Voltcraft VC-532 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Voltcraft VC-532 (124 pagina’s), behorend tot de categorie Multimeter. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 34 mensen en kreeg gemiddeld 4.0 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Voltcraft VC-532 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Voltcraft |
| Categorie: | Multimeter |
| Model: | VC-532 |
Handleiding Voltcraft VC-532 – volledige tekst
953. Doelmatig gebruik• Meten en weergeven van de elektrische grootheden in het bereik van meetcategorie CAT III tot max. 600 V tegen aardpotentiaal, overeenkomstig EN 61010-1 en alle lagere meetcategorieën. Het meetapparaat mag niet worden gebruik in de meetcategorie CAT IV.• Wisselstroommetingen tot max. 1000 A (AC-TrueRMS)• Meten van gelijkstroom tot max. 1000 A (alleen VC-533)• Gelijkstroom- en wisselstroommetingen tot max. 600 V (AC-TrueRMS)• Frequentiemeting tot 10 kHz• Temperatuurmetingen tussen -20 en +1000 °C• Weerstandsmetingen tot 60 MΩ• Meten van capaciteiten tot 6000 µF• Continuïteitscontrole (
975. Veiligheidsinstructies• Lees de gebruiksaanwijzing voor gebruik zorgvuldig door. Deze bevat belangrijke informatie voor een juist gebruik van het product. • In geval van schade, die ontstaat door het niet naleven van de gebruiksaanwijzing, komt de waarborg/garantie te vervallen. We zijn niet aansprakelijk voor gevolgschade. • Wij zijn niet aansprakelijk voor materiële schade of persoonlijk letsel veroorzaakt door verkeerd gebruik of het niet opvolgen van de veiligheidsinstructies. In dergelijke gevallen komt de waarborg/garantie te vervallen. • Het apparaat heeft de fabriek in een technisch veilige en perfect werkende toestand verlaten. • Volg de in deze gebruiksaanwijzing opgenomen veiligheidsinstructies en waarschuwingen op om deze toestand van het apparaat te behouden en te zorgen voor een veilig gebruik ervan.
• -Om redenen van veiligheid en goedkeuring is het eigenmachtig ombouwen en/of wijzigen van het apparaat niet toegestaan. • Raadpleeg een expert wanneer u twijfelt over het juiste gebruik, de veiligheid of het aansluiten van het apparaat. • Meetinstrumenten en toebehoren zijn geen speelgoed en moeten uit de buurt van kinderen worden gehouden. • In commerciële instellingen dient men de ongevallenpreventievoorschriften van het Verbond van Com-merciële Beroepsverenigingen voor Elektrische Installaties en Apparatuur in acht te nemen. • In scholen en opleidingsinstellingen, hobby- en werkplaatsen moet werken met meetapparatuur gebeu-ren onder toezicht van daartoe opgeleid personeel. • Zorg bij elke spanningsmeting dat het meetapparaat zich niet in een andere meetfunctie bevindt.
• -Bij het gebruik van de meetkabels zonder afdekkappen mogen metingen tussen het meetapparaat en aardpotentiaal niet boven de meetcategorie CAT II uitgevoerd worden. • Bij metingen in de meetcategorie CAT III moeten de afdekkappen op de meet-punten worden geplaatst, om onbedoelde kortsluiting tijdens de meting te voor-komen.
• -Plaats de afdekkappen op de meetpunten totdat ze vastzitten. Om ze te verwijderen trekt u de kappen met enige kracht van de punten. • Verwijder de meetpunten altijd van het meetobject voordat u het meetbereik wijzigt. • De spanning tussen de aansluitpunten van het meetapparaat en aardpotentiaal mag niet hoger zijn dan 600 V in CAT III. • Wees bijzonder voorzichtig tijdens de omgang met spanningen >33 V wisselspanning (AC) resp. >70 V gelijkspanning (DC). Bij deze spanningen kunt u in geval van contact met een elektrische kabel een levensgevaarlijke elektrische schok krijgen. • -Om een elektrische schok te vermijden, dient u erop te letten, dat u de te meten aansluitingen/meetpunten tijdens de meting niet, ook niet indirect, aanraakt. Tijdens het meten mag u de meetpunten niet voor-bij de voelbare handgreepmarkeringen vastpakken. Ook mag u het meetapparaat dan niet aanraken.
