiets, zoalshet frame of de bovenste voorvor-kklem (en niet aan, bijvoorbeeld, hetstuur, de richtingaanwijzers of onder-delen die kunnen afbreken). Kies deplaats voor de spanbanden zorgvul-dig om te voorkomen dat deze tijdenshet transport schuurplekken op de lakveroorzaken.l Zorg indien mogelijk dat de vering ietsdoor de spanbanden wordt ingedrukt,zodat de motorfiets tijdens het trans-port niet overmatig kan stuiteren.Veiligheidsinformatie1-51

DAU93653YRC (Yamaha Ride Control)Yamaha Ride Control is een systeem datgebruikmaakt van verschillende sensorenen regeleenheden om een verbeterde rijer-varing mogelijk te maken. De machine regi-streert krachten in langsrichting (voor/achter), dwarsrichting (links/rechts) en ver-ticale richting (omhoog/omlaag) en kanhierop reageren. Ook de leunhoek en G-krachten worden gedetecteerd. Deze infor-matie wordt meerdere malen per secondeverwerkt en indien nodig worden de gerela-teerde fysieke systemen automatisch bij-gesteld. De volgende functies zijnafzonderlijke YRC-items die kunnen wor-den in- of uitgeschakeld of ingesteld naar-gelang de wensen van de bestuurder en derijomstandigheden. Zie pagina 4-15 en4-19 voor meer informatie over instellin-gen.

DWA18221WAARSCHUWINGHet Yamaha Ride Control (YRC)-sys-teem vormt geen vervanging voor hetgebruik van de juiste rijtechnieken of deervaring van de bestuurder. Het sys-teem kan geen controleverlies voorko-men dat wordt veroorzaakt door foutenvan de bestuurder zoals sneller rijdendan de weg- en verkeersomstandighe-den toestaan, inclusief verlies van gripdoor een te hoge snelheid bij het ingaanvan bochten en hard optrekken bij eenscherpe leunhoek of tijdens het rem-men. Ook kan het systeem wegslippenof omhoogkomen van het voorwiel nietvoorkomen. Rijd zoals bij elke motor-fiets binnen uw mogelijkheden, houd re-kening met deomgevingsomstandigheden en pas uwrijgedrag aan deze omstandighedenaan. Zorg dat u grondig vertrouwd raaktmet de manier waarop de motorfiets re-ageert bij diverse YRC-instellingen alvo-rens moeilijkere manoeuvres teproberen.

PWRHet vermogensafgiftemodussysteem be-staat uit vier verschillende kenvelden voorregeling van de gasklepopening in relatietot de gasgreepbediening. Hierdoor kunt ukiezen uit diverse modi naargelang uwvoorkeuren en de rijomgeving. 5643211. PWR 12. PWR 23. PWR 34. PWR 45. Gasklepopening6. Bediening gasgreepTractieregelingDe tractieregeling helpt bij het behoudenvan grip bij het optrekken.

maximale acceleratie mogelijk te maken,wordt in de rechtopstand minder tractiere-geling toegepast. In de bochten wordtmeer tractieregeling toegepast. TractieregelingOPMERKINGl Het is mogelijk dat de tractieregelingwordt geactiveerd wanneer de machi-ne over een hobbel rijdt. l Er zijn mogelijk kleine veranderingenin het motor- en uitlaatgeluid waar-neembaar wanneer de tractieregelingof andere YRC-systemen worden ge-activeerd. l Als de tractieregeling wordt uitge-schakeld, worden SCS en LIF auto-matisch ook uitgeschakeld. DWA15433WAARSCHUWINGDe tractieregeling vormt geen vervan-ging voor verstandig rijgedrag dat isaangepast aan de omstandigheden. Detractieregeling biedt geen beschermingtegen gripverlies door te snel ingaan vanbochten, snel optrekken bij schuin over-hangen of door remmen, en kan wegglij-den van het voorwiel niet voorkomen.

