Suzuki V-Strom 250 (2020) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Suzuki V-Strom 250 (2020) (133 pagina’s), behorend tot de categorie Motor. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 13 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 7 reviews. Heb je een vraag over Suzuki V-Strom 250 (2020) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Suzuki |
| Categorie: | Motor |
| Model: | V-Strom 250 (2020) |
Handleiding Suzuki V-Strom 250 (2020) – volledige tekst
BELANGRIJKE INFORMATIEBELANGRIJKE RICHTLIJNEN I.V.M. DE INRIJPERIODEDe eerste 1600 km zijn de belangrijk-ste voor de levensduur van uw motor-fiets. Een strict nagevolgdeinrijperiode verzekert een maximaleduurzaamheid en een optimale wer-king van uw nieuwe motorfiets.Suzuki onderdelen zijn vervaardigdvan materialen van hoge kwaliteit endeze zijn in de fabriek afgewerkt methet oog op nauwkeurig bepaaldebelastingen. Correcte bediening zorgtervoor dat de afgewerkte oppervlak-ken elkaar insmeren en zich harmoni-eus aan elkaar aanpassen.De betrouwbare werking van uwmotorfiets hangt af van de specialezorg en het navolgen van de beper-kingen tijdens de inrijperiode.
Let ervooral op de motor niet te overbelas-ten om oververhitting van de motoron-derdelen te voorkomen.Zie het hoofdstuk HET INRIJDENvoor verdere aanbevelingen en voor-schriften betreffende het inrijden.WAARSCHUWING/VOORZICHTIG/LET OP/OPMERKINGLees deze handleiding zorgvuldigdoor en volg alle aanwijzingen op. Wijleggen er de nadruk op dat in dezehandleiding het symbool en dewoorden WAARSCHUWING, VOOR-ZICHTIG, LET OP en OPMERKINGalle een speciale betekenis hebbenen dat er nauwkeurig aandacht aandient te worden besteed.
VOORWOORDMotorrijden is een van de meestopwindende sporten, maar let op hetvolgende om zeker te zijn van uw rij-plezier. U doet er goed aan om alleinformatie in deze handleiding aan-dachtig door te nemen voordat u opuw motorfiets gaat rijden.In deze handleiding worden de ver-zorging en het onderhoud van uwmotorfiets beschreven. Door dezeaanwijzingen precies op te volgenkunt u er zeker van zijn dat uw motor-fiets een lang leven heeft zonderongemakken. Uw officiële Suzuki-dealer heeft ervaren technici dieopgeleid zijn om uw motorfiets met debest mogelijke zorg te omringen, metde juiste gereedschappen en de juisteuitrusting.Alle informatie, afbeeldingen en spe-cificaties die u in deze handleidingvindt, zijn volledig bijgewerkt tot hetogenblik van publicatie.
Tengevolgevan verbeteringen of andere verande-ringen zouden er tegenstrijdighedenkunnen voorkomen tussen de infor-matie in deze handleiding en uwmotorfiets. Suzuki behoudt zich ech-ter het recht voor om te allen tijde ver-anderingen aan te brengen.Deze handleiding is van toepassingop alle specificaties voor alle respec-tievelijke bestemmingen en geeft uit-leg over al het materiaal. Het isdaarom mogelijk dat uw model ken-merken heeft die afwijken van die inde handleiding vermeld staan.
1-2INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKERGEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETSGEBRUIK VAN ACCESSOIRESDe veiligheid kan minder worden bijmontage of toevoeging van onge-schikte accessoires. Het is onmogelijkvoor Suzuki om elk accessoire dat teverkrijgen is of om combinaties vanalle leverbare accessoires te testen,maar uw dealer kan u helpen bij hetuitkiezen van kwaliteitsonderdelen ende montage ervan. Betracht uiterstevoorzichtigheid bij het uitkiezen enmonteren van accessoires voor uwmotorfiets en raadpleeg uw Suzuki-dealer als u vragen hebt. RICHTLIJNEN VOOR DE MONTAGE VAN ACCESSOIRES• Accessoires die van invloed zijnop de windgevoeligheid zoalsstroomlijnen, windschermen, rug-steunen, zadeltassen en reiskof-fers, moeten zo laag mogelijkworden gemonteerd en ook zodicht mogelijk bij het zwaartepunt.
Zorg dat de bevestigingsbeugelsen het andere bevestigingsmateri-aal stevig is aangebracht. • Controleer de tussenruimte tus-sen de motorfiets en de grond, ende schuinte van de zit. Let ertevens op dat de accessoires dewerking van de vering, stuurinrich-ting en andere bedieningsorganenniet hindert. • Accessoires die aan het stuur ofde voorvork worden gemonteerd,kunnen een zeer nadelige invloedop de stabiliteit hebben. Door hetextra gewicht zal uw motorfietsminder goed reageren op uwbesturing. Het extra gewicht kanook trillingen in het voorgedeelteveroorzaken en kan zodoende lei-den tot minder stabiliteit. Eventu-ele accessoires aan het stuur ofde voorvork moeten zo lichtmogelijk zijn en dienen beperkt teworden tot een minimum. • Door sommige accessoires wordtde motorrijder gedwongen omzijn/haar normale rijhouding teveranderen.
Gebruik geen ongeschikte acces-soires en let op dat de gebruikteaccessoires goed worden aange-bracht. Alle onderdelen en acces-soires voor de motorfiets moetenoriginele Suzuki onderdelen zijnof gelijkwaardige onderdelen dieontworpen zijn voor gebruik metdeze motorfiets. Monteer engebruik de accessoires overeen-komstig de bijgeleverde instruc-ties. Raadpleeg uw Suzuki-dealerals u vragen hebt.