100H Functieknoppen MODE-knop voor omschakelen van de functie bij meervoudige bezette bereiken RANGE-knop voor handmatige meetbereikselectie LPF-knop voor het activeren van de laagdoorlaatlter in de V-AC-meetfunctie MAX/MIN-functieknop voor het weergeven van de maximale en minimale meetwaarde Hz%-knop om over te schakelen naar de frequentie- en pulsverhouding weergave REL-knop voor meting van de referentiewaardeI COM-meetaansluiting (referentiepotentiaal, “negatief potentiaal”)J Multifunctionele schroefdraad (1/4” UNC, statiefschroefdraad) voor optionele accessoiresK VΩ-meetaansluiting (“positief potentiaal” voor gelijkstroom)L HOLD-functie knop voor het vastleggen van de meetweergave en voor led-werklampM BatterijvakN Led-werklamp7. ProductbeschrijvingDe gemeten waarden worden weergegeven op de multimeter (hierna DMM genoemd), op een invers verlicht lcd-dis-play.
De weergave van de meetwaarden van de DMM bevat 6000 counts (count = kleinste weergavewaarde). De weergave varieert van 0 tot 5999. De VC-532 is voor wisselstroommetingen tot max. 1000 A geschikt. De VC-533 is voor gelijk- en wisselstroommetingen tot max. 1000 A geschikt. Een automatische uitschakeling schakelt het apparaat automatisch uit, als het gedurende een langere periode niet wordt bediend. De batterijen worden hierdoor ontzien en het maakt zodoende een langere gebruiksperiode mogelijk. De automatische uitschakeling kan worden gedeactiveerd. Het meetapparaat is zowel geschikt voor hobbygebruik alsook op professioneel gebied tot CAT III. Er bevinden zich beschermende transportkappen op de meegeleverde schuine stekkers van de meetkabels. Verwij-der deze voordat u de stekkers in de aansluitingen van het meetapparaat steekt.
Draaiknop (F)De verschillende meetfuncties worden via een draaiknop geselecteerd. De automatische bereikkeuze “AUTO” is actief voor bepaalde meetfuncties. Hierbij wordt altijd het desbetrefffende geschikte meetbereik ingesteld.
Aanduidingen en symbolen op het display De volgende symbolen en aanduidingen zijn zichtbaar op het apparaat of op het display.1 Automatische uitschakeling is actief2 Automatische meetbereikkeuze is actief3 Symbool voor diodentest4 Symbool voor continuïteitsmeting5 Symbool voor maximale waarde-weergave6 Symbool voor minimale waarde-weergave7 Symbool voor actieve data hold-functie8 Delta-symbool voor actieve relatieve waardemeting (= weergave van de relatieve waarde)9 Symbool voor actieve laagdoorlaatlter10 Indicatie voor het vervangen van de batterij11 V = Volt (eenheid van de elektrische spanning), mV = millivolt (macht -3) A = Ampère (eenheid van de elektrische stroomsterkte)12 Eenheid van temperatuur (°Celsius = Europees, °Fahrenheit = empirisch)13 Symbool voor frequentiemeting en pulsduurratio in %14 Meetwaardeweergave15 Staafdiagramweergave met teken bij negatieve meetwaarden16 Symbool voor het gebruik met wisselstroom17 Teken bij negatieve meetwaarden18 Symbool voor het gebruik met gelijkstroom19 nF = Nanofarad (macht -9; eenheid van elektrische capaciteit) µF = Micro-Farad (macht -6)20 Symbool voor gebruik met lage impedantie21 Ω = Ohm (eenheid van de elektrische weerstand), kΩ = Kilo-Ohm (macht 3), MΩ = Mega-Ohm (macht 6)OFF Schakelaarstand “uit”NCV Contactloze wisselspanningsdetectie (alleen V-AC)True RMS Echte effectieve-waardemetingHOLD Data-hold functie bekijken/uitschakelenMAX MIN Knop voor max.-/min.
