Volvo S40 (2003) Handleiding

Volvo Auto S40 (2003)

Bekijk gratis de handleiding van Volvo S40 (2003) (206 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 62 mensen en kreeg gemiddeld 4.6 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over Volvo S40 (2003) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/206
S40
VOLVO
2004
WEB EDITION

Beoordeel deze handleiding

4.6/5 (6 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Volvo
Categorie: Auto
Model: S40 (2003)

Handleiding Volvo S40 (2003) – volledige tekst

2InleidingGebruikershandleidingEen goede manier om bekend te raken met uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding te lezen, idealiter voordat u aan uw eerste reis begint. Hierdoor krijgt u de gelegenheid om vertrouwd te raken met nieuwe functies, weet u hoe u het beste de auto kunt hanteren in verschillende situaties en hoe u goed gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die de auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies die de handleiding bevat:De in de gebruikershandleiding beschreven uitrusting is niet in alle modellen aanwezig.

WAARSCHUWING!Waarschuwingsberichten geven aan dat er risico op persoonlijk letsel bestaat als de instructies niet worden opgevolgd.BELANGRIJK!"Voorzichtig"-berichten geven aan dat het risico bestaat dat de auto wordt beschadigd als de instructies niet worden opgevolgd.Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in deze gebruikershandleiding ook de opties (af-fabriek gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (extra uitrusting) beschreven. LET LET LET LET LET OP!OP!OP!OP!OP!De uitrusting van Volvo-auto's hangt af van de verschillende vereisten van de diverse landen, en de nationale of plaatselijke wet- en regelgeving.De specificaties, constructiegegevens en afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet bindend. We behouden ons het recht voor om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.© Volvo Car Corporation

3InleidingMilieubeleid van VolvoZorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn de drie kernwaarden van de Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle handelingen. Volvo-auto’s voldoen aan strenge internationale milieueisen en worden in fabrieken geproduceerd die zeer schoon zijn en efficiënt met middelen omgaan. De meeste eenheden binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertificeerd voor de milieunormen ISO 14001 of EMAS, wat leidt tot voortdurende verbeteringen binnen het milieubeleid. Volvo is het eerste automerk dat een door derden gecertificeerde milieuverklaring heeft waarin de klant de invloed op het milieu van de verschillende modellen en motoren kan vergelijken.

Lees meer op:www.epd.volvocars.seSchoon aan de binnen- en aan de buitenkantUw Volvo is gebouwd volgens het concept “Schoon aan de binnen en aan de buitenkant”, wat inhoudt dat u op twee manieren profiteert – van een schoon passagierscompartiment en een zeer efficiënt uitlaatgasreinigingssysteem. Uw auto bespaart brandstof en stoot een minimale hoeveelheid schadelijke stoffen uit. Het zorgt er ook voor dat u en uw mede-inzittenden de uitlaatgassen van andere auto's niet inademen omdat de lucht die het passagierscompartiment binnenkomt ook wordt gereinigd. Een geavanceerd luchtreinigingssysteem zorgt ervoor dat de lucht in de passagiersruimte schoner is dan de lucht buiten.

In het interieur zitten geen allergene stoffen en er zit een speciale laag, Premair®1, op de radiateur die schadelijk laagliggend ozon omzet naar pure zuurstof.Erkende Volvo-reparateurs en het milieuRegelmatig onderhoud in een werkplaats van Volvo zorgt voor een lager brandstofverbruik en draagt derhalve bij aan een schoner milieu. Het personeel heeft de kennis en het gereedschap om de beste milieuzorg te garanderen.1Geldt alleen voor auto’s met vijfcilindermotor.

4InleidingSpaar het milieuWij denken dat onze klanten onze zorgen over het milieu delen. U kunt helpen het milieu te beschermen door milieuvriendelijke onderhoudsproducten te kopen en de auto te laten onderhouden en zelf te onderhouden aan de hand van de aanwijzingen in de gebruikershandleiding.Hieronder volgen een paar tips hoe het milieu gespaard kan worden:• Zorg er altijd voor dat de banden de juiste spanning hebben. Een te lage bandenspanning heeft een verhoogd brandstofverbruik tot gevolg.• Het dakimperiaal en skiboxen hebben een grotere luchtweerstand waardoor het brandstofverbruik aanzienlijk toeneemt. Verwijder deze daarom meteen na gebruik.• Laat overbodige spullen niet in de auto liggen. Hoe groter de belasting van de auto, hoe hoger het brandstofverbruik.• Gebruik altijd de parkeerverwarming voor een koudestart, als de auto hiermee is uitgerust.