Rijd altijd voorzichtig op oppervlakkendie mogelijk glad kunnen zijn en vermijdbijzonder gladde oppervlakken. Als de sleutel naar “ON” wordt gedraaid,wordt de tractieregeling automatisch inge-schakeld. De tractieregeling kan alleenhandmatig worden in- of uitgeschakeldwanneer de sleutel in de stand “ON” staaten de machine is gestopt. OPMERKINGAls de machine vast is komen te zitten inmodder, zand of een ander zacht opper-vlak, schakel dan de tractieregeling uit omhet vrijmaken van het achterwiel te verge-makkelijken. DCA16801LET OPGebruik uitsluitend de voorgeschrevenbanden. (Zie pagina 7-15. ) Bij gebruikvan banden met een andere maat zal detractieregeling de wielrotatie niet nauw-keurig kunnen regelen. SCSDe anti-uitbreekregeling regelt de vermo-gensafgifte van de motor wanneer zijde-lings wegschuiven van het achterwielwordt gedetecteerd.

12341. EBM12. EBM23. Motorremkracht4. MotortoerentalDWA20880WAARSCHUWINGZorg dat de motor voldoende is ver-traagd voordat u naar een lagere ver-snelling schakelt. Als u naar een lagereversnelling schakelt bij een te hoog mo-tortoerental, kan het achterwiel grip ver-liezen. Dit kan leiden tot verlies van decontrole over de machine, een ongevalen letsel. Het kan ook resulteren inschade aan de motor of de aandrijflijn. SnelschakelsysteemHet snelschakelsysteem maakt elektro-nisch ondersteund schakelen zonder kop-pelingshendel mogelijk. Als de sensor opde schakelstang de juiste beweging vanhet schakelpedaal waarneemt, wordt hetmotorvermogen kortstondig aangepast omschakelen mogelijk te maken. Het snelschakelsysteem werkt niet als dekoppelingshendel wordt ingetrokken, nor-maal schakelen is dus ook mogelijk als hetsnelschakelsysteem is ingeschakeld.

Con-troleer de indicator snelschakelen voor ac-tuele status- en bruikbaarheidsinformatie. Bruikbaarheid snel-schakelsysteemIndicatorOpschakelen OKTerugschakelen OKOpschakelen en terug-schakelen OKSnelschakelsysteem kanniet worden gebruiktSnelschakelsysteem uit-geschakeldOpschakelomstandighedenl Rijsnelheid ten minste 20 km/h (12mi/h)l Motortoerental ten minste 2100 tpmTerugschakelomstandighedenl Rijsnelheid ten minste 20 km/h (12mi/h)l Motortoerental ten minste 2000 tpml Motortoerental ver genoeg verwijderdvan de rode zoneOPMERKINGl QS en QS kunnen individueelworden ingesteld. l Schakelen naar of uit de vrijstandmoet gebeuren met de koppelings-hendel. LIFHet anti-liftsysteem vermindert de snelheidwaarmee het voorwiel van de grond komtbij extreme acceleratie, zoals bij het wegrij-den of optrekken uit de bocht.

Als voor-wiellift wordt gedetecteerd, wordt hetmotorvermogen geregeld om de voorwiel-lift te vertragen met behoud van een goedeacceleratie. BCHet remregelsysteem reguleert de hydrauli-sche remdruk naar de voor- en achterwie-len als de remmen worden bekrachtigd enblokkeren van de wielen wordt gedetec-teerd.

om in te grijpen en de remkracht te maxi-maliseren bij rechtuit rijden.BC2 gebruikt aanvullende informatie vande IMU om de toegepaste remkracht inbochten te reguleren om laterale wielslip tebeperken.ABSBC1/BC2 BC2 BC2DWA20891WAARSCHUWINGHet remregelsysteem vormt geen ver-vanging voor het gebruik van de juisterij- en remtechnieken. Het remregelsys-teem kan niet elk gripverlies als gevolgvan overmatig remmen bij hoge snelhe-den of laterale wielslip bij remmen opgladde oppervlakken voorkomen.ERSDe elektronische racevering van ÖHLINS®bevat het OBTi-systeem (Objective-BasedTuning interface) voor vereenvoudigdeaanpassing van de modi van het automati-sche veersysteem op basis van de actuelerijsituatie. Daarnaast biedt het systeemhandmatige modi die een nauwkeurigeconventionele afstelling van het veersys-teem mogelijk maken.