102MODE Knop voor het omschakelen van de functie bij meervoudige bezette meetfunctiesOL Overloop-weergave; het meetbereik is overschreden Symbool voor de gebruikte batterijgegevens Meetfunctie diodetest Meetfunctie akoestische continuïteitstester AC Symbool voor wisselstroom DC Symbool voor gelijkstroomCOM Meetaansluiting referentiepotentiaalV Meetfunctie spanningsmeting, Volt (eenheid van elektrische spanning)A Meetfunctie stroommeting, Ampère (eenheid van elektrische stroomsterkte)Hz% Meetfunctie frequentie, Hertz (eenheid van frequentie) en pulsduurratio in %Ω Meetfunctie weerstand, Ohm (eenheid van elektrische weerstand)CAP Meetfunctie capaciteitsmetingTEMP Meetfunctie temperatuurmetingLPF Laagdoorlaatlter-functie voor het lteren van hoogfrequente storingen bij AC-V-meting Positiemarkeringen voor de stroomgeleider voor juiste stroommetingen Knop voor het aan- en uitzetten van de meetpuntverlichting
1039. MeetprocedureOverschrijd nooit de maximaal toegestane ingangswaarden. Raak geen schakelingen of schake-lingsonderdelen aan, als hierin hogere spanningen dan 33 V/ACrms of 70 V/DC kunnen voorkomen. Levensgevaar. Controleer voor het begin van de metingen de aangesloten meetkabels op beschadigingen zoals bijv. sneden, scheuren of geplette segmenten. Defecte meetkabels mogen niet meer worden ge-bruikt. Levensgevaar. Controleer de juiste meetfunctie voor elke meting voordat u met de multimeter gaat werken. Voer altijd eerst een meting uit op een bekende meetbron en controleer de juiste weergave. Een storing van de multimeter kan een levensbedreigende situatie voor de gebruiker veroorzaken. Als er een storing is, controleert u de multimeter en neemt u zo nodig contact op met een specialist om het apparaat te controleren.
Tijdens het meten mag u de meetpunten niet voorbij de voelbare handgreepmarkeringen vastpak-ken. Ook mag u het meetapparaat dan niet aanraken. Er mogen altijd alleen de twee voor het meten benodigde meetkabels op het meetapparaat aange-sloten zijn. Verwijder uit veiligheidsoverwegingen alle niet benodigde meetkabels van de meetap-paratuur, als u de stroommeting uitvoert. Metingen van stroomcircuits met wisselspanningen hoger dan 33 V of gelijkspanningen hoger dan 70 V mogen alleen worden uitgevoerd door deskundigen of door mensen die vertrouwd zijn met de geldende voorschriften en de eruit voortvloeiende gevaren. Zodra er “OL” (Overload = overbelasting) op het display verschijnt, hebt u het meetbereik overschreden. a) De multimeter inschakelenSchakel de multimeter in/uit met behulp van de draaiknop. Zet de draaiknop (F) op de gewenste meetfunctie.
Zet de draaiknop op “OFF” om het apparaat uit te schakelen. Zet het meetapparaat altijd uit wanneer u het niet gebruikt. Na inschakeling vindt er een korte functietest plaats. Tijdens de functietest worden alle displaysegmenten weerge-geven ter controle.
105Ga voor het meten van gelijkstroom (A ) als volgt te werk (alleen VC-533):• Schakel de DMM met de draaiknop (F) in en kies de meetfunctie “A ” en het waarschijnlijke meetbereik (600 A / 1000 A). Op het display verschijnt “A” en het symbool AC voor wisselstroom.• Druk op de knop “MODE” om naar het DC-meetbereik te schakelen. Op het display verschijnt “DC”.• -In het gelijkstroom-meetbereik wordt het display automatisch op nul ingesteld zodra de tang wordt gesloten. Als een naburig sterk magnetisch veld de juiste werking van het display verstoort, kunt u deze ongewenste dis-playwaarde compenseren met behulp van de REL functie (relatieve waar-demeting).• Druk op de hendel (E) om de stroomtang te openen en open de stroomtang.• Klem de te meten individuele geleider en sluit de tang opnieuw. Plaats de geleider in het midden van de twee driehoekige positiesymbolen op de tang.
Let op de stroomrichting. De plusgeleider moet komend van de stroombron van voor naar achteren lopen.• De gemeten gelijkstroom wordt weergegeven op het display.• Als een negatieve stroom wordt aangegeven, is de polariteit van de geleider verwisseld of stroomt de stroom in de tegenovergestelde richting (bijv. in de zonne- of laadmodus).• Verwijder na het afsluiten van de meting de stroomtang van het meetobject en schakel het product uit. Zet de draaiknop op “OFF”.c) Spanningsmeting “V”Voer de volgende procedure uit om wisselspanning “AC” (V ) te meten:• Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V ”.• Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I).• Verbind de beide meetpunten parallel met het meetobject (generator, netspanning enz.). Het spanningsbereik “V DC/AC” toont een ingangsweerstand van >10 MOhm.
