Suzuki VanVan 200 (2016) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Suzuki VanVan 200 (2016) (101 pagina’s), behorend tot de categorie Motor. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 23 mensen en kreeg gemiddeld 5.0 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over Suzuki VanVan 200 (2016) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Suzuki |
| Categorie: | Motor |
| Model: | VanVan 200 (2016) |
Handleiding Suzuki VanVan 200 (2016) – volledige tekst
Deze handleiding dient te worden beschouwd als een onderdeel van de motorfiets en moet bij verkoop samen met de motorfiets aan de nieuwe eigenaar worden overhandigd. De handleiding bevat belangrijke veiligheidsinformatie en instructies die zorgvuldig dienen te worden doorgelezen voordat de motorfiets in gebruik wordt genomen.
BELANGRIJKE MEDEDELINGBELANGRIJKE RICHTLIJNEN I.V.M. DE INRIJPERIODEDe eerste 1600 km zijn de belangrijk-ste voor de levensduur van uw motor-fiets. Een strict nagevolgdeinrijperiode verzekert een maximaleduurzaamheid en een optimale wer-king van uw nieuwe motorfiets.Suzuki onderdelen zijn vervaardigdvan materialen van hoge kwaliteit endeze zijn in de fabriek afgewerkt methet oog op nauwkeurig bepaaldebelastingen. Correcte bediening zorgtervoor dat de afgewerkte oppervlak-ken elkaar insmeren en zich harmo-nieus aan elkaar aanpassen.De betrouwbare werking van uwmotorfiets hangt af van de specialezorg en het navolgen van de beper-kingen tijdens de inrijperiode.
Let ervooral op de motor niet te overbelas-ten om oververhitting van de motoron-derdelen te voorkomen.Zie het hoofdstuk HET INRIJDENvoor verdere aanbevelingen en voor-schriften betreffende het inrijden.WAARSCHUWING/ VOORZICHTIG/LETOP/OPMERKINGLees deze handleiding zorgvuldigdoor en volg alle aanwijzingen op. Wijleggen er de nadruk op dat in dezehandleiding het symbool en dewoorden WAARSCHUWING, VOOR-ZICHTIG, LET OP en OPMERKINGalle een speciale betekenis hebbenen dat er nauwkeurig aandacht aandient te worden besteed.
VOORWOORDMotorrijden is een van de meestopwindende sporten, en om zeker tezijn van uw rijplezier doet u er goedaan om de informatie in deze handlei-ding grondig door te nemen voordat uop uw motorfiets gaat rijden.In deze handleiding worden de ver-zorging en het onderhoud van uwmotorfiets beschreven. Door dezeaanwijzingen precies op te volgenkunt u er zeker van zijn dat uw motor-fiets een lang leven heeft zonderongemakken. Uw Suzuki-dealer heeftervaren technici die opgeleid zijn omuw motorfiets met de best mogelijkezorg te omringen, met de juistegereedschappen en de juiste uitrus-ting.Alle informatie, afbeeldingen en spe-cificaties die u in deze handleidingvindt, zijn volledig bijgewerkt tot hetogenblik van publicatie. Tengevolgevan verbeteringen of andere verande-ringen zouden er tegenstrijdighedenkunnen voorkomen tussen de infor-matie in deze handleiding en uwmotorfiets.
Suzuki behoudt zich ech-ter het recht voor om te allen tijde ver-anderingen aan te brengen.Deze handleiding is van toepassingop alle specificaties voor alle respec-tievelijke bestemmingen en geeft uit-leg over al het materiaal. Het isdaarom mogelijk dat uw model ken-merken heeft die afwijken van die inde handleiding vermeld staan.
1-2INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKERGEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETSGEBRUIK VAN ACCESSOIRESDe veiligheid kan minder worden bijmontage of toevoeging van onge-schikte accessoires. Het is onmogelijkvoor Suzuki om elk accessoire dat teverkrijgen is of om combinaties vanalle leverbare accessoires te testen,maar uw dealer kan u helpen bij hetuitkiezen van kwaliteitsonderdelen ende montage ervan. Betracht uiterstevoorzichtigheid bij het uitkiezen enmonteren van accessoires voor uwmotorfiets en raadpleeg uw Suzuki-dealer als u vragen hebt. RICHTLIJNEN VOOR DE MONTAGE VAN ACCESSOIRES• Accessoires die van invloed zijnop de windgevoeligheid zoalsstroomlijnen, windschermen, rug-steunen, zadeltassen en reiskof-fers, moeten zo laag mogelijkworden gemonteerd en ook zodicht mogelijk bij het zwaartepunt.
Zorg dat de bevestigingsbeugelsen het andere bevestigingsmateri-aal stevig is aangebracht. • Controleer de tussenruimte tus-sen de motorfiets en de grond, ende schuinte van de zit. Let ertevens op dat de accessoires dewerking van de vering, stuurinrich-ting en andere bedieningsorganenniet hinderen. • Accessoires die aan het stuur ofde voorvork worden gemonteerd,kunnen een zeer nadelige invloedop de stabiliteit hebben. Door hetextra gewicht zal uw motorfietsminder goed reageren op uwbesturing. Het extra gewicht kanook trillingen in het voorgedeelteveroorzaken en kan zodoende lei-den tot minder stabiliteit. Even-tuele accessoires aan het stuur ofde voorvork moeten zo lichtmogelijk zijn en dienen beperkt teworden tot een minimum. • Door sommige accessoires wordtde motorrijder gedwongen omzijn/haar normale rijhouding teveranderen.
Gebruik geen ongeschikte acces-soires en let op dat de gebruikteaccessoires goed worden aange-bracht. Alle onderdelen en acces-soires voor de motorfiets moetenoriginele Suzuki onderdelen zijnof gelijkwaardige onderdelen dieontworpen zijn voor gebruik metdeze motorfiets. Monteer engebruik de accessoires overeen-komstig de bijgeleverde instruc-ties. Raadpleeg uw Suzuki-dealerals u vragen hebt.
1-3• Extra elektrische accessoires kun-nen het bestaande elektrischesysteem overbelasten. Zwareoverbelasting kan de bedradingbeschadigen of kan gevaar ople-veren als gevolg van het uitvallenvan de stroom wanneer de motor-fiets in gebruik is.• Trek geen aanhangwagen of eenzijspan. Deze motorfiets is nietontworpen voor het trekken vaneen aanhangwagen of zijspan.RICHTLIJNEN VOOR DE BELADINGDeze motorfiets kan kleine voorwer-pen vervoeren wanneer u niet meteen passagier rijdt. Volg de onder-staande richtlijnen voor de belading:• Verdeel de bagage gelijk over delinker- en de rechterkant van demotorfiets en maak deze goedvast.• Zorg dat het gewicht van debagage zo laag mogelijk is enhoud dit ook zo dicht mogelijk bijhet midden van de motorfiets.
• Bevestig geen grote of zwarevoorwerpen aan het stuur, devoorvork of het achterspatscherm.• Monteer geen bagagedrager ofeen bagagekoffer die over hetachtereind van de motorfiets uit-steekt.• Vervoer ook geen voorwerpen dieover het achtereind van de motor-fiets uitsteken.• Controleer of beide banden dejuiste bandenspanning hebbenvoor de belading van de motor-fiets. Zie blz. 6-30.• Een verkeerde belading heeft eennadelige invloed op de balans ende stuureigenschappen van demotorfiets.
1-4VEILIGHEIDSADVIES VOOR MOTORRIJDERSMotorrijden is een geweldige enopwindende sport. Er moeten echterook enkele voorzorgsmaatregelengenomen worden om de veiligheidvan de bestuurder en de passagier tewaarborgen. Deze voorzorgsmaatre-gelen zijn:DRAAG ALTIJD EEN HELMVeiligheidsuitrusting voor de motor-fiets begint met een veiligheidshelmvan goede kwaliteit. Een van demeest ernstige verwondingen die ukunt oplopen is een verwonding aanhet hoofd. Draag ALTIJD een goedge-keurde helm. Ook is het aan te radenom passende oogbescherming tedragen.MOTORKLEDINGLoszittende vrijetijdskleding kanongemakkelijk en onveilig zijn bij hetmotortijden. Kies motorkleding vangoede kwaliteit wanneer u motorrijdt. CONTROLE VÓÓR HET RIJDENLees nog eens grondig de instructiesdoor in het hoofdstuk “CONTROLEVÓÓR HET RIJDEN” in deze handlei-ding.
Vergeet niet een algehele veilig-heidscontrole uit te voeren om deveiligheid van bestuurder en passa-gier te waarborgen.MAAK UZELF VERTROUWD MET DE MOTORFIETSUw rijvaardigheid en uw kennis vanhet mechanisme van de motorfietsvormen de basis voor veilig rijden. Wijraden u aan om eerst wat te oefenenmet uw motorfiets op een plaats waargeen verkeer kan komen, totdat u vol-ledig vertrouwd bent met uw machineen de bedieningsorganen. Oefeningbaart kunst!KEN UW GRENZENRijd binnen de grenzen van uw eigenvaardigheid. Door deze grenzen tekennen en altijd binnen deze grenzente blijven kunt u ongelukken voorko-men. DENK AAN EXTRA VEILIGHEID BIJ SLECHT WEERRijden bij slecht weer, vooral bij natweer, vereist extra voorzichtigheid. Deremafstand is bij regen tweemaal zogroot. Geverfde pijlen op de weg, put-deksels en vettige weggedeelten kun-nen bijzonder glad zijn.
1-5RIJD DEFENSIEFDe meeste ongelukken met motorfiet-sen gebeuren wanneer een tege-moetkomende auto plotseling vlakvoor de motorfiets afslaat. Rijd voor-zichtig en defensief. Een verstandigemotorrijder gaat er voor de zekerheidvan uit dat hij of zij zelf onzichtbaar isvoor de andere weggebruikers, zelfsop klaarlichte dag. Draag felle, reflec-terende kleding. Schakel de koplampen het achterlicht altijd in, ook alschijnt de zon, opdat u zo opvallendmogelijk bent. En vermijd vooral de“blinde hoek” van automobilisten.LABELSLees alle labels op de motorfiets envolg de instructies op. Zorg dat u alleaanwijzingen van de labels goedbegrijpt. Verwijder nooit enig label vande motorfiets.
1-6PLAATS VAN DE SERIENUMMERSDe serienummers op het frame en/ofde motor worden gebruikt om demotorfiets te registreren. Zij komenook van pas wanneer uw dealeronderdelen bestelt of om te verwijzennaar speciale service-informatie. Hetframenummer 1 is op de balhoofd-buis geslagen. Het motornummer 2is op de linkerzijde van het motorcar-ter geslagen.Noteer de serienummers in de onder-staande vakjes zodat deze latergemakkelijk teruggevonden kunnenworden.Framenummer:Motornummer:
2-5SLEUTELDeze motorfiets is voorzien van eenhoofdcontactsleutel en een reserve-sleutel. Bewaar de reservesleutel opeen veilige plaats.CONTACTSLOTHet contactslot heeft vier standen:“OFF” STANDAlle elektrische circuits zijn uitgescha-keld. De motor kan niet gestart wor-den. De sleutel kan uit het contactslotworden getrokken.“” STANDHet benzinepeil-verklikkerlampje moetgaan branden. Deze stand wordtalleen gebruikt ter controle van hetgloeilampje voor de benzinepeil-aan-duiding.“ON” STANDHet ontstekingscircuit is ingescha-keld en de motor kan nu gestart wor-den. De koplamp en het achterlichtzullen automatisch gaan brandenwanneer de contactsleutel in dezestand wordt gezet.
In deze stand kande sleutel niet uit het contactslot wor-den getrokken.OPMERKING: Start de motor meteennadat u de sleutel in de “ON” standhebt gezet, anders moet de accuonnodig stroom leveren als gevolgvan het verbruik door de koplamp enhet achterlicht.ONOFFLOCKPIGNITIONPUSH
2-6“LOCK” (Stuurslot) STANDOm het stuur te vergrendelen, draait udit eerst helemaal naar links. Duw desleutel omlaag, draai deze naar“LOCK” en trek de sleutel naar buiten.Alle elektrische circuits zijn uitgescha-keld.“P” (Parkeren) STANDWilt u de motorfiets parkeren, ver-grendel dan het stuur en draai desleutel in de “P” stand. De sleutel kannu verwijderd worden, maar het par-keerlicht (indien uitgerust) en het ach-terlicht blijven branden terwijl hetstuur vergrendeld is. In deze stand isde motorfiets beter zichtbaar wanneeru bijvoorbeeld’s avonds langs de wegparkeert.Het contactslot kan worden afgedektmet een draaibaar deksel. WAARSCHUWINGHet is gevaarlijk wanneer u hetcontactslot in de “P” (Parkeren) of“LOCK” (Stuurslot) stand zet ter-wijl de motorfiets in beweging is.Het kan gevaarlijk zijn om demotorfiets te bewegen wanneerhet stuur is vergrendeld.
U zou uwevenwicht kunnen verliezen envallen, of u zou de motorfiets kun-nen laten vallen.Stop de motorfiets en zet deze opde zijstandaard voordat u hetstuur vergrendelt. Probeer nooitom de motorfiets te bewegen ter-wijl het stuur is vergrendeld. WAARSCHUWINGAls de motorfiets als gevolg vanslippen of een ongeluk omvalt, ishet mogelijk dat de motor dooreen plotseling opgetredenbeschadiging blijft draaien, watkan resulteren in brand of in even-tueel letsel door bewegendeonderdelen zoals het achterwiel.Als de motorfiets omvalt, moet uhet contact meteen afzetten. Neemcontact op met een officiëleSuzuki-dealer om de motorfiets opniet zichtbare beschadigingen telaten controleren.ONOFFLOCKPIGNITIONPUSH
2-7Breng de opening van het dekselboven de opening van het contactslot,voordat u de sleutel insteekt.INSTRUMENTENPANEELDAGTELLER 1De dagteller, die zich in de snelheids-meter bevindt, is een kilometertellerdie u op nul kunt terugstellen. Gebruikde dagteller om de afstand van eenbepaalde rit of het aantal afgelegdekilometers tussen twee benzinestopste meten. Draai de KNOP 2 naarlinks om de dagteller op nul terug testellen. SNELHEIDSMETER 3De snelheidsmeter geeft de rijsnel-heid in mijl per uur en/of in kilometerper uur aan. KILOMETERTELLER 4De kilometerteller geeft de totaalafgelegde afstand van de motorfietsaan. Het bereik van de kilometertellerloopt van 0 tot 999999.OPMERKING: Het display van dekilometerteller vergrendelt bij 999999wanneer de totale afstand 999999overschrijdt.
2-8GROOTLICHT-VERKLIKKERLAMPJE “” 5Dit lampje gaat branden wanneer hetgrootlicht wordt ingeschakeld.BRANDSTOFINSPUITSYSTEEM-INDICATIELAMPJE “FI” 6Het brandstofinspuitsysteem-indica-tielampje gaat twee seconden bran-den wanneer het contactslot wordtaangezet. Als het brandstofinspuit-systeem defect is, zal het rode indica-tielampje 6 als volgt oplichten:A. Het rode indicatielampje 6 licht open blijft branden wanneer er eendefect in het brandstofinspuitsys-teem is.B. Het rode indicatielampje 6 knip-pert wanneer er een ernstig defectin het brandstofinspuitsysteem is.OPMERKING: • Als het rode indicatielampjeoplicht en blijft branden, moet u demotor laten draaien en de motor-fiets naar een officiële Suzuki-dealer brengen.
Als de motorafslaat, kunt u proberen om demotor opnieuw te starten nadat uhet contactslot uit en dan weeraan hebt gezet.• Als het rode indicatielampje knip-pert, zal de motor niet starten.LET OPHet brandstofinspuitingslampjegaat branden als er een probleemis met het brandstofinspuitsys-teem. Rijd niet met de motorfietsterwijl het brandstofinspuitings-lampje brandt, want dit kan leidentot schade aan de motor en detransmissie.Wanneer het rode indicatielampjeoplicht, moet u een officiëleSuzuki-dealer of een vakkundigmonteur zo spoedig mogelijk hetbrandstofinspuitsysteem latencontroleren.
2-9RICHTINGAANWIJZER-VERKLIKKERLAMPJE “” 7Dit lampje gaat knipperen wanneer derechter of linker richtingaanwijzer inwerking wordt gesteld.OPMERKING: Als een richtingaanwij-zer niet werkt als gevolg van eendefecte lamp of een defect circuit, zalhet verklikkerlampje sneller knipperenom u erop attent te maken dat er eenstoring is.VRIJSTAND-VERKLIKKERLAMPJE “N” 8Dit groene lampje gaat branden wan-neer de versnelling in de vrijstandwordt gezet. Het lampje dooft wan-neer vanuit de vrijstand in een ver-snelling wordt geschakeld. BENZINE-INDICATIELAMPJE “” 9Het indicatielampje gaat twee secon-den branden wanneer het contactslotin de “ON” stand wordt gezet. Hetindicatielampje moet doven als er vol-doende benzine in de tank is. Als dehoeveelheid benzine in de tank min-der dan 1,8 L is, gaat het indicatie-lampje branden.
2-10LINKER HANDVATKOPPELINGSHENDEL 1De koppelingshendel wordt gebruiktom de aandrijving via het achterwielte onderbreken wanneer u de motorstart of wanneer u van versnellingverandert. De koppeling wordt ont-koppeld door de hendel in te knijpen.DIMLICHTSCHAKELAAR 2“” standHet dimlicht van de koplamp en hetachterlicht gaan branden“” standHet grootlicht van de koplamp en hetachterlicht gaan branden Tevens gaathet grootlicht-verklikkerlampje bran-den.LET OPWanneer u de dimlichtschakelaartussen de “” en “” standhoudt, zullen de hoge en lage kop-lampbundels beide tegelijk bran-den. Deze stand kan schade aande koplamp van de motorfiets ver-oorzaken.Gebruik de dimlichtschakelaaralleen in de “” of “” stand.LET OPHet aanbrengen van plakband ofandere voorwerpen voorop dekoplamp kan de hittestraling vande koplamp blokkeren.
2-11RICHTINGAANWIJZERSCHAKE-LAAR “” 3Draai de schakelaar in de “” standom de linker knipperlichten in te scha-kelen. Draai de schakelaar in de “”stand om de rechter knipperlichten inte schakelen. Het verklikkerlampje zalook gaan knipperen. Druk de schake-laar in om de richtingaanwijzer stop tezetten.CLAXONSCHAKELAAR “” 4Druk op deze schakelaar om teclaxonneren. WAARSCHUWINGHet kan gevaarlijk zijn om de rich-tingaanwijzer niet te gebruiken alsu een bocht wilt nemen en om derichtingaanwijzer niet uit te scha-kelen nadat u een bocht hebtgenomen. Andere weggebruikerszouden uw richting verkeerd kun-nen inschatten en dit zou kunnenresulteren in een ongeluk.Maak altijd gebruik van de richtin-gaanwijzer wanneer u van planbent om van rijbaan te wisselen ofeen bocht te maken. Let erop dat ude richtingaanwijzer uitschakeltnadat u van rijbaan hebt gewis-seld of de bocht hebt genomen.
2-12RECHTER HANDVATMOTORSTOPSCHAKELAAR 1“” standHet ontstekingscircuit is uitgescha-keld. De motor zal nu niet starten ofdraaien.“” standHet ontstekingscircuit is ingescha-keld en de motor kan draaien.VOORREMHENDEL 2Om de voorrem te gebruiken, trekt ude remhendel zachtjes in de richtingvan de gasgreep in. Deze motorfietsis uitgerust met een schijfrem en er isgeen grote kracht voor nodig om demachine op de juiste wijze tot stil-stand te brengen. Wanneer de rem-hendel wordt ingetrokken, gaat hetremlicht branden.Afstellen van de voorremhendelDe afstand tussen de gasgreep en devoorremhendel kan in een van 6mogelijke posities worden afgesteld.Druk de remhendel naar voren endraai de afsteller in de gewenstestand.
Controleer na afstelling van deremhendel altijd of de afsteller in debetreffende stand is vergrendeld; hetuitsteeksel op het draaipunt van deremhendel moet in de uitholling vande afsteller vallen. De motorfietswordt afgeleverd met de afsteller instand 4. WAARSCHUWINGHet is gevaarlijk wanneer de posi-tie van de voorremhendel tijdenshet rijden wordt afgesteld. Wan-neer u uw hand van het stuurafneemt, ontstaat een bijzondergevaarlijke situatie.Verstel nooit tijdens de rit destand van de voorremhendel.Houd beide handen aan het stuur.
2-13ELEKTRISCHE STARTSCHAKELAAR “” 3Deze schakelaar wordt gebruikt omde motor te starten. Wanneer hetcontactslot in de “ON” stand is gezet,de motorstopschakelaar op “” staaten de koppeling is ingetrokken, kunt uop de elektrische startschakelaardrukken om de startmotor te activerenen de motor te starten.OPMERKING: Deze motorfiets is uit-gerust met blokkeersysteem voor hetcontactslot en het startcircuit. Demotor kan alleen gestart worden als:• De versnelling in de vrijstand staaten de koppelingshendel is inge-trokken, of• Een versnelling is ingeschakeld,de zijstandaard volledig is inge-klapt en de koppelingshendel isingetrokken.GASGREEP 4Het motortoerental wordt bepaalddoor de stand van de gasgreep. Draaide gasgreep naar u toe om het toe-rental te verhogen.
Om het toerentalte verlagen, draait u de gasgreep vanuw af.LET OPAls de startmotor langer dan vijfseconden achtereen draait, kan erschade aan de startmotor enbedrading ontstaan door overver-hitting.Laat de startmotor niet langer danvijf seconden achtereen draaien.Als de motor na verscheidenepogingen niet aanslaat, dient u debrandstoftoevoer en het ontste-kingssysteem te controleren.Raadpleeg het hoofdstuk STO-RINGZOEKEN in deze handlei-ding.
Benzine dieuit de tank stroomt kan gemakke-lijk vlam vatten.Stop met bijvullen wanneer debenzine de onderzijde van de vul-hals bereikt. WAARSCHUWINGAls u de veiligheidsmaatregelenniet in acht neemt bij het bijvullenvan benzine, kan er brand ont-staan of is het mogelijk dat u gif-tige dampen inademt.Tank uitsluitend in een goedgeventileerde ruimte. Zorg dat demotor is afgezet en let op dat ergeen benzine op een warme motorwordt gemorst. Rook niet en houdopen vuur en vonken uit de buurt.Vermijd benzinedampen in te ade-men. Houd kinderen en huisdierenuit de buurt van de motorfietswanneer u benzine bijvult.
2-15VERSNELLINGSPEDAALDeze motorfiets heeft vijf versnellin-gen die u als volgt bediend. Om op dejuiste wijze te schakelen, trekt u dekoppelingshendel in en neemt u gasterug op hetzelfde moment dat u hetversnellingspedaal bedient. Beweeghet versnellingspedaal omhoog voorhet overschakelen in een hogere ver-snelling en omlaag om terug te scha-kelen. De vrijstand bevindt zichtussen de eerste en de tweede ver-snelling. Om de motor stationair telaten draaien, zet u het versnellings-pedaal in de stand tussen de eersteen de tweede versnelling.OPMERKING: Wanneer de versnel-ling in de vrijstand staat, brandt hetgroene verklikkerlampje op het instru-mentenpaneel. Laat desalnietteminde koppeling voorzichtig en langzaamlos om na te gaan of de versnellingwerkelijk in de vrijstand staat.Verminder uw snelheid voordat uterugschakelt. Geef gas om de motorharder te laten draaien wanneer uterugschakelt.
2-16ACHTERREMPEDAALDruk het achterrempedaal naar bene-den om de achterrem in werking testellen. Het remlicht gaat brandenwanneer de achterrem gebruiktwordt.HELMHOUDEROm de helmhouder te openen, steektu de contactsleutel in het slot endraait deze dan naar rechts. Om dehelmhouder te sluiten, draait u desleutel naar links. WAARSCHUWINGRijd niet met de motorfiets wan-neer er een helm aan de helmhou-der is vastgemaakt, aangezien ditertoe zou kunnen leiden dat u decontrole over de motorfiets ver-liest.Neem een helm niet mee in dehelmhouder. Als u een helm moetmeenemen, dient u deze goed vastte maken op het zadel.
2-17ZIJSTANDAARDEr is een blokkeersysteem aange-bracht om het contactcircuit te onder-breken als de zijstandaard uitgeklaptis of de versnelling in een anderestand dan de vrijstand geschakeld is.De zijstandaard/contactcircuit-blok-keersysteem werkt als volgt:• De motor kan niet gestart wordenals de zijstandaard uitgeklapt isen de versnelling ingeschakeld is. • De motor slaat af als metdraaiende motor en de zijstan-daard uitgeklapt, de versnellingingeschakeld wordt. • De motor slaat af als metdraaiende motor en de versnellingingeschakeld, de zijstandaard uit-geklapt wordt. WAARSCHUWINGAls de zijstandaard niet volledig isingeklapt, kan dit resulteren in eenongeluk wanneer u een bocht naarlinks maakt.Controleer de werking van het zij-standaard/contactcircuit-blokkeer-systeem voordat u wegrijdt.
Zorgervoor dat de zijstandaard volledigis ingeklapt voordat u wegrijdt.LET OPAls u niet voorzichtig genoeg bentbij het parkeren, kan de motorfietsomvallen.Parkeer de motorfiets zo mogelijkop een stevige, vlakke onder-grond. Als u moet parkeren op eenhelling, dient u de voorkant van demotorfiets bergop te richten en detransmissie in de eerste versnel-ling te zetten, om de kans dat demotorfiets van de zijstandaard roltte verkleinen.
2-18ZIJVAKDe motorfiets is voorzien van een zij-vak.1. Draai de schroef los. Maak dehaken los en verwijder het rechterframedeksel 1.2. Verwijder de kap 2.OPMERKING: • Duw de knop omlaag en trek aanhet deksel om het deksel te ver-wijderen.• Plaats geen waardevolle voorwer-pen of elektronische apparaten inhet zijvak, want het zijvak is nietwaterdicht.
3-2AANBEVOLEN BENZINE EN MOTOROLIEBENZINEGebruik loodvrije benzine met eenoctaangetal van 91 of hoger (zoalsdoor onderzoek bepaald). Loodvrijebenzine zal de levensduur van debougie en van de onderdelen van hetuitlaatsysteem verlengen.OPMERKING: Als er een storing inde motor ontstaat zoals gebrek aanacceleratie of onvoldoende vermo-gen, kan dit veroorzaakt worden doorde gebruikte brandstof. Probeer in ditgeval bij een ander benzinestation tegaan tanken. Als dit het probleem nietoplost, moet u contact opnemen metuw Suzuki-dealer om het voertuig telaten nakijken.MOTOROLIEGebruik originele Suzuki motorolie ofeen gelijkwaardig product. Als origi-nele Suzuki motorolie niet verkrijg-baar is, kiest u een geschiktemotorolie uit overeenkomstig de vol-gende richtlijn.De kwaliteit van de olie bepaalt inbelangrijke mate de prestatie en delevensduur van de motor.
Gebruikaltijd motorolie van goede kwaliteit.Gebruik olie van API (AmericanPetroleum Institute) klasse SG, SH,SJ of SL, of JASO klasse MA olie.API: American Petroleum InstituteJASO: Japanese Automobile Stan-dards OrganizationSAE motorolie-viscositeitSuzuki beveelt het gebruik van SAE10W-40 motorolie aan. Als SAE 10W-40 motorolie niet verkrijgbaar is, kaneen andere olie worden gebruikt over-eenkomstig de volgende tabel.LET OPGemorste benzine die alcoholbevat kan de gelakte delen van uwmotorfiets aantasten.Zorg ervoor dat u geen benzinemorst bij het vullen van de benzi-netank. Veeg gemorste benzineonmiddellijk op.LET OPGebruik geen loodhoudende ben-zine.Bij gebruik van loodhoudendebenzine kan de katalysator defectraken.SAE API JASO10W-40SG, SH, SJ of SLMA
3-3JASO T903De JASO T903 norm is een maatstafvoor het kiezen van olieën voor moto-ren van 4-takt motorfietsen en ATV’s.De motoren van motorfietsen enATV’s smeren de koppelings- en ver-snellingstandwielen met motorolie.JASO T903 specificeert de prestatie-vereisten voor koppelingen en ver-snellingen van motorfietsen en ATV’s.Er zijn twee klassen, MA en MB. Hetolieblik geeft de classificatie als volgtaan.1Codenummer van de olieverkoopfirma2 OlieklasseEnergiebesparendSuzuki raadt het gebruik van oliënmet de aanduiding “ENERGY CON-SERVING” of “RESOURCE CON-SERVING” af. Sommige motoroliëndie API klasse SH, SJ of SL zijn, heb-ben de aanduiding “ENERGY CON-SERVING” in het ringvormige APIclassificatiemerkteken.
4-2HET INRIJDEN EN DE CONTROLE VÓÓR HET RIJDENHieronder volgt een uiteenzetting overhet belang van de inrijperiode vooreen maximale duurzaamheid en opti-male werking van uw nieuwe Suzuki.De volgende richtlijnen betreffen dejuiste inrijprocedures.AANBEVOLEN MAXIMALE GASGREEPSTANDDe onderstaande tabel toont de maxi-male gasgreepstand tijdens de inrij-periode.WISSEL HET MOTORTOERENTAL AFHoud het toerental niet constant,maar wissel het af. Zodoende wordende onderdelen met druk belast envervolgens ontlast, waardoor deonderdelen kunnen afkoelen.
Op diemanier kunnen de onderdelen zichgemakkelijker aan elkaar aanpassen.Om dit aanpassingsproces mogelijkte maken, is het van uitzonderlijkbelang dat de motoronderdelenbelast worden tijdens de inrijperiode.Let er wel op dat de motor niet over-belast wordt.INRIJDEN VAN DE NIEUWE BANDENVoor een optimale prestatie dient u denieuwe banden, net zoals de motor,goed in te rijden. Voordat u probleertom de maximale prestatie te behalen,moet u het profiel van de banden inrij-den door de helllingshoek bij hetnemen van bochten geleidelijk telaten toenemen gedurende de eerste160 km.
Vermijd snel optrekken,scherpe bochten maken en hard rem-men tijdens de eerste 160 km.VERMIJD EEN CONSTANT LAAG TOERENTALBij een constant laag toerental (lagebelasting) kunnen de motoronderde-len verglazen en zich niet roderen.Laat de motor vrij accelereren via deversnellingen zonder de aanbevolenmaximumgrenzen te overschrijden.Gebruik echter nooit volgas tijdens deeerste 1600 km.Eerste 800 km Minder dan 1/2 gasTot 1600 km Minder dan 3/4 gas WAARSCHUWINGAls u de banden niet inrijdt, kandit leiden tot slippen en verliesvan controle over de motorfiets.U dient extra voorzichtig te zijnwanneer u nieuwe banden inrijdt.Rijd de banden goed in zoalsbeschreven in dit gedeelte en ver-mijd snel optrekken, het scherpnemen van bochten en hard rem-men gedurende de eerste 160 km.
4-3LAAT DE MOTOROLIE CIRCULEREN VOOR HET RIJDENNeem een voldoende wachttijd inacht na warm of koud starten alvo-rens de motor te belasten. Daardoorkan de smeerolie alle belangrijkemotoronderdelen bereiken.EERSTE EN BELANGRIJKSTE ONDERHOUDSBEURTDe eerste onderhoudersbeurt (1000km onderhoudsbeurt) is de meestbelangrijke onderhoudsbeurt in hetleven van uw motorfiets. Tijdens hetinrijden hebben alle onderdelen vande motor zich ingelopen en naarelkaar gezet. Het onderhoudswerkbestaat onder andere uit het makenvan herafstellingen, het aanhalen vanbouten en moeren, het verversen vande motorolie en het vervangen vanhet motoroliefilter.
Het tijdig uitvoerenvan de 1000 km onderhoudsbeurt zalgarant staan voor een lange levens-duur en topprestaties van uw motor-fiets.OPMERKING: De 1000 km onder-houdsbeurt moet worden uitgevoerdvolgens de richtlijnen in het hoofdstukINSPECTIE EN ONDERHOUD indeze handleiding. Schenk specialeaandacht aan alle LET OP en WAAR-SCHUWING informatie in dat hoofd-stuk.CONTROLE VÓÓR HET RIJDEN WAARSCHUWINGAls u er niet voor zorgt dat uwmotorfiets juist wordt geïnspec-teerd en onderhouden, vergrootdit de kans op een ongeluk ofschade aan de motorfiets.Inspecteer uw motorfiets telkensvoordat u gaat rijden, zodat uzeker weet dat de motorfiets inveilige toestand verkeert. Raad-pleeg het hoofdstuk INSPECTIEEN ONDERHOUD in deze handlei-ding. WAARSCHUWINGAls u verkeerde banden gebruiktof als de banden niet op de juistespanning zijn, kunt u de controleover de motorfiets verliezen.
Ditzou kunnen leiden tot een onge-luk.Gebruik altijd de maat en het typebanden dat in deze handleidingwordt voorgeschreven. Houd debandenspanning aan die is opge-geven in het hoofdstuk INSPEC-TIE EN ONDERHOUD.
U zou zich ern-stig kunnen verwonden als uwhanden of kleding vast komen tezitten.Zet de motor af wanneer u onder-houdscontroles uitvoert, behalvewanneer u de verlichting, demotorstopschakelaar en het gascontroleert.WAT TE CONTROLE-RENCONTROLEER:Stuurinrich-ting• Soepelheid• Moet vrij kunnen bewegen• Geen speling, mag niet loszittenGashendel( 6-18)• Juiste speling in de gaskabel• Soepele werking en automatische terugkeer van de gasgreep naar de gesloten positieKoppeling( 2-10, 6-19)• Juiste speling in de kabel• Soepele en progressieve werkingRemmen( 2-12, 2-15, 6-23)• Juiste werking van het pedaal en de hendel.• Het vloeistofpeil in het reservoir moet boven de “LOWER” streep staan.• Er mag geen vloeistof lekken• Remblokken/remschoenen niet voorbij de slijtagegrens afgesleten• Juiste speling van het pedaal en de hendel• Geen sponsachtig gevoelVering • Soepele beweging• Er mag geen olie lekkenBenzine( 2-9, 2-14)Voldoende benzine voor de af te leggen afstandKetting( 6-20)• Juiste spanning of doorhanging• Voldoende smeringBanden( 6-30)• Juiste spanning• Genoeg profiel• Geen barsten of scheurenMotorolie( 6-13)Juiste peilLichten( 2-5, 2-7, 2-10)Werking van alle lichten en indicatielampjesClaxon( 2-11)Juiste werkingMotorstop-schakelaar( 2-12)Juiste werkingZijstandaard/contactcir-cuit-blok-keersysteem( 6-32)Juiste werking
5-2TIPS VOOR TIJDENS HET RIJDENSTARTEN VAN DE MOTORVoordat u de motor start, dient u hetvolgende te controleren:1. Staat de versnelling in de vrij?2. Staat de motorstopschakelaar inde “” stand?OPMERKING: Deze motorfiets is uit-gerust met blokkeersysteem voor hetcontactslot en het startcircuit.De motor kan alleen gestart wordenals:• De versnelling in de vrijstand staaten de koppelingshendel is inge-trokken, of• Een versnelling is ingeschakeld,de zijstandaard volledig is inge-klapt en de koppelingshendel isingetrokken.Wanneer de motor koud is:1. Sluit de gasgreep en druk op deelektrische startschakelaar om demotor te starten.2. Laat de motor draaien totdat dezevoldoende is opgewarmd.Wanneer de motor warm is:1. Draai de gasgreep 1/8 – 1/4 open.2.
Druk op de elektrische startscha-kelaar. WAARSCHUWINGUitlaatgassen bevatten koolmo-noxide, een gevaarlijk gas datnauwelijks waarneembaar isomdat het kleurloos en reukloosis. Het inademen van koolmo-noxide kan zeer gevaarlijk of zelfsdodelijk zijn.Start de motor niet en laat die nietdraaien in een ruimte met onvol-doende ventilatie.LET OPAls u de motor te lang laat draaienzonder met de motorfiets te rijden,kan de motor oververhit raken.Oververhitting kan leiden totschade aan de interne motoron-derdelen en het verkleuren van deuitlaatpijpen.Zet de motor af als u niet directaan een rit kunt beginnen.
5-3WEGRIJDENNa het volledig omhoog klappen vande zijstandaard trekt u de koppeling inen wacht u even. Schakel in de eersteversnelling door het versnellingspe-daal naar beneden te duwen. Draaide gasgreep naar u toe en laat tegelij-kertijd de koppeling langzaam engeleidelijk los. Wanneer de koppelingpakt, begint de motorfiets te rijden.Om in een hogere versnelling te scha-kelen, trekt u geleidelijk op. Daarnaneemt u tegelijkertijd het gas terug entrekt u de koppeling in. Breng met devoet het versnellingspedaal omhoogen kies de volgende versnelling. Laatde koppeling los en geef weer gas.Schakel op deze manier totdat demotor in de hoogste versnelling staat.OPMERKING: Deze motorfiets is uit-gerust met een zijstandaard/contact-circuit-blokkeersysteem.
Als u in eenversnelling schakelt terwijl de zijstan-daard omlaag geklapt is, zal de motorafslaan. WAARSCHUWINGAls u met zeer hoge snelheid metde motorfiets rijdt, neemt de kansdat u de controle over de motor-fiets verliest toe, wat kan resulte-ren in een ongeluk.Rijd altijd met een snelheid diegeschikt is voor het terein, uwzicht, de omgevingsomstandighe-den, en uw vaardigheid en erva-ring. WAARSCHUWINGAls u zelfs maar één hand of voetvan de motorfiets neemt, neemt dekans dat u de controle over demotorfiets verliest toe. U zou uwbalans kunnen verliezen en van demotorfiets kunnen vallen. Als u uwvoet van de voetsteun afneemt,kan uw voet of been in contactkomen met de achterwielen.
Ditkan letsel veroorzaken of resulte-ren in een ongeluk.Houd het stuur met beide handenvast en houd beide voeten op devoetsteunen van de motorfiets ter-wijl u rijdt. WAARSCHUWINGPlotselinge zijwind, zoals kanvoorkomen wanneer u wordtgepasseerd door grotere voertui-gen, bij de uitgang van een tunnelof tussen de heuvels, kan zo hardaankomen dat u de controle overde motorfiets verliest.Verminder uw snelheid en houdaltijd rekening met de kans op zij-wind.
Laat nooitde koppeling slippen om de snelheidvan de motorfiets te regelen, maarschakel liever terug om de motor bin-nen zijn normale bereik te laten wer-ken. WAARSCHUWINGTerugschakelen naar een lagereversnelling wanneer het toerentalte hoog is,• kan ertoe leiden dat het achter-wiel wegslipt en zijn grip op deweg verliest omdat u dan flinkop de motor remt, hetgeen kanleiden tot een ongeluk; of• dat de motor met een te hoogtoerental draait in een lagereversnelling, hetgeen kan leidentot schade aan de motor.Verlaag uw snelheid voordat uterugschakelt. WAARSCHUWINGAls u terugschakelt naar eenlagere versnelling terwijl demotorfiets overhelt in een bocht,kan dit ertoe leiden dat het achter-wiel wegslipt en dat u de controleover de motorfiets verliest.Verlaag uw snelheid en schakelterug voordat u de bocht neemt.LET OPEen verkeerde bediening van hetversnellingspedaal kan resulterenin beschadiging van de versnel-lingsbak.• Laat uw voet niet op het versnel-lingspedaal rusten.• Schakel niet met geweld in eenbepaalde versnelling.
5-5RIJDEN IN DE BERGEN• Bij het beklimmen van steile hel-lingen kan de motorfiets langza-mer gaan rijden en als het waregaan “slepen”. Op dat momentmoet u in een lagere versnellingterugschakelen zodat de motorbinnen z’n normale bereik kanwerken. Schakel snel om te voor-komen dat de motorfiets te veelsnelheid verliest.• Bij bergafwaarts rijden kunt u doorterug te schakelen afremmen metde motor.• Let op dat de motor het maximaaltoegestane toerental niet over-schrijdt.STOPPEN EN PARKEREN1. Draai de gasgreep helemaal van uaf om het gas helemaal te sluiten.2. Gebruik de voor- en achterremgelijktijdig en in gelijke mate.3. Schakel terug wanneer de snel-heid afneemt.4. Zet de versnelling in de vrij met dekoppeling ingetrokken net voordatu stilstaat.
5-65. Parkeer de motorfiets op een ste-vige, vlakke ondergrond waardeze niet kan omvallen.OPMERKING: Wanneer de motorfietsop de zijstandaard en op een hellingwordt geparkeerd, dient u deze zoneer te zetten dat de voorkant van demotorfiets naar boven gericht staat.Zodoende kan de motorfiets niet naarvoren rollen, waardoor de zijstan-daard opgeklapt zou kunnen worden.Tevens is het raadzaam om de motor-fiets in de eerste versnelling te latenstaan. Zet de versnelling in de vrijvoordat u de motor start.6. Draai de contactsleutel in de“OFF” stand.7. Draai het stuur volledig naar linksen vergrendel het stuur om dief-stal te voorkomen.8.
Verwijder de contactsleutel.OPMERKING: Als een los verkrijg-baar antidiefstalslot zoals een U-vor-mig slot, remschijfslot of ketting wordtgebruikt om diefstal te voorkomen,moet u niet vergeten om het antidief-stalslot te verwijderen voordat u metde motorfiets gaat rijden. WAARSCHUWINGAls u hard remt op een natte,losse, ruwe of anderszins gladdeondergrond, kan dit ertoe leidendat de wielen slippen en dat u decontrole over de motorfiets ver-liest.Rem licht en voorzichtig op eengladde of onregelmatige onder-grond. WAARSCHUWINGAls u een ander voertuig te dichtvolgt, kan dit leiden tot een bot-sing.
Naarmate de snelheid vaneen voertuig toeneemt, wordt deremweg langer.Zorg voor een veilige afstand tus-sen uw motorfiets en het voertuigvoor u.LET OPWanneer de motorfiets op een hel-ling wordt gestopt en op zijnplaats wordt gehouden metbehulp van het gashendel en hetkoppelingshendel, kan de koppe-ling van de motorfiets wordenbeschadigd.Gebruik de remmen wanneer u demotorfiets op een helling stopt. VOORZICHTIGU kunt zich ernstig branden aaneen hete knaldemper. De knaldem-per blijft ook een tijd nadat u demotor hebt afgezet nog zo heetdat u zich eraan kunt branden.Parkeer de motorfiets op eenplaats waar voetgangers of kinde-ren de knaldemper niet snel zullenaanraken.
6-2INSPECTIE EN ONDERHOUDONDERHOUDSSCHEMAHet schema geeft de intervallen aan,in kilometers, tussen de periodiekeonderhoudsbeurten. U dient aan heteinde van elke periode de voorge-schreven inspecties, controles, sme-ring en onderhoud uit te voeren. Alsuw motorfiets onder zware omstan-digheden wordt gebruikt, zoals wan-neer voortdurend met vol gasgereden wordt, of wanneer de motor-fiets gebruikt wordt in een stoffig kli-maat, moet bepaald onderhoud vakerworden uitgevoerd om zeker te zijnvan de betrouwbaarheid van demachine. Uw Suzuki-dealer kan u ver-dere aanbevelingen geven. Destuurinrichting, vering en wielen zijnzeer belangrijke onderdelen en heb-ben speciale zorg nodig.
Voor eenoptimale veiligheid raden wij u aandeze onderdelen door een officiëleSuzuki-dealer of een vakkundigemonteur te laten nakijken. WAARSCHUWINGVerkeerd onderhoud of niet uit-voeren van het voorgeschrevenonderhoud kan ongelukken ver-oorzaken.Zorg dat uw motorfiets altijd ingoede staat is. Vraag uw Suzuki-dealer of een vakkundig monteurom de onderhoudstaken te ver-richten die met een sterretje (*)zijn gemerkt. Als u zelf ervaringhebt met technisch onderhoud,kunt u de niet gemerkte onder-houdstaken verrichten aan dehand van de instructies in dithoofdstuk. Als u niet zeker weethoe u deze onderhoudstakenmoet uitvoeren, dient u deze dooruw Suzuki-dealer te laten uitvoe-ren. WAARSCHUWINGUitlaatgassen bevatten koolmo-noxide, een gevaarlijk gas datnauwelijks waarneembaar isomdat het kleurloos en reukloosis.
Het inademen van koolmo-noxide kan zeer gevaarlijk of zelfsdodelijk zijn.Start de motor niet en laat die nietdraaien in een ruimte met onvol-doende ventilatie.
6-4ONDERHOUDSSCHEMAPeriode: Bepaal dit interval aan het aantal maanden of de stand van de kilome-terteller, welke hiervan het eerst wordt bereikt.OPMERKING: I= Inspecteren en schoonmaken, afstellen, vernieuwen of vol-doende smeren; V= Vervangen; A=AandraaienPeriode maanden 2 12 24 36Onderdeel km 1000 5000 10000 15000Luchtfilterelement ( 6-8)Om de 3000 km schoonmaken–IIV* Uitlaatpijpbouten en demperbevestigingsboutenAAAA* Klepspeling I I I IBougie ( 6-11) – I V IBenzineslang ( 6-13)IIII* Om de 4 jaar vernieuwenMotorolie ( 6-13) V V V VMotoroliefilter ( 6-14) V–V–Speling van gaskabel ( 6-18) I I I ISpeling van koppelingskabel ( 6-19) – I I IKetting ( 6-20)IIIIOm de 1000 km schoonmaken en smeren* Remmen ( 6-23) I I I IRemvloeistof ( 6-24)–III* Om de 2 jaar vernieuwenRemslang ( 6-24)–III* Om de 4 jaar vernieuwenBanden ( 6-30) – I I I* Stuurinrichting I – I –* Voorvorken – – I –* Achterwielvering – – I –* Bouten en moeren van het frame A A A ASmering ( 6-5) Smeer elke 1000 km
6-6ACCUDit is een gesloten-type accu en dezevereist geen onderhoud. Laat uwdealer wel regelmatig de spannings-toestand van de accu controleren.De standaard laadstroom is 0,7A × 5tot 10 uur en de maximale laadstroomis 3,0A × 1 uur. Overschrijd nooit demaximale laadstroom.WAARSCHUWINGDe accupolen, aansluitklemmenen verband houdende accessoiresbevatten lood en loodverbindin-gen. Lood is schadelijk voor degezondheid wanneer dit in uwbloed terechtkomt.Was uw handen na het werken metonderdelen die lood bevatten.WAARSCHUWINGVerdund zwavelzuur van de accukan blindheid of ernstige brand-wonden veroorzaken.Draag bij het werken rondom deaccu geschikte oogbeschermingen handschoenen. Spoel uw ogenof lichaam overvloedig met wateren roep meteen de hulp van eenarts in als u letsel oploopt.
Houdbuiten het bereik van kinderen. WAARSCHUWINGWaterstofgas dat wordt geprodu-ceerd door een accu kan ontplof-fen als het wordt blootgesteld aanvuur of vonken.Houd vuur en vonken uit de buurtvan de accu. Rook nooit wanneeru dichtbij de accu aan het werkbent.LET OPAls u de maximale laadstroomvoor de accu overschrijdt, kan ditde levensduur verkorten.Overschrijd nooit de maximalelaadstroom van de accu. WAARSCHUWINGBij schoonvegen van de accu meteen droge doek kan er een vonkontstaan als gevolg van statischeelektriciteit met mogelijk brand totgevolg.Veeg de accu met een lichtbevochtigde doek schoon omopbouw van statische elektriciteitte voorkomen.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Suzuki VanVan 200 (2016) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Motor Suzuki
Handleiding Motor
Nieuwste handleidingen voor Motor