Hierdoor neemt het brandstofverbruik en de uitstoot af.• Rijd rustig. Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.• Rij in de hoogst mogelijke versnelling. Een laag motortoerental zorgt voor een lager verbruik.• Laat het gaspedaal los wanneer u van een helling af rijdt.• Rem op de motor. Laat het gaspedaal los en schakel terug.• Voorkom stationair draaien. Zet de motor af wanneer u lang in de file stilstaat.• Verwerk afvalstoffen die schadelijk voor het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een milieuvriendelijke manier. Neem contact op met uw Volvo-reparateur als u niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.• Een goed onderhouden ontstekings- en brandstofsysteem vermindert direct de emissie van uitlaatgassen.Door dit advies op te volgen kan het brandstofverbruik worden verminderd zonder dat dit van invloed is op de reistijd of het plezier van de reis.

14VeiligheidHeupgordel uittrekken. De gordel moet laag gedragen worden. Draag altijd een veiligheidsgordelRemmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Zorg dat alle passagiers hun veiligheidsgordel dragen. Dit om te voorkomen dat bij een aanrijding de passagiers op de achterbank tegen de rugleuning van de voorstoelen worden geslingerd. De veiligheidsgordel omdoen:• Trek de gordel langzaam uit en maak deze vast door de borglip in de vergrendeling te steken. Een duidelijke "klik" geeft aan dat de gordel vastzit. VeiligheidsgordelsMaak de gordel los:• Druk op de rode knop van de vergrendeling. Laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.

In de volgende gevallen is de gordel geblokkeerd, zodat deze niet verder kan worden uitgetrokken:• wanneer u de gordel te snel uittrekt• wanneer u remt of optrekt• als de auto sterk overhelt. Voor optimale bescherming is het van belang dat de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij een normale zithouding. Let op het volgende:• gebruik geen klemmen of andere accessoires die ervoor zorgen dat u de gordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken• zorg dat er geen slagen in de gordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken• de heupgordel moet laag zitten (niet over de buik)• trek de heupgordel over de heupen door aan de diagonale schoudergordel te trekken, zoals afgebeeld. WAARSCHUWING. De veiligheidsgordel en airbag werken samen.

Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de werking van de airbags worden beïnvloed bij een aanrijding. WAARSCHUWING. Elke gordel is bestemd ter bescherming van slechts één persoon. WAARSCHUWING.

• Als de gordel is blootgesteld aan zware spanning, bijvoorbeeld tijdens een aanrijding, moet de complete gordel worden vervangen. Dit houdt in dat ook de haspel, de bevestigingen, de schroeven en de sloten vervangen moeten worden. Sommigebeschermende eigenschappen van de gordel kunnen verloren zijn gegaan, zelfs als de gordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde positie als de vervangen gordel. • Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Neem contact op met een Volvo-reparateur.

15VeiligheidGordelwaarschuwing1Er gaat een symbool in de dakconsole branden (boven de achteruitkijkspiegel) als herinnering dat de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Er gaat ook een symbool op het dashboard branden. Als de auto stilstaat, verdwijnt de herinnering na ongeveer 6 seconden. VoorstoelDe symbolen blijven branden als de bestuurder of de passagier op de voorstoel zijn of haar veiligheidsgordel niet draagt. (Er wordt geen signaal gegeven als er een 1De functies kunnen per land iets verschillenkinderzitje op de voorstoel is bevestigd.) Naast de twee brandende symbolen hoort u een signaal dat afhankelijk van de snelheid van de auto van frequentie verandert.AchterbankHet herinneringssysteem voor de veiligheidsgordels wordt geactiveerd als een passagier op de achterbank tijdens een rit zijn of haar veiligheidsgordel losmaakt.

Als één van de achterportieren wordt geopend en gesloten, dan controleert het systeem gedurende tien seconden hoeveel veiligheidsgordels er in gebruik zijn. Dit aantal wordt in het informatiedisplay weergegeven, bijvoorbeeld 2-3 ACHTERGORDELS IN GEBRUIK. Er is geen brandend symbool of geluidssignaal. Dit gebeurt alleen wanneer er een veiligheidsgordel wordt verwijderd.Het herinneringssysteem voor de veiligheidsgordels voor de achterbank kan worden uitgeschakeld:• Houd de knop READ op de bedieningshendel links van het stuur ingedrukt totdat u een bericht krijgt waarin wordt gemeld dat de functie is uitgeschakeld.Zwangere vrouwenZwangere vrouwen moeten bijzonder voorzichtig zijn bij het omdoen van de veiligheidsgordel. Plaats de gordel zodanig dat er niet te veel druk op de buik wordt uitgeoefend. De heupgordel van de driepuntsgordel moet laag zitten.

16VeiligheidGordelspannerAlle veiligheidsgordels (met uitzondering van de gordel midden achter) hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De gordel kan de passagier dus beter in de stoel gedrukt houden.Goedkeurlabel op veiligheidsgordels met gordelspanner

17VeiligheidAirbag aan bestuurderszijdeUw auto heeft naast de veiligheidsgordels ook een airbag (SRS - Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.WAARSCHUWING!De veiligheidsgordel en airbag werken samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de werking van de airbags worden beïnvloed bij een aanrijding.AirbagsAirbag aan passagierszijde1De airbag aan passagierszijde zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.1Niet alle auto’s hebben airbags aan passagierszijde.