DAU94382Cruise controlDit model is uitgerust met een cruise-con-trolsysteem, dat een ingestelde kruissnel-heid handhaaft zonder noodzaak degasgreep handmatig open te houden. De cruise control werkt alleen bij het rijdenin de 4e, 5e of 6e versnelling met snelhe-den tussen ongeveer 50 km/h (31 mi/h) en192 km/h (119 mi/h). DWA21240WAARSCHUWINGl Onjuist gebruik van de cruise con-trol kan leiden tot verlies van decontrole over de machine met mo-gelijk een ongeval tot gevolg. Ge-bruik geen cruise control in drukverkeer, slechte weersomstandig-heden of op bochtige, gladde, heu-velachtige of slechte wegen ofgrindwegen. l Wanneer u heuvelopwaarts of heu-velafwaarts rijdt, kan de cruisecontrol de ingestelde kruissnelheidmogelijk niet aanhouden. l Wanneer u de cruise control nietgebruikt, moet u deze uitschakelenom te voorkomen dat u deze perongeluk inschakelt.

OPMERKINGAls u de instelschakelaar eenmaal indrukt,wordt de ingestelde snelheid in stappenvan ongeveer 1. 0 km/h (1. 0 mi/h) gewij-zigd. Als u de instelschakelaar ingedrukthoudt, wordt de ingestelde snelheid instappen van 10 km/h (10 mi/h) gewijzigd. U kunt de rijsnelheid ook handmatig verho-gen met de gasgreep. Nadat u gas hebtgegeven, kunt u een nieuwe kruissnelheidSpeciale kenmerken3-63.

instellen door op de “SET–”-zijde van deinstelschakelaar te drukken. Als u geennieuwe kruissnelheid instelt en gas terug-neemt, remt de machine af tot de eerderingestelde kruissnelheid. OPMERKINGDe huidige snelheidsinstelling voor de crui-se control kan worden afgelezen van devoertuiginformatiedisplays. (Zie pagina4-12. )Cruise control uitschakelenVoer een van de volgende handelingen uitom de ingestelde kruissnelheid te annule-ren. Het controlelampje “” gaat uit. l Draai de gasgreep voorbij de geslotenstand in de deceleratierichting. 11. Deceleratierichtingl Bekrachtig de voor- of achterrem. l Knijp de koppelingshendel in. l SchakelenDruk op de aan-uitschakelaar van de crui-se control/YVSL “” om de cruise controluit te schakelen. Het controlelampje “”en het controlelampje “” gaan uit.

OPMERKINGDe rijsnelheid gaat dalen zodra cruise con-trol wordt uitgeschakeld, als tenminste nietaan de gasgreep wordt gedraaid. De hervattingsfunctie gebruikenDruk op de “RES+”-zijde van de instel-schakelaar van de cruise control/YVSL omde cruise control opnieuw te activeren. Derijsnelheid keert dan terug naar de eerderingestelde kruissnelheid. Het controlelamp-je “” gaat aan. DWA16351WAARSCHUWINGHet is gevaarlijk de hervattingsfunctie tegebruiken wanneer de eerder ingesteldekruissnelheid te hoog is voor de huidigeomstandigheden. OPMERKINGAls u op de aan-uitschakelaar van de crui-se control/YVSL “” drukt terwijl het sys-teem in werking is, wordt het systeemvolledig uitgeschakeld en wordt de eerderingestelde kruissnelheid gewist. U kunt dehervattingsfunctie pas weer gebruiken na-dat u een nieuwe kruissnelheid hebt inge-steld.