1-3• Extra elektrische accessoires kun-nen het bestaande elektrischesysteem overbelasten. Zwareoverbelasting kan de bedradingbeschadigen of kan gevaar ople-veren als gevolg van het uitvallenvan de stroom wanneer de motor-fiets in gebruik is. • Trek geen aanhangwagen of eenzijspan. Deze motorfiets is nietontworpen voor het trekken vaneen aanhangwagen of een zij-span. LAADLIMIETOverschrijd nooit het maximaal toe-laatbare totaalgewicht (MTT) vandeze motorfiets. Het MTT is het totalegewicht van de machine, accessoires,nuttige belastingen, de bestuurder ende passagier tesamen. Denk bij hetuitkiezen van accessoires aan hetgewicht van de bestuurder en ookaan het gewicht van de andere acces-soires. Het extra gewicht van deaccessoires kan niet alleen onveiligerijomstandigheden veroorzaken, maarkan ook een nadelige invloed hebbenop de stabiliteit van de motorfiets.
MTT: 375 kgbij bandenspanning (indien koud)Voor: 250 kPa (2,50 kgf/cm2)Achter: 250 kPa (2,50 kgf/cm2)RICHTLIJNEN VOOR DE BELADINGDeze motorfiets kan kleine voorwer-pen vervoeren wanneer u niet meteen passagier rijdt. Volg de onder-staande richtlijnen:• Verdeel de bagage gelijk over delinker- en de rechterkant van demotorfiets en maak deze goed vast. • Zorg dat het gewicht van de bagagezo laag mogelijk is en houd dit ookzo dicht mogelijk bij het midden vande motorfiets. • Bevestig geen grote of zware voor-werpen aan het stuur, de voorvorkof het achterspatscherm. • Monteer geen bagagedrager of eenbagagekoffer die over het achter-eind van de motorfiets uitsteekt. • Vervoer ook geen voorwerpen dieover het achtereind van de motor-fiets uitsteken. • Controleer of beide banden dejuiste bandenspanning hebben voorde belading van de motorfiets. Ziepagina 6-37.
1-4WIJZIGINGENHet aanbrengen van wijzigingen aande motorfiets of het verwijderen vanoorspronkelijk aangebrachte onder-delen kan het voertuig onveilig ofonwettelijk maken.VEILIGHEIDSADVIEZEN VOOR MOTORRIJDERSMotorrijden is een geweldige enopwindende sport. Er moeten echterook enkele voorzorgsmaatregelengenomen worden om de veiligheidvan de bestuurder en de passagier tewaarborgen. Deze voorzorgsmaatre-gelen zijn:DRAAG ALTIJD EEN HELMVeiligheidsuitrusting voor de motor-fiets begint met een veiligheidshelmvan goede kwaliteit. Een van demeest ernstige verwondingen die ukunt oplopen is een verwonding aanhet hoofd. Draag ALTIJD een goedge-keurde helm. Ook is het aan te radenom passende oogbescherming tedragen.MOTORKLEDINGLoszittende vrijetijdskleding kanongemakkelijk en onveilig zijn bij hetmotorrijden. Kies motorkleding vangoede kwaliteit wanneer u motorrijdt.
CONTROLE VÓÓR HET RIJDENLees nog eens grondig de instructiesdoor in het hoofdstuk “CONTROLEVÓÓR HET RIJDEN” in deze handlei-ding. Vergeet niet een algehele veilig-heidscontrole uit te voeren om deveiligheid van bestuurder en passa-gier te waarborgen.MAAK UZELF VERTROUWD MET DE MOTORFIETSUw rijvaardigheid en uw mechanischekennis van de motorfiets vormen debasis voor veilig rijden. Wij raden uaan om eerst wat te oefenen met uwmotorfiets op een plaats waar geenverkeer kan komen, totdat u volledigvertrouwd bent met uw motorfiets ende bedieningsorganen. Oefeningbaart kunst! KEN UW GRENZENRijd binnen de grenzen van uw eigenvaardigheid. Door deze grenzen tekennen en altijd binnen deze grenzente blijven kunt u ongelukken voorko-men.DENK AAN EXTRA VEILIGHEID BIJ SLECHT WEERRijden bij slecht weer, vooral bij natweer, vereist extra voorzichtigheid. Deremafstand is bij regen tweemaal zogroot.
1-5RIJD DEFENSIEFDe meeste ongelukken met motorfiet-sen gebeuren wanneer een tege-moetkomende auto plotseling vlakvoor de motorfiets afslaat. Rijd voor-zichtig en defensief. Een verstandigemotorrijder gaat er voor de zekerheidvan uit dat hij of zij zelf onzichtbaar isvoor de andere weggebruikers, zelfsop klaarlichte dag. Draag felle, reflec-terende kleding. Schakel de koplampen het achterlicht altijd in, ook alschijnt de zon, opdat u zo opvallendmogelijk bent. En vermijd vooral deblinde hoek van automobilisten.LABELSLees alle labels op de motorfiets envolg de aanwijzingen op. Zorg dat ude informatie op de labels begrijpt.Verwijder geen labels van de motor-fiets.PLAATS VAN DE SERIENUMMERSDe serienummers op het frame en/ofde motor worden gebruikt om demotorfiets te registreren. Zij komenook van pas wanneer uw dealeronderdelen bestelt of om te verwijzennaar speciale service-informatie.
Hetframenummer 1 is op de balhoofd-buis geslagen. Het motornummer 2is op het motorcarter geslagen.Noteer de serienummers in de onder-staande vakjes zodat deze latergemakkelijk teruggevonden kunnenworden. Framenummer:Motornummer:
1-6LAWAAI-ONDERDRUKKINGSSYSTEEM (ALLEEN VOOR AUSTRALIE)WIJZIGINGEN AANBRENGEN IN HET LAWAAI-ONDERDRUKKINGS-SYSTEEM IS VERBODENGebruikers worden erop attentgemaakt dat de wet de volgendezaken verbiedt:(a) Het verwijderen of ongeschiktmaken, behalve wanneer ditgebeurt voor het verrichten vanonderhoud, reparatie ofvervanging, van enigerleiuitrusting of systeem die tot doelheeft lawaai te verminderen, endie in een nieuw voertuig isingebouwd voordat het voertuigwerd verkocht of aan deuiteindelijke gebruiker werdgeleverd, of terwijl het voertuig ingebruik is; en(b) Het gebruik van het voertuignadat dergelijke uitrusting ofsystemen zijn verwijderd ofongeschikt zijn gemaakt.
2-5SLEUTELBij deze motorfiets worden twee iden-tieke contactsleutels geleverd.Bewaar de reservesleutel op een vei-lige plaats.CONTACTSLOT(model uitgerust met “P”-positie)Het contactslot is voorzien van 3 of 4standen (model uitgerust met “P”-positie):UIT-STAND “OFF”Alle elektrische circuits zijn uitgescha-keld. De motor kan niet gestart wor-den. De sleutel kan uit het contactslotworden getrokken. WAARSCHUWINGEen sleutelbos met een lange ket-ting kan klem raken tussen hetcontactslot en de bovenbeugel.Dit kan hinderen bij het sturenwaardoor een gevaarlijke situatieontstaat.Gebruik uw contactsleutel zondersleutelhanger, sleutelmapje ofandere sleutels eraan bevestigd.LET OPWanneer een sleutelhanger ofandere ketting aan de contactsleu-tel wordt bevestigd, kan de bepla-ting of het lakwerk rondom hetcontactslot worden beschadigd.
Gebruik de contactsleutel afzon-derlijk of hoogstens met een zachtsleutelmapje om beschadigingvan de beplating en het lakwerk tevoorkomen.LOCKONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPUSHLOCKONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPUSHPON
2-6AAN-STAND “ON”Het ontstekingscircuit is ingescha-keld en de motor kan nu gestart wor-den. De koplamp, het parkeerlicht, dekentekenplaatverlichting en het ach-terlicht zullen automatisch gaan bran-den wanneer de contactsleutel indeze stand wordt gezet. In deze standkan de sleutel niet uit het contactslotworden getrokken. OPMERKING: Start de motor meteennadat u de sleutel in de “ON” standhebt gezet, anders moet de accuonnodig stroom leveren voor het ver-bruik door de koplamp en het achter-licht. STUURSLOT-STAND “LOCK”Om het stuur te vergrendelen, draait udit eerst helemaal naar links. Duw desleutel omlaag, draai deze naar de“LOCK” stand en trek de sleutel uithet slot. Alle elektrische circuits zijnuitgeschakeld. OPMERKING: • Beweeg het stuur naar rechts ennaar links om er zeker van te zijndat het goed vergrendeld is.
• Als het niet gemakkelijk kan wor-den vergrendeld, draai de sleuteldan naar de “LOCK”-stand terwijlu het stuur lichtjes naar rechtsbeweegt. PARKEERSTAND “P” (indien uitgerust)Wilt u de motorfiets parkeren, ver-grendel dan het stuur en draai desleutel in de “P” stand. De sleutel kannu verwijderd worden, maar het par-keerlicht en het achterlicht blijvenbranden terwijl het stuur vergrendeldis. In deze stand is de motorfiets beterzichtbaar wanneer u bijvoorbeeld’savonds langs de weg parkeert. WAARSCHUWINGHet is gevaarlijk om de contact-sleutel in de “P” (Parkeren) of“LOCK” (Stuurslot) stand te zettenterwijl de motorfiets in bewegingis. Het kan gevaarlijk zijn om demotorfiets te bewegen wanneerhet stuur is vergrendeld. U zou uwevenwicht kunnen verliezen envallen, of u zou de motorfiets kun-nen laten vallen. Stop de motorfiets en zet deze opde zijstandaard voordat u hetstuur vergrendelt.
WAARSCHUWINGAls de motorfiets omvalt alsgevolg van slippen of een onge-luk, is het mogelijk dat de motordoor een plotseling opgetredenbeschadiging blijft draaien, watkan resulteren in brand of in even-tueel letsel door bewegendeonderdelen zoals het achterwiel. Als de motorfiets omvalt, moet uhet contact meteen afzetten. Neemcontact op met een officiëleSuzuki-dealer om de motorfiets opniet zichtbare beschadigingen telaten controleren.
2-7Het sleutelgat kan worden afgedektdoor het dekseltje te draaien.Breng de opening in het dekseltjeboven het sleutelgat wanneer u desleutel in het contactslot steekt.ONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPLOCKPUSHONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPLOCKPUSHONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPLOCKPUSHONONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPLOCKPUSH
2-8INSTRUMENTENPANEELHet defectverklikkerlampje F, motor-toerental-verklikkerlampje A, koel-vloeistoftemperatuur-verklikkerlampje0, oliedrukverklikkerlampje G, ABS-verklikkerlampje H (DL250A) en deLCD's werken als volgt om te kijken ofze in orde zijn wanneer het contact-slot in de “ON” stand wordt gedraaid.• Het defectverklikkerlampje F,motortoerental-verklikkerlampjeA en koelvloeistoftemperatuur-verklikkerlampje 0 gaan 3 secon-den branden.• Alle LCD-segmenten verschijnenen tonen dan hun normale wer-king.RICHTINGAANWIJZER-VERKLIKKERLAMPJE “” 3Dit lampje gaat knipperen wanneer derechter of linker richtingaanwijzer inwerking wordt gesteld.OPMERKING: Als een richtingaanwij-zer niet werkt als gevolg van eendefecte lamp of een defect circuit, zalhet verklikkerlampje sneller knipperenom u erop attent te maken dat er eenstoring is.SNELHEIDSMETER 4De snelheidsmeter geeft de rijsnel-heid in kilometer per uur aan.(Model uitgerust met eenheidscha-kelfunctie)OPMERKING: • Houd de ADJ toets 2 ingedrukten zet het contactslot aan.
Houdde ADJ toets 2 4 seconden inge-drukt voor het omschakelen tus-sen km/uur en mijl/uur. Dekilometerteller zal tegelijkertijdomschakelen tussen km en mijl.• Kies km/uur of mijl/uur overeen-komstig de gebruikte afstandeen-heid.• Controleer de km/uur en mijl/uurdisplay-aanduiding na het instel-len van het instrumentenpaneel-display.ADJSELRPMNGEARF0123456789101112ETRIPTRIPINTERVALOIL CHANGE1000r/minkm/hmphkm/LMPG IMPMPG USL/100km
2-9TOERENTELLER 5De toerenteller geeft het motortoe-rental in omwentelingen per minuut(tpm) aan.KLOK 6De tijd wordt aangegeven wanneerhet contactslot in de “ON” stand staat.De klok heeft een 12-uurs tijdsaandui-ding. Volg de onderstaande aanwij-zingen om de klok in te stellen.1. Om de klok in te stellen, houdt ude SEL toets 1 en de ADJ toets2 tegelijk 2 seconden lang inge-drukt totdat de klokaanduidingbegint te knipperen.2. Druk op de SEL toets 1 om hetuur in te stellen.3. Druk op de ADJ toets 2 om deminuten in te stellen.4. Houd de SEL toets 1 en de ADJtoets 2 tegelijk 2 seconden langingedrukt om terug te keren naarde tijdsaanduiding.OPMERKING: • Als u de SEL toets 1 of de ADJtoets 2 ingedrukt houdt, blijft deaanduiding continu vooruitlopen.• De klok kan worden ingesteldwanneer het contactslot in de“ON” stand staat.• De klok wordt gevoed door deaccu van de motorfiets.
2-10BENZINEPEIL-INDICATOR “” 9De benzinepeil-indicator geeft de res-terende hoeveelheid benzine in debenzinetank aan. De benzinepeil-indi-cator toont alle 5 segmenten wanneerde benzinetank vol is. Het benzine-pompteken knippert wanneer hetbenzinepeil beneden 4,7 liter komt.Het teken en het segment knipperenwanneer het benzinepeil beneden1,7 liter komt.OPMERKING: • De benzinepeil-indicator geeft hetpeil niet juist aan wanneer demotorfiets op de zijstandaardstaat. Zet het contactslot in de“ON” stand terwijl de motorfietsrecht overeind wordt gehouden.• Als het benzinepompteken knip-pert, moet u meteen gaan tanken.Ook zal het laatste segment vande benzinepeil-indicator knippe-ren wanneer de benzinetank bijnaleeg is.KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR-VERKLIKKERLAMPJE “” 0Dit lampje gaat branden wanneer detemperatuur van de koelvloeistof totboven de 120°C stijgt.
Wanneer hetkoelvloeistoftemperatuur-verklikker-lampje gaat branden, moet u demotor afzetten en het koelvloeistofni-veau controleren nadat de motor isafgekoeld.BenzinetankOngeveer 1,7 literOngeveer 4,7 literVolSegmentKnippert tekenKnippert Knippert ADJSELRPMNGEARF0123456789101112ETRIPTRIPINTERVALOIL CHANGE1000r/minkm/hmphkm/LMPG IMPMPG USL/100kmLET OPRijden met de motorfiets terwijlhet koelvloeistoftemperatuur-ver-klikkerlampje brandt, kan leidentot ernstige motorschade dooroververhitting.Als het koelvloeistoftemperatuur-verklikkerlampje gaat branden,moet u de motor onmiddellijkafzetten en laten afkoelen. Laat demotor pas weer draaien wanneerhet koelvloeistoftemperatuur-ver-klikkerlampje is gedoofd.
2-11MOTORTOERENTAL-VERKLIKKERLAMPJE AHet motortoerental-verklikkerlampjeA gaat branden of knipperen wan-neer het motortoerental het vooringe-stelde motortoerental bereikt.Selecteren van de LIGHT/BLINK/NO LIGHT modus1. Schakel het contact in voor toe-gang tot de selectiemodus.2. Houd de SEL toets 1 langer dan2 seconden ingedrukt om demodus te veranderen.3. Druk op de ADJ toets 2 om deoplichtingsmodus te veranderen.De modus verandert als volgt:LIGHT BLINK NO LIGHT LIGHT.Het motortoerental-verklikker-lampje A gaat branden in deLIGHT modus en knipperen in deBLINK modus. Het motortoeren-tal-indicatiesymbool “” 7 gaatbranden wanneer de LIGHT ofBLINK modus wordt geselecteerd.4. Druk op de SEL toets 1 om degeselecteerde modus vast te leg-gen. Schakel over naar de selec-tie van het vooringesteldetoerental wanneer u de LIGHT ofBLINK modus selecteert.5.
Als de modusselectie is geacti-veerd en de motorfiets een snel-heid van meer dan 10 km/uurbereikt of als het contactslot in de“OFF” stand wordt gezet, wordt demodusselectie geannuleerd.Selecteren van het vooringestelde toerental1. Selecteer de LIGHT modus of deBLINK modus.2. Druk op de ADJ toets 2 om eenvooringesteld motortoerental teselecteren. Druk op de ADJ toets2 om het vooringestelde motor-toerental te veranderen van4000 tpm tot 10500 tpm, in stap-jes van 500 tpm.3. Druk op de SEL toets 1 om degeselecteerde instelling vast teleggen. WARNINGBedien het display niet tijdens hetrijden; dat is gevaarlijk. Wanneer uuw hand van het stuur afneemt,ontstaat een bijzonder gevaarlijkesituatie.Schakel nooit tijdens het rijden deaanduidingen om. Houd beidehanden aan het stuur.
2-12VRIJSTANDVERKLIKKERLAMPJE “N” BDit groene lampje gaat branden wan-neer de versnelling in de vrijstandwordt gezet. Het lampje gaat uit wan-neer vanuit de vrijstand in een ver-snelling wordt geschakeld.OLIEVERVERSING-VERKLIKKERLAMPJE CHet olieverversing-verklikkerlampjegaat branden om u eraan te herinne-ren dat de motorolie ververst moetworden. Het verklikkerlampje gaatbranden na de eerste 1000 km endaarna op de vooringestelde interval-len. Het vooringestelde interval kanworden afgesteld tussen 500 km en12000 km, in stapjes van 500 km.Reset het verklikkerlampje na het ver-versen van de olie zodat het lampjedooft.Resetten van het olieverversing-ver-klikkerlampje: 1. Zet het contact af.2. Houd de SEL toets 1 ingedrukt,draai het contactslot naar de “ON”stand en houd de SEL toets 1nog 3 seconden ingedrukt.3.
Houd de SEL toets 1 en de ADJtoets 2 2 seconden lang inge-drukt om de instelmodus te verla-ten.OPMERKING: • Het olieverversingsinterval kanpas worden ingesteld nadat dekilometerteller de 1000 km isgepasseerd.• Reset het verklikkerlampje nadatde olie de eerste maal is ververst.• Na het verversen van de olie moetde reset-procedure altijd wordenuitgevoerd, ook wanneer het ver-klikkerlampje niet oplicht.• Er vindt geen reset van het ver-klikkerlampje plaats wanneer hetingestelde interval wordt gewij-zigd.• Bij het verlaten van de fabriek ishet interval op 5000 km ingesteld.
2-14KILOMETERTELLER/DAGTELLER DHet display heeft 3 functies. Het kande kilometerteller tonen en twee dag-tellers (gemiddeld brandstofverbruik).Wanneer het contactslot in de “ON”stand wordt gezet, zal het onder-staande openingspatroon wordenweergegeven. Nadat het openingspa-troon is weergegeven, toont het dis-play de functie die werd weergegevende laatste keer dat het contactslotwerd uitgeschakeld.(Model uitgerust met eenheidscha-kelfunctie)OPMERKING: • Houd de ADJ toets 2 ingedrukten zet het contactslot aan. Houdde ADJ toets 2 4 seconden inge-drukt voor het omschakelen tus-sen km en mijl.
De dagteller A kan bijvoor-beeld gebruikt worden voor het bij-houden van de afstand van eenbepaalde rit en de dagteller B kangebruikt worden om de afstand tus-sen twee benzinestops te registreren.Om een dagteller op nul terug te stel-len, houdt u ADJ toets 2 2 secondenlang ingedrukt terwijl het display dedagteller toont, A of B, die u wiltterugstellen.OPMERKING: Wanneer de afgelegdeafstand de 9999,9 overschrijdt, begintde dagteller weer vanaf 0,0 te tellen.Gemiddeld brandstofverbruikOm tussen “km/L” en “L/100 km”, of“MPG IMP” en “MPG US” om te scha-kelen, stelt u de meterfunctie D in ophet gemiddeld brandstofverbruik enhoudt dan de ADJ toets 2 2 secon-den lang ingedrukt. Het getoonde gemiddeld brandstof-verbruik is de gemiddelde brandstof-verbruikverhouding van dagteller A ofdagteller B.
De aanduiding voor hetgemiddeld brandstofverbruik looptvan 0,1 tot 99,9 (km/liter, MPG IMP,US) of van 2,0 tot 99,9 (liter/100 km).De aanduiding voor het gemiddeldbrandstofverbruik toont “– – . –” wan-neer de dagteller 0,0 aangeeft. Omde waarde voor het brandstofverbruikterug te stellen, moet u de dagtellerterugstellen.OPMERKING: De waarden op hetdisplay zijn een benadering. De aan-duidingen komen mogelijk niet altijdovereen met de werkelijke waarden.GROOTLICHTVERKLIKKERLAMPJE “” EDit blauwe lampje gaat knipperenwanneer het grootlicht wordt inge-schakeld.
2-16DEFECTVERKLIKKERLAMPJE “” FAls het brandstofinspuitsysteem uit-valt, gaat het defectverklikkerlampjeF branden en toont het display deaanduiding “FI” in het kilometerteller-displaygebied op de volgende tweemanieren:A. Het display D in het kilometertel-ler-displaygebied toont afwisse-lend “FI” en de kilometerteller/dagteller, en het defectverklikker-lampje F licht op en blijft bran-den.B. Het display D in hetkilometerteller-displaygebiedtoont continu “FI” en hetdefectverklikkerlampje Fknippert.Bij aanduiding A is het mogelijk dat demotor blijft werken, maar bij aandui-ding B zal de motor niet meer werken.OPMERKING: • Als het display continu “FI” aan-geeft en het defectverklikker-lampje knippert, kan de motor nietgestart worden.• Als het defectverklikkerlampjeoplicht en 3 maal snel knippert, isde accuspanning te laag.
Neemcontact op met een officiëleSuzuki-dealer om de motorfiets telaten nakijken.ADJSELRPMNGEARF0123456789101112ETRIPTRIPINTERVALOIL CHANGE1000r/minkm/hmphkm/LMPG IMPMPG USL/100kmLET OPHet defectverklikkerlampje gaatbranden als er een probleem ismet het brandstofinspuitsysteem.Wanneer het display “FI” aangeeften het defectverklikkerlampjeoplicht, moet u een officiëleSuzuki-dealer of een vakkundigemonteur zo spoedig mogelijk hetbrandstofinspuitsysteem latennakijken.
2-17Wanneer het display D “CHEC” aan-geeft in het kilometerteller-displayge-bied, moet u het volgendecontroleren:• Controleer of de motorstopscha-kelaar in de “” stand staat.• Controleer of de versnelling in devrijstand staat of de zijstandaardvolledig omhooggeklapt is.Als het display na het zeker stellenvan de bovenstaande punten nogsteeds “CHEC” aangeeft, controleerdan de ontstekingszekering en destekkers van de verbindingskabels.OLIEDRUKVERKLIKKERLAMPJE “” GDit verklikkerlampje gaat brandenwanneer de motoroliedruk benedenhet normale werkingsbereik daalt.
Hetlampje brandt wanneer het contact-slot in de “ON” stand staat en demotor niet draait.Zodra de motor wordt gestart, moethet lampje uitgaan.LET OPAls u na het starten van de motorde gasgreep opendraait of met demotorfiets rijdt terwijl het olie-drukverklikkerlampje brandt, kandit een nadelige invloed hebbenop de motor.Zorg dat het oliedrukverklikker-lampje uit is voordat u de gas-greep bedient of met de motorfietsrijdt.LET OPRijd niet met de motorfiets terwijlhet oliedrukverklikkerlampjebrandt, want dit kan resulteren inernstige beschadiging van demotor en de transmissie.Wanneer het oliedrukverklikker-lampje oplicht, duidt dit op eenlage oliedruk en moet u de motoronmiddellijk afzetten. Controleerhet oliepeil en vul indien nodigolie bij.
Als er volop olie is, maarhet lampje nog niet uitgaat, brengtu de motorfiets naar een officiëleSuzuki-dealer of een vakkundigemonteur om de motorfiets te latennakijken.
2-18ABS-VERKLIKKERLAMPJE “” H (DL250A)Dit verklikkerlampje gaat gewoonlijkbranden wanneer het contactslot inde “ON” stand wordt gedraaid en gaatuit wanneer de rijsnelheid hoger dan5 km/uur wordt. Als er een probleem is met het ABS(antiblokkeersysteem), gaat het ver-klikkerlampje knipperen of blijft hetlampje branden. Het ABS werkt nietwanneer het ABS-verklikkerlampjebrandt of knippert. OPMERKING: • Als het ABS-verklikkerlampje uit-gaat nadat de motor is gestartmaar voordat u gaat rijden, moet ude werking van het ABS-verklik-kerlampje controleren door hetcontactslot uit en dan weer aan tezetten. Het ABS-verklikkerlampjegaat soms uit wanneer u de motormet hoog toerental laat draaienvoordat u gaat rijden. Als hetABS-verklikkerlampje niet gaatbranden wanneer het contactwordt aangezet, moet u het sys-teem zo spoedig mogelijk dooreen officiële Suzuki-dealer latennakijken.
• Wanneer de motorfiets metdraaiende motor op de midden-standaard wordt gezet nadat metde motorfiets is gereden en demotor met hoge toeren heeftgedraaid, kan het ABS-controle-lichtje gaan branden. Controleerin dat geval of het ABS-controle-lichtje gaat branden wanneer hetcontactslot uit en dan weer aanwordt gezet. Controleer daarna ofhet ABS-controlelichtje uitgaatwanneer de rijsnelheid van demotorfiets hoger dan 5 km/uurwordt. Als het ABS-controlelichtjeniet uitgaat, moet u het systeemzo spoedig mogelijk door eenerkende Suzuki-dealer laten nakij-ken. WAARSCHUWINGRijden met de motorfiets terwijlhet ABS-verklikkerlampje brandt,kan gevaarlijk zijn. Als het ABS-verklikkerlampjeknippert of gaat branden tijdenshet rijden, parkeert u de motor-fiets op een veilige plaats en zetdan het contact af. Zet het con-tactslot na een poosje weer op“ON en controleer of het verklik-kerlampje gaat branden.
2-19LINKER HANDVATKOPPELINGSHENDEL 1De koppelingshendel wordt gebruiktom de aandrijving via het achterwielte onderbreken wanneer u de motorstart of wanneer u van versnellingverandert. De koppeling wordt ont-koppeld door de hendel in te knijpen.INHAALLICHTSCHAKELAAR 2 Druk op deze schakelaar om de kop-lamp te laten knipperen.DIMLICHTSCHAKELAAR 3“” standHet dimlicht van de koplamp gaatbranden.“” standHet grootlicht van de koplamp gaatbranden. Tevens gaat het grootlicht-controlelampje branden.LET OPWanneer u de dimlichtschakelaartussen de “” en “” standhoudt, zullen de hoge en lage kop-lampbundels beide tegelijk bran-den. Deze stand kan schade aande koplamp van de motorfiets ver-oorzaken.Gebruik de dimlichtschakelaaralleen in de “” of “” stand.LET OPHet aanbrengen van plakband ofandere voorwerpen voorop dekoplamp kan de hittestraling vande koplamp blokkeren.
ALARMKNIPPERLICHTSCHAKELAAR “” 6ON OFFWanneer deze schakelaar wordt aan-gezet terwijl het contactslot in de “ON”stand staat, zullen alle vier de rich-tingaanwijzers en de verklikkerlamp-jes gelijktijdig gaan knipperen.Gebruik de alarmknipperlichtinstalla-tie om het andere verkeer te waar-schuwen wanneer uw motorfiets eengevaar kan opleveren bij noodparke-ren e.d. WAARSCHUWINGHet kan gevaarlijk zijn om de rich-tingaanwijzer niet te gebruiken alsu een bocht wilt nemen en om derichtingaanwijzer niet uit te scha-kelen nadat u een bocht hebtgenomen. Andere weggebruikerszouden uw richting verkeerd kun-nen inschatten en dit zou kunnenresulteren in een ongeluk.Maak altijd gebruik van de rich-tingaanwijzer wanneer u van planbent om van rijbaan te wisselen ofeen bocht te maken. Let erop dat ude richtingaanwijzer uitschakeltnadat u van rijbaan hebt gewis-seld of de bocht hebt genomen.
2-21RECHTER HANDVATMOTORSTOPSCHAKELAAR 1“” standHet contactcircuit is uitgeschakeld.De motor zal nu niet starten ofdraaien.“” standHet contactcircuit is ingeschakeld ende motor kan draaien.VOORREMHENDEL 2Om de voorrem te gebruiken, trekt ude remhendel zachtjes in de richtingvan de gasgreep in. Deze motorfietsis uitgerust met een schijfrem en er isgeen grote kracht voor nodig om demotorfiets op de juiste wijze tot stil-stand te brengen. Wanneer de rem-hendel wordt ingetrokken, gaat hetremlicht branden.Afstellen van de voorremhendelDe afstand tussen de gasgreep en devoorremhendel kan in een van 5mogelijke posities worden afgesteld.Druk de remhendel naar voren endraai de afsteller in de gewenstestand.
Controleer na afstelling van deremhendel altijd of de afsteller in debetreffende stand is vergrendeld; hetuitsteeksel op het draaipunt van deremhendel moet in de uitholling vande afsteller vallen. De motorfietswordt afgeleverd met de afsteller instand 3. WAARSCHUWINGHet is gevaarlijk wanneer de posi-tie van de voorremhendel tijdenshet rijden wordt afgesteld. Wan-neer u uw hand van het stuurafneemt, ontstaat een bijzondergevaarlijke situatie.Verstel nooit tijdens het rijden destand van de voorremhendel.Houd beide handen aan het stuur.
2-22ELEKTRISCHE STARTSCHAKELAAR “” 3Deze schakelaar wordt gebruikt omde motor te starten. Wanneer hetcontactslot in de “ON” stand is gezet,de motorstopschakelaar in de “”stand staat en de versnelling in devrijstand is geschakeld, kunt u dekoppelingshendel intrekken en op deelektrische startschakelaar drukkenom de startmotor te activeren en demotor te starten.OPMERKING: Deze motorfiets is uit-gerust met een blokkeersysteem voorhet contactslot en het startcircuit. Demotor kan alleen gestart worden als:• De versnelling in de vrij staat, of• Een versnelling is ingeschakeld,de zijstandaard volledig is inge-klapt en de koppelingshendel isingetrokken.GASGREEP 4Het motortoerental wordt bepaalddoor de stand van de gasgreep. Draaide gasgreep naar u toe om het toe-rental te verhogen.
Draai de gasgreepvan u af om het toerental te verlagenLET OPAls de startmotor langer dan vijfseconden achtereen draait, kan erschade aan de startmotor en bedra-ding ontstaan door oververhitting.Laat de startmotor niet langer danvijf seconden achtereen draaien.Als de motor na verscheidenepogingen niet aanslaat, dient u debrandstoftoevoer en het ontste-kingssysteem te controleren.
Raad-pleeg het hoofdstukSTORINGZOEKEN in deze handlei-ding.LET OPAls het vrijstandcontrolelichtje ende versnellingsindicator niet dejuiste aanduidingen geven, kan erbij het starten van de motor ernstigemotorschade worden veroorzaakt.Controleer de volgende puntenalvorens de motor te starten:• Wanneer het vrijstandverklikker-lampje brandt, moet de versnel-lingsstand-indicator “0”(vrijstand) aangeven.• Wanneer het vrijstandverklikker-lampje uit is, moet de versnel-lingsstand-indicator “1”, “2”, “3”,“4”, “5” of “6” aangeven.• Raadpleeg uw Suzuki-dealer alshet vrijstandcontrolelichtje en deversnellingsindicator niet juistwerken.
2-23DOP VAN BENZINETANKOm de dop van de benzinetank teopenen, steekt u de contactsleutel inhet slot van de dop en draait de sleu-tel dan naar rechts. Terwijl de sleutelop zijn plaats blijft, haalt u de dop vande benzinetank met de sleutelomhoog. Om de dop van de benzine-tank te sluiten, duwt u de dop stevigomlaag met de sleutel in het slot vande dop totdat u een klikgeluid hoort.Gebruik verse benzine wanneer u debenzinetank vult. Gebruik geenslechte benzine die vervuild is metvuil, stof, water of andere vloeistoffen.Wees voorzichtig dat bij het tankengeen vuil, stof of water in de benzine-tank terechtkomt.Capaciteit brandstoftank: 17,3 L1 Benzineniveau2 Vulhals WAARSCHUWINGAls u de benzinetank te ver vult,kan die overstromen wanneer debenzine uitzet door de hitte van demotor of van de zon.
Benzine dieuit de tank stroomt kan gemakke-lijk vlam vatten.Stop met bijvullen wanneer debenzine de onderzijde van de vul-hals bereikt. WAARSCHUWINGAls u de veiligheidsmaatregelenniet in acht neemt bij het bijvullenvan benzine, kan er brand ont-staan of is het mogelijk dat u gif-tige dampen inademt.Tank uitsluitend in een goedgeventileerde ruimte. Zorg dat demotor is afgezet en let op dat ergeen benzine op een warme motorwordt gemorst. Rook niet en houdopen vuur en vonken uit de buurt.Vermijd benzinedampen in te ade-men. Houd kinderen en huisdierenuit de buurt van de motorfietswanneer u benzine bijvult.
2-24VERSNELLINGSPEDAALDeze motorfiets heeft 6 versnellingendie u als volgt bedient. Om op dejuiste wijze te schakelen, knijpt u dekoppelingshendel in en neemt u gasterug op hetzelfde moment dat u hetversnellingspedaal bedient. Beweeghet versnellingspedaal omhoog voorhet overschakelen in een hogere ver-snelling en omlaag om terug te scha-kelen. De vrijstand bevindt zichtussen de eerste en de tweede ver-snelling. Om de motor stationair telaten draaien, zet u het versnellings-pedaal in de stand tussen de eersteen de tweede versnelling.OPMERKING: Wanneer de versnel-ling in de vrijstand staat, brandt hetgroene verklikkerlampje op het instru-mentenpaneel. Ook al brandt hetlampje, laat de koppeling toch altijdvoorzichtig en langzaam los om uit tevinden of de versnelling werkelijk inde vrijstand staat.Verminder uw snelheid voordat uterugschakelt.
Geef gas om de motorharder te laten draaien wanneer uterugschakelt. Hierdoor voorkomt uonnodige slijtage van de onderdelenvan de aandrijfas en het achterwiel.ACHTERREMPEDAALDruk het achterrempedaal naar bene-den om de achterwielschijfrem in wer-king te stellen. Het remlicht gaatbranden wanneer de achterremgebruikt wordt.5432
2-25ZADELSLOT EN HELMHOUDERSZADELSLOTHet zadelslot bevindt zich onder hetlinker framedeksel. Om het zadel teverwijderen, steekt u de contactsleu-tel in het slot en draait de sleutel dannaar rechts.Til het achtereind van het zadelomhoog en schuif het zadel naar ach-teren.Om het zadel te bevestigen, schuift ude zadelhaken in de houders en ver-volgens drukt u stevig op het zadeltotdat dit op zijn plaats vergrendelt. WAARSCHUWINGIndien het zadel niet stevig ver-grendeld is, kan dit gaan verschui-ven waardoor de rijder de controleover de motorfiets verliest.Zorg ervoor dat het zadel in dejuiste positie is en goed is ver-grendeld.
Om de helmhouders tegebruiken, moet u het zadel verwijde-ren, de helm aan de helmhouderhaken en dan het zadel weer vastma-ken.ZIJSTANDAARDEr is een blokkeersysteem aange-bracht om het contactcircuit te onder-breken als de zijstandaard uitgeklaptis of de versnelling in een anderestand dan de vrijstand geschakeld is.Het zijstandaard/contactcircuit-blok-keersysteem werkt als volgt:• De motor kan niet gestart wordenals de zijstandaard uitgeklapt isen de versnelling ingeschakeld is.• De motor slaat af als met draai-ende motor en de zijstandaard uit-geklapt, de versnellingingeschakeld wordt.• De motor slaat af als met draai-ende motor en de versnellingingeschakeld, de zijstandaard uit-geklapt wordt. WAARSCHUWINGRijd niet met de motorfiets wan-neer er een helm aan de helmhou-der is vastgemaakt, aangezien ditertoe zou kunnen leiden dat u decontrole over de motorfiets ver-liest.Neem een helm niet mee in dehelmhouder.
2-27ACHTERWIELVERINGAfstellen van de voorspanning van de vering1. Verwijder het zadel zoals beschre-ven in het hoofdstuk ZADELSLOTEN HELMHOUDERS.2. De voorspanning van de achterve-ring kan worden afgesteld om tecompenseren voor het gewichtvan de rijder, de belading, de rij-stijl en de wegomstandigheden.De veervoorspanning is instelbaarop een van 7 standen. Zet demotorfiets op de zijstandaard omde instelling te wijzigen. Draai deveerspanningsring in de gewenstestand met behulp van de afstellerin de gereedschapsset. Bij stand1 wordt de zachtste vering verkre-gen en bij stand 7 wordt de stug-ste vering verkregen. Demotorfiets wordt afgeleverd metde afsteller in stand 3. WAARSCHUWINGAls de zijstandaard niet volledig isingeklapt, kan dit resulteren in eenongeluk wanneer u een bocht naarlinks maakt.Controleer de werking van het zij-standaard/contactcircuit-blokkeer-systeem voordat u wegrijdt.
Zorgervoor dat de zijstandaard volledigis ingeklapt voordat u wegrijdt.LET OPAls u niet voorzichtig genoeg bentbij het parkeren, kan de motorfietsomvallen.Parkeer de motorfiets zo mogelijkop een stevige, vlakke onder-grond. Als u moet parkeren op eenhelling, dient u de voorkant van demotorfiets bergop te richten en detransmissie in de eerste versnel-ling te zetten, om de kans dat demotorfiets van de zijstandaard roltte verkleinen.
2-28Label van de achterveringOPMERKING: Neem contact op metuw Suzuki-dealer voor het opruimenvan de achterveringseenheid.STROOMUITGANGSAANSLUITINGDe DL250/A is uitgerust met eenstroomuitgangsaansluiting waarop u12V elektrische accessoires kuntaansluiten. Het totale opgenomenvermogen dat beschikbaar is voor deaccessoires is 36W tijdens het rijdenen maximaal 12W tijdens stationairdraaien van de motor.
Controleer hetvoltage en het opgenomen vermogenvan de accessoires voordat u deze opde stroomuitgangsaansluiting aan-sluit. WAARSCHUWINGDeze eenheid bevat stikstofgasonder hoge druk.Verkeerde behandeling kan resul-teren in een explosie.• Houd uit de buurt van vuur enhitte.• Lees de handleiding voor ver-dere informatie. WAARSCHUWINGAls u een lange stekker in destroomuitgangsaansluiting steekt,kan deze de beweging van hetstuur hinderen waardoor de veilig-heid van de motorfiets in gevaarwordt gebracht en u uw evenwichtkunt verliezen en vallen.Draai het stuur naar rechts enlinks nadat u de stekker in destroomuitgangsaansluiting hebtgestoken om te controleren of destekker de beweging van het stuurniet hindert.
2-29 WAARSCHUWINGAls bij gebruik van de stroomuit-gangsaansluiting de aangeslotenelektrische accessoires niet juistzijn geplaatst of aangesloten, kande beweging van het stuur wordengehinderd en/of kunnen de acces-soires vallen.Draai het stuur naar rechts enlinks voordat u gaat rijden om tecontroleren of de beweging nietwordt gehinderd en de accessoi-res stevig zijn bevestigd en aange-sloten.LET OPBij gebruik van verkeerde elektri-sche accessoires kan uw motor-fiets worden beschadigd.
Als hetopgenomen vermogen de maxi-male waarde overschrijdt of hetvoltage van het accessoire nietgelijk is aan 12V, kunnen de elek-trische installatie en het acces-soire worden beschadigd.Controleer het voltage en hetopgenomen vermogen voordat ude elektrische accessoires aan-sluit.LET OPWanneer een vermogen van 12Wof meer tijdens stationair draaienwordt gebruikt, kan de accu uitge-put raken.Gebruik niet meer dan 12W tijdensstationair draaien.LET OPAls er water in de uitgangsaanslui-ting terechtkomt, kan dit kortslui-ting veroorzaken.Maak geen gebruik van de uit-gangsaansluiting terwijl u doorwater rijdt, tijdens het wassen vande motorfiets of als het regent.Verwijder in dergelijke situaties destekker en sluit de kap.
Als dit het probleem nietoplost, moet u contact opnemenmet uw Suzuki-dealer.• Als u vaststelt dat de motor klopt,vervang dan de benzine door eenmet een hoger octaangetal of pro-beer benzine van een ander merk,omdat er verschil bestaat tussende merken.AANBEVOLEN GEOXYGENEERDE BRANDSTOF(EU)Geoxygeneerde brandstof die vol-doet aan het minimum octaangehalteen aan de onderstaande vereistenmag ook gebruikt worden, zonder dathierdoor de voorzieningen van deBeperkte garantie voor een nieuwvoertuig (New Vehicle Limited War-ranty) of de Garantie voor het emis-sieregelsysteem (Emission ControlSystem Warranty) in gevaar wordengebracht.OPMERKING: Geoxygeneerdebrandstof is brandstof die zuurstofdra-gende toevoegingen bevat zoals alco-hol. Benzine/ethanol-mengselsMengsels van loodvrije benzine enethanol (graanalcohol), ook bekendals “GASOHOL”, zijn in sommigegebieden verkrijgbaar.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Suzuki V-Strom 250 (2020) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Motor Suzuki
Handleiding Motor
Nieuwste handleidingen voor Motor