Deze kan optioneel worden weggelaten bij de verkoop.WAARSCHUWING!Om de kans op letsel bij activering van de airbags te minimaliseren, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed vastzitten.WAARSCHUWING!• Breng voorwerpen of accessoires nooit op of in de buurt van het SRS AIRBAG-paneel (boven het dashboardkastje) of binnen de actieradius van de airbag aan.• Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de onderdelen van het SRS-systeem in het stuurwiel of aan het paneel boven het dashboardkastje.WAARSCHUWING!• Plaats nooit een kinderzitje op de passagiersstoel als de auto voorzien is van een airbag aan de passagierszijde.• Laat kinderen nooit voor de passagierstoel zitten of staan. • Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen.

18VeiligheidLocatie van de airbag aan passagierszijde, auto’s met het stuur links/rechtsWaarschuwingssymbool in het midden van het dashboardHet SRS-systeem wordt continu gecontroleerd door het elektronisch systeem van de auto. Het waarschuwingssymbool in het instrumentenpaneel gaat branden als u de contactsleutel in stand I,II of III draait. Het symbool gaat na ongeveer zes seconden uit als het SRS-systeem geen storingen vertoont.Naast het symbool verschijnt ook een bericht op het informatiedisplay. Als het waarschuwingssymbool niet werkt, gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt SRS-AIRBAG SERVICE SPOED in het display.WAARSCHUWING!Als het waarschuwingssymbool voor de SRS blijft branden of kortstondig tijdens het rijden gaat branden, dan betekent dit dat het SRS-systeem niet naar behoren werkt.

Het symbool kan ook een storing in de gordelsluiting, het SIPS-systeem of het IC-systeem aangeven. Neem onmiddellijk contact op met een Volvo-reparateur.

19VeiligheidSRS-systeem, auto met het stuur linksSRS-systeemHet systeem bestaat uit een gasgenerator (1) met daaromheen een opblaasbare airbag (2). Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensors (3), waardoor de ontstekingen van de gasgenerator worden geactiveerd en de airbag wordt opgeblazen terwijl hij warm wordt. Om de klap van de airbag op te vangen loopt hij leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het volledige proces, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van seconden in beslag.SRS-systeem, auto’s met stuur rechts.De reactie van de sensors (3) hangt af van de ernst van de aanrijding en of de veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of de passagierszijde wel of niet wordt gedragen.

Het kan dan ook zijn dat er bij ongelukken slechts één van de airbags wordt opgeblazen. Bij een aanrijding nemen de sensors van het SRS-systeem waar dat de snelheid door de aanrijding afneemt. Het systeem bepaalt of de aanrijding dusdanig zwaar is dat er een of meerdere airbags moeten worden geactiveerd om de inzittenden te beschermen.Bij bepaalde aanrijdingen wordt slechts één (of geen) airbag geactiveerd.'Dual-stage'-airbags(Volvo 'Dual-Stage'-Airbag) Bij minder zware aanrijdingen die desondanks gevaar voor verwondingen opleveren, worden de airbags gedeeltelijk opgeblazen. Als de aanrijding ernstiger is, worden de airbags volledig opgeblazen.WAARSCHUWING!Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Reparatiewerkzaamheden mogen daarom alleen bij een erkende Volvo-reparateur worden uitgevoerd.

20VeiligheidSIPS-airbags (Zijairbag)Een groot deel van de kracht van de aanrijding wordt door het SIPS-systeem over de balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de auto verspreid. De SIPS-airbags beschermen het bovenlichaam en vormen een belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem. Het SIPS-airbagsysteem is opgebouwd uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensors. De SIPS-airbags zijn in de frames van de rugleuningen van de voorstoelen gemonteerd en de sensors bevinden zich op de binnenzijde van de middelste en achterste stijlen.WAARSCHUWING!De SIPS-airbags zijn een toevoeging aan het bestaande SIPS-systeem. Draag altijd een veiligheidsgordel.SIPS-airbagsWAARSCHUWING!• Ingrepen in het SIPS-systeem (bescherming tegen aanrijdingen van opzij) kunnen storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Neem contact op met een Volvo-reparateur.

• Breng geen voorwerpen of accessoires aan tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt.Kinderzitjes en SIPS-airbagsEr kan een kinderzitje op de voorstoel worden geplaatst, als de auto niet is uitgerust met een airbag aan de passagierszijde.WAARSCHUWING!Gebruik alleen Volvo-bekleding of door Volvo goedgekeurde bekleding. Andersoortige bekleding kan de werking van de SIPS-airbags verhinderen.

21VeiligheidAuto met het stuur linksSIPS-systeemDe SIPS-airbag bestaat uit een gasgenerator (1), een zijairbag (2) en sensors (3). Bij een voldoende krachtige aanrijding worden de gasgeneratoren geactiveerd door de sensors. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen. De airbag wordt opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De klap van de aanrijding wordt opgevangen, waarna de airbag weer leegloopt. De SIPS-airbags worden normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant waar de aanrijding plaatsvindt.Auto met het stuur rechts

22VeiligheidEigenschappenHet opblaasgordijn is een toevoeging op het bestaande SIPS-systeem. Het opblaasgordijn zit verborgen in de hemelbekleding langs beide zijden van de auto. Het beschermt mensen op zowel de voorstoelen als de achterbank. Als de auto vanaf de zijkant wordt geraakt, wordt het opblaasgordijn binnen enkele duizendste van een seconden geactiveerd. Het wordt daarna ongeveer drie seconden opgeblazen voor maximale bescherming bij een gecompliceerde, ernstige aanrijding. Bij een aanrijding van opzij wordt het opblaasgordijn geactiveerd door de aanrijdingssensors van het SIPS-airbagsysteem. Het opblaasgordijn wordt bij het activeren gevuld met gas.

Het opblaasgordijn helpt voorkomen dat de hoofden van de bestuurder en de passagiers tegen de binnenkant van de auto slaan bij een aanrijding.Opblaasgordijn ('Inflatable Curtain'-systeem)WAARSCHUWING!• Hang of bevestig nooit iets aan de handgrepen in het dak. De haak is alleen bedoeld voor niet te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu's).• Schroef of bevestig geen onderdelen op de hemelbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen. Gebruik alleen originele Volvo-onderdelen die bestemd zijn voor montage in deze gebieden.WAARSCHUWING!Het opblaasgordijn is een aanvulling op de veiligheidsgordel.Draag altijd een veiligheidsgordel.

23VeiligheidBescherming tegen whiplashletsel - WHIPS-systeemHet WHIPS-systeem ( Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal ontwikkelde hoofdsteunen voor beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.WAARSCHUWING!Het WHIPS-systeem is een aanvulling op de veiligheidsgordel. Draag altijd een veiligheidsgordel.WHIPS-systeemDe eigenschappen van de stoelAls het WHIPS-systeem wordt geactiveerd, klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren zodat de positie van de bestuurder en de passagiers op de voorstoelen wordt veranderd.

Zo wordt de kans op zogeheten whiplash beperkt.Juiste zithoudingDe bestuurder en de passagier op de voorstoel moeten voor optimale bescherming zoveel mogelijk in het midden van hun stoel plaatsnemen en de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo klein mogelijk houden.WAARSCHUWING!• Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten, zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren bij een Volvo-reparateur.• Ook al ziet de stoel er onbeschadigd uit, toch kunnen er beschermende eigenschappen van het WHIPS-systeem verloren zijn gegaan. Neem contact op met een erkende Volvo-reparateur om het systeem te laten controleren, zelfs na een lichte aanrijding van achteren.WAARSCHUWING!Verricht nooit zelf reparaties aan de stoel of het WHIPS-systeem en breng nooit zelf wijzigingen aan. Neem contact op met een Volvo-reparateur.

24VeiligheidWHIPS-systeem en kinderzitjesHet WHIPS-systeem heeft geen negatieve invloed op de beschermende werking van de kinderzitjes.Het volgende kan worden gebruikt: • een kinderzitje in de passagiersstoel vóór, mits de airbag aan passagierszijde is gedeactiveerd.• een achterstevoren geplaatst kinderzitje op de achterbank steunt tegen de rugleuning van de voorstoel.Zorg dat u de werking van het WHIPS-systeem niet beïnvloedtWAARSCHUWING!Als u één van de rugleuningen van de achterbank heeft neergeklapt, moet u de voorstoel naar voren schuiven zodat de rugleuning van de stoel niet tegen het neergeklapte rugleuning van de achterbank aankomt.WAARSCHUWING!Plaats geen koffer of dergelijke tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet beïnvloedt.

25VeiligheidNa activering van de airbags adviseren wij u het volgende:• Sleep de auto naar een erkende Volvo-reparateur. Rijd nooit met geactiveerde airbags. • Laat de onderdelen van het veiligheidssysteem in de auto door een erkende Volvo-reparateur repareren. • De airbags worden niet altijd bij een frontale aanrijding geactiveerd. Het betekent dat de activering van de functie op dat moment niet nodig was, omdat de andere beschermingssystemen de inzittenden voldoende bescherming boden. LET LET LET LET LET OOOOOP. P. P. P. P. Het SRS-systeem, de SIPS-airbags en het IC-systeem worden slechts eenmaal geactiveerd bij een aanrijding. Systeem ActiveringGordelspanner Bij frontale aanrijdingen. De gordelspanner wordt rond het lichaam gespannen om de passagier sneller in zijn stoel gedrukt te houden.

Airbags (SRS) Tijdens aanrijdingen waarbij de inzittenden voor in het gevaar lopen gewond te raken wanneer ze tegen het dashboard of het stuurwiel slaan. SIPS-airbags Tijdens aanrijdingen van opzij waarbij de auto met voldoende kracht wordt geraakt. Inflatable Curtain (IC) (opblaasgordijn)Bij aanrijdingen van opzij. Het opblaasgordijn beperkt de kans op hoofdletsel. Whiplashbescherming (WHIPS) Bij aanrijdingen van achteren. Beperkt de kans op whiplash. Activering van de veiligheidssystemenWAARSCHUWING. De sensor van het SRS-systeem zit in de middenconsole van de auto. Ontkoppel de accukabels als de vloer van het passagierscompartiment vol water staat. Probeer de auto niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar een erkende Volvo-reparateur. WAARSCHUWING. Rijd nooit met geactiveerde airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.

Ook de andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd raken. Langdurige blootstelling aan de rook en het stof die vrijkomen bij activering van de airbags kan oog- en huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie met koud water en neem contact op met een arts.

26VeiligheidRijden na een aanrijdingAls de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de tekst CRASH MODE – ZIE HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de auto is verminderd. CRASH MODE is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de aanrijding een belangrijke functie in de auto, bijvoorbeeld brandstofleidingen, sensors voor één van de veiligheidssystemen of het remsysteem, beschadigd kan hebben. Crash-modusDe auto proberen te startenControleer eerst of er geen brandstof uit de auto is gelopen. Er mag geen brandstofgeur aanwezig zijn. Als alles normaal lijkt en u heeft gecontroleerd of er geen brandstoflekkage is, kunt u proberen om de auto te starten. WAARSCHUWING. Probeer nooit zelf de auto te repareren of de elektronische onderdelen te resetten nadat de auto in CRASH MODE is geweest.

Dit kan letsel of het slecht functioneren van de auto tot gevolg hebben. Laat een erkende Volvo-reparateur de auto controleren en herstellen naar de normale status nadat CRASH MODE is weergegeven. WAARSCHUWING. Probeer onder geen enkele omstandigheid de auto weer te starten als u brandstof ruikt terwijl de melding CRASH MODE wordt getoond. Verlaat de auto onmiddellijk. • Verwijder eerst de contactsleutel, steek hem dan weer in het contactslot. De elektronica van de auto zal proberen zichzelf naar de normale stand te resetten. Probeer vervolgens de auto te starten. De auto verplaatsenAls de normale status wordt getoond nadat de CRASH MODE is gereset, mag de auto voorzichtig uit zijn huidige gevaarlijke positie worden verplaatst. Verplaats de auto niet verder dan nodig.

BergingZelfs als het lijkt of er in de auto gereden kan worden nadat hij in CRASH MODE is gezet, mag er niet in worden gereden en mag hij niet worden versleept. Tijdens het rijden kunnen verborgen beschadigingen de auto onbestuurbaar maken. WAARSCHUWING. De auto mag niet worden weggesleept als hij in CRASH MODE is gezet.

27VeiligheidControle-intervallenDe stickers op de portierstijl(en) geven het jaar en de maand aan waarin u contact moet opnemen met een erkende Volvo-reparateur om de airbags, gordelspanners en opblaasgordijnen te laten controleren en eventueel te laten vervangen. Als u vragen heeft over de systemen, kunt ook contact opnemen met een erkende Volvo-reparateur.Airbags en opblaasgordijnen controlerenDeze sticker vindt u in de portieropening linksachter.1. Airbag aan bestuurderszijde2. Airbag aan passagierszijde3. SIPS-airbag aan bestuurderszijde4. SIPS-airbag aan passagierszijde5. Opblaasgordijn aan bestuurderszijde6. Opblaasgordijn aan passagierszijde

28VeiligheidKinderen moeten comfortabel en veilig zittenDe plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting is afhankelijk van het gewicht en de lengte van het kind. In de tabel "Plaats van de kinderen in de auto " op pagina 30, kunt de benodigde informatie vinden."• Kinderen van alle leeftijden en lengtes moeten altijd goed in de auto zitten. Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.De veiligheidsuitrusting voor kinderen die Volvo biedt is afgestemd op het gebruik in uw auto. Door het gebruik van originele Volvo-Kinderen en veiligheidonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg zijn.Bepalingen met betrekking tot waar kinderen in de auto mogen zitten verschillen van land tot land.

Controleer welke regelgeving van toepassing is.Kinderzitjes en airbags zijn niet combineerbaarKinderzitjes en airbagsPlaats een kind altijd op de achterbank als de airbag aan passagierszijde is geactiveerd. Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind in een kinderzitje aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.WAARSCHUWING!Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de voorstoel plaatsnemen.

31VeiligheidISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes (opties)De buitenste zitplaatsen van de achterbank zijn voorzien van het ISOFIX-bevestigingssysteem. Neem contact op met uw erkende Volvo-reparateur voor meer informatie over de verkrijgbare veiligheidsuitrusting voor kinderen.Geïntegreerd kinderzitjes (optie)Het geïntegreerde kinderzitje voor de buitenste zitplaatsen van de achterbank van Volvo is speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels is het kinderzitje goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg.Geïntegreerd kinderzitje uitklappen1. Trek aan de hendel zodat het geïntegreerde kinderzitje omhoogkomt.2. Pak het zitje met beide handen vast en beweeg hem naar achteren.3.

Druk totdat hij vergrendelt.Controleer of:• de veiligheidsgordel goed strak langs het lichaam van het kind loopt en nergens slap hangt of verdraaid over de schouder zitWAARSCHUWING!Het kinderzitje moet in de vergrendelde stand staan voordat het kind in het zitje wordt geplaatst.

32Veiligheid• de heupgordel laag over het bekken loopt voor optimale bescherming• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van het kind aankomt of onder de schouder langs loopt. Stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig af op de lengte van het kind. Zie ook pagina 78. Omlaag brengen1. Trek aan de hendel2. Duw het zitje zo ver omlaag dat het vastklikt Let erop dat u het geïntegreerd kinderzitje eerst moet inklappen voordat u de rugleuning van de achterbank voorover kunt klappen. Geïntegreerd kinderzitje vervangenHet is belangrijk dat het geïntegreerde kinderzitje goed is vastgezet. Laat het vervangen en repareren van het geïntegreerd kinderzitje daarom over aan een erkende Volvo-reparateur. Voer geen wijzigingen of aanpassingen door aan het geïntegreerde kinderzitje. WAARSCHUWING.

Als een geïntegreerd kinderzitje is blootgesteld aan grote belastingen, bijvoorbeeld tijdens een aanrijding, moet het hele geïntegreerde kinderzitje worden vervangen. Dus ook de veiligheidsgordel, inclusief de bouten. Ook al ziet het geïntegreerde kinderzitje er onbeschadigd uit, er kunnen toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet worden vervangen als het versleten is. Kinderzitje bevestigenVolvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door Volvo getest is. Bij het gebruik van andere op de markt verkrijgbare producten is het belangrijk dat u de bijgeleverde montagevoorschriften zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt. • Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje nooit aan de hendel vast waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren, rails of balken onder de stoel.

34Instrumenten, schakelaars en bediening1. Snelheidsmeter2. Richtingaanwijzers, links3. Waarschuwingssymbool4. InformatiedisplayHet display geeft informatie en waarschuwingsberichten, buitentemperatuur en de tijd. Wanneer de temperatuur tussen +2 °C en -5 °C ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op het display. Het symbool wijst op het gevaar voor gladheid. Als de auto stilstaat, kan de klok voor de buitentemperatuur een hogere waarde aangeven dan de werkelijke temperatuur.Instrumentenpaneel5. Informatiesymbool6. Richtingaanwijzers, rechts7. ToerentellerDeze geeft het motortoerental aan in duizenden toeren per minuut (omw/min). Laat de naald van de toerenteller niet tot in het rode gebied uitslaan.8. Controle- en waarschuwingssymbolen9. Brandstofmeter10. Knop op de dagtellerWordt gebruikt om korte afstanden te meten.

Als u kort op de knop drukt, kunt u tussen twee dagtellers T1 en T2 schakelen. Als u de knop lang indrukt (meer dan 2 seconden), gaat de geactiveerde dagteller op nul.11. DisplayHierop worden de schakelstanden van de automatische versnellingsbak, regensensor, dagteller en cruise control getoond. 12. Groot-lichtindicatie13. Knop voor de klokDraai de knop om de tijd in te stellen.14. TemperatuurmeterDe temperatuur van het koelsysteem van de motor. Op het display verschijnt een bericht, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot in het rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers voor de luchtinlaat het koelvermogen verminderen bij een hoge buitentemperatuur en een zware belasting van de motor.15. Controle- en waarschuwingssymbolen

35Instrumenten, schakelaars en bedieningFunctietest, symbolenAlle controle- en waarschuwingslampjes branden wanneer de contactsleutel voor het starten in stand II wordt gedraaid. De werking van de symbolen wordt dan gecontroleerd. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is gestart, behalve het symbool voor de handrem, dit gaat uit als de handrem wordt uitgeschakeld. Als de motor niet binnen vijf seconden wordt gestart, gaan alle symbolen uit, behalve en . Afhankelijk van het specificaties van uw auto kan het zijn dat bepaalde symbolen geen functie hebben.Controle- en waarschuwingssymbolenSymbolen in het midden van het dashboardHet rode waarschuwingsdriehoekje brandt wanneer er een storing is aangegeven die invloed kan hebben op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekst in het informatiedisplay.

Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen. 1. Stop op een veilige plek. Er moet niet verder worden gereden met de auto.2. Lees de informatie op het display. 3. Verhelp het probleem aan de hand van de aanwijzingen of neem contact op met een erkende Volvo-reparateur.Als er een afwijking is in één van de systemen in de auto, gaat het gele informatiesymbool branden en verschijnt er tekst op het display. Het informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.LET OP! LET OP! LET OP! LET OP! LET OP! Er kan nog met de auto worden gereden na een bericht met betrekking op onderhoud. Vraag een erkende Volvo-reparateur om advies.

36Instrumenten, schakelaars en bedieningControlesymbolen - linkerzijde1. Storing in het uitlaatgassysteemRijd de auto naar een erkende Volvo-reparateur om het systeem te laten controleren.2. Storing in ABS-systeemAls het symbool brandt, werkt het systeem niet. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog, zij het zonder ABS-regeling.2.1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.2.2. Start de motor opnieuw.2.3. Als het symbool echter blijft branden, moet u de auto naar een erkende Volvo-reparateur rijden om het ABS-systeem te laten controleren.3. MistachterlichtDit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht heeft ingeschakeld.4. Stabiliteitssysteem STC of DSTCHet knipperende symbool geeft aan dat het stabiliteitssysteem werkt. Als het waarschuwingssymbool blijft branden, geeft dit weinig wrijving tussen weg en banden aan.5. Geen functie6.

Voorgloeifunctie motor (diesel)Het symbool brandt als de motor wordt voorverwarmd. De voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan -2 °C. De auto worden gestart als het lampje uit gaat.7. Laag peil in de brandstoftankEr is nog ongeveer 8 liter over als dit symbool brandt.Controlesymbool - rechterzijde1. Controlelampje aanhangerHet symbool knippert, wanneer u de richtingaanwijzers op de auto en de aanhanger gebruikt. Als het symbool niet knippert, is één van de lampen op de auto of de aanhanger defect.2. Handrem aangetrokkenHet symbool brandt zelfs als de handrem één “klik” wordt aangetrokken. Controleer of de hendel goed is aangetrokken.

37Instrumenten, schakelaars en bediening3. Airbags - SRSAls het symbool brandt of blijft branden tijdens het rijden, is er een storing in het SRS-, SIPS- of IC-systeem geregistreerd. Rijd de auto zo snel mogelijk naar een erkende Volvo-reparateur om het systeem te laten controleren. 4. Lage oliedrukAls het symbool tijdens het rijden brandt, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul indien nodig bij. Als het symbool brandt en het oliepeil is normaal, neem dan contact op met een werkplaats van Volvo. 5. GordelwaarschuwingHet symbool blijft branden als de bestuurder of de passagier in de voorstoel zijn of haar veiligheidsgordel niet draagt. 6. Dynamo laadt niet opAls het symbool tijdens het rijden brandt, is er sprake van een storing in het elektrische systeem. Neem contact op met een Volvo-reparateur. 7.

Storing in het remsysteemAls het symbool brandt, kan het remvloeistofpeil te laag zijn. 1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir. 2. Als het peil lager is dan het MIN-streepje van het remvloeistofreservoir, kunt u beter niet verder rijden met de auto. Laat de auto naar een erkende Volvo-reparateur slepen om het remsysteem te laten controleren. Als de symbolen BRAKE en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in de -remkrachtverdeling zijn opgetreden. 1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. 2. Start de motor opnieuw. • Als beide symbolen uitgaan, rij dan verder. • Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren.

• Als de symbolen echter blijven branden ondanks dat het peil van de remvloeistof in orde is, moet u de auto uiterst voorzichtig naar een erkende Volvo-reparateur rijden om het remsysteem te laten controleren. • Als het peil lager is dan het MIN-streepje van het remvloeistofreservoir, kunt u beter niet verder rijden met de auto.

Laat de auto naar een erkende Volvo-reparateur slepen om het remsysteem te laten controleren. Herinnering - portieren niet geslotenAls één van de portieren, de motorkap of het kofferbakdeksel niet juist gesloten is, wordt de bestuurder als volgt gewaarschuwd. WAARSCHUWING. Als de symbolen BRAKE en ABS tegelijkertijd branden, bestaat het gevaar dat de achtertrein bij krachtig remmen gaat slippen.

38Instrumenten, schakelaars en bedieningLage snelheidHet symbool gaat branden terwijl de auto met een snelheid van maximaal 7 km/u beweegt. Tegelijkertijd verschijnt één van de volgende teksten in het display: BESTUURDERS- PORTIER OPEN, PASSAGIERS- PORTIER OPEN, ACHTERPORTIER LINKS OPEN of ACHTERPORTIER RECHTS OPEN. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig is. Sluit het portier of de achterklep/het kofferbakdeksel dat open is.Hoge snelheidAls de auto 7 km/u of harder rijdt, gaat het symbool branden. Tegelijkertijd wordt één van de teksten in de vorige paragraaf getoond.Motorkap 1 en kofferbakdekselHet symbool gaat ongeacht de snelheid branden en op het display verschijnt MOTORKAP OPEN of KOFFERDEKSEL OPEN.1Alleen auto’s met alarm.

39Instrumenten, schakelaars en bedieningBericht BetekenisSTOP SAFELY Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Groot risico op schade.STOP ENGINE Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Groot risico op schade.SERVICE SPOED Breng uw auto meteen voor controle naar de werkplaats.SEE MANUAL Lees het instructieboekje.SERVICE VEREIST Laat uw auto zo spoedig mogelijk controleren.TIME FOR REGULAR SERVICE Tijd voor service. De tijd hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat verstreken is sinds de laatste servicebeurt en het aantal draaiuren van de motor.InformatiedisplayBerichtenTegelijkertijd met het branden van een waarschuwings- of controlelampje, verschijnt er een aanvullend bericht in het informatiedisplay.• Druk de knop READ (A) in.Blader tussen de berichten met de READ-knop.

Berichten blijven in het geheugen opgeslagen totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.Als er een waarschuwingsbericht wordt getoond als de boordcomputer wordt gebruikt, moet het bericht worden gelezen (druk op de READ-knop) voordat de eerdere activiteit kan worden hervat.

40Instrumenten, schakelaars en bedieningElektrische aansluiting, DSTC-systeem, extra uitrusting12V elektrische aansluitingU kunt het elektrisch contact voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een autotelefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via de aansluiting afnemen. De contactsleutel moet in stand I staan, anders geeft de aansluiting geen stroom.WAARSCHUWING!Laat de plug altijd in het contact zitten als het contact niet wordt gebruikt.Elektrisch contact en schakelaar voor de middenconsoleSigarettenaansteker (optie)U activeert de aansteker door de knop in te drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert de knop automatisch uit.

Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende stuk metaal om een sigaar of sigaret aan te steken.Stabiliteitssysteem STC of DSTC1Het stabiliteits- en tractiesysteem wordt iedere keer dat u de auto start automatisch geactiveerd.Zo beperkt u de werking van het stabiliteitssysteem:• Houd de knop ten minste een halve seconde ingedrukt.Zie voor meer informatie pagina 106.1Optie in bepaalde landenWAARSCHUWING!De rijeigenschappen van de auto kunnen anders zijn als de werking van het stabiliteitssysteem wordt beperkt.Extra uitrustingRuimte voor extra schakelaar voor later te monteren uitrusting.

41Instrumenten, schakelaars en bediening1. KoplamphoogteverstellingDe koplamphoogte wordt versteld met deze schakelaar. Dit wordt gebruikt wanneer de auto zo zwaar beladen is dat het van invloed is op de hoogte van de lichten. • Normale koplamphoogte - beweeg de schakelaar omhoog (0). • Verlaagde koplamphoogte - beweeg de schakelaar omlaag. Auto's met Bi-Xenon-lampen (optie) zijn voorzien van automatische koplamphoogteverstelling. Verlichtingspaneel2. Koplampen en stadslichtenAlle verlichting uit. Auto's met dagrijverlichting (bepaalde landen)Het dimlicht gaat automatisch aan wanneer u de contactsleutel in de rijstand (II)draait. Het kan niet worden uitgeschakeld. De dagrijverlichting kan voor vertrek naar bepaalde landen worden uitgeschakeld. Neem contact op met een Volvo-reparateur.

Stadslichten voor en verlichting achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting branden tegelijk met het dimlicht. StadslichtenStadslichten vóór en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting. Groot- en dimlichtContactsleutel in stand II:Koplampen (plus parkeerlichten vóór en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting) branden. De verlichtingsdraaiknop moet in stand II worden gedraaid voordat u het groot licht kunt inschakelen. Het is echter mogelijk om het groot licht in alle standen te laten knipperen zelfs als de sleutel niet in het contactslot steekt. Zie ook pagina 43. 3. InstrumentenverlichtingHandmatige afstelling:• Fellere verlichting - beweeg de schakelaar omhoog. • Zwakkere verlichting - beweeg de schakelaar omlaag. Automatische bediening:Een schemeringssensor stemt de verlichting van de instrumenten automatisch af. 4.

42Instrumenten, schakelaars en bediening6. MistachterlichtContactsleutel in stand II:• Druk op de knop om het mistachterlicht in te schakelen. Het mistachterlicht achter brandt in combinatie met het groot licht/dimlicht. De LED in de knop en het symbool op het instrumentenpaneel branden. Als de mistlampen vóór en het groot of dimlicht worden uitgeschakeld en weer ingeschakeld, dan gaat het mistachterlicht uit. Druk op de knop om het weer in te schakelen. VerblindenVergeet het mistachterlicht niet uit te schakelen als u een auto in uw achteruitkijkspiegel ziet. Alleen de laatste auto in een rij auto's mag het mistachterlicht ingeschakeld hebben.LET OP! LET OP! LET OP! LET OP! LET OP! De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór en achter verschillen van land tot land.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Volvo S40 (2003) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden