Voltcraft WBM-460 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Voltcraft WBM-460 (189 pagina’s), behorend tot de categorie Meetapparatuur. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 24 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over Voltcraft WBM-460 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Voltcraft |
| Categorie: | Meetapparatuur |
| Model: | WBM-460 |
Handleiding Voltcraft WBM-460 – volledige tekst
1441. InleidingGeachte klant,Met dit Voltcraft®-product hebt u een hele goede beslissing genomen, waarvoor we u van harte willen bedanken. U heeft een hoogwaardig product uit de merkfamilie gekocht dat zich onderscheidt op het gebied van de meet-, laad-en netwerktechnologie door de buitengewone vakkundigheid en permanente innovatie. Met Voltcraft® kan zowel de kieskeurige hobbyist als de professionele gebruiker zelfs de moeilijkste taken probleem-loos uitvoeren. Voltcraft® biedt u betrouwbare technologie met een uitstekende prijs-kwaliteitsverhouding. We zijn ervan overtuigd: Uw keuze voor Voltcraft® is tegelijkertijd het begin van een langdurige en prettige samen-werking. Veel plezier met uw nieuwe Voltcraft®-product. Bij technische vragen kunt u zich wenden tot onze helpdesk. Voor meer informative kunt u kijken op www. conrad. nl of www. conrad. bec) HOLD-functie.
1452. Verklaring van de symbolen Eendriehoekmeteenbliksemitsbetekenteenwaarschuwingvooreenelektrischeschokofeenrisicovoor de elektrische veiligheid van het apparaat. Een uitroepteken in een driehoek wijst op belangrijke instructies in deze gebruiksaanwijzing die absoluut moeten worden opgevolgd. Het pijl-symbool ziet u waar bijzondere tips en aanwijzingen over de bediening worden gegeven. Dit apparaat is CE-conform en voldoet aan de noodzakelijke nationale en Europese richtlijnen. Beschermklasse 2 (dubbele of versterkte isolatie). CAT I Meetcategorie I voor metingen aan elektrische en elektronische apparaten die niet direct door netspanning gevoed worden (bijv. apparaten die op batterijen werken, lage beveiligingsspanning, signaal- en stuurspan-ningen enz.
)CAT II Meetcategorie II voor metingen aan elektrische en elektronische apparaten die via een netstekker worden voorzien van netspanning. Onder deze categorie vallen ook alle lagere categorieën (bijv. CAT I voor het meten van signaal- en stuurspanningen). CAT III Meetcategorie III voor metingen in installaties in gebouwen (bijv. stopcontacten of groepen). Onder deze categorie vallen ook alle lagere categorieën (bijvoorbeeld CAT II voor metingen aan elektrische apparaten). Het uitvoeren van metingen in CAT III is alleen toegestaan met behulp van meetpennen met een maximale blootgestelde contactlengte van 4 mm of meetpennen met afdekkappen. CAT IV Meetcategorie IV voor metingen aan de bron van laagspanningsinstallaties (bijvoorbeeld hoofdverdeelin-stallatie, residentiele aansluitpunten van de energieleverancier enz.
) en buitenshuis (bijvoorbeeld werk-zaamheden aan aardekabels, vrije kabels enz. ). Onder deze categorie vallen ook alle lagere categorieën. Het uitvoeren van metingen in CAT IV is alleen toegestaan met behulp van meetpennen met een maximale blootgestelde contactlengte van 4 mm of meetpennen met afdekkappen. Aardpotentiaal3.
1485. VeiligheidsinstructiesLees de gebruiksaanwijzing voor gebruik zorgvuldig door. Deze bevat belangrijke informatie voor een juist gebruik van het product. In geval van schade, die ontstaat door het niet naleven van de gebruiksaanwijzing, komt de waar-borg/garantie te vervallen. We zijn niet aansprakelijk voor gevolgschade. We zijn niet aansprakelijk voor materiële schade of persoonlijk letsel veroorzaakt door verkeerd gebruik of het niet opvolgen van de veiligheidsinstructies. In dergelijke gevallen komt de waarborg/garantie te vervallen. Het apparaat heeft de fabriek in een technisch veilige en perfect werkende toestand verlaten. Volg de in deze gebruiksaanwijzing opgenomen veiligheidsinstructies en waarschuwingen op om deze toestand van het apparaat te behouden en te zorgen voor een veilig gebruik ervan.
• -Om redenen van veiligheid en goedkeuring is het eigenmachtig ombouwen en/of wijzigen van het apparaat niet toegestaan. • Raadpleeg een expert wanneer u twijfelt over het juiste gebruik, de veiligheid of het aansluiten van het apparaat. • Meetinstrumenten en toebehoren zijn geen speelgoed en moeten uit de buurt van kinderen worden gehouden. • Neem in industriële omgevingen de Arbo-voorschriften met betrekking tot het voorkomen van ongevallenin acht. • -In scholen en opleidingsinstellingen, hobby- en werkplaatsen, evenals bij mensen met beperkte lichamelijke en geestelijke vaardigheden moet werken met meetapparatuur gebeuren onder toezicht van daartoe opgeleid personeel. • Zorg bij elke spanningsmeting dat het meetapparaat zich niet in een andere meetfunctie bevindt.
• -Bij het gebruik van meetpennen zonder afdekkappen mogen metingen tussen het meetapparaat en aardpotentiaal niet boven de meetcategorie CAT II uitgevoerd worden. • Bij metingen vanaf de meetcategorie CAT III moeten meetpennen met af-dekkappen (max. 4 mm vrije contactlengte) worden gebruikt, om onbedoel-de kortsluiting tijdens de meting te voorkomen.
Deze worden meegeleverd resp. zijn bevestigd op de meetpunten. • Verwijder de meetkabels altijd van het meetobject voordat u het meetbereik wijzigt. • De spanning tussen de meetpunten van het meetapparaat en aardpotentiaal mag niet meer zijn dan 600 V DC/AC in CAT IV resp. 1000 V DC/AC in CAT III. • Wees bijzonder voorzichtig tijdens de omgang met spanningen >33 V wisselspanning (AC) resp. >70 V gelijkspanning (DC). Bij deze spanningen kunt u in geval van contact met een elektrische kabel een levensgevaarlijke elektrische schok krijgen. • -Om een elektrische schok te vermijden, dient u erop te letten, dat u de te meten aansluitingen/meetpunten tijdens de meting niet, ook niet indirect, aanraakt. Pak de meetpennen tijdens het meten niet vast boven de voelbare handgreepmarkeringen.
149• Controleer voor elke meting uw meetapparaat en de meetkabels ervan op beschadigingen. Voer nooit metingen uit als de beschermende isolatie beschadigd is (gescheurd, losgetrokken, etc. ). De meege-leverde meetkabels zijn voorzien van een slijtage-indicator. Bij beschadiging wordt er een tweede iso-latielaag met een andere kleur zichtbaar. De meetapparatuur mag dan niet langer worden gebruikt en moet worden vervangen. • Gebruik de multimeter niet kort voor, tijdens of direct na onweer (blikseminslag. /energierijke overspan-ningen. ). Let erop, dat uw handen, schoenen, kleding, de vloer, schakelingen en schakelcomponenten etc. per sé droog zijn. • Gebruik het product niet in de directe nabijheid van: - sterke magnetische of elektromagnetische velden - zendmasten of RF-generatoren. • De gemeten waarde kan daardoor worden vertekend.
• -Als aangenomen mag worden dat veilig gebruik niet meer mogelijk is, moet het apparaat worden uitgeschakeld en tegen onbedoeld gebruik worden beveiligd. Men dient ervan uit te gaan dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is als: - het apparaat zichtbaar beschadigd is, - het apparaat niet langer werkt en - gedurende een lange periode onder ongunstige omstandigheden opgeborgen is geweest of - tijdens het vervoer aan een aanzienlijke belasting onderhevig is geweest. • -Zet het meetapparaat nooit onmiddellijk aan nadat het van een koude naar een warme ruimte is gebracht. De condens die hierbij wordt gevormd kan het apparaat onder bepaalde omstandigheden onher-stelbaar beschadigen. Laat het apparaat eerst op kamertemperatuur komen voordat u het inschakelt.
• Laat het verpakkingsmateriaal niet rondslingeren; kinderen kunnen het als speelgoed gebruiken, wat tot gevaarlijke situaties kan leiden. Lithium-batterij, Li-Ion-accu en oplader• De Li-Ion-accu mag uitsluitend met de meegeleverde speciale oplader worden opgeladen. Het gebruik van een andere oplader kan ertoe leiden dat de accu onherstelbaar beschadigd raakt.
Er bestaat brand- en explosiegevaar. • Bewaar de accu droog en bij kamertemperatuur. Gebruik indien mogelijk speciale opbergboxen (bijv. Li-Po-bags zoals in de modelbouw). • De accu mag niet worden blootgesteld aan temperaturen >60 °C (bijv. In voertuigen in de zomer, enz. ). • De accu mag niet vochtig of nat worden. • Laad de accu alleen onder toezicht op. Beëindig meteen het opladen als u onregelmatigheden op het accupack vaststelt (als de accu bijvooorbeeld opbolt enz. ). • Demonteer accu’s niet, sluit ze niet kort en werp ze niet in het vuur. Probeer nooit gewone batterijen op te laden. Er bestaat dan explosiegevaar. • -De accu dient uit het apparaat te worden verwijderd wanneer het gedurende langere tijd niet wordt gebruikt, om beschadiging door lekkage te voorkomen. Het zuur in lekkende of beschadigde accu’s kan bij contact met de huid chemische brandwonden veroorzaken.
150• -Bewaar de accu’s en batterijen buiten het bereik van kinderen. Laat de accu’s en batterijen niet rondslingeren omdat het gevaar bestaat dat kinderen of huisdieren deze inslikken. • Plaats de oplader op een vuurbestendige en hittebestendige ondergrond. • Het stopcontact voor de oplader moet zich in de buurt van de oplader bevinden en te allen tijde gemak-kelijk toegankelijk zijn. • Pak de netstekker niet met vochtige of natte handen vast. Er bestaat levensgevaar door een elektrische schok. Laser waarschuwingen• Het product is voorzien van een klasse 2 laser. In de levering bevinden zich laserwaarschuwingsbordjes in verschillende talen. Indien het bordje op het apparaat resp. de laser niet in de taal van uw land is, bevestig dan het juiste bordje op het product. • Waterdamp, stof, rook en/of dampen kunnen de optiek beïnvloeden en tot een verkeerd meetresultaat leiden.
• Bij gebruik van de laser dient er altijd op te worden gelet dat de laserstraal zo wordt geleid dat niemand zichinhetprojectiebereikbevindtendatonbedoeldgereecteerdestralen(bijv. doorreecterendevoor-werpen) niet in ruimtes komen waarin zich personen bevinden. • Laserstralingkangevaarlijkzijnalsde laserstraalof eenreectiedaarvanonbeschermd inuw ogenkomt. Informeer uzelf daarom voordat u het laserinrichting in werking stelt over de wettelijke bepalingenen voorzorgsmaatregelen betreffende de werking van een dergelijke laserapparaat. • Kijk nooit in de laserstraal en richt deze nooit op personen of dieren. Laserstralen kunnen oogletsel tot gevolg hebben. • Zodra uw oog wordt getroffen door een laserstraal, meteen de ogen sluiten en uw hoofd wegdraaien van de straal.
Bestuur ook geen voertuigen meer totdat de irritaties zijn verdwenen. • -Richtdelaserstraalnooitopspiegelsofanderereecterendeoppervlakken. Eenongecontroleerdafgebogen straal zou personen of dieren kunnen raken. • -Uitsluitend geschoolde vaklieden die vertrouwd zijn met de gevaren, mogen instel- of onderhoudswerkzaamheden uitvoeren aan de laser. Ondeskundig uitgevoerd instelwerk kan gevaarlijke laserstraling tot gevolg hebben. • Voorzichtig - als er andere dan de in deze handleiding vermelde besturingen of methodes worden ge-bruikt, kan dit tot gevaarlijke blootstelling aan straling leiden. • Neem ook de veiligheidsinstructies in de afzonderlijke hoofdstukken in acht.
1527. ProductbeschrijvingAlgemeenDemultimeterbeschiktovereengraschTFT-kleurendisplay. Viahetdisplaywordenallevereisteweergaveninstellingen uitgevoerd. Een hoofdmenu, dat via een multifunctionele knop kan worden opgeroepen, maakt de instelling van bedrijfsparameters mogelijk. Via de pijlknoppen is een eenvoudige navigatie in het menu mogelijk. Digitale multimeterDegemetenwaardenwordenweergegevenopdemultimeter(hiernaDMMgenoemd)opeengraschkleurendispDe weergave van de meetwaarde van de DMM bestaat uit 6000 counts (count = laagste displaywaarde). De meting van de spanning en stroom vindt plaats op basis van de effectieve waarde (True RMS). Op de multimeter kan een automatische uitschakeling worden ingesteld. Mogelijke instelwaarden zijn 15, 30 of 60minuten. Als de DMM gedurende deze tijd niet wordt bediend, schakelt het apparaat automatisch uit.
De accu wordontzien en maakt zodoende een langere gebruikstijd mogelijk. De automatische uitschakeling kan handmatig wordengedeactiveerd. Het meetapparaat is geschikt voor hobby- en professioneel gebruik tot meetcategorie CAT III 1000 V resp. CAT IV 600 VEr bevinden zich beschermende transportkappen op de meegeleverde schuine stekkers van de meetsnoeren. Verwij-der deze voordat u de stekkers in de aansluitingen van het meetapparaat steekt. De DMM kan met de beugel aan de achterzijde zo worden neergezet dat deze beter kan worden afgelezen. Een magnetische haak kan worden bevestigd aan het meetapparaat. Dit maakt de bevestiging aan alle ferromagne-tische oppervlakken mogelijk. De stroommeetbereiken (µA, mA, 10 A) zijn met keramische high-performance zekeringen beveiligd tegen overbelasting.
Is een metingen in deze bereiken niet meer mogelijk is, moeten de zekeringen gecontroleerd en indien nodigworden vervangen. Infrarood-warmtebeeldcameraIn de multimeter is een IR-warmtebeeldcamera ingebouwd.
De camera maakt visualisatie van de warmteverdeling vanvoorwerpen en oppervlakken mogelijk. De temperatuurverdeling wordt daarbij weergegeven met verkeerde kleurenEr kunnen 5 verschillende kleurpaletten worden ingesteld om de best mogelijke contrast weergave te garanderen. De temperatuur in het midden van het beeld (puntgebied), evenals de maximale en minimale temperatuurwaarden worden weergegeven met een markering. Door de uitgebreide instelmogelijkheden kan de functie van de warmte-beeldcamera voor vele toepassingen worden gebruikt. Op een verwisselbare MicroSD-geheugenkaart kunnen warmtebeelden worden opgeslagen. Draaiknop (D)De verschillende meetfuncties worden via een draaiknop geselecteerd. Automati-sche bereikkeuze “Auto Range” is gedeactiveerd. Deze functie stelt het gepaste meetbereik voor elke toepassing automatisch in. De stroom-meetbereiken moeten handmatig worden ingesteld.
Begin de stroommetingen altijd op het hoogste meet-bereik en schakel indien nodig om naar een lager meetbereik. Enkele draaischakelaarbereiken zijn meervoudig bezet. Met de knop “MODE” kun-nen de subfuncties worden omgeschakeld (bijv. omschakeling weerstandsmeting naar diodentest en doorgangsmeting of AC/DC-omschakeling. ) Met elke keer druk-ken schakelt u de functie om. Het meetapparaat is uitgeschakeld wanneer de schakelaar op “OFF” staat. Zet het meetapparaat altijd uit wanneer u het niet gebruikt.
DMM-modus IR-warmtebeeldcamera + DMM-modus1 Acculading-indicator2 Weergave van meetwaarde (DMM-modus)3 “Auto Range” voor automatische keuze van het meetbereik4 Staafdiagram voor snelle tendensaanduidingen5 Weergave van de speciale functies voor cursor-/functieknoppen6 Tijdweergave7 Meeteenheid8 Symbool voor geplaatste geheugenkaart9 TemperatuurweergaveS = spotmeting (markering 10)H = maximale waarde (markering 17)L = maximale waarde (markering 11)10 Markering voor spotmeting11 Markering voor het laagste temperatuurpunt12 “Auto” voor automatische keuze van het meetbereik13 Weergave emissiegraad14 Temperatuureenheid15 Temperatuurbereik referentie schaalverdeling16 IR-warmtebeeldcamera17 Markering voor het hoogste temperatuurpunt18 Meeteenheid19 Weergave van meetwaarde (IR-warmtebeeldcame-ra + DMM-modus)
154REL meting van relatieve waarde (delta symbool = referentiewaarde)MODE Omschakelen van de subfunctiesHOLD Knop voor het vasthouden van de huidige meetwaarde; hold-functie is actiefESC Knop voor het verlaten van het instelmenuIR Infrarood, omschakeling voor warmtebeeld-functieOL Overload = overbelasting; het meetbereik is overschredenOFF Stand waarin het apparaat uit staatTrue RMS Echte effectieve-waardemetingMAX Opslag van de min.- en max.-meetwaardenPEAK Piekwaardeweergave (Pmax/Pmin), 1 ms registratietijd Symbool voor de diodetest Symbool voor de akoestische continuïteitsmetingCAP Symbool voor het capaciteitsmeetbereik Symbool voor wisselstroom Symbool voor gelijkstroom Symbool voor gelijk- en wisselstroom (gecombineerd) Weergave van de pulsduur de pos.
155Ω Meetfunctieweerstand,Ohm(eenheidvanelektrischeweerstand)°C Graden Celsius (eenheid van temperatuur)°F Graden Fahrenheit (Angelsaksische temperatuureenheid)K Kelvin (eenheid van de absolute temperatuur)F Farad (eenheid van elektrische capaciteit)n Symbool voor nano (macht -9)µ Symbool voor micro (macht -6)m Symbool voor milli (macht -3)k Symbool voor kilo (macht 3)M Symbool voor mega (macht 6)9. Accu opladen en plaatsenDe meegeleverde Lithium-Ion-accu is bij de levering voorgeladen en moet vóór het eerste gebruik volledig worden opgeladen.Voor het opladen van Li-Ion-accu mag uitsluitend de meegeleverde oplader en de bijbehorende netvoedingadapter worden gebruikt. Een andere oplader kan onherstelbare schade van de accu veroorzaken. Er bestaat brand- en explosiegevaar.De oplader wordt warm tijdens het gebruik.
Plaats de oplader op een vlak, ongevoelig en hittebestendig oppervlak.Netvoeding voorbereidenDe meegeleverde netvoeding is voorzien van vervangbare stekkers voor het wereldwijde gebruik. Kies de voor Eu-ropa passende eurostekker. In het buitenland selecteert u de overeenkomstig passende stekker. Er worden stekkers voor Groot-Brittannië en Australië meegeleverd.De Amerikaanse stekker is vast geïntegreerd in de netvoeding. Bij Amerikaanse stekkersystemen klapt u gewoon de beide platte contacten uit de netvoeding. Hier heeft u geen adapter nodig.Schuif de stekker van boven op de netvoeding, totdat deze voelbaar vastklikt. De bovenkant van van de stekker en de netvoeding moeten vlak afsluiten.Voor het verwijderen van de stekker schuift u de stekker met enige kracht naar boven toe van de netvoeding.
156Accu opladenDe accu moet bij de eerste inbedrijfname of wanneer de accu-indicator rood brandt worden opgeladen. 1 Verbind de kleinspanningsstekker met de oplader. 2 -Sluit de netvoeding aan op een standaard stopcontact. Opgelet. Het stopcontact moet zich in de buurt van de oplader bevin-den en te allen tijde gemakkelijk toegankelijk zijn. De groene indicator “Power” brandt. De rode indicator “Charge” knippert. 3 Plaats de accu in de juiste richting en met de laadcontacten als eerste in de oplader. Druk de accu voorzichtig in de oplader, totdat deze hoorbaar vastklikt. De accu is vergrendeld. De rode indicatie “Charge” brandt tijdens het laadproces continu. Als het opladen is voltooid, gaat de rode laadindicator uit. De accu kan nu worden verwijderd. Accu verwijderen1 Schuif de ontgrendelschuif op de oplader in de richting van de pijl naar voren en houd hem vast in deze positie.
De vergrendeling wordt opgeheven. 2 Til de accu los van het vergrendelingspunt als eerst uit de oplader. U kunt de vergrendeling loslaten. Accu in het meetapparaat plaatsenPlaats het meetapparaat met de achterkant naar boven op een zachte ondergrond. Klap de beugel aan de achterkant naar boven. Draai met een plat voorwerp (bijv. een brede schroe-vendraaier met platte kop) de vergrendeling in de stand “open”. Dit wordt met een geopend slot-symbool weer-gegeven. Verwijder het deksel van de accu- en zekeringvak. Gebruik hiervoor eventueel een schroevendraaier met platte kop. Het deksel bevat een afdichtring van rubber om het meetinstrument af te dichten. Dientengevolge wordt het deksel slechts met een bepaalde kracht van het meetapparaat losgemaakt. Zorg er bij het verwijde-ren en plaatsen van de afdekking voor dat deze afdicht-ring niet wordt beschadigd.
Plaats het deksel van het accuvak met de bovenste vergrendelingsnokken eerst in het meetapparaat en druk deze dan met enige kracht in het meetapparaat. Vergrendel het deksel. Draai met een plat voorwerp (bijv. een brede schroevendraaier met platte kop) de vergrende-ling in de stand “vergrendeld”. Dit wordt met een gesloten slot-symbool weergegeven. Het meetapparaat is klaar voor gebruik.
15710. Plaatsen van de geheugenkaartHet meetapparaat maakt de opslag van de beelden van warmtebeeldcamera op een verwisselbare microSD-geheugenkaart mogelijk. Zo is een eenvoudige uitwisseling van gegevens en een verdere verwerking van de meetgegevens op een computer mogelijk.Voor de opslag kunnen microSD-kaarten tot 32 GB worden gebruikt.Voor het plaatsen en vervangen van de geheugenkaart gaat u als volgt te werk.Open het accu- en zekeringsvak zoals beschreven in het vorige hoofdstuk en verwij-der de accu.De slot voor de geheugenkaart bevindt zich in het batterijvak rechtsboven. Het sym-bool voor de juiste positie van de geheugenkaart is gedrukt. Plaats de geheugenkaart zoals afgebeeld met de contacten naar beneden op het metalen oppervlak. Schuif de geheugenkaart voorzichtig in het midden naar boven in de kaartenslot. Let erop dat de geheugenkaart vastklikt in de slot.
Alleen zo is een betrouwbare opslag gegarandeerd.Plaats de accu weer terug en sluit het deksel weer zorgvuldig op het vak.Nahetinschakelenwordthetgeheugenophetdisplaymeteenoppy-symbool(dis-playsymbool “8”) weergegeven.Als het pictogram niet aanwezig is, controleer de opslagcapaciteit, de correcte plaat-sing resp. de juiste bestandsformattering (FAT32) van de geheugenkaart.
15811. Ingebruiknamea) Meetapparaat inschakelenHet meetapparaat wordt via de draaischakelaar ingeschakeld. In de schakelaarpositie “OFF” is het meetapparaat uitgeschakeld. Voor het inschakelen, draait u de draaischakelaar naar de gewenste meetfunctie. b) BedieningspaneelHet bedienen en instellen van het meetapparaat geschiedt met behulp van de diverse knoppen. De knoppen hebben de volgende functies: Met de kunt u omschakelen tussen de bereiken die dubbel of meervoudig bezet MODE-knopzijn (bijv. AC/DC-omschakeling). Met elke keer drukken schakelt u de functie om. De heeft verschillende functies, afhankelijk van de huidige bedienings-HOLD/ESC-knopmodus. In de normale meetmodus wordt de huidige gemeten waarde of scherminhoud geregistreerd. Een geregistreerde meetwaarde wordt op het display aangegeven door het symbool "HOLD” weergegeven.
Let er tijdens het meten op dat vóór een meting deze functie niet actief is. Wanneer de HOLD-functie actief is, wordt geen correcte meetwaarde weergegeven. In het instellingenmenu kan het menu direct worden verlaten met de "ESC" -knop. Met de kunt u overschakelen van de standaardinstelling automatische RANGE-knopbereikskeuze (Auto Range) naar de manuele bereikskeuze (Manual Range). Dit is nodig als de automatische bereikselectie niet de gewenste resolutie vertegenwoordigt of vaak schakelt tussen twee meetwaarde-resoluties in het meetbereik. Met elke keer drukken schakelt een meetbereik hoger en begint bij het einde weer met het kleinste meetbereik. Handmatige bereikselectie kan worden gedeactiveerd door lang op de knop "RANGE" (> 1s) te drukken. Auto Range is weer actief. De heeft twee functies. IR-knopKort indrukken schakelt over van multimetermodus naar de warmtebeeldmodus en terug.
Lang drukken (>1s) activeert of deactiveert de led-lamp aan de achterkan. Met de kunt u de overeenkomstige parameters in het instellingsmenu instel-cursorknoppenlen. De 4 pijlmarkeringen geven hierbij ook de menurichtingen weer.
In de meetmodus worden verschillende functies weergegeven in de onderste rand van het display. Deze zijn meestal voorzien van pijlmarkeringen. Om deze functies te selecteren, drukt u op de bijbehorende cursorknop met het aangegeven pijl. Voorbeelden: Als er geen pijlen worden weergegeven in de functievelden, zijn de lokale knoppen "MODE" of "HOLD" verantwoordelijk voor deze functies. De menuknop bevindt zich in het centrum van de cursorknoppen en opent het instellingsme-nu. In het instellingsmenu wordt deze knop gebruikt als een bevestigingsknop (Enter). Bij langdurig drukken (>1s) wordt het menu net zoals bij de ESC-knop beëindigt.
159c) Basis instellingHet meetapparaat maakt het instellen van basisgegevens die relevant zijn voor de gebruiker via een menu mogelijk. Dit zijn bijv.menutaal, meeteenheden, tijd en datum enz.Deze instellingen moeten van tevoren worden ingesteld, omdat bijvoorbeeld verschillende meetgegevens met tijd-stempel worden opgeslagen, enz.Als het meetapparaat aan staat, kunt u door op de menuknop te drukken naar het setup-menu gaan. De afbeelding toont het complete instellingsmenu in de Engelse taal in geleverde toestand. Vanwege de schermgrootte kunnen altijd slechts 7 menubereiken worden weergegeven. Het menu kan worden ver-plaatst met de cursorknoppen “omhoog” en “omlaag”.
Het geselecteerde menupunt wordt oranje weergegeven.Het menu heeft de volgende instelfuncties: Origineel Landstaal BetekenisPalet Palet Keuze IR-kleurpalettenTemp Unit Temp-eenheidKeuze van de weergegeven temperatuureenheidMeasure Meting Keuze van de weergegeven temperatuurpun-ten min/maxEmissivity Emissieg Instellen van de emissiefactorRecording Opname Instelparameters voor registratie van meet-waarden (data logger) en weergaveLanguage Taal Selecteren van de menutaalSetup Setup Selectie van de bedieningsinstellingenTime/Date Tijd/datum Instellen van datum en tijdMemory Geheugen Selectie van beeldgeheugengegevensInformation Informatie Oproepen van de systeeminformatieFactory SetFabrieksinstellingenResetmenu naar fabrieksinstellingend) Menutaal instellenVoor de eerste inbedrijfstelling, de menutaal in uw eigen taal veranderen.Schakel het meetapparaat in en druk op de menuknop.Druk op de cursor “omlaag” tot het menupunt “Language” oranje gemarkeerd is.
16212. Multimeter meetmodusOverschrijd nooit de maximaal toegestane ingangswaarden. Raak geen schakelingen of schake-lingsonderdelen aan, als hierin hogere spanningen dan 33 V/ACrms of 70 V/DC kunnen voorkomen. Levensgevaar. Het meten is alleen mogelijk als het accu- en zekeringsvak gesloten is. Controleer voor het begin van de metingen de aangesloten meetkabels op beschadigingen zoals bijv. sneden, scheuren of geplette segmenten. Defecte meetkabels mogen niet meer worden ge-bruikt. Levensgevaar. Controleer de juiste meetfunctie voor elke meting voordat u met de multimeter gaat werken. Voer altijd eerst een meting uit op een bekende meetbron en controleer de juiste weergave. Een storing van de multimeter kan een levensbedreigende situatie voor de gebruiker veroorzaken.
Als er een storing is, controleert u de multimeter en neemt u zo nodig contact op met een specialist om het apparaat te controleren. Pak de meetpennen tijdens het meten niet vast boven de voelbare handgreepmarkeringen. Er mogen altijd alleen de twee voor het meten benodigde meetkabels op het meetapparaat aange-sloten zijn. Verwijder om veiligheidsredenen alle ongebruikte meetkabels van het meetapparaat. Metingen van stroomcircuits met wisselspanningen hoger dan 33 V of gelijkspanningen hoger dan 70 V mogen alleen worden uitgevoerd door deskundigen of door mensen die vertrouwd zijn met de geldende voorschriften en de eruit voortvloeiende gevaren. Zodra er “OL” (Overload = overbelasting) op het display verschijnt, hebt u het meetbereik overschreden. In sommige meetfuncties wordt een staafdiagram weergegeven.
Het staafdiagram geeft de gemeten waar-de als analoge balkaanduiding weer en geeft een overzicht met betrekking tot de huidige meetbereik. a) Meetapparaat aan- en uitzettenZet de draaiknop (6) op de gewenste meetfunctie. De meetbereiken worden behalve bij de stroommeetbereiken automatisch op het beste weergavebereik ingesteld.
Begin de stroommetingen altijd op het hoogste meetbereik en schakel indien nodig om naar een lager meetbereik. Verwijder voor het omschakelen altijd de meetkabels van het te meten object. Zet de draaiknop op “OFF” om het apparaat uit te schakelen. Zet het meetapparaat altijd uit wanneer u het niet gebruikt. Sluit de meetkabels bij opslag bij voorkeur aan op de hoogohmige meetbussen COM en V. Dit kan een eventuele verkeerde bediening voorkomen wanneer het apparaat later weer wordt gebruikt. Plaats om het meetapparaat te kunnen gebruiken eerst het meegeleverde accupack opgeladen en al erin. Het laden en plaatsen van het accupack wordt beschreven in het hoofdstuk “De accu laden en plaatsen”.
163b) Spanningsmeting “V”Voor het meten van gelijkspanningen “V ” gaat u als volgt te werk:- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V ”. Op het display verschijnt “mV ”. Het meetapparaat schakelt automatisch naar een hoger meetbereik afhankelijk van de gemeten spanningswaar-de- Breng de rode meetkabel in de V-meetaansluiting (10) en de zwarte meetkabel in de COM-meetaansluiting (9). - Sluit nu de beide meetpunten parellel aan op het te meten object (batterij, schakeling enz. ). De rode meetpen is de positieve pool en de zwarte meetpen is de negatieve pool. - De polariteit van de meetwaarde wordt samen met de actuele meet-waarde weergegeven op het display. - Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. Is er bij gelijkspanning voor de meetwaarde een “-”(min)-teken te zien, dan is de gemeten spanning nega-tief (of de meetleidingen zijn verwisseld).
Hetspanningsbereik“V/DC”heefteeningangsweerstandvan≥10MΩ. Bijopenmeetingangenkanvanwe-gedeingangsweerstandeenongedenieerdemeetwaardewordenweergegeven,dieechtergeeninvloedheeft op het meetresultaat. Voor het meten van gemengde spanningen “V ” (AC+DC) gaat u als volgt te werk:- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V AC+DC”. Op het display verschijnt “mV ”. - Druk op de knop “MODE” om naar de gecombineerde AC+DC-meetmodus te schakelen. - Het display schakelt naar de gecombineerde AC+DC-weergavemodus. Het hoofddis-play toont de gemengde spanningswaarde, de kleine subdisplays tonen de afzonderlijke spanningscomponenten van DC en AC. - Breng de rode meetkabel in de V-meetaansluiting (10) en de zwarte meetkabel in de COM-meetaansluiting (9). - Sluit nu de beide meetpunten parellel aan op het te meten object (batterij, schakeling enz. ).
- De gecombineerde meetwaarde wordt op het hoofddisplay weergegeven. - Druk op de knop “MODE” om naar de afzonderlijke DC-meetmodus te schakelen. - Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. De respectieve polariteit van de DC-meetwaarde wordt alleen weergegeven in het onderste DC-display. In de gecombineerde meetmodus is geen mV-meetbereik aanwezig.
164Voor het meten van wisselspanningen "V “ (AC) gaat u als volgt te werk:- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V ”. - Breng de rode meetkabel in de V-meetaansluiting (10) en de zwarte meetkabel in de COM-meetaansluiting (9).- Sluit nu de beide meetpunten aan op het te meten object (generator, schakeling enz.).- De meetwaarde wordt op het display weergegeven.- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. Het spanningsbereik “V/AC” heeft een ingangsweerstand van ≥9 MΩ. Bij open meetingangen kan vanwege de in-gangsweerstandeenongedenieerdemeetwaardewordenweergegeven, die echter geen invloed heeft op het meetre-sultaat.Voor het meten van wisselspanningen “V ” (AC) gaat u als volgt te werk:- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V ”.
- Druk op de knop “MODE” om naar de frequentieweergave te schakelen.- Breng de rode meetkabel in de V-meetaansluiting (10) en de zwarte meetkabel in de COM-meetaansluiting (9).- Sluit nu de beide meetpunten aan op het te meten object (generator, schakeling enz.).- De frequentie van de wisselspanning wordt op het hoofddisplay weergegeven.- De subdisplays tonen de pulstijd in ms en de pulsverhouding in % van de positieve halve golf.- Druk op de knop “MODE” om naar de spanningsweergave te schakelen.- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. Hetspanningsbereik“V/AC”heefteeningangsweerstandvan≥9MΩ.Bijopenmeetingangenkanvanwe-gedeingangsweerstandeenongedenieerdemeetwaardewordenweergegeven,dieechtergeeninvloedheeft op het meetresultaat.
165c) Stroommeting “A” Overschrijd nooit de maximaal toegestane ingangswaarden. Raak geen schakelingen of schake-lingsonderdelen aan, als hierin hogere spanningen dan 33 V/ACrms of 70 V/DC kunnen voorkomen! Levensgevaar! De max. toegestane spanning in de te meten stroomkring mag de 1000 V in CAT III of 600 V in CAT IV niet overschrijden. Metingen hoger dan 6 A mogen max. 10 seconden duren en moeten worden uitgevoerd met een tussenpauze van 15 minuten. Begin de stroommeting altijd op het hoogste meetbereik en schakel indien nodig naar een lager meetbereik. Zet voordat u het meetapparaat verbindt of wisselt van meetbereik altijd de stroom op de schakeling uit. Alle stroommeetbereiken zijn gezekerd en dus beveiligd tegen overbelasting. Meet op het bereik 10 A in geen geval stromen van meer dan 10 A resp. in het mA/µA-gebied stro-men groter dan 600 mA: anders spreken de zekeringen aan.
Voer de volgende procedure uit om gelijkstroom (A ) te meten:- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie , of .“10 A” “mA” “µA”- In de tabel worden de verschillende meetfuncties en de mogelijke meetbereiken weergegeven. Selecteer het meetbereik en de bijbehorende meetbussen.Meetfunctie Meetbereik Meetbussen10 A 0 - 10 A COM + 10 AmA 0 - 600 mA COM + µA mAµA 0 - 6000 µA COM + µA mA- Steek de rode meetkabel in de 10 A- of µA mA-meetbus. Steek de zwarte meetkabel in de COM-meetbus.- Verbind nu de twee meetpennen stroomvrij in serie met het te meten object (batterij, schakeling enz.). De betref-fende schakeling moet hiervoor worden onderbroken.- Nadat de verbinding tot stand is gebracht, zet u het circuit in werking. De meetwaarde wordt op het display weerge-geven. - Zet na de meting de stroom in de schakeling weer uit en verwijder vervolgens de meetkabels van het gemeten object.
166Ga voor het meten van wisselstroom (A ) als volgt te werk:- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie of . Druk op de knop “MODE” om naar het “10 A”, “mA” “µA”AC-meetbereik te schakelen. Op het display verschijnt naast de eenheid het symbool voor wisselstroom “ ”. Door opnieuw te drukken gaat u naar de gecombineerde AC+DC-weergavemodus en weer terug enz.- In de tabel worden de verschillende meetfuncties en de mogelijke meetbereiken weergegeven. Selecteer het meetbereik en de bijbehorende meetbussen.Meetfunctie Meetbereik Meetbussen10 A 0 - 10 A COM + 10 AmA 0 - 600 mA COM + µA mAµA 0 - 6000 µA COM + µA mA- Steek de rode meetkabel in de 10 A- of µA mA-meetbus. Steek de zwarte meetkabel in de COM-meetbus.- Verbind nu de twee meetpennen stroomvrij in serie met het te meten object (batterij, schakeling enz.).
De betref-fende schakeling moet hiervoor worden onderbroken.- Nadat de verbinding tot stand is gebracht, zet u het circuit in werking. De meetwaarde wordt op het display weer-gegeven. - Zet na de meting de stroom in de schakeling weer uit en verwijder vervolgens de meetkabels van het gemeten object. Zet de DMM uit.
167Ga als volgt te werk voor het meten van gemengde stroom “A ” (AC+DC):- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie , of .“10A” “mA” “µA”- Druk 2x op de knop “MODE” om naar de gecombineerde AC+DC meetmodus te schakelen.- Het display schakelt naar de gecombineerde AC+DC-weergavemodus. Het hoofddisplay toont de gemengde stroomwaarde, de kleine subdisplays tonen de afzonderlijke stroomcomponenten van DC en AC.- Voor de keuze van het meetbereik en de meetaansluiting gaat u als bij gelijk- of wisselstroom meting beschreven te werk.- Door hernieuwd drukken gaat u verder naar de DC-weergavemodus enz. De respectieve polariteit van de DC-meetwaarde wordt alleen weergegeven in het onderste DC-display.d) Wisselstroommeting met stroomtangadapterDe DMM kan wisselstroom meten zonder contact met behulp van optionele stroomtangadapter.
Voor dit doel hoeft het circuit niet te worden onderbroken en losgekoppeld.De stroomtangadapters zijn verbonden met de hoogohmige spanningsingang. Huidige klemadapters met een meet-bereik van 30, 300 of 3000 A AC en een AC-uitgang kunnen voor de meting worden gebruikt. Overschrijd nooit de maximaal toegestane ingangswaarden. Raak geen schakelingen of schake-lingsonderdelen aan, als hierin hogere spanningen dan 33 V ACrms of 70 V DC kunnen voorkomen! Levensgevaar! Bij toepassing van de stroomtang in gevaarlijke contactcircuits is het gebruik van persoonlijke beschermingsuitrusting vereist. Houd rekening met alle veiligheidsinstructies in de gebruiksaanwijzing van de stroomtang.
168Voor het meten van AC-stroom met de stroomtangadapter gaat u als volgt te werk:- Zet de DMM aan en kies de meetfunctie “ ”. Op het display verschijnt naast de eenheid het symbool voor wissel-stroom “ ”. - De tabel toont de vereiste ingangssignalen voor de verschillende meetbereiken. Selecteer afhankelijk van de gebruikte stroomtangadapter het passende meetbereik. De meetbereiken moeten handmatig door het drukken op de knop “RANGE” vooraf worden ingesteld.Meetbereik AC-ingangssignaal Meetbussen30 A 100 mV/A COM + 300 A 10 mV/A COM + 3000 A 1 mV/A COM + - Steek de rode meetkabel in de meetbus . Steek de zwarte meetkabel in de COM-meetbus.- Stel zo nodig het juiste meetbereik in op de stroomtangadapter. Dit moet overeenkomen met de instellingen op het meetapparaat.- Voer de stroomtang om een stroomvoerende geleider. De polariteit is niet relevant voor wisselstroom.
Zorg ervoor dat slechts één geleider tegelijkertijd wordt gemeten. Als twee geleiders worden geme-ten, worden de beide waarden bij elkaar opgeteld. Als een geleider en een neutrale geleider worden gemeten, heffen de stromen elkaar op.- De meetwaarde wordt op de display weergegeven.- Verwijder na het meten de stroomtangadapter van het te meten object en zet de DMM uit.
169e) FrequentiemetingDe DMM kan de frequentie van een signaalspanning van 10 Hz - 10 MHz meten en weergeven. Het maximale ingangsbereik bedraagt 30 Vrms. Deze meetfunctie is niet geschikt voor netspanning metingen. Houd rekening voor de ingangswaarden in de technische gegevens. Voor het meten van frequenties gaat u als volgt te werk:- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “Hz”. Op het display verschijnt “Hz”. - Breng de rode meetkabel in Hz-meetaansluiting (10) en de zwarte meetkabel in de COM-meetaansluiting (9). - Sluit nu de beide meetpunten aan op het te meten object (signaalge-nerator, schakeling enz. ). - De frequentie wordt in de bijbehorende eenheid op het display weer-gegeven. - Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.
Meting van de pulsduur in %DeDMMkandeverhoudingvandepulsduurdepositievehalvegolengtevaneenwisselspanningsignaalinprocentvande gehele periode weergeven. Evenzo wordt de pulsduur van de positieve halve golf weergegeven in milliseconden (ms). Voor het meten van de pulsduur in % gaat u als volgt te werk:- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “Hz”. Op het display verschijnt “Hz”. Druk op de knop “MODE”. Op het display verschijnt “%”. - Breng de rode meetkabel in Hz-meetaansluiting (10) en de zwarte meetkabel in de COM-meetaansluiting (9). - Sluit nu de beide meetpunten aan op het te meten object (signaalgenerator, schakeling enz. ). - De pulsduur van de positieve halve golf wordt als een percentage weergegeven in het hoofddisplay. Het subdisplay toont de pulstijd van de positieve halve golf en de signaalfrequentie.
- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. f) Meten van weerstand Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn.
Ga voor het meten van de weerstand als volgt te werk:- SchakeldeDMMinenkiesdemeetfunctie„Ω“. - BrengderodemeetkabelinΩ-meetaansluiting(10)endezwartemeetkabelindeCOM-meetaansluiting(9). - Controleer de meetkabels op geleiding door de twee meetpennen met elkaar te verbinden. Er wordt een weerstand weergegevenvanca. 0-0,5Ω(deeigenweerstandvandemeetkabels). - Voormetingenmeteenlageweerstand.
170- Verbind nu de twee meetpennen met het te meten object. Als het gemeten object niet hoogohmig is of wordt onderbroken, verschijnt demeetwaarde op het display. Wacht totdat de waarde op het dis-playzichheeftgestabiliseerd.Bijweerstandenvan>1MΩkanditenkele seconden duren.- Zodra er “OL” (Overload = overbelasting) op het display verschijnt, heeft u het meetbereik overschreden of is het meetcircuit onderbro-ken.- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. Bij het meten van weerstand moet u erop letten dat de meet-punten waarmee de meetpennen in contact komen vrij zijn van vuil, olie, soldeerhars en dergelijke.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Voltcraft WBM-460 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Meetapparatuur Voltcraft
Handleiding Meetapparatuur
Nieuwste handleidingen voor Meetapparatuur