106Voer de volgende procedure uit om gelijkspanning “DC” (V ) te meten:• Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V”. Druk op de knop “MODE” om naar het DC-meetbereik te schakelen. Op het display verschijnt “DC”.• Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I).• Sluit nu de beide meetpunten parellel aan op het te meten object (batterij, schakeling enz.). De rode meetpunt staat voor de pluspool, de zwarte meet-punt staat voor de minpool.• -De actuele meetwaarde wordt samen met de desbetreffende polariteit weergegeven op het display. Is er bij gelijkspanning voor de meetwaarde een “-”(min)-teken te zien, dan is de gemeten spanning negatief (of de meetleidingen zijn verwis-seld).
Het spanningsbereik “V DC/AC” heeft een ingangsweerstand van >10 MOhm.• Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.d) LoZ-spanningsmeting “V” De LoZ-spanningsmeting mag alleen bij spanningen van maximaal 300 V worden gebruikt. Vanwe-ge de verminderde impedantie is deze meetfunctie niet geschikt voor continue meting. Verlaag de meettijd tot het kortst mogelijke niveau. Een max. meetduur van 30 seconden en een daaropvolgende regeneratietijd van minimaal 1 minuut moeten in acht worden genomen.Met de LoZ-meetfunctie kunt u wisselspanning meten met een lagere impedantie (ca. 200 kΩ). De lagere interne weerstand van het meetapparaat reduceert het verkeerd meten van lek- en fantoomspanningen. Het meetcircuit wordt echter sterker belast dan bij de standaard meetfunctie.
Voer de volgende procedure uit om wisselspanning “AC” (V ) te meten:• Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “LoZ V ”. Op het display ver-schijnt het symbool “LoZ”.• Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I).• Verbind de beide meetpunten parallel met het meetobject (generator, netspan-ning enz.). Het LoZ-spanningsbereik heeft een ingangsweerstand van
108Meting van de pulsduur in %De DMM kan de verhouding van de pulsduur de positieve halve golengte van een wisselspanning signaal in procent van de gehele periode weergeven. Voor het meten van de pulsduur in % gaat u als volgt te werk:• Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “%”. De pulsduurmeting is mogelijk met normale of lage impedantie (LoZ %). Selecteer alleen de “LoZ %”-functie voor metingen in speciale gevallen. Op het display verschijnt “V ”. • Druk 2x op de knop “Hz%”. Op het display verschijnt “%”. • Steek de rode meetkabel in de Hz-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I). • Sluit nu de beide meetpunten aan op het te meten object (signaalgenerator, schakeling enz. ). • De pulsduur van de positieve halve golf wordt als een percentage weergegeven. Bij een symmetrisch signaal wordt 50% weergegeven.
• Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. f) Temperatuurmeting Tijdens het meten van de temperatuur mag enkel de temperatuursensor worden blootgesteld aan de te meten temperatuur. Over- of onderschrijd de bedrijfstemperatuur van de DMM niet om foutie-ve metingen te vermijden. De contact-temperatuursensor mag alleen op spanningsvrije oppervlakken worden gebruikt. Het meetapparaat wordt geleverd met een kabelsensor, die tot een temperatuur van -20 tot +230 °C kan meten. Een optionele type K thermosensor is nodig om het volledig meetbereik (-20 tot +1000 °C) van de DMM te kunnen gebruiken. U heeft voor het aansluiten van type-K-sensoren met ministekkers de meegeleverde meetadapter nodig. Alle type K-thermosensoren kunnen worden gebruikt voor het meten van tempe-raturen. De temperatuur kan in °C of °F worden weergegeven.
• -Steek de temperatuursensor met de juiste polariteit in de meegeleverde temperatuur-meetadapter. De thermo-element stekker past alleen met de juiste polariteit in de meetadapter. Gebruik geen geweld bij het insteken. • Sluit de meetadapter met de juiste polariteit met de pluspool in de Temp-meet-bus (K) en met de minpool in de COM-meetbus (I) aan. • Het display geeft de temperatuurwaarde weer. • Als het display “OL” weergeeft, werd het meetbereik overschreden of is de thermosensor defect.
109• Verwijder na het meten de sensor en schakel de DMM uit. Wordt er geen temperatuursensor wordt aangesloten, kan de omgevingstemperatuur van de DMM door een kortsluitbrug via de beide meetbussen “COM” en “Temp” worden weergegeven. Omdat de sensor zich in het binnenste van de behuizing bevindt, reageert de weergave zeer traag op temperatuurschommelin-gen. Deze functie helpt u de juiste bedrijfstemperatuur na een opslag te controleren. Voor snelle metingen moet een externe sensor worden gebruikt.g) Meten van de weerstand Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn. Ga voor het meten van de weerstand als volgt te werk:• Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “Ω”.
• Steek de rode meetkabel in de Ω-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I).• Controleer de meetkabels op geleiding door de twee meetpunten met elkaar te verbinden. Nu moet zich een weerstandswaarde van ca. 0 - 0,5 Ohm instellen (de eigen weerstand van de meetkabels). • Voor metingen met een lage weerstand (1 MOhm kan dit enkele seconden duren.• -Het meetbereik is overschreden of de stroomkring is onderbroken als het display “OL” (voor overload) weergeeft. • Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. Bij het meten van weerstand moet u erop letten dat de meetpunten waarmee de meetpennen in contact komen vrij zijn van vuil, olie, soldeerhars en dergelijke. Dergelijke omstandigheden kunnen het meetresul-taat beïnvloeden.
110h) Continuïteitstest Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelin-gen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn. • Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie . Op het display verschijnt het symbool voor de eenheid “Ohm”.• Druk 1x op de knop “MODE” om de meetfunctie om te schakelen. Het symbool voor continuïteitstest verschijnt. Door nogmaals op de knop te drukken scha-kelt u door naar de volgende meetfunctie, etc.• Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I). • -Als continuïteit wordt een meetwaarde
111j) Capaciteitsmeting Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn. Houd bij elektrolytische condensatoren absoluut rekening met de juiste polariteit. • Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “CAP”. Op de display verschijnt de eenheid “nF”. • Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I). Omwille van de hoge gevoeligheid van de meetingang, kan het in geval van “open” meetkabels enige tijd duren voordat de waarde op het display verschijnt. Door op de knop “REL” te drukken, wordt het display gereset op “0”. De REL-functie is enkel van nut bij lage capaciteitswaarden. • Verbind vervolgens beide meetpunten (rood = positieve pool / zwart = nega-tieve pool) met het meetobject (condensator).
Het display geeft na een korte periode de capaciteit weer. Wacht totdat de waarde op het display zich heeft gestabiliseerd. Bij capaciteiten >40 µF kan dit enkele seconden duren. 2. Zodra “OL” (voor overload) wordt weergegeven op het display, heeft u het meetbereik overschreden. 3. Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. k) Contactloze wisselspanningsdetectie “NCV” De spanningsdectector is alleen bedoeld voor snelle tests en vervangt in geen geval een tweepo-lige spanningscontrole met contact. Deze methode is niet toegestaan voor de controle van span-ningsvrijheid om werkzaamheden uit te voeren. Door de NCV-functie (Non Contact Voltage detection) wordt contactloos de aanwezigheid van wisselspanning op kabels vastgesteld. De NCV-sensor (A) is aangebracht aan de punt van de stroomtang. • Zet de DMM aan.
• Omwille van de hoge gevoeligheid van de NCV-sensor, kan in geval van statische ladingen de led branden. Dit is normaal en geen defect. Test de NCV-functie altijd eerst op een bekende AC-spanningsbron om foutieve detecties te voorkomen. Bij een foutieve detectie bestaat het risico op een elektri-sche schok. Bij veel kabels zijn de binnenste geleiders gedraaid. Verplaats daarom de sensor een paar centi-meter langs de kabel om alle posities van de binnenste geleiders te detecteren.
11210. Extra functiesMet de volgende aanvullende functies kunnen speciale meetfuncties worden gebruikt. a) Automatische uitschakelingDe DMM schakelt zich na ongeveer 15 minuten automatisch uit, als er geen knop of draaiknop wordt bediend. Deze functie beschermt en ontziet de batterijen en verlengt de gebruiksduur. Ongeveer één minuut voor de uitschakeling hoort u vijf keer een geluidssignaal. Door op een willekeurige knop te drukken, kan het uitschakelen nog eens 15 minuten worden uitgesteld. Als er geen knop wordt ingedrukt, wordt het apparaat uitgeschakeld met een lang geluidssignaal. Om de DMM weer aan te zetten nadat het zichzelf heeft uitgeschakeld, drukt u op een willekeurige knop. Door de draaiknop via de “OFF”-positie wordt het meetapparaat ook opnieuw geactiveerd. Het hernieuwd inschakelen duurt ongeveer 1 à 2 seconden.
De actieve automatische uitschakeling wordt op het display weergegeven met dit symbool “ ” weergegeven. Automatische uitschakeling deactiverenVoor continue metingen is het noodzakelijk om de automatische uitschakeling te deactiveren. Schakel het meetappa-raat uit om de functie te deactiveren. Houd de knop “MODE” ingedrukt en schakel het meetapparaat met behulp van de draaiknop in. Bij het inschakelen hoort u drie keer een geluidssignaal en het symbool voor de automatische uitschakeling wordt niet meer weergege-ven. Het meetapparaat blijft zolang ingeschakeld tot het weer handmatig wordt uitgeschakeld of de batterijen leeg zijn. Na het uitschakelen wordt de automatische uitschakeling weer geactiveerd. b) HOLD-functieDe HOLD-functie houdt de momenteel weergegeven meetwaarde op het display vast, om deze in alle rust te kunnen lezen en opschrijven.
Druk op de zijdelingse HOLD-knop (L) om de HOLD-functie te activeren; u hoort een geluidssignaal ter bevestiging van deze actie en het display toont “H”. Om de HOLD-functie uit te schakelen, druk nogmaals op de HOLD-knop of verandert u de meetfunctie. c) RANGE-functieDe RANGE-knop maakt het omschakelen van de standaardinstelling automatische bereikskeuze (AUTO) naar de manuele bereikskeuze mogelijk. Dit is nodig als de automatische bereikselectie niet de gewenste resolutie vertegen-woordigt of vaak schakelt tussen twee meetwaarde-resoluties in het meetbereik. Met elke keer drukken schakelt een meetbereik hoger en begint bij het einde weer met het kleinste meetbereik. Handmatige bereikselectie kan worden gedeactiveerd door lang op de knop “RANGE” (> 1s) te drukken. Auto Range (AUTO) is weer actief. De handmatige bereikkeuze is actief wanneer het symbool “AUTO” niet wordt weergegeven.
113d) MAX/MIN-functieDe MAX/MIN-functie stelt u in staat om de maximum en minimum waarde van een meting te registreren en perma-nent weer te geven. De maximum en minimum waarde voor de huidige meting worden geregistreerd nadat de MAX/MIN-functie geactiveerd is. Activeer voor de MIN/MAX-functie voor aanvang van de meting de handmatige keuze van het meet-bereik en kies het voor uw meting passende meetbereik. In de autorange-modus wordt het meetge-heugen gewist bij een verandering van het meetbereik en treden meetfouten op. Door op de knop “MAX/MIN” te drukken, wordt de functie geactiveerd. Op het display verschijnt het symbool “MAX”. Het hoofddisplay registreert en geeft de maximum waarde continu weer. De waarde wordt met het symbool “MAX” aangegeven. Druk nogmaals op de MAX/MIN-knop om naar de MIN-functie te schakelen. Het hoofddisplay registreert en geeft de minimum waarde continu weer.
De waarde wordt met het symbool “MIN” aangegeven. Druk opnieuw op de knop om terug te keren naar de “MAX”-weergave enz. Om de functie uit te schakelen, druk u de MAX/MIN-knop en houdt u deze circa 2 seconden ingedrukt. De symbolen “MAX/MIN” worden niet langer weergegeven. De MAX-MIN-functie is alleen beschikbaar in de meetfuncties spanning, stroom en temperatuur. e) REL-functieDe REL-functie maakt een referentiewaarde mogelijk, om eventueel prestatieverlies zoals bijvoorbeeld bij weer-standsmetingen te vermijden. De actueel weergegeven waarde wordt daarbij op nul gezet. Er is nu een nieuwe referentiewaarde ingesteld. Druk op de “REL”-knop om deze meetfunctie te activeren en de referentiewaarde op te slaan. Op het display ver-schijnt het deltasymbool “Δ”. Het display is op nul teruggezet en de automatische bereikkeuze is gedeactiveerd.
f) Wisselspanningsmetingmetlaagdoorlaatlter“LPF”De DMM kan via de meetfunctie “LPF” stoorsignalen boven 100 Hz eruit lteren, die het meetsignaal eventueel onderdrukken. Deze stoorsignalen kunnen leiden tot foutieve metingen. De DMM ltert deze uit en kan zo het zuivere spanningssignaal meten. De volgende afbeelding toont het functionele principe:.
114Voer de volgende procedure uit om wisselspanningen met LPF-functie te meten:• Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V ”. Op het display verschijnt “AC” en de eenheid “V”. • Druk op knop “LPF” om de laagdoorlaatlter te activeren. Op het display verschijnt het LPF-symbool. Auto-range wordt gedeactiveerd en het meetbereik 600,0 V wordt ingesteld. De meetbereiken kunnen echter handmatig via de knop “RANGE” worden geselecteerd. • Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I). • Verbind nu de twee meetpunten parallel met het te meten object (generator, schakeling enz. ). • Om te deactiveren drukt u op de knop “LPF”. Het symbool “LPF” gaat uit en autorange wordt opnieuw geactiveerd. • Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. De LPF-functie is alleen mogelijk in de normale AC-V-meetmodus.
g) Led-werklampBij ingeschakelde DMM kan via de zijdelingse verlichtingsknop (L) de led-werklamp worden in- en uitgeschakeld. Voor het in- en uitschakelen houdt u de knop ongeveer 2 seconden ingedrukt. De verlichting blijft aan totdat de functie wordt uitgeschakeld met behulp van de verlichtingsknop (L), de draaiknop (positie “OFF”) of automatische uitschakeling worden gedeactiveerd. 11. Reiniging en onderhouda) AlgemeenOm de nauwkeurigheid van de multimeter gedurende een lange periode te garanderen, moet deze eenmaal per jaar worden gekalibreerd. Het product is, behalve een regelmatige reiniging en het vervangen van de batterijen, onderhoudsvrij. Voor instructies over hoe de batterijen te vervangen, zie hieronder. Controleer regelmatig de technische veiligheid van het apparaat en de meetkabels, bijv. op bescha-diging van de behuizing of afknellen van de kabels.
b) ReinigingVoordat u het apparaat reinigt, dient u per sé de volgende veiligheidsinstructies in acht te nemen: Bij het openen van afdekkingen of het verwijderen van onderdelen, behalve als dit met de hand mogelijk is, kunnen onder spanning staande onderdelen blootgelegd worden. Voor een reiniging of reparatie moeten de aangesloten kabels van de meetapparatuur en van alle meetobjecten worden gescheiden. Zet de DMM uit. Gebruik voor de reiniging geen schurende reinigingsmiddelen, benzine, alcohol of dergelijke. Daardoor wordt het oppervlak van het meetapparaat aangetast. De dampen zijn bovendien schadelijk voor de gezondheid en explosief. Gebruik voor de reiniging ook geen scherp gereedschap zoals schroevendraaiers of staalborstels e. d.
115Gebruik voor de reiniging van het apparaat, het display en de meetkabels een schone, pluisvrije, antistatische en enigszins vochtige doek. Laat het apparaat compleet drogen, voordat u het voor de volgende meting gebruikt. c) Plaatsen en vervangen van de batterijenHet meetapparaat werkt op drie 1,5 V microbatterijen (bijv. AAA of LR03). Bij de eerste ingebruikname of wanneer het symbool voor vervanging van de batterij op het display verschijnt, moeten er drie nieuwe, volle batterijen worden geplaatst. Ga voor het plaatsen of vervangen van de batterij als volgt te werk:• Ontkoppel de aangesloten meetkabels van de te meten stroomkring en uw meetapparaat. Koppel het meetapparaat los van alle meetvoorwerpen. Zet de DMM uit. • Draai de schroef van het batterijvakdeksel (M) aan de achterkant van het apparaat los met behulp van een geschikte kruiskopschroevendraaier.
De schroef kan niet volledig worden verwijderd. Verwijder het batterijvakdeksel van het apparaat. • Vervang alle gebruikte batterijen door nieuwe batterijen van hetzelfde type. Plaats de nieuwe batterijen met de juiste polariteit in het batterijvak. Let op de polariteitsaanduiding in het batterijvak. • Sluit de behuizing weer zorgvuldig. Gebruik het meetapparaat in geen geval in geopende toestand. LEVENSGEVAAR. Laat geen lege batterijen in het meetapparaat zitten. Zelfs lekbestendige batterijen kunnen gaan roesten, waardoor er chemicaliën uit kunnen lekken die schadelijk zijn voor de gezondheid en het apparaat kunnen beschadigen. Laat batterijen niet achteloos rondslingeren. Deze kunnen door kinderen of huisdieren worden ingeslikt. Raadpleeg onmiddellijk een arts als er een batterij is ingeslikt.
Haal om lekkage te voorkomen de batterijen uit het apparaat wanneer het langere tijd niet wordt gebruikt. Lekkende of beschadigde batterijen kunnen chemische brandwonden veroorzaken als deze met uw huid in aanraking komen. Draag daarom geschikte handschoenen als u dergelijke batterijen aanraakt.
Zorg ervoor dat batterijen niet worden kortgesloten. Gooi batterijen niet in het vuur. Normale batterijen mogen niet opgeladen of uit elkaar gehaald worden. Er bestaat brand- of explo-siegevaar. Geschikte alkalinebatterijen verkrijgt u met het volgende bestelnummer: Bestelnr. 65 22 78 (3 stuks, alstublieft 1x bestellen). Gebruik alleen alkalinebatterijen omdat deze krachtig zijn en lang meegaan.
11612. Afvoer Afgedankte elektronische apparaten bevatten waardevolle stoffen en behoren niet bij het huishoudelijk afval. Voer het product aan het einde van zijn levensduur volgens de geldende wettelijke bepalingen af. Verwijder de geplaatste batterijen en gooi deze afzonderlijk van het product weg. Weggooien van gebruikte batterijenU bent als eindverbruiker wettelijk ertoe verplicht , alle lege batterijen en accu’s in te leveren; (KCA-voorschriften)verwijdering via het huisvuil is niet toegestaan. Batterijen en accu’s met schadelijke stoffen worden gekenmerkt door de hiernaast afgebeelde symbolen, die erop wijzen dat de batterijen/accu’s niet via het gewone huisvuil weggegooid mogen worden. De aandui-dingen voor de zware metalen die het betreft zijn: = cadmium, = kwik, = lood.
U kunt verbruikte Cd Hg Pbbatterijen/accu’s gratis afgeven bij het KCA, onze lialen of overal waar batterijen/accu’s worden verkocht. U voldoet daarmee aan de wettelijke verplichtingen en draagt bij aan de bescherming van het milieu. 13. Verhelpen van storingenU hebt met deze DMM een product aangeschaft dat volgens de laatste stand der techniek is ontwikkeld en veilig is in het gebruik. Er kunnen zich echter problemen of storingen voordoen. Raadpleeg daarom de volgende informatie over de manier waarop u eventuele problemen zelf gemakkelijk kunt oplossen: Neem absoluut de veiligheidsinstructies in acht. Storing Mogelijke oorzaak Mogelijke oplossingDe multimeter werkt nietZijn de batterijen leeg. Controleer de batterijstatus. Batterij vervangen. Geen verandering van meetwaardeIs er een verkeerde meetfunctie ingesteld (AC/DC).
Controleer het display (AC/DC) en schakel zo nodig om naar een andere functie. Zijn de meetkabels juist met de meetaan-sluitingen verbonden. Controleer de positie van de meetkabelsIs de HOLD-functie geactiveerd (display “HOLD”)Druk op de knop “HOLD” om deze functie te deactiveren. Er wordt een gelijkstroomverbruiker gemeten.
118WisselstroomBereik Resolutie Nauwkeurigheid*600,0 A 0,1 A ±(2% + 17)1000 A 1 A ±(2,8% + 8)Frequentiebereik 50 - 60 Hz; overbelastingsbeveiliging 600 V, 1000 A *Meetpositiefout: Nauwkeurigheidsafwijking bij een niet gecentreerde meetpositie: +1%TrueRMS crest-factor (crest factor (CF)) voor niet-sinusvormige signalen : max. 3,0 CF >1,4 - 2,0 + 1% CF >2,0 - 2,5 + 2,5% CF >2,5 - 3,0 + 4%Gelijkstroom (alleen VC-533)Bereik Resolutie Nauwkeurigheid*600,0 A 0,1 A ±(2,8% + 12)1000 A 1 A ±(2,8% + 8)Beveiliging tegen overbelasting 600 V, 1000 A *Meetpositiefout: Nauwkeurigheidsafwijking bij een niet gecentreerde meetpositie: +1%WisselspanningBereik Resolutie Nauwkeurigheid*6,000 V 0,001 V±(1,5% + 7)60,00 V 0,01 V600 V 1 VFrequentiebereik 50 - 100 Hz; overbelastingsbeveiliging 600 V; impedantie: 10 MΩTrueRMS crest-factor (crest factor (CF)) voor niet-sinusvormige signalen : max.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Voltcraft VC-532 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Multimeter Voltcraft
Handleiding Multimeter
Nieuwste handleidingen voor Multimeter