l Er is een wielslip of wielspin gedetec-teerd. (Als de tractieregeling niet isuitgeschakeld, werkt de tractierege-ling normaal wanneer cruise controlactief is)l De startschakelaar/noodstopschake-laar wordt in de stand “” gezet. l De motor slaat af. l De zijstandaard wordt omlaag gezet. Als u rijdt met een ingestelde kruissnelheiden de cruise control onder de bovenstaan-de omstandigheden wordt uitgeschakeld,gaat het controlelampje “” uit en knip-pert het controlelampje “” gedurende 4seconden, waarna het uitgaat. Speciale kenmerken3-73.

Als u niet rijdt met een ingestelde kruissnel-heid en de startschakelaar/noodstopscha-kelaar in de stand “” wordt gezet, demotor afslaat of de zijstandaard omlaagwordt gezet, gaat het controlelampje “”uit (het controlelampje “” knippert niet). Als de cruise control automatisch wordtuitgeschakeld, moet u stoppen en contro-leren of de machine in goede staat ver-keert. Voordat u de cruise control opnieuw ge-bruikt, moet u deze inschakelen met deaan-uitschakelaar van de cruise control/YVSL “”. OPMERKINGIn bepaalde gevallen kan de cruise controlde ingestelde kruissnelheid mogelijk nietaanhouden wanneer u heuvelopwaarts ofheuvelafwaarts rijdt met de machine. l Wanneer u heuvelopwaarts rijdt metde machine, kan de werkelijke rijsnel-heid lager worden dan de ingesteldekruissnelheid. Als dit gebeurt, accele-reert u met de gasgreep tot de ge-wenste rijsnelheid.

l Wanneer u heuvelafwaarts rijdt metde machine, kan de werkelijke rijsnel-heid hoger worden dan de ingesteldekruissnelheid. Als dit gebeurt, kunt ude instelschakelaar van de cruisecontrol/YVSL niet gebruiken om deingestelde kruissnelheid aan te pas-sen. Als u de rijsnelheid wilt verlagen,gebruikt u de remmen. Wanneer u deremmen gebruikt, wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. DAU93493Yamaha Variable Speed Limiter(YVSL)Dit model is uitgerust met de Yamaha Vari-able Speed Limiter (YVSL), die de machinebegrenst op een door de bestuurder inge-stelde maximumsnelheid. De YVSL kan worden ingesteld op elkesnelheidslimiet tussen 50 km/h (31 mi/h) en192 km/h (119 mi/h). Als de ingesteldesnelheidslimiet wordt bereikt, wordt hetmotorvermogen beperkt om te voorkomendat de machine zonder gasklepregeling deingestelde snelheidslimiet overschrijdt.

DWA21200WAARSCHUWINGl Onjuist gebruik van het YVSL-sys-teem kan leiden tot verlies van decontrole over de machine met mo-gelijk een ongeval tot gevolg.

Ge-bruik het YVSL-systeem niet indruk verkeer, slechte weersom-standigheden of op bochtige, glad-de, heuvelachtige of slechte wegenof grindwegen. l Het YVSL-systeem kan de ingestel-de snelheidslimiet mogelijk niethandhaven bij bergop of bergaf rij-den of bij abrupt optrekken. l Als u het YVSL-systeem niet ge-bruikt, moet u het uitschakelen omSpeciale kenmerken3-83.

te voorkomen dat u het per ongelukactiveert. Verzeker u ervan dat deYVSL-weergave uit is. km/h 12 N12:00 EBM 1 3SCSkm/h50LIMOFFOFFA-13121. YVSL-weergave2. Indicator snelheidsinstelling3. Pictogram YVSL-indicator “ ”RESSETMODEPASS1231. Instelschakelaar cruise control/YVSL“RES+”2. Aan-uitschakelaar cruise control/YVSL“”3. Instelschakelaar cruise control/YVSL“SET–”OPMERKINGIn sommige gevallen kan het YVSL-sys-teem de ingestelde snelheidslimiet moge-lijk niet handhaven als de machine bergafrijdt, bij abrupt optrekken of direct na eenschakelhandeling. l Als de machine de ingestelde snel-heidslimiet met meer dan 5 km/h (3mi/h) of langer dan 3 seconden over-schrijdt, zal het pictogram van deYVSL-indicator “” knipperen tot-dat de rijsnelheid tot onder de limiet isgedaald. l Als de rijsnelheid van de machine ho-ger wordt dan de ingestelde snel-heidslimiet, gebruik dan de remmen.

Als de YVSL wordt gedeactiveerd, wordthet motorvermogen geleidelijk vrijgegevenom een soepele overgang naar volledigecontrole van de gasregeling door de be-stuurder te verzekeren. De YVSL activeren en instellen1. Druk op de aan-uitschakelaar van decruise control/YVSL “” links op hetstuur. Het controlelampje van de crui-se control “” gaat branden. 2. Druk nogmaals op de aan-uitschake-laar van de cruise control/YVSL “”om de YVSL in de stand-bymodus tezetten. De brandstofniveaumeter(aanduiding ingeschakelde versnellingin TRACK MODE) wordt vervangendoor de YVSL-weergave met het pic-togram van de YVSL-indicator “”en een indicator voor de snelheidsin-stelling. 3. Druk op de “SET–”-zijde van de in-stelschakelaar van de cruise control/YVSL om de YVSL te activeren.

OPMERKINGl Als u op de aan-uitschakelaar van decruise control/YVSL “ ” drukt terwijlde cruise control actief is en het con-trolelampje voor de cruise-controlin-stelling “ ” brandt, schakelt deYVSL ook naar de stand-bymodus. l De cruise control en het YVSL-sys-teem kunnen niet tegelijkertijd actiefzijn. Speciale kenmerken3-93.

l Als het pictogram van de indicatorvoor de snelheidsinstelling van kleurverandert en knippert, laat de machi-ne dan controleren door een Yamahadealer. km/h 12 N12:00 EBM 1 3SCSkm/hLIMOFFOFFA-111. Pictogram indicator snelheidsinstellingDe snelheidslimiet aanpassenDruk terwijl de YVSL actief is op de“RES+”-zijde van de instelschakelaar vande cruise control/YVSL om de ingesteldesnelheidslimiet te verhogen of op de“SET–”-zijde om de ingestelde snelheidsli-miet te verlagen. OPMERKINGAls u de instelschakelaar eenmaal indrukt,wordt de ingestelde snelheid in stappenvan ongeveer 1. 0 km/h (1. 0 mi/h) gewij-zigd. Als u de instelschakelaar ingedrukthoudt, wordt de ingestelde snelheid instappen van 10 km/h (10 mi/h) gewijzigd.

De YVSL deactiverenAls de YVSL wordt gedeactiveerd, wordthet motorvermogen geleidelijk vrijgegevenom een soepele overgang naar volledigecontrole van de gasregeling door de be-stuurder te verzekeren. Voer een van de volgende handelingen uitom de YVSL te deactiveren:l Draai de gasgreep voorbij de geslotenstand in de deceleratierichting. Hetpictogram van de YVSL-indicator“” gaat uit en het systeem keertterug naar de stand-bymodus. 11. Deceleratierichtingl Druk op de aan-uitschakelaar van decruise control/YVSL “” links op hetstuur. De YVSL-weergave gaat uit enkeert terug naar de brandstofniveau-meter (aanduiding ingeschakelde ver-snelling in TRACK MODE). De hervattingsfunctie gebruikenDruk op de “RES+”-zijde van de instel-schakelaar van de cruise control/YVSL omde YVSL opnieuw te activeren vanuit destand-bymodus. De snelheidslimiet keertdan terug naar de eerder ingestelde snel-heidslimiet.

OPMERKINGAls u op de aan-uitschakelaar van de crui-se control/YVSL “” drukt terwijl de YVSLin werking is, wordt het systeem vollediguitgeschakeld en wordt de eerder ingestel-de snelheidslimiet gewist. U kunt de her-vattingsfunctie pas weer gebruiken nadat ueen nieuwe snelheidslimiet hebt ingesteld. Speciale kenmerken3-103.

DAU1097BStartblokkeersysteem1. Codeersleutel (rood bovendeel)2. Standaardsleutels (zwart bovendeel)Dit voertuig is voorzien van een startblok-keersysteem waarmee diefstal kan wordenbemoeilijkt door de codering van de stan-daardsleutels te wijzigen. Het systeem be-staat uit de volgende onderdelen:l een codeersleutell twee standaardsleutelsl een transponder (in elke sleutel)l een startblokkeereenheid (op hetvoertuig)l een ECU (op het voertuig)l een controlelampje voor het systeem(pagina 4-7)Over de sleutelsDe codeersleutel wordt gebruikt om destandaardsleutels te coderen. Bewaar decodeersleutel op een veilige plaats. Ge-bruik een standaardsleutel voor uw dage-lijkse ritten. Ga als een sleutel opnieuw moet wordengecodeerd of vervangen met de codeer-sleutel en resterende standaardsleutelsnaar een Yamaha dealer om de codering telaten uitvoeren.

OPMERKINGl Bewaar de standaardsleutels en desleutels van andere startblokkeersys-temen altijd op een andere plek dande codeersleutel. l Houd sleutels van andere startblok-keersystemen altijd uit de buurt vanhet contactslot, want anders kunnenze signaalstoring veroorzaken. DCA11823LET OPZORG DAT U DE CODEERSLEUTELNIET VERLIEST. NEEM DIRECT CON-TACT OP MET UW DEALER ALS U HEMVERLOREN HEBT. Als u de codeersleu-tel bent verloren, kan de machine nogworden gestart met de bestaande stan-daardsleutels. Het is echter niet meermogelijk om een nieuwe standaardsleu-tel te registreren. Als alle sleutels zijnverloren of beschadigd, moet het volle-dige startblokkeersysteem worden ver-vangen. Ga daarom zorgvuldig met desleutels om. l Dompel ze niet onder in water. l Stel ze niet bloot aan hoge tempe-raturen. l Plaats ze niet in de buurt van mag-neten.

l Plaats ze niet in de buurt van appa-raten die elektrische signalen uit-zenden. l Ga er niet ruw mee om. l Probeer ze niet te slijpen of te wijzi-gen. l Probeer ze niet uit elkaar te halen. l Hang nooit twee sleutels van eenstartblokkeersysteem aan dezelfdesleutelring.

DAU10474Contactslot/stuurslotONOFFLOCKVia het contactslot/stuurslot worden hetontstekingssysteem en de verlichtingssys-temen bediend en wordt het stuur vergren-deld. De diverse standen worden hiernabeschreven.OPMERKINGGebruik de standaardsleutel (zwarte greep)voor regelmatig gebruik van de machine.Bewaar de codeersleutel (rode greep) opeen veilige plaats en gebruik deze uitslui-tend voor hercodering om het risico op ver-lies te minimaliseren.DAU84035ONAlle elektrische circuits worden voorzienvan stroom en de voertuigverlichting wordtingeschakeld. De motor kan worden ge-start. De sleutel kan niet worden uitgeno-men.OPMERKINGl De koplamp(en) gaan branden als demotor wordt gestart.l Laat om ontladen raken van de accute voorkomen het contactslot niet inde stand “ON” staan zonder dat demotor draait.DAU10664OFFAlle elektrische systemen zijn uitgescha-keld.

De sleutel kan worden uitgenomen.DWA10062WAARSCHUWINGDraai nooit de sleutel naar “OFF” of“LOCK” terwijl de machine rijdt. Hier-door worden de elektrische systemenuitgeschakeld, wat mogelijk kan leidentot verlies van de controle of een onge-val.DAU73803LOCKHet stuur is vergrendeld en alle elektrischesystemen zijn uitgeschakeld. De sleutelkan worden uitgenomen.Om het stuur te vergrendelen1 21. Drukken.2. Draaien.1. Draai het stuur helemaal naar links.2.Druk de sleutel in de “OFF”-stand inen draai deze dan naar “LOCK”.3. Neem de sleutel uit.OPMERKINGAls het stuur niet wordt vergrendeld, pro-beer het dan iets terug naar rechts te draai-en.Functies van instrumenten en bedieningselementen4-24

Het stuur ontgrendelen1 21. Drukken.2. Draaien.Druk de sleutel in en draai deze naar“OFF”.DAU66059StuurschakelaarsLinksRESSETMODEPASS2 34561871. Schakelaar “MODE”2. Schakelaar MODE omhoog “ ”3. Schakelaar MODE omlaag “ ”4. Cruise control/YVSL-schakelaars5. Schakelaar alarmverlichting “ ”6. Claxonschakelaar “ ”7. Richtingaanwijzerschakelaar “ / ”8. Dimlichtschakelaar/lichtsignaalschake-laar “/ /PASS”Rechts11221. Schakelaar Stop/Aan/Start “ / / ”2. Wielschakelaar “ ”DAU91630Dimlichtschakelaar/lichtsignaalschakelaar “/ /PASS”Zet deze schakelaar op “” voor groot-licht en op “” voor dimlicht.Druk terwijl de koplamp op dimlicht is inge-steld de schakelaar omlaag naar “PASS”om met het grootlicht te knipperen en omde start van elke ronde te markeren bij ge-bruik van de rondeteller.Functies van instrumenten en bedieningselementen4-34

DAU66040Richtingaanwijzerschakelaar “/ ”Druk deze schakelaar naar “” om af-slaan naar rechts aan te geven. Druk dezeschakelaar naar “” om afslaan naar linksaan te geven. Na loslaten keert de schake-laar terug naar de middenstand. Om derichtingaanwijzers uit te schakelen wordtde schakelaar ingedrukt nadat hij is terug-gekeerd in de middenstand. DAU66030Claxonschakelaar “”Druk deze schakelaar in om een claxonsig-naal te geven. DAU94790Stop/Run/Start-schakelaar “/ / ”Om de motor te starten met de startmotor,zet u deze schakelaar op “” en drukt ude schakelaar vervolgens omlaag naar“”. Zie pagina 6-2 voor startinstruc-ties voordat u de motor start. Zet deze schakelaar op “” om de motoruit te schakelen in een noodgeval, zoalswanneer de machine omslaat.

DAU91670Schakelaar alarmverlichting “” Met deze schakelaar wordt de alarmver-lichting ingeschakeld (gelijktijdig knipperenvan alle richtingaanwijzers). De alarmver-lichting wordt gebruikt in een noodgeval ofom andere verkeersdeelnemers te waar-schuwen als uw machine stilstaat in eenmogelijk gevaarlijke verkeerssituatie. De alarmverlichting kan alleen worden in-of uitgeschakeld als de sleutel in de stand“ON” staat. De ingeschakelde alarmverlich-ting blijft knipperen als u het contactslotnaar de stand “OFF” of “LOCK” draait. Omde alarmverlichting uit te schakelen, draaitu het contactslot weer naar de stand “ON”en bedient u opnieuw de schakelaar vande alarmverlichting. DCA10062LET OPGebruik de alarmverlichting niet gedu-rende langere tijd als de motor nietdraait omdat hierdoor de accu kan ont-laden. DAU94151Cruisecontrol/YVSL-schakelaarsZie pagina 3-6 voor uitleg over de werkingvan cruise control.

MODE omhoog “”: druk op deze scha-kelaar om de geselecteerde YRC-instellingte verhogen. “MODE”: druk op deze schakelaar om vanlinks naar rechts door de MODE-, PWR-,TCS-, SCS- en ERS-items heen te schui-ven. MODE omlaag “”: druk op deze scha-kelaar om de geselecteerde YRC-instellingte verlagen. OPMERKINGl De tractieregeling kan alleen wordenuitgeschakeld vanuit het hoofd-scherm. Selecteer TCS met de scha-kelaar “MODE” en houd vervolgensde schakelaar MODE omhoog “ ”ingedrukt totdat TCS OFF wordtweergegeven. Gebruik de schakelaarFuncties van instrumenten en bedieningselementen4-44.

MODE omlaag “ ” om de tractiere-geling weer in te schakelen. l Als de tractieregeling wordt uitge-schakeld, worden het SCS- en LIF-systeem ook uitgeschakeld voor alleYRC-modi. l Zie “YRC Setting” op pagina 4-19voor meer informatie over het aanpas-sen van YRC-modi en de instelni-veaus van YRC-items. DAU66100Wielschakelaar “ ”Wanneer het hoofdscherm is ingesteld opSTREET MODE, gebruik dan de wielscha-kelaar om te schuiven en de items op deinformatieweergave terug te stellen. Wanneer het hoofdscherm is ingesteld opTRACK MODE, gebruik dan de wielscha-kelaar om te schuiven en de items op deinformatieweergave terug te stellen en derondetimer te activeren. Wanneer de weergave is gewijzigd naarhet scherm MENU, gebruik dan de wiel-schakelaar om naar de instellingsmodulente navigeren en instellingen te wijzigen. Bedien de wielschakelaar als volgt.

Omhoogdraaien - draai het wiel omhoogom naar boven/naar links te schuiven ofeen instellingswaarde te verhogen. Omlaagdraaien - draai het wiel omlaagom naar beneden/naar rechts te schuivenof een instellingswaarde te verlagen. Kort indrukken - druk de schakelaar kortin om te selecteren en te bevestigen. Lang indrukken - druk de schakelaar eenseconde in om een item op een informatie-weergave terug te stellen of om het schermMENU te openen of af te sluiten. OPMERKINGl Zie pagina 4-9 voor meer informa-tie over het hoofdscherm en de bijbe-horende functies. l Zie pagina 4-18 voor meer informa-tie over het scherm MENU en de wijzewaarop instellingswijzigingen kunnenworden aangebracht. DAU4939YControlelampjes enwaarschuwingslampjeskm/h 12 NQSLIF 112:00 EBM 1PWR 1TCS 3SCS 11000 r/minTRIP-1kmkmMODE-AOFF999 0. 0999 0. 0TRIP-2A-12 6 51 1211103 4 78 91. Controlelampje startblokkering “ ”2.

DAU88280Controlelampjes richtingaanwijzers“” en “ ”Elk controlelampje gaat knipperen wan-neer de bijbehorende richtingaanwijzerknippert. DAU88300Vrijstandcontrolelampje “”Dit controlelampje brandt terwijl de ver-snellingsbak in de vrijstand staat. DAU88310Controlelampje grootlicht “”Dit controlelampje brandt terwijl de kop-lamp is ingeschakeld voor grootlicht. DAU91650Controlelampjes cruise control“”/“ ”Deze controlelampjes gaan branden wan-neer de cruise control wordt geactiveerd. (Zie pagina 3-6. )OPMERKINGAls de machine wordt ingeschakeld, moe-ten deze lampjes enkele seconden oplich-ten en dan uitgaan. Laat als dit niet hetgeval is de machine nakijken door eenYamaha dealer. DAU88331Storingsindicatielampje (MIL) “”Dit lampje gaat branden of knipperen als ereen storing wordt gedetecteerd in de mo-tor of een regelsysteem van de machine.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Yamaha MT10 SP (2